---
title: "HvJ EU, 37/73 en 38/73, arrest van 13 december 1973 · EEG-Verdrag art. 29 en art. 18"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 december 1973, 37/73 en 38/73: EEG-Verdrag art. 29 en art. 18."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-37-73-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-37-73-arret"
---

# Arrest van het Hof van 13 december 1973, 37/73 en 38/73 · EEG-Verdrag art. 29 en art. 18

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaken**

37/73, 38/73

**ECLI**

ECLI:EU:C:1973:165

**Datum**

13 december 1973

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

C-37/73, C-38/73 Arbeidsrechtbank Antwerpen, 11e kamer (België) beslissing van 23 februari 1973 4.261 ; 4.318

**Zaak ingediend op**

7 maart 1973

**Advocaat-generaal**

Warner

**Nationale beslissing na het arrest**

C-37/73 Arbeidsrechtbank Antwerpen, 11e kamer beslissing van 22 november 1974 4.261 ; C-37/73 Hof van Cassatie, 3e kamer beslissing van 14 januari 1976 1564 ; C-38/73 Arbeidsrechtbank Antwerpen, 11e kamer beslissing van 22 november 1974 4.318

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Nederlands

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1973, blz. 1609

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Monaco

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Handelspolitiek](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-14) 21 beslissingen
  - [Vrij verkeer van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02%2C578-4.02) [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04)

    - [Gemeenschappelijk douanetarief](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04.02) 29 beslissingen
    - [Handelsverkeer met derde landen en algemene bepalingen van het Verdrag](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04.01) 5 beslissingen

## Tekst

80 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten, het onderwerp van de vraag en de standpunten van partijen als volgt zijn samengevat in onderstaand rapport ter terechtzitting:

#### I — De feiten en het procesverloop

1.

In de Belgische wet van 12 april 1960 tot oprichting van een Sociaal Fonds voor de diamantarbeiders is bij wet van 28 juli 1962 een artikel 2 bis ingevoegd, waarvan de eerste en tweede alinea luiden als volgt:

> „Alle personen, die ruwe diamant invoeren, zijn gehouden tot betaling van een bijdrage, bestemd om het Sociaal Fonds toe te laten de opdracht te vervullen, waarmede het door artikel 2 belast is.
>
> Het bedrag van de door deze personen verschuldigde bijdrage is gelijk aan 1 / 3 % van de waarde van de door hen ingevoerde ruwe diamant.”

Deze regeling stuitte op bezwaren van de importeurs van ruwe diamant, die onder meer aanvoerden dar de bijdragen aan het Fonds moesten worden beschouwd als — in het Verdrag verboden — heffingen van gelijke werking als douanerechten; in dit verband werd het Hof van Justitie toen verzocht om een prejudiciële beslissing die werd gegeven bij arrest van 1 juli 1969 (gevoegde zaken 2 en 3-69, Jurisprudentie 1969, blz. 211).

Naar aanleiding van dit arrest werd de wet van 12 april 1960 gewijzigd bij wet van 13 april 1971, bepalende:

> „artikel 1
>
> Artikel 2 bis van de wet van 12 april 1960 … wordt in die zin geïnterpreteerd dat er vrijstelling van de bijdrage bestaat wanneer dit overeenkomstig de voor België geldende internationale verplichtingen behoort te zijn.
>
> artikel 2, tweede alinea
>
> Daarenboven bepaalt de Koning de maatregelen welke noodzakelijk zijn om de verplichting tot betaling van een bijdrage in overeenstemming te brengen met de voor België geldende internationale verplichtingen.”

Ten slotte is in artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 26 april 1971 ter uitvoering van de wet van 13 april 1971 onder meer bepaald:

> „De … bijdrage is evenmin verschuldigd voor de invoer van ruwe diamant komende uit de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap of uit de geassocieerde landen van die Gemeenschap.”

De NV Indiamex (hierna te noemen „Indiamex”), de Feitelijke Vereniging De Belder en haar vennoten J. W. L. De Belder en R. De Belder (hierna te noemen „De Belder”), importeurs van ruwe diamant uit derde landen, betoogden voor de Arbeidsrechtbank te Antwerpen dat na *de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief* (GDT) (op 1 juli 1968) de toepassing van een bijdrage op de invoer van ruwe diamant onverenigbaar moest worden geacht met de doelstellingen van het Verdrag en verordening nr. 950/68 van de Raad betreffende het gemeenschappelijk douanetarief, daar nationale heffingen van gelijke werking als douanerechten vanaf die datum ook verboden zijn op de rechtstreekse invoer uit *niet* met de Gemeenschap *geassocieerde derde landen.*

Het Sociaal Fonds voor de Diamantarbeiders (hierna te noemen „Fonds”) bestreed deze opvatting, waartoe het onder meer betoogde dat de onderdanen der Lid-Staten zich uitsluitend op eventuele onverenigbaarheid met het Verdrag kunnen beroepen, indien de Commissie, optredend in het kader van de artikelen 155 en 169 van het Verdrag, een ernstige belemmering voor de werking van de douane-unie en het gemeenschappelijk douanetarief heeft vastgesteld en deswege stappen heeft ondernomen.

De Arbeidsrechtbank te Antwerpen heeft, gelet op bovengenoemde wettelijke bepalingen en de Gemeenschapsregeling, alsmede op 's Hofs voornoemd arrest in de zaken 2 en 3-69, bij vonnissen van 23 februari 1973, ingekomen ter griffie van het Hof op 7 maart 1973, besloten de beide gedingen te schorsen en overeenkomstig artikel 177 van het EEG-Verdrag de volgende vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen:

> 1.„ Stelt het EEG-Verdrag en/of de verordening nr. 950/68 van de Raad van 28 juni 1968 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief grenzen aan de vrijheid van de Lid-Staten, om na 1 juli 1968 heffingen met gelijke werking als douanerechten in te voeren of te handhaven op de invoer van goederen rechtstreeks uit derde landen?
>
> 2.Moeten heffingen met gelijke werking als een douanerecht geheven op de invoer van goederen rechtstreeks uit derde landen, na 1 juli 1968 altijd, onder alle omstandigheden, of enkel onder bepaalde omstandigheden, of moeten enkel bepaalde heffingen met gelijke werking onder alle omstandigheden of enkel onder bepaalde omstandigheden, strijdig worden geacht met de voorschriften of de doelstellingen van het EEG-Verdrag en/of van het gemeenschappelijk douanetarief?
>
> 3.Is het handhaven door een Lid-Staat, van een voorheen reeds bestaande heffing met gelijke werking als een douanerecht, op invoer van goederen rechtstreeks uit derde' landen, na 1 juli 1968, te beschouwen als een wijziging of toevoeging aan het GDT — in de zin van de arresten van het Hof van Justitie, in de zaken 40-69 van 18 februari 1970 (Bollmann) en 74-69 van 18 juni 1970 (Krohn)?
>
> 4.Mogen de Lid-Staten bestaande heffingen met gelijke werking als een douanerecht bij het in werking treden van het GDT behouden, of bracht dit voor de Lid-Staten de verplichting mee deze heffingen af te schaffen?
>
> 5.Vooronderstelt een eventuele verplichting tot afschaffing een optreden van de Commissie van de EEG op grond van artikel 155 en 169 van het Verdrag?
>
> 6.Vooronderstelt een eventuele verplichting tot afschaffing de vaststelling van een verstoring — eventueel een ernstige verstoring — van de werking van het GDT?
>
> 7.Behoort de vaststelling van dergelijke verstoring tot de uitsluitende bevoegdheid van de Commissie van de EEG (artikel 29 van het Verdrag)?
>
> 8.Kunnen de „mogelijk ter verwezenlijking van de doelstellingen van het GDT aan de Lid-Staten op te leggen beperkingen” — waarover sprake is in het dictum sub 2 van het arrest van het Hof van Justitie van 1 juli 1969, in de zaken 2 en 3-69, Sociaal Fonds voor de Diamantarbeiders/ Chougol en Brachfeld — enkel voortvloeien uit een handeling van de bevoegde lichamen van de EEG of ook uit de doelstellingen van het Verdrag en het GDT zelf?”

2.

Indiamex, ten deze vertegenwoordigd door A. Le Paige, De Belder, ten deze vertegenwoordigd door J. Dyck, het Fonds, ten deze vertegenwoordigd door G. Impens, en de Commissie der Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A. Abate, hebben overeenkomstig artikel 20 van het Statuut van het Hof van Justitie schriftelijke opmerkingen ingediend.

Het Hof heeft, op rapport van de Rech-ter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Opmerkingen ingediend krachtens artikel 20 van het Statuut van het Hof

##### A — Opmerkingen van het Fonds

Het Fonds beschrijft de structuur en de doelstelling van de betrokken heffing in het Belgisch recht en wijst op het zijns inziens uitsluitend sociale oogmerk der heffing en de desbetreffende nationale wetgeving.

Het brengt in herinnering dat de problematiek in verband met deze heffing reeds aan de orde is gekomen in 's Hofs arrest van 1 juli 1969 (zaken 2 en 3-69). Na een overzicht te hebben gegeven van de conclusies die het Fonds aan dit arrest meent te kunnen verbinden en waaruit 's Hofs standpunt ten deze zou kunnen worden afgeleid, belicht het Fonds een aantal aspecten van dat vraagstuk vanuit het Gemeenschapsrecht.

###### a) Onderscheid in de Verdragsvoorschriften betreffende de douane-unie

Het Fonds merkt op dat in het Verdrag de afschaffing van de douanerechten tussen de Lid-Staten en de vaststelling van het gemeenschappelijk douanetarief twee verschillende onderwerpen zijn. Tal van bepalingen betreffende de afschaffing van de douanerechten tussen de Lid-Staten gelden niet automatisch voor de vaststelling van het gemeenschappelijk douanetarief.

Vooral wat de toepassing van heffingen van gelijke werking als douanerechten betreft, blijkt uit 's Hofs arrest in de gevoegde zaken 2 en 3-69 dat bedoelde heffingen verboden zijn in het intracommunautaire handelsverkeer, doch zijn toegelaten in het verkeer met derde landen. Voor de tijd na de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief werd voor de principiële toelaatbaarheid van deze heffingen een voorbehoud gemaakt („onverminderd de mogelijk ter verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk douanetarief ov te leggen beperkingen”), maar het Hof spreekt zich hier niet in imperatieve zin uit. Uit het arrest blijkt duidelijk dat de voorschriften die „aan de Lid-Staten bepaalde en duidelijk omschreven verplichtingen opleggen, welke zonder enige verdere maatregel van nationale gezagsorganen kunnen worden uitgevoerd” (22e overweging), betrekking hebben op de verbodsbepalingen van de artikelen 9 en 12 van het Verdrag en niet op de bepalingen inzake de vaststelling van het gemeenschappelijk douanetarief. Alleen eerstgenoemde bepalingen doen rechtstreeks ten behoeve van de justitiabelen rechten ontstaan en niet de laatstgenoemde bepalingen, die trouwens niet voldoen aan de voorwaarden welke het Hof stelt aan het bestaan van een self-executing bepaling.

###### b) Het gemeenschappelijk douanetarief en de handelspolitiek

Volgens het Fonds volgt uit artikel 3, sub b, van het Verdrag dat het gemeenschappelijk douanetarief en de handelspolitiek zeer nauw verbonden zijn. De problematiek omtrent de heffingen van gelijke werking in het kader van het gemeenschappelijk douanetarief moet dus, wat de invoer uit derde landen betreft, in verband worden gebracht met de handelspolitiek der Gemeenschap, die door het Verdrag in handen is gelegd van de Raad en de Commissie. Dit is ook de reden waarom de artikelen 18 tot en met 29 van het Verdrag geen principieel verbod van heffingen van gelijke werking bevatten. Deze zijn slechts verboden voor zover zij door de bevoegde Gemeenschapsinstellingen onverenigbaar worden geacht met de goede werking van het gemeenschappelijk douanetarief en de handelspolitiek van de Gemeenschap.

Overigens is het gemeenschappelijk douanetarief geen strak en onbuigzaam tariefpatroon, doch een soepel systeem dat de Gemeenschap onder meer een politiek wapen bij tariefonderhandelingen met derde landen biedt.

###### c) Het gemeenschappelijk douanetarief en de nationale toepassingsregelen

Het Fonds merkt op dat de verwezenlijking van de douane-unie niet alleen is gebonden aan de vaststelling van het gemeenschappelijk douanetarief, maar ook aan een aantal regels van het nationale douanerecht van de Lid-Staten die de toepassing en de goede werking van het gemeenschappelijk douanetarief moeten verzekeren. Daar het douanerecht niet in alle Lid-Staten gelijk is, rijst het probleem van de harmonisatie. Harmonisatie is echter niet mogelijk zonder de medewerking van de Raad en de Commissie als bevoegde instanties voor het vaststellen en ontwikkelen van de handelspolitiek der Gemeenschap.

###### d) De vaststelling van het gemeenschappelijk douanetarief

Het Fonds betoogt voorts dat de Commissie, met het oog op eventuele moeilijkheden bij de vaststelling van het gemeenschappelijk douanetarief, bij de artikelen 18 tot en met 29 van het Verdrag speciale taken alsmede een bevoegdheid tot toezicht (artikel 155) en optreden heeft gekregen. Van een optreden kan echter slechts sprake zijn bij „ernstige” verstoringen van het economisch leven of van de werking van het gemeenschappelijk douanetarief. Dat elke verstoring, hoe gering ook, in strijd zou zijn met de doelstellingen van het Verdrag, wordt duidelijk weersproken door de artikelen 25, 26 en 29 van het Verdrag. Bovendien moet de Commissie, zodra zij vaststelt dat een Lid-Staat een krachtens het Verdrag op hem rustende verplichting niet is nagekomen, op grond van artikel 169 van het Verdrag daartegen optreden.

Uit dit geheel van rechtsregels volgt dat de toepassing van heffingen van gelijke werking als douanerechten op rechtstreeks uit derde landen ingevoerde goederen slechts ongeoorloofd is te achten na de voorafgaande vaststelling door de Commissie dat de regel van het vrije verkeer van de in een Lid-Staat vrij verhandelbare goederen niet toereikend is om de storende gevolgen van deze — voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk douanetarief schadelijke — nationale maatregelen te corrigeren. Hoewel nationale heffingen van gelijke werking in beginsel niet verboden zijn, zou het in het algemeen toch ingaan tegen de goede werking van dit tarief en de doelstellingen van het Verdrag, wanneer een Lid-Staat reeds bestaande belastingen zou verhogen of nieuwe belastingen zou instellen om, bij voorbeeld, de gevolgen op te vangen van een verlaging van het nationaal tarief in het kader van de geleidelijke invoering van het gemeenschappelijk douanetarief.

Hoe dit ook zij, het punt van de verstoring is een vraag van feitelijke aard, die van geval tot geval moet worden beantwoord en buiten het bestek van het onderhavige geding valt, waarin het alleen gaat om de uitlegging van het gemeenschapsrecht. De beantwoording van deze vraag hangt voorts af van een aantal feiten die noch aan partijen noch aan de nationale rechterlijke instanties ter beoordeling staan. Alleen de Commissie en eventueel de Lid-Staten kunnen een dergelijke vraag aan het Hof voorlegen.

###### e) Verordening nr. 950/68 van de Raad

Het Fonds merkt op dat, hoewel het gemeenschappelijk douanetarief is neergelegd in een verordening van de Raad en verordeningen ingevolge artikel 189 van het Verdrag rechtstreeks toepasselijk zijn, men ten aanzien van de rechtstreekse toepasselijkheid van gemeenschapsrechtelijke bepalingen twee elementen duidelijk moet onderscheiden: Verdragsbepalingen enerzijds en voorschriften van verordeningen anderzijds. Alleen bij Verdragsbepalingen kan zich het probleem van rechtstreekse toepasselijkheid van communautaire rechtsnormen voordoen. In feite voldoet echter geen enkele Verdragsbepaling betreffende de vaststelling van het gemeenschappelijk douanetarief aan de voorwaarden voor rechtstreekse werking. De artikelen 18 tot en met 29 bevatten voor heffingen van gelijke werking geen verbod, zoals in artikel 12 is neergelegd alleen met betrekking tot het intracommunautaire handelsverkeer. Er is dus geen sprake van dat deze bepalingen als „self-executing” kunnen worden aangemerkt. Anderzijds bevat noch de tekst noch de preambule van verordening nr. 950/68 enigerlei bepaling waaruit een principieel verbod van heffingen van gelijke werking kan worden afgeleid. Verordening nr. 950/68 betreft enkel en alleen douanerechten.

Het is overigens onjuist dat deze verordening „de akte is die het gemeenschappelijk douanetarief bevat”. Verordening nr. 950/68 is slechts een van de vele verordeningen die de Raad tot op heden heeft vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk douanetarief. De gevolgtrekkingen die Indiamex en De Belder verbinden aan 's Hofs jurisprudentie over de bevoegdheden der Lid-Staten inzake onderwerpen van Gemeenschapsverordeningen, moeten in het licht van het voorgaande worden beoordeeld.

###### f) De doelstellingen van het Verdrag

Het Fonds wijst erop dat het Verdrag, in tegenstelling tot het bepaalde in de afdeling „afschaffing van de douanerechten tussen de Lid-Staten”, in de afdeling „vaststelling van het gemeenschappelijk douanetarief” geen enkel verbod van heffingen van gelijke werking op rechtstreekse invoer vanuit derde landen bevat, en concludeert hieruit dat de auteurs van het Verdrag die heffingen in principe niet strijdig hebben geacht met de doelstellingen van het Verdrag.

De in artikel 5, lid 2, van het Verdrag vervatte verplichting van de Lid-Staten om deze doelstellingen nier in gevaar te brengen, wordt vooral ook bepaald door het — reeds door het Hof bevestigde — beginsel dat haar inhoud van geval tot geval afhangt van de betrokken bepalingen van het Verdrag of van de regelen welke uit het algemeen stelsel van het Verdrag kunnen worden afgeleid.

Hoewel het gemeenschappelijk douanetarief een middel is voor de totstandkoming van een gemeenschappelijke handelspolitiek, bevat het toch een aantal uitzonderingen, verband houdend met de doelstellingen van het Verdrag. Het zou daarom onlogisch zijn om elke heffing van gelijke werking, van hoe gering belang ook, strijdig te achten met de grondslagen van de Gemeenschap en de doelstellingen van het Verdrag. Enerzijds moet het een ernstige verstoring betreffen en anderzijds dient deze in een veel ruimer kader dan alleen het gemeenschappelijk douanetarief te worden gezien. Vooralsnog is allerminst bewezen dat de litigieuze bijdrage een reële verstoring van dien aard met zich brengt (cf. de in de memorie opgenomen statistische gegevens).

Het Fonds verwijst herhaaldelijk naar een bij de schriftelijke opmerkingen gevoegd advies van G. Van Hecke, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit te Leuven. Dit advies geeft een overzicht van de aan het geding ten grondslag liggende feiten en gaat nader in op het algemene vraagstuk van nationale heffingen van gelijke werking bij rechtstreekse invoer uit derde landen, waarna ten aanzien van de verschillende vragen als volgt wordt geconcludeerd:

1\. Het EEG-Verdrag en verordening nr. 950/68 stellen geen principieel einde aan de mogelijkheid van de Lid-Staten om heffingen van gelijke werking in te voeren of te handhaven. De vrijheid der Lid-Staten om een heffing van gelijke werking in te voeren of te handhaven, bestaat in de mate waarin deze vrijheid verzoenbaar is met de handelspolitiek van de EEG.

2\. Heffingen van gelijke werking als een douanerecht, geheven op de invoer van goederen rechtstreeks uit derde landen, kunnen niet strijdig zijn met het gemeenschappelijk douanetarief, daar zij niet tot het tariefrecht behoren. Zij kunnen evenwel in bepaalde omstandigheden strijdig zijn met de doelstellingen van het Verdrag.

3\. De Lid-Staten mogen het tariefrecht, zoals neergelegd in het douanetarief, niet wijzigen noch aanvullen. Een heffing van gelijke werking als een douanerecht op invoer vanuit derde landen vormt echter geen wijziging of aanvulling van het gemeenschappelijk douanetarief. Het douanetarief behoort immers tot het tariefrecht, terwijl bedoelde heffing onder de douanewetgeving valt.

4\. Waar heffingen van gelijke werking onder de douanewetgeving vallen, houdt de oplossing van het onderhavige probleem nauw verband met de harmonisatie van deze wetgeving. Deze harmonisatie bestrijkt echter een groot aantal wetsbepalingen en vereist toepassing van de artikelen 100-102 van het Verdrag. Zonder harmonisatie valt niet in te zien welke bepalingen voor de Lid-Staten de verplichting meebrengen heffingen van gelijke werking af te schaffen.

5\. Indien bedoelde heffingen in strijd zijn met een doelstelling van het Verdrag, is voor afschaffing daarvan een optreden van de Commissie vereist. In geval van strijd met een uitdrukkelijke verbodsbepaling of misbruik van bevoegdheid bij de toepassing dier heffingen is een dergelijk optreden echter niet vereist.

6\. Voor de afschaffing van heffingen van gelijke werking die worden toegepast in het handelsverkeer met derde landen, is het niet nodig een verstoring van de werking van het gemeenschappelijk douanetarief vast te stellen. De verplichting tot afschaffing van dergelijke heffingen kan ook volgen uit andere omstandigheden dan deze verstoring.

7\. De Commissie blijft bij uitsluiting bevoegd om te beoordelen of er sprake is van een verstoring van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en om daartegen maatregelen te treffen.

8\. De doelstellingen van het gemeenschappelijk douanetarief behoren tot de doelstellingen van het Verdrag. De beperkingen die in verband met deze doelstellingen aan de Lid-Staten kunnen worden opgelegd, vallen onder de waakzaamheid van de Gemeenschapsinstellingen.

##### B — Opmerkingen van Indiamex en De Belder

Indiamex en De Belder hebben identieke memories overgelegd en verklaren dat deze zijn opgesteld aan de hand van een advies van M. Walbroek, hoogleraar aan de Universiteit te Brussel en directeur „des recherches juridiques à l'Institut d'Études Européennes”.

Zij merken in de eerste plaats op dat in 's Hofs arrest in de zaken 2 en 3-69 weliswaar wordt overwogen dat het innen van een bijdrage op de invoer van ruwe diamant, afkomstig uit derde landen, in de periode vóór de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief verenigbaar is met het Verdrag, doch dat in de periode nà de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief moeilijkheden voor de Gemeenschap zouden kunnen ontstaan waaneer een Lid-Staat eenzijdige maatregelen neemt of handhaaft die ertoe strekken andere geldelijke lasten dan douanerechten te leggen op de invoer van goederen, rechtstreeks afkomstig uit derde landen.

Na een korte bespreking van de beginselen die de werking van de EEG beheersen, met name in het licht van artikel 9 van het Verdrag, gaan Indiamex en De Belder nader in op deze beginselen; zij wijzen erop dat na de totstandkoming van het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap en van het gemeenschappelijk douanetarief de toepassing door de Lid-Staten van heffingen van gelijke werking op de invoer uit derde landen leidt tot zowel omleidingen van het handelsverkeer en een stijging van de kosten van invoer, als tot verstoring van het in het Verdrag aangebrachte evenwicht tussen de bevoegdheden van de Lid-Staten en van de instellingen der Gemeenschap. Let men eveneens op het arrest van het Hof van Justitie in de zaken 2 en 3-69, dan is de eenzijdige heffing door een Lid-Staat, na de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief, van een andere geldelijke last dan een douanerecht bij invoer van uit derde landen afkomstige goederen principieel onverenigbaar met de goede werking van de douane-unie.

Bovendien moet niet uit het oog worden verloren dat de rechtstreekse toepasselijkheid van verordening nr. 950/68 meebrengt dat, tenzij anders is bepaald, het de Lid-Staten verboden is maatregelen te nemen die de draagwijdte van die verordening aantasten. Daaruit volgt dat nationale maatregelen tot instelling van andere heffingen dan die van het gemeenschappelijk douanetarief op de invoer van produkten uit derde landen, in strijd zijn met het Verdrag, daar zij de draagwijdte van verordening nr. 950/68 wijzigen.

Bovendien zou de mogelijkheid voor de Lid-Staten om heffingen van gelijke werking als douanerechten toe te passen, indruisen tegen de eis van een uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief tegenover derde landen en aldus de harmonische werking van de douaneunie in gevaar brengen. De staat die deze eis veronachtzaamt, handelt duidelijk in strijd met artikel 5, tweede alinea, van het Verdrag, daar de harmonische werking van de douane-unie immers een doelstelling is welke de Lid-Staten dienen te eerbiedigen. Voorts is het in dit artikel neergelegde verbod gericht tot alle nationale organen, dus ook tot de rechterlijke macht. Het verbod is duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk en laat de Lid-Staten geen enkele beoordelingsvrijheid. Het is onjuist te stellen dat de werking van het gemeenschappelijk douanetarief een kwestie van feitelijke aard is, die uitsluitend behoort tot de bevoegdheid van de Commissie of de Lid-Staten en derhalve is onttrokken aan de beoordeling van de nationale rechter. Integendeel, deze is heel wel in staat te beoordelen of een bepaling van nationaal recht de eenvormige toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief in gevaar kan brengen en daardoor in conflict kan komen met de doeleinden van dit tarief. De justitiabelen zijn dan ook gerechtigd zich bij hun nationale rechter te beroepen op de onverenigbaarheid met het Verdrag van een heffing van gelijke werking als een douanerecht op een rechtstreekse invoer uit derde landen.

Overigens spruit de rechtstreekse toepasselijkheid van dit verbod niet slechts voort uit artikel 5, tweede alinea, maar ook uit de aard van verordening nr. 950/68. Het feit, dat het bij deze verordening ingestelde gemeenschappelijk douanetarief niet automatisch tot stand is gekomen maar door ingewikkelde verrichtingen waarbij de instellingen van de Gemeenschap een belangrijke rol hebben gespeeld, en dat het tarief onderhevig kan zijn aan wijzigingen of bepaalde uitzonderingen overeenkomstig de artikelen 25, 26 en 28 van het Verdrag, kan geen afbreuk doen aan zijn rechtstreekse toepasselijkheid.

Ten slotte betwisten Indiamex en De Belder dat de litigieuze heffing wel aanvaardbaar zou zijn onder het Verdrag, omdat het hier slechts om een miniem bedrag gaat. Uit 's Hofs arrest in de zaken 2 en 3-69 blijkt immers, dat de geringheid van een heffing van gelijke werking geen element is dat een dergelijke heffing kan wettigen in de betrekkingen tussen de Lid-Staten: het valt niet in te zien waarom dit niet tevens zou gelden voor de betrekkingen met derde landen.

Op grond van de voorgaande opmerkingen stellen Indiamex en De Belder voor de door de nationale rechter gestelde vragen te beantwoorden als volgt:

1\. Zowel de artikelen 18 tot en met 29 van het Verdrag als verordening nr. 950/68 van 28 juni 1968 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief, beperken de vrijheid van de Lid-Staten om vanaf 1 juli 1968 heffingen van gelijke werking als een douanerecht te handhaven of in te voeren op de invoer van goederen, rechtstreeks afkomstig uit derde landen.

2\. Behalve in de gevallen waarin het opleggen van zulke heffingen uitdrukkelijk werd toegestaan door een regelmatige beslissing van de Gemeenschap, moeten alle heffingen van deze aard op de invoer van goederen, rechtstreeks afkomstig uit derde landen, na 1 juli 1968 altijd en in alle omstandigheden worden beschouwd als onverenigbaar met de doeleinden van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het gemeenschappelijk douanetarief. Het eventueel beperkt karakter van de heffing is niet voldoende om deze heffing verenigbaar te maken met genoemde doeleinden.

3\. Het handhaven door een Lid-Staat na 1 juli 1968 van een voor die datum ingestelde heffing van gelijke werking als een douanerecht op de invoer van goederen rechtstreeks afkomstig uit derde landen, is een maatregel die ten doel heeft de draagwijdte van het gemeenschappelijk douanetarief te wijzigen en iets toe te voegen aan de bepalingen daarvan.

4\. Het inwerkingtreden van het gemeenschappelijk douanetarief heeft voor de Lid-Staten de verplichting geschapen alle bestaande heffingen van gelijke werking als douanerechten af te schaffen.

5\. Deze verplichting tot afschaffing veronderstelt geen enkel optreden van de Commissie op grond van de artikelen 155 en 169 van het Verdrag.

6\. Zij veronderstelt noch de vaststelling van een verstoring noch a fortiori die van een ernstige verstoring van de werking van het gemeenschappelijk douanetarief. Het innen van een heffing van gelijke werking als een douanerecht op de invoer van goederen rechtstreeks afkomstig uit derde landen heeft door zijn aard zelf een verstoring van het gemeenschappelijk douanetarief ten gevolge.

7\. De vaststelling van een dergelijke verstoring — alhoewel geen voorwaarde voor de afschaffing van de heffing — kan niet alleen geschieden door de Commissie maar ook en voor zover zij dit opportuun achten door de nationale rechtbanken.

8\. De „mogelijk ter verwezenlijking van de doelstelling van het gemeenschappelijk douanetarief (aan de Lid-Staten) op te leggen beperkingen”, bedoeld in het dictum sub 2 van 's Hofs arrest in de gevoegde zaken 2 en 3-69, vloeien voort uit de doelstellingen zelf van het Verdrag en van het gemeenschappelijk douanetarief en veronderstellen geen enkele activitiet van de zijde der Gemeenschap.

##### C — Opmerkingen van de Commissie

De Commissie gaat uitvoerig in op de verschillende toepasselijke wetsteksten en de rol van de heffingen van gelijke werking als douanerechten, en met name nationale douanerechten, in het kader van de beginselen die ten grondslag liggen aan:

het goederenverkeer binnen de Gemeenschap,

het goederenverkeer met derde landen,

verordening nr. 950/68 van de Raad en de werkingssfeer hiervan.

1. De Commissie wijst erop dat de *regeling van bet handelsverkeer binnen de Gemeenschap* is gebaseerd op het begrip „douane-unie”, waarvan de verwezenlijking twee verschillende fasen omvat: ten eerste de afschaffing van de intracommunautaire douanebarrières en de instelling van het gemeenschappelijk douanetarief (tariefunie) en vervolgens de realisatie van een volledige gemeenschappelijke douanewetgeving (douane-unie). Met betrekking tot de afschaffing van de douanebarrières tussen de Lid-Staten merkt de Commissie op dat in de artikelen 9, 12, 13 en 16, die de nationale heffingen van gelijke werking in het handelsverkeer tussen Lid-Staten verbieden, geen melding wordt gemaakt van het handelsverkeer met derde landen. Artikel 10 gaat zelfs uit van het beginsel dat deze heffingen worden toegepast op de invoer van goederen uit derde landen. Met betrekking tot de douane-unie merkt de Commissie op dat deze nog niet is voltooid, zodat nog geen volledige uniformiteit is bereikt van de douaneregelingen die van toepassing zijn op de invoer van goederen uit derde landen. De communautaire douaneregelingen hebben ten doel de uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief te waarborgen, doch de daartoe noodzakelijke harmonisatie van de nationale douanewetgevingen is nog niet voltooid, hetgeen in de weg staat aan de uniformiteit in de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief. De Commissie concludeert dat de *tariefunie* haar begrenzing vindt in de mate van uitwerking en ontwikkeling van de *douane-unie.*

2.

Bij de *regelingen van het handelsverkeer met derde landen* beschouwt de Commissie met name:

—de maatregelen in het kader van het landbouwbeleid,

—de associatie-overeenkomsten (artikel 238) en de akkoorden en maatregelen berustend op de artikelen 111 en 113.

a) De Commissie merkt met betrekking tot het landbouwbeleid op dat de gemeenschappelijke ordeningen van de markten die bij de landbouwverordeningen zijn ingesteld en zijn gebaseerd op „één enkele markt”, een uniforme prijsregeling, een interventiestelsel en een uniforme regeling van het handelsverkeer aan de buitengrenzen van de Gemeenschap met een stelsel van heffingen bij invoer en van restituties bij uitvoer, geen inning toelaten van nationale heffingen van gelijke werking als een douanerecht op rechtstreekse invoer uit derde landen.

b) Bij de akkoorden en maatregelen op basis van de artikelen 238, 111 en 113 van het Verdrag, maakt de Commissie in de eerste plaats onderscheid tussen de „associatieovereenkomsten” (artikel 238) die zijn gegrond op een douane-unie tussen de overeenkomstsluitende partijen en de overeenkomsten die, althans in het huidige ontwikkelingsstadium, niet op een dergelijke unie zijn gericht. De eerstgenoemde beogen logischerwijs de opheffing van iedere belemmering in het vrije verkeer van goederen en dus ook van de heffingen van gelijke werking als douanerechten, kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking als deze beperkingen. De overige overeenkomsten hebben, behalve dat zij niet de totstandbrenging van een douane-unie beogen, niet dezelfde inhoud. In deze overeenkomsten is het verbod van heffingen van gelijke werking het resultaat van onderhandelingen tussen partijen, dus van contactuele verplichtingen.

De Commissie bespreekt daarop achtereenvolgens verschillende maatregelen tot coördinatie van de handelsbetrekkingen van de Lid-Staten, bepaalde akkoorden met derde landen (artikel 111), de na 1 januari 1970 vastgestelde verordeningen houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit derde landen, alsmede de handelsakkoorden met derde landen (artikel 113), waarna zij opgemerkt

—dat de Gemeenschap in het kader van de maatregelen betreffende de coördinatie van de handelsbetrekkingen van de Lid-Staten geen bepalingen heeft vastgesteld om de vraagstukken te regelen in verband met de inning van nationale heffingen van gelijke werking bij de invoer van rechtstreeks uit derde landen afkomstige produkten. Hetzelfde geldt met betrekking tot de verordeningen inzake handelspolitiek (bij voorbeeld verordeningen nrs. 1025/70 en 109/70), welke na 1 januari 1970 werden vastgesteld;

—dat het verbod van „heffingen van gelijke werking” is ingelast bij de vaststelling van bepaalde regelingen inzake het handelsverkeer met derde landen. Deze regelingen zijn of wel *toepasselijk erga omnes* of zijn *van contractuele aard.* In het eerste geval vloeit het verbod voort uit landbouwverordeningen en in de overige gevallen uit associatieovereenkomsten en handelsakkoorden. Het in deze akkoorden en overeenkomsten vermelde verbod heeft evenzeer betrekking op de bestaande nationale heffingen als op eventuele communautaire heffingen.

3.

Ten slotte merkt de Commissie met betrekking tot *verordening nr. 950/68* van de Raad en haar toepassingsgebied op dat het bij deze verordening ingestelde gemeenschappelijke douanetarief slechts betrekking heeft op douanerechten in eigenlijke zin en niets zegt over nationale heffingen van gelijke werking als douanerechten. Om dit vraagstuk op te lossen, zou men de doelstellingen van het Verdrag en met name van de tariefen de douane-unie moeten analyseren.

Verordening nr. 950/68 lijkt niet méér te beogen dan de verwezenlijking van een tariefunie, dat wil zeggen de eenmaking van de douanerechten, met inbegrip van de douanerechten van fiscale aard. De gemeenschappelijke bescherming die noodzakelijk is voor de uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief op de invoer uit derde landen, is in deze verordening immers niet *globaal* in die zin dat daaronder naast douanerechten eveneens heffingen van gelijke werking vallen. De uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief is dus geen automatisch gevolg van deze verordening, doch vraagt voortdurend om maatregelen van de Gemeenschapsinstellingen. Deze uniforme toepassing, evenals een volledige regeling van het handelsverkeer met derde landen, kan slechts resulteren uit de verwezenlijking van de *douane-unie.* Waar een dergelijke unie nog niet bestaat, zijn de uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief en de volledige regeling van dit handelsverkeer nog geen feit.

Dat de volledige uniformiteit van het gemeenschappelijk douanetarief in het huidige stadium nog niet is bereikt en ook niet mogelijk is, wil niet zeggen dat de Gemeenschap zich passief opstelt tegen over de nationale heffingen van gelijke werking als douanerechten op de invoer van produkten uit derde landen. Vooreerst was het de Lid-Staten niet mogelijk het niveau van de op 1 januari 1970 geldende heffingen te verhogen of nieuwe heffingen in te stellen. De „standstill”-verplichting van de Lid-Staten ten aanzien van deze heffingen resulteert uit het nauwe verband tussen de werkzaamheden van de Gemeenschap op het gebied van de douane-unie respectievelijk de handelspolitiek, die volledig aan de nationale bevoegdheden zijn onttrokken.

In de tweede plaats moet onderscheid worden gemaakt tussen de nationale heffingen van gelijke werking die geen nadelige invloed hebben op de doelstellingen van het Verdrag en derhalve door de Lid-Staten gehandhaafd kunnen worden in afwachting van een gemeenschappelijke regeling, en de nationale heffingen die wel van invloed zijn op deze doelstellingen en uit dien hoofde verboden zijn. De in casu litigieuze heffingen kunnen worden gerekend tot die van de eerste categorie. Voor zover de Verdragsbepalingen inzake heffingen van gelijke werking rechtstreeks toepasselijk zijn, kan een optreden van de Commissie ter bescherming van de rechten van particulieren achterwege blijven. Ten slotte vat de Commissie haar opmerkingen als volgt samen:

> 1.„ De bepalingen van het Verdrag verbieden niet uitdrukkelijk de nationale heffingen van gelijke werking welke bij de invoer van rechtstreeks uit derde landen afkomstige produkten worden geïnd. De vraag of deze heffingen verenigbaar zijn met de bepalingen van het Verdrag, wordt noch door de maatregelen betreffende de coördinatie van de handelsbetrekkingen van de Lid-Staten (artikel 111), noch door verordening nr. 1025/70 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit derde landen (artikel 113), noch door verordening nr. 950/68 beantwoord. In de na 1 juli 1968 genomen communautaire besluiten op het gebied van de douanewetgeving wordt het begrip „heffingen van gelijke werking” genoemd. Hiermee zijn niet slechts eventuele heffingen van Gemeenschapswege bedoeld, maar ook nationale heffingen van deze aard.
>
> 2.Verordening nr. 950/68 beoogt niet méér dan de totstandbrenging van de tariefunie. De bij deze verordening ingevoerde tariefbescherming is voor al hetgeen betrekking heeft op douanerechten, gemeenschappelijk en uniform, maar schijnt niet de heffingen van gelijke werking te omvatten. De uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief is afhankelijk van de verwezenlijking van de douane-unie en van de tenuitvoerlegging van een afgerond gemeenschappelijk handelsbeleid.
>
> 3.De Lid-Staten zijn zelfs na 1 juli 1968 voortgegaan met de inning van heffingen van gelijke werking op rechtstreeks uit derde landen ingevoerde produkten. Nu een algemene Gemeenschapsregeling ontbreekt, kunnen deze heffingen slechts worden verboden op grond van besluiten die door de Gemeenschap in de uitoefening van haar bevoegdheden worden genomen.
>
> 4.Ook al vormen nationale heffingen van gelijke werking belemmeringen van het internationale handelsverkeer, toch kunnen zij in afwachting van een Gemeenschapsregeling gehandhaafd blijven, zolang zij de doelstellingen van het Verdrag niet aantasten. Niettemin zullen zij later in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek moeten worden afgeschaft of in communautaire maatregelen worden omgezet.
>
> 5.De Lid-Staten kunnen in beginsel de overblijvende heffingen handhaven. Zij zijn echter niet gerechtigd na het. einde van de overgangsperiode, dat wil zeggen na 1 januari 1970, de bestaande heffingen te verhogen of nieuwe in te voeren, omdat krachtens artikel 113 van het Verdrag uitsluitend de Commissie daartoe bevoegd is.
>
> 6.De opvatting dat iedere nationale heffing van gelijke werking op de invoer uit derde landen verboden is en dat dit verbod implicite voortvloeit uit de doelstellingen van het Verdrag of van verordening nr. 950/68, zou tot gevolg hebben dat de Gemeenschap een meer liberale handelspolitiek tegenover derde landen zou voeren of hebben gevoerd dan deze laatste tegenover de Gemeenschap en zou de Gemeenschap beroven van alle middelen om dezelfde voordelen te verkrijgen van de derde landen die zelf ook heffingen van gelijke werking toepassen op uit de Gemeenschap ingevoerde goederen.”

Overwegende dat ter terechtzitting van 19 september 1973 de partijen in het hoofdgeding en de Commissie mondelinge opmerkingen hebben gemaakt;

Overwegende dat het Hof, op rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, bij beschikking van 4 oktober 1973 een op 2 oktober 1973 ingediend verzoek van verweersters in het hoofsgeding tot heropening van de mondelinge behandeling heeft afgewezen;

Overwegende dat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van 11 oktober 1973 conclusie heeft genomen;

Overwegende dat het Hof heeft besloten de beide zaken te voegen ter gelijktijdige berechting bij het arrest.

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat de Arbeidsrechtbank te Antwerpen bij vonnissen van 23 februari 1973, ingekomen ter griffie van het Hof op 7 maart 1973, krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag verschillende vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van een aantal bepalingen van het Verdrag en van verordening nr. 950/68 van de Raad van 28 juni 1968 (PB 1968, nr. L 172) betreffende het gemeenschappelijk douanetarief;

2. dat deze vragen blijkens de dossiers zijn gerezen in gedingen over de toepassing van een voor sociale doeleinden bestemde heffing bij de rechtstreekse invoer van ruwe diamant uit derde landen;

3. dat de vragen in wezen ertoe strekken te vernemen of, en in hoeverre, de Lid-Staten na 1 juli 1968 bij de rechtstreekse import van produkten uit derde landen heffingen van gelijke werking als douanerechten mogen invoeren of handhaven en in welke omstandigheden zij eventueel verplicht zijn deze af te schaffen;

4. Overwegende dat de toepassing van dergelijke heffingen in casu valt onder de in artikel 3, sub b), van het Verdrag bedoelde regeling voor het handelsverkeer met derde landen, en met name de, onder meer in artikel 9 vermelde, op de douane-unie toepasselijke beginselen;

5. Overwegende dat de douane-unie, die is verankerd in de grondslagen der Gemeenschap, enerzijds de opheffing van de douanerechten tussen de Lid-Staten en van elke heffing van gelijke werking meebrengt;

6. dat met deze opheffing wordt beoogd het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap tot stand te brengen;

7. dat zij derhalve zo volledig moet zijn dat welke belemmering ook van geldelijke, bestuursrechtelijke of andere aard wordt weggenomen ten einde de markteenheid tussen de Lid-Staten te bewerkstelligen;

8. Overwegende dat de douane-unie anderzijds de vaststelling van één gemeenschappelijk douanetarief voor de gehele Gemeenschap overeenkomstig de artikelen 18 tot en met 29 van het Verdrag meebrengt;

9. dat met deze tariefgemeenschap de gelijkstelling van de douanerechten die aan de grenzen der Gemeenschap drukken op de uit derde landen ingevoerde produkten, wordt beoogd ten einde verleggingen van het handelsverkeer met deze landen en distorsies in het interne vrije verkeer of in de mededingingsvoorwaarden te voorkomen;

10. dat, anders dan de eerste afdeling van het hoofdstuk betreffende de douane-unie (artikelen 12-17) van het Verdrag, de tweede afdeling van dit hoofdstuk (artikelen 18-29) weliswaar geen melding maakt van „heffingen van gelijke werking als douanerechten”, maar dat zulks niet wil zeggen dat dergelijke heffingen kunnen worden gehandhaafd, laat staan ingevoerd;

11. dat voor de beantwoording van de vraag over de toepassing dier heffingen in het handelsverkeer met derde landen acht dient te worden geslagen op de eisen die in de instelling van het gemeenschappelijk douanetarief besloten liggen, evenals op die welke voortvloeien uit een gemeenschappelijke handelspolitiek, in de zin van de artikelen 110 tot en met 116 van het Verdrag, welke luidens genoemd artikel 3, sub b), de regeling van het handelsverkeer met derde landen beheerst;

12. Overwegende dat het gemeenschappelijk douanetarief voor de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling is ingevoerd bij de op 1 juli 1968 in werking getreden verordening nr. 950/68 van de Raad;

13. dat, hoewel deze verordening niet met zoveel woorden voorziet in de opheffing of gelijktrekking van andere heffingen dan douanerechten in eigenlijke zin, toch uit haar doelstelling blijkt dat zij voor de Lid-Staten het verbod inhoudt door middel van belastingen boven deze rechten wijziging te brengen in het beschermingspeil, neergelegd in het gemeenschappelijk douanetarief;

14. dat, ook bij afwezigheid van protectionistische kenmerken, dergelijke heffingen onverenigbaar kunnen zijn met de vereisten van een gemeenschappelijke handelspolitiek;

15. dat luidens artikel 113, lid 1, van het Verdrag de gemeenschappelijke handelspolitiek is gegrond op eenvormige beginselen, met name wat betreft de tariefwijzigingen, het sluiten van tarief- en handelsakkoorden, het eenvormig maken van liberalisatiemaatregelen, de uitvoerpolitiek en handelspolitieke beschermingsmaatregelen;

16. dat de vastlegging van deze eenvormige beginselen, evenals het gemeenschappelijk douanetarief zelf, de opheffing van de nationale fiscale en commerciële dispariteiten in het handelsverkeer met derde landen inhoudt;

17. dat het van geval tot geval aan de Commissie of de Raad staat deze vereisten te beoordelen in het licht van zowel de vaststelling van het gemeenschappelijk douanetarief als de gemeenschappelijke handelspolitiek;

18. dat hieruit volgt dat het sedert de instelling van het gemeenschappelijk douanetarief elke Lid-Staat is verboden eenzijdig nieuwe heffingen in te voeren of het peil van reeds bestaande heffingen te verhogen;

19. dat, wat de bestaande heffingen betreft, de vaststelling dat deze met het Verdrag onverenigbaar zijn, en de verplichting deze op te heffen, afhangen van de voorafgaande beoordeling der Gemeenschapsautoriteiten;

20. dat hieruit volgt dat dergelijke heffingen slechts op grond van beslissingen van de Gemeenschap onverenigbaar met het Gemeenschapsrecht kunnen worden geacht;

21. dat een verbod van dergelijke heffingen onder andere voortvloeit uit hier niet ter zake doende bepalingen die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, van handelsakkoorden der Gemeenschap en van associatieregelingen tussen de Gemeenschap en bepaalde staten;

22. Overwegende dat op de gestelde vragen derhalve dient te worden geantwoord dat de Lid-Staten sedert de instelling van het gemeenschappelijk douanetarief niet eenzijdig nieuwe heffingen op rechtstreekse importen uit derde landen kunnen leggen of het peil van de op die datum bestaande heffingen kunnen verhogen;

23. dat, wat de bestaande heffingen betreft, de totstandbrenging van de gemeenschappelijke handelspolitiek de opheffing van alle nationale fiscale en commerciële dispariteiten in het handelsverkeer met derde landen dient mee te brengen;

24. dat, waar de verwezenlijking van een dergelijke gemeenschappelijke handelspolitiek tot het uitsluitend domein der Gemeenschap behoort, de gelijktrekking of de opheffing van de andere belastingen dan de douanerechten in eigenlijke zin voor alle Lid-Staten een optreden van de Gemeenschap veronderstelt;

25. dat bijgevolg de verlaging of opheffing van de bestaande heffingen op rechtstreekse importen uit derde landen onder de instellingen der Gemeenschap ressorteert;

#### Ten aanzien van de kosten

26. Overwegende dat de kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen en dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen bij vonnissen van 23 februari 1973 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1\. De Lid-Staten kunnen sedert de instelling van het gemeenschappelijk douanetarief niet eenzijdig nieuwe heffingen op rechtstreekse importen uit derde landen invoeren of het peil van de op die datum bestaande heffingen verhogen.

2\. De verlaging of de opheffing van de bestaande heffingen op rechtstreekse importen uit derde landen ressorteert onder de instellingen der Gemeenschap.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

16

EEG-Verdrag art. 29 6 voorkomens

EEG-Verdrag art. 18 4 voorkomens

EEG-Verdrag art. 169 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 155 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 25 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 26 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 3 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 9 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 100-102 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 110 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 113 uitgelegd 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 116 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 12 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 28 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 5 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Fennelly C-213/99 21.09.2000

#### [Verordening 2913/92 art. 49 en art. 53](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-213-99-conclusie)

## Rechtsleer

3

X: Le Quotidien juridique 1974 nº 28 p.8-11 (FR)

Panico, Giuseppe: Tariffa doganale comune e tasse di effetto equivalente, Rivista di diritto europeo 1974 p.69-78 (IT)

Kovar, Robert: Journal du droit international 1974 p.414-416 (FR)
