Beschikking van het Hof van 18 maart 2024, C-37/23 · Europese rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Unie Achtste kamer C-37/23 ECLI:EU:C:2024:271 18 maart 2024

Zoeken

Beschikking van het Hof van 18 maart 2024, C-37/23Beginsel van fiscale neutraliteit, vermindering van het bedrag van de verschuldigde btw voor belastingplichtigen die door de aardbeving van 6 april 2009 in de Abruzzen zijn getroffen

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-37-23-beschikking

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Unie
Samenstelling
Achtste kamer
Zaak
C-37/23
ECLI
ECLI:EU:C:2024:271
Datum
18 maart 2024

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken (Italië) beslissing van 16 januari 2023 12810/2014 ; 2685/2022 ; 1168/2023
Zaak ingediend op
25 januari 2023
Advocaat-generaal
Medina
Opmerkingen
Commissie

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Italiaans
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Piçarra
Repertorium van het Hof

Tekst

60 paragrafen

BESCHIKKING VAN HET HOF (Achtste kamer)

18 maart 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Artikelen 2, 206 en 273 – Beginsel van fiscale neutraliteit – Vermindering van het bedrag van de verschuldigde btw voor belastingplichtigen die door de aardbeving van 6 april 2009 in de Abruzzen zijn getroffen”

In zaak C‑37/23 [Giocevi] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) bij beslissing van 16 januari 2023, ingekomen bij het Hof op 25 januari 2023, in de procedure

Agenzia delle Entrate

tegen

PR,

geeft

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: N. Piçarra (rapporteur), kamerpresident, N. Jääskinen en M. Gavalec, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– PR, vertegenwoordigd door F. Camerini en A. Rossi, avvocati,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Herold, J. Jokubauskaitė en F. Tomat als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking,

de navolgende

Beschikking

1.

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de in het arrest van 17 juli 2008, Commissie/Italië (C‑132/06, EU:C:2008:412), en de beschikking van 15 juli 2015, Nuova Invincibile (C‑82/14, EU:C:2015:510), geformuleerde beginselen betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw).

2.

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen de Agenzia delle Entrate (belastingdienst, Italië) en PR, een notaris, over het verzoek van deze laatste om teruggave van 60 % van de btw die hij heeft betaald voor het tijdvak van april 2009 tot en met december 2010.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3.

Overweging 45 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”) luidt als volgt:

„De verplichtingen van de belastingplichtigen moeten zo veel mogelijk worden geharmoniseerd teneinde de nodige waarborgen te verkrijgen met betrekking tot de gelijkheid van de [btw-heffing] in alle lidstaten.”

4.

Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt:

„1. De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:

a) de leveringen van goederen, die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

[…]

c) de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

[…]”

5.

Artikel 206 van dezelfde richtlijn bepaalt:

„Iedere belastingplichtige die tot voldoening van de [btw] is gehouden, moet het nettobedrag van de btw bij de indiening van de in artikel 250 bedoelde aangifte voldoen. De lidstaten kunnen echter een ander tijdstip voor de betaling van dit bedrag vaststellen of bepalen dat voorlopige vooruitbetalingen moeten worden gedaan.”

6.

Artikel 273 van voornoemde richtlijn luidt als volgt:

„De lidstaten kunnen, onder voorbehoud van gelijke behandeling van door belastingplichtigen verrichte binnenlandse handelingen en handelingen tussen de lidstaten, andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste inning van de btw en ter voorkoming van fraude, mits deze verplichtingen in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geven tot formaliteiten in verband met een grensoverschrijding.

[…]”

Italiaans recht

Wetsbesluit nr. 78 van 31 mei 2010
7.

Artikel 39 van decreto-legge n. 78 – Misure urgenti in materia di stabilizzazione finanziaria e di competitività economica (wetsbesluit nr. 78 houdende dringende maatregelen voor financiële stabilisatie en economisch concurrentievermogen, met wijzigingen omgezet bij wet nr. 122, van 30 juli 2010), van 31 mei 2010 (gewoon supplement bij GURI nr. 125 van 31 mei 2010), bepaalt in lid 1 dat voor natuurlijke personen met een inkomen uit een onderneming of een zelfstandige activiteit en voor andere personen dan natuurlijke personen met een omzet tot 200000 EUR, de termijn van opschorting van belastingverplichtingen en -betalingen wordt verlengd tot 20 december 2010, zonder teruggave van reeds betaalde bedragen. In lid 3 van dit artikel 39 is bepaald dat de termijn van opschorting met betrekking tot socialezekerheidsbijdragen, bijdragen voor sociale voorzieningen en premies voor de verplichte arbeidsongevallen- en beroepsziekteverzekering voor al deze personen wordt verlengd tot 15 december 2010, zonder teruggave van reeds betaalde bedragen. Deze maatregelen gelden niet voor bronheffingen op andere inkomsten dan die uit onderneming of een zelfstandige activiteit en de desbetreffende betalingen.

Wet nr. 183/2011
8.

Artikel 33, lid 28, van legge n. 183 – Disposizioni per la formazione del bilancio annuale e pluriennale dello Stato (legge di stabilità 2012) [wet nr. 183 houdende bepalingen voor de opstelling van de eenjaars- en meerjaarsbegroting van de Staat (stabiliteitswet 2012)] van 12 november 2011 (gewoon supplement bij GURI nr. 265 van 14 november 2011), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet nr. 183/2011”), bepaalt dat, teneinde de noodsituatie ten gevolge van de aardbeving in de Abruzzen (Italië) van 6 april 2009 te kunnen opheffen, de inning van de belastingen als bedoeld in artikel 39 van wetsbesluit nr. 78 van 31 mei 2010, zonder toepassing van geldboeten, vertragingsrente en bijkomende kosten, vanaf januari 2012 wordt hervat middels een betaling in 120 gelijke maandelijkse termijnen en dat het voor elke opgeschorte belasting of bijdrage verschuldigde bedrag, na aftrek van de reeds verrichte betalingen, tot 40 % wordt verlaagd.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9.

PR, een notaris, heeft verzocht om teruggave van een bedrag van 102088 EUR aan btw die is betaald voor het tijdvak van april 2009 tot en met december 2010, op grond van artikel 33, lid 28, van wet nr. 183/2011, dat voorziet in een vermindering met 60 % van het bedrag van de belastingen waarvan de betaling was opgeschort na de aardbeving van 6 april 2009 in de Abruzzen.

10.

De belastingdienst heeft dit verzoek afgewezen op de grond dat de ingeroepen bepaling de teruggave van de reeds betaalde bedragen aan btw uitsloot.

11.

PR heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de Commissione tributaria provinciale di L’Aquila (belastingrechter in eerste aanleg L’Aquila, Italië), die het beroep heeft verworpen.

12.

PR heeft hoger beroep ingesteld bij de Commissione tributaria regionale dell’Abruzzo (belastingrechter in tweede aanleg Abruzzen, Italië), en heeft daarbij aangevoerd dat de situatie van degenen die de btw nog niet hadden betaald en bijgevolg in aanmerking kwamen voor een vermindering van het te betalen bedrag, precies dezelfde was als die van de belastingplichtigen die deze betaling reeds hadden verricht en dan ook om teruggave van de te veel betaalde bedragen moesten kunnen verzoeken.

13.

De belastingdienst heeft van zijn kant verzocht om opschorting van de zaak in afwachting van het eindbesluit van de Europese Commissie na de formele onderzoeksprocedure inzake staatssteun overeenkomstig artikel 108 VWEU, die was ingeleid bij een besluit van 17 oktober 2012, Steunmaatregel SA.33083 (2012/C) (ex 2012/NN) & SA.35083 (2012/C) (ex 2012/NN) – Verminderde belastingen en bijdragen in verband met natuurrampen en verminderde belastingen en bijdragen in verband met de aardbeving van 2009 in de Abruzzen (alle sectoren behalve de landbouwsector) (PB 2012, C 381, blz. 32).

14.

Bij arrest van 6 maart 2014 heeft de Commissione tributaria regionale dell’Abruzzo het beroep toegewezen en de weigering van teruggave van de btw aan PR onrechtmatig verklaard.

15.

De belastingdienst heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld bij de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië), de verwijzende rechter. Ter ondersteuning van zijn cassatieberoep voert de belastingdienst onder meer schending aan van artikel 108, lid 3, VWEU en van artikel 11, lid 1, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [108 VWEU] (PB 1999, L 83, blz. 1).

16.

In dit verband dient te worden opgemerkt dat de Commissie bij besluit (EU) 2016/195 van 14 augustus 2015 betreffende de steunmaatregelen SA.33083 (12/C) (ex 12/NN) door [de Italiaanse Republiek] ten uitvoer gelegd en betreffende belasting- en premiekortingen in verband met natuurrampen (in alle sectoren met uitsluiting van de landbouw) en SA.35083 (12/C) (ex 12/NN) door [de Italiaanse Republiek] ten uitvoer gelegd en betreffende belasting- en premiekortingen in verband met de aardbeving van 2009 in de Abruzzen (in alle sectoren met uitsluiting van de landbouw) (PB 2016, L 43, blz. 1), dat is vastgesteld na de in punt 13 van de onderhavige beschikking genoemde procedure, de betrokken maatregelen, waaronder die welke op basis van artikel 33, lid 28, van wet nr. 183/2011 waren genomen, onverenigbaar met de interne markt heeft verklaard.

17.

De verwijzende rechter is van oordeel dat hij, ongeacht de specifieke middelen die door de partijen in de bij hem aanhangige zaak worden aangevoerd, overeenkomstig het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht moet vaststellen dat de maatregelen waarbij de Italiaanse Republiek heeft afgezien van de toepassing en/of de inning van de verschuldigde btw, onverenigbaar zijn met dat recht.

18.

Deze rechter wijst erop dat er geen specifieke rechtspraak over de toepassing van artikel 33, lid 28, van wet nr. 183/2011 bestaat en vraagt zich af in hoeverre de beginselen die zijn geformuleerd in de beschikking van 15 juli 2015, Nuova Invincibile (C‑82/14, EU:C:2015:510), betreffende het voordeel als bedoeld in artikel 9, lid 17, van legge n. 289 – Disposizioni per la formazione del bilancio annuale e pluriennale delle Stato (legge finanziaria 2003) [wet nr. 289 houdende bepalingen voor de opstelling van de eenjaars- en meerjaarsbegroting van de Staat (begrotingswet 2003)] van 27 december 2002 (gewoon supplement bij GURI nr. 305 van 31 december 2002) (hierna: „wet nr. 289/2002”), op de bij hem aanhangige zaak van toepassing zijn.

19.

Deze rechter herinnert eraan dat het Hof zich in die beschikking heeft gebaseerd op het arrest van 17 juli 2008, Commissie/Italië (C‑132/06, EU:C:2008:412), dat de artikelen 8 en 9 van wet nr. 289/2002 betrof, om te oordelen dat de maatregelen die toen aan de orde waren er niet toe hadden geleid dat de belastingdruk van de belastingplichtigen op het gebied van de btw werd verlicht, maar er wel toe had geleid dat sommigen van hen de mogelijkheid werd geboden om, in strijd met het beginsel van fiscale neutraliteit, door de eindverbruiker betaalde en aan de belastingdienst verschuldigde bedragen te behouden of te incasseren.

20.

De verwijzende rechter onderstreept dat het voordeel van de btw-vermindering op grond van artikel 33, lid 28, van wet nr. 183/2011 leidt tot dezelfde gevolgen als die welke het Hof in de in de punten 18 en 19 van de onderhavige beschikking aangehaalde beslissingen heeft veroordeeld. Hij merkt niettemin op dat PR zich beroept op bepaalde verschillen – waarvan hij de relevantie betwijfelt – tussen de Italiaanse regeling waar het in die beslissingen over ging en die welke in het voor hem aanhangige geding aan de orde is. Ten eerste belet wet nr. 183/2011, anders dan wet nr. 289/2002, niet dat de belastingdienst controles verricht, ten tweede is het bedrag van de btw-vermindering in wet nr. 183/2011 lager, en ten derde is de territoriale werkingssfeer van die laatste wet beperkter.

21.

In die omstandigheden heeft de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Staan de in de beschikking […] van 15 juli 2015, Nuova Invincibile (C‑82/14, […], EU:C:2015:510), en in het arrest van 17 juli 2008, Commissie/Italië (C‑132/06, EU:C:2008:412) geformuleerde beginselen in de weg aan een wettelijke bepaling als die van artikel 33, lid 28, van wet nr. 183/2011 van 2011, volgens welke belastingplichtigen in verband met de aardbeving die op 6 april 2009 de Abruzzen heeft getroffen, recht hebben op teruggave van 60 % van de btw die zij in het tijdvak van april 2009 tot en met december 2010 hebben betaald?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

22.

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de artikelen 2, 206 en 273 van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met het beginsel van fiscale neutraliteit, aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die de belastingplichtigen die getroffen zijn door de aardbeving in de Abruzzen, een vermindering van 60 % toekent van het btw-bedrag dat zij normaliter voor het tijdvak van april 2009 tot en met december 2010 verschuldigd zijn.

23.

Krachtens artikel 99 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen wanneer het antwoord op een prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid.

24.

Deze bepaling dient op de onderhavige zaak te worden toegepast.

25.

Hoewel de zaken die hebben geleid tot het arrest van 17 juli 2008, Commissie/Italië (C‑132/06, EU:C:2008:412) en tot de beschikking van 15 juli 2015, Nuova Invincibile (C‑82/14, EU:C:2015:510), geen betrekking hadden op artikel 33, lid 28, van wet nr. 183/2011, zijn de lessen van die rechtspraak namelijk wel toepasbaar op de omstandigheden van de onderhavige zaak.

26.

Blijkens de verwijzingsbeslissing voorziet het nationale recht alleen in een vermindering met 60 % van het normaliter verschuldigde btw-bedrag, en niet in een teruggave van de reeds betaalde btw, waar als zodanig handelende btw-plichtigen in de zin van artikel 2, lid 1, onder a) en c), van de btw-richtlijn recht op hebben.

27.

Dienaangaande volgt in de eerste plaats uit de artikelen 2, 206 en 273 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van overweging 45 ervan, alsmede uit artikel 4, lid 3, VEU dat iedere lidstaat verplicht is alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen om te waarborgen dat de btw op zijn grondgebied volledig wordt geïnd (zie in die zin arrest van 17 juli 2008, Commissie/Italië, C‑132/06, EU:C:2008:412, punt 37, en beschikking van 15 juli 2015, Nuova Invincibile, C‑82/14, EU:C:2015:510, punt 22).

28.

In de tweede plaats dient de btw-richtlijn te worden uitgelegd in overeenstemming met het aan het gemeenschappelijke btw-stelsel inherente beginsel van fiscale neutraliteit, dat zich ertegen verzet dat ondernemers die dezelfde handelingen verrichten, voor de btw-heffing verschillend worden behandeld. De lidstaten moeten bij de inning van de btw steeds dit beginsel eerbiedigen (beschikking van 15 juli 2015, Nuova Invincibile, C‑82/14, EU:C:2015:510, punt 23, en arrest van 7 april 2016, Degano Trasporti, C‑546/14, EU:C:2016:206, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29.

In de derde plaats heeft de aftrekregeling tot doel de neutraliteit van de btw te waarborgen door de belastingplichtige geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of voldane btw, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteiten, mits deze activiteiten in beginsel zelf aan de heffing van btw zijn onderworpen (beschikking van 15 juli 2015, Nuova Invincibile, C‑82/14, EU:C:2015:510, punt 24; zie arrest van 7 september 2023, Schütte, C‑453/22, EU:C:2023:639, punt 19).

30.

In de beschikking van 15 juli 2015, Nuova Invincibile (C‑82/14, EU:C:2015:510, punt 25), is vastgesteld dat artikel 9, lid 17, van wet nr. 289/2002 – dat belastingplichtigen die getroffen waren door de aardbeving in de provincies Catania, Ragusa en Siracusa (Italië) ofwel een vermindering met 90 % van de normaliter over de jaren 1990 tot en met 1992 verschuldigde btw, ofwel een teruggave van 90 % van de reeds betaalde btw toekende – er niet toe had geleid dat de belastingdruk van de betrokken belastingplichtigen op het gebied van de btw werd verlicht, maar er wel toe had geleid dat sommigen van hen de mogelijkheid werd geboden om door de eindverbruiker betaalde en aan de belastingdienst verschuldigde bedragen te behouden of te incasseren.

31.

Voor zover deze bepaling de betrokken belastingplichtigen door de vermindering van de normaliter verschuldigde btw de mogelijkheid bood om het grootste deel van het btw-bedrag dat zij voor de levering van goederen en diensten hadden ontvangen, te behouden of te incasseren, terwijl andere belastingplichtigen op Italiaans grondgebied het volledige bedrag van de normaliter op basis van die transacties aan de belastingdienst verschuldigde btw moesten betalen, leidde zij tot een verschil in behandeling dat strijdig was met het beginsel van fiscale neutraliteit (beschikking van 15 juli 2015, Nuova Invincibile, C‑82/14, EU:C:2015:510, punt 26; zie in deze zin ook arrest van 17 juli 2008, Commissie/Italië, C‑132/06, EU:C:2008:412, punt 44).

32.

Blijkens de verwijzingsbeslissing wordt in casu in artikel 33, lid 28, van wet nr. 183/2011 hetzelfde mechanisme toegepast als het mechanisme dat reeds bij wet nr. 289/2002 was ingevoerd, namelijk een aanzienlijke vermindering van het verschuldigde bedrag voor de btw die is opgeschort wegens noodsituaties als gevolg van natuurrampen.

33.

Daarbij is het niet relevant dat deze wet voorziet in een geringere btw-vermindering dan artikel 9, lid 17, van wet nr. 289/2002, dat aan de orde was in de beschikking van 15 juli 2015, Nuova Invincibile (C‑82/14, EU:C:2015:510). Ook al is deze vermindering geringer, zij leidt immers tot dezelfde gevolgen als die waar het Hof in de punten 30 en 31 van de onderhavige beschikking op heeft gewezen.

34.

Aan die vaststelling kan niet worden afgedaan door het feit dat de nationale regeling die in die beschikking aan de orde was, anders dan artikel 33, lid 28, van wet nr. 183/2011, door haar automatisch karakter, de belastingdienst iedere mogelijkheid ontnam om de belastbare situaties te controleren.

35.

Gelet op het voorgaande dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat de artikelen 2, 206 en 273 van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met het beginsel van fiscale neutraliteit, aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die de belastingplichtigen die getroffen zijn door de aardbeving in de Abruzzen, een vermindering van 60 % toekent van het btw-bedrag dat zij normaliter voor het tijdvak van april 2009 tot en met december 2010 verschuldigd zijn.

Kosten

36.

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Dictum

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 2, 206 en 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in samenhang met het beginsel van fiscale neutraliteit,

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij in de weg staan aan een nationale regeling die de belastingplichtigen die getroffen zijn door de aardbeving in de Abruzzen (Italië), een vermindering van 60 % toekent van het btw-bedrag dat zij normaliter voor het tijdvak van april 2009 tot en met december 2010 verschuldigd zijn.

ondertekeningen

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

9
btw-richtlijn 2006/112 art. 2uitgelegd6 voorkomens
btw-richtlijn 2006/112 art. 206uitgelegd5 voorkomens
btw-richtlijn 2006/112 art. 273uitgelegd4 voorkomens
VWEU art. 1082 voorkomens
VWEU art. 2671 voorkomen
verordening 659/99 art. 111 voorkomen