---
title: "HvJ EU, C-367/93, F. G. Roders BV, arrest van 11 augustus 1995 · Wijnaccijns, discriminerende binnenlandse belastingen"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 augustus 1995, C-367/93, F. G. Roders BV: wijnaccijns, discriminerende binnenlandse belastingen."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-367-93-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-367-93-arret"
---

# Arrest van het Hof van 11 augustus 1995, C-367/93, F. G. Roders BV · Wijnaccijns, discriminerende binnenlandse belastingen, beneluxregeling

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Zesde kamer

**Zaak**

C-367/93

**ECLI**

ECLI:EU:C:1995:261

**Datum**

11 augustus 1995

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

C-367/93, C-368/93, C-369/93, C-370/93, C-371/93, C-372/93, C-373/93 Tariefcommissie (Nederland) beslissing van 7 juli 1993 12804 ; 12807 ; 12805 ; 12806 ; 12827 ; 12828 ; 12829 ; C-374/93 Tariefcommissie (Nederland) 12830 ; C-375/93, C-376/93 Tariefcommissie (Nederland) beslissing van 7 juli 1993 12831 ; 12832 ; C-377/93 Tariefcommissie (Nederland) 12833

**Zaak ingediend op**

30 juli 1993

**Advocaat-generaal**

Tesauro

**Opmerkingen**

Nederlandse, Portugese regering Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

C-367/93, C-368/93, C-369/93, C-370/93, C-371/93, C-372/93, C-373/93, C-374/93, C-375/93, C-376/93, C-377/93 Tariefcommissie beslissing van 23 september 1996 12804 ; 12807 ; 12805 ; 12806 ; 12827 ; 12828 ; 12829 ; 12830 ; 12831 ; 12832 ; 12833

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Nederlands

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1995, blz. I-2229

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Murray

**Repertorium van het Hof**

- [Communautaire rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A) [Gemeenschapsrecht en nationaal recht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-03) [Uitvoering van het gemeenschapsrecht in de nationale rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-03.02) [Uitvoering van het gemeenschapsrecht in de nationale rechtsorde · Terugvordering van het onverschuldigd betaalde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-03.02.01) 33 beslissingen
- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Fiscale bepalingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10%2C578-4.10) [Binnenlandse belastingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.01%2C578-4.10.01)

    - [Verbod ingevoerde producten zwaarder te belasten dan gelijksoortige nationale producten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.01.02%2C578-4.10.01.02) 75 beslissingen
    - [Verbod van belastingen die concurrerende nationale producten zijdelings kunnen beschermen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.01.03) 16 beslissingen
  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Prejudiciële verwijzing](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04) [Gevolgen van de prejudiciële arresten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04.03) [Gevolgen van uitleggingsarresten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04.03.01) 27 beslissingen

## Tekst

57 paragrafen

### Arrest

1. Bij elf beschikkingen van 7 juli 1993, ingekomen bij het Hof op 30 juli daaraanvolgend, heeft de Tariefcommissie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 95 van het Verdrag.

2. Deze vragen zijn gerezen in gedingen tussen importeurs van alcoholische dranken en de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen te Amsterdam, betreffende de heffing van wijnaccijns en bijzondere accijns van wijn op uit andere Lid-Staten ingevoerde wijn.

3. Bij het op 18 februari 1950 tussen België, Luxemburg en Nederland gesloten Verdrag tot unificatie van de accijnzen en van het waarborgrecht *(Staatsblad* 1951, 215; hierna: „Unificatieverdrag”) werden de bedragen en maatstaven van de accijnzen op gegiste vruchtendranken en mousserende gegiste dranken aan elkaar gelijk gemaakt. Bij de artikelen 9, 9 bis en 10 Unificatieverdrag, in de versie van het Zesde protocol van 26 januari 1976 *(Tractatenblad* 1976, 46), is voor de drie staten een gemeenschappelijke accijns ingesteld alsmede een complementaire accijns voor Nederland en België. De accijnzen worden zowel bij produktie als bij invoer geheven. Artikel 18 van dit verdrag bepaalt, dat in Nederland en in de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie maatregelen worden getroffen ter verzekering van gelijkheid in de wettelijke en uitvoerende bepalingen betreffende de heffing van accijnzen waarvoor een gemeenschappelijke regeling is voorzien. Ingevolge artikel 19, § 2, wordt de accijns, door een der verdragsluitende partijen geheven van goederen waarvoor een gemeenschappelijke accijnsregeling is getroffen en welke uit haar gebied naar dat van de andere partij worden verzonden, met deze laatste verrekend. De verrekening tussen de partijen geschiedt overeenkomstig de bepalingen welke door de bevoegde ministers zijn vastgesteld.

4. Krachtens deze bepalingen kon de gemeenschappelijke accijns op uit andere staten ingevoerde produkten naar gelang van de plaats waar zij het Beneluxgebied binnenkwamen, worden geheven door de territoriaal bevoegde douane. Tussen de partijen vond regelmatig een verrekening plaats van de aldus geheven accijns.

5. Op grond van artikel 9 bis, § 3, van het Unificatieverdrag, in de versie van het Zesde protocol, konden de bevoegde ministers van de verdragsluitende partijen voor in de Benelux vervaardigde of ingevoerde gegiste dranken van andere vruchten dan druiven, krenten of rozijnen, gehele of gedeeltelijke vrijstelling van accijnzen verlenen.

6. In het kader van de Benelux was ook Luxemburgse druivenwijn van accijns vrijgesteld. Deze vrijstelling was oorspronkelijk gebaseerd op artikel 6 van de Overeenkomst van 25 juli 1921 tot oprichting van een economische unie tussen België en het Groothertogdom Luxemburg (Recueil des traites de la société des nations, 1922, blz. 224). Zij werd overgenomen in het Verdrag van 3 februari 1958 tot instelling van de Benelux Economische Unie (Recueil des traites des Nations unies, 381, blz. 165), waarvan artikel 80, lid 2, in de versie van het Zesde protocol, bepaalde dat natuurlijke wijn, welke in het Groothertogdom Luxemburg volgens de Luxemburgse wettelijke en administratieve bepalingen was bereid uit aldaar geoogste verse druiven, niet met de in het Unificatieverdrag bedoelde accijns of complementaire accijns kon worden belast.

7. Ten tijde van de feiten van de hoofdgedingen gold voor de tarieven van de accijnzen het Zevende protocol bij het Unificatieverdrag van 14 september 1984 *(Tractatenblad* 1984, 122). De daarin bepaalde tarieven waren eveneens opgenomen in de Nederlandse wet van 30 mei 1963 op de accijns van alcoholhoudende stoffen *(Staatsblad* 240, hierna: „wet van 1963”), die herhaaldelijk is gewijzigd.

8. In de ten tijde van de feiten geldende versie maakten de artikelen 4 en 5 van de wet van 1963 onderscheid tussen niet-mousserende wijnen, omvattende zowel druivenwijnen met een alcoholgehalte van niet meer dan 22 volumeprocenten als vruchtenwijnen met een alcoholgehalte van niet meer dan 15 volumeprocenten, en mousserende wijnen, omvattende mousserende wijnen op basis van druiven en mousserende wijnen op basis van andere vruchten dan druiven. Produkten die niet onder deze categorieën vielen, met name omdat zij een hoger alcoholgehalte hadden, werden beschouwd als „alcoholhoudende stoffen” en waren als zodanig aan een hoger alcoholaccijns onderworpen.

9. Alle in Nederland vervaardigde of ingevoerde niet-mousserende wijnen zijn in beginsel aan wijnaccijns en bijzondere accijns van wijn onderworpen (artikel 2, leden 2 en 3, van de wet van 1963). Evenzo zijn alle mousserende wijnen in beginsel onderworpen aan een accijns van mousserende dranken en een bijzondere accijns van mousserende dranken (artikel 2, leden 4 en 5, van de wet van 1963). Ingevolge de artikelen 85a en 88d van de wet van 1963 evenwel zijn niet-mousserende vruchtenwijnen van accijns vrijgesteld wanneer zij beantwoorden aan bepaalde voorschriften inzake etikettering en verpakking. Mousserende vruchtenwijnen zijn aan een lagere accijns onderworpen dan mousserende druivenwijnen. Voorts zijn ingevoerde mousserende druivenwijnen aan wijnaccijns onderworpen, terwijl ingevoerde mousserende vruchtenwijnen van accijns zijn vrijgesteld.

10.

Op 11 januari 1991 wees de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen te Amsterdam elf bezwaren af tegen de heffing van wijnaccijns en bijzondere accijns van wijn bij de invoer uit andere Lid-Staten van de volgende produkten:

—madeira, van oorsprong uit Portugal, met een alcoholgehalte van 18 % (zaak C-367/93);

—rode wijn, van oorsprong uit Frankrijk, met een alcoholgehalte van 12 % (zaken C-368/93, C-372/93 en C-375/93);

—champagne, van oorsprong uit Frankrijk, met een alcoholgehalte van 12 % (zaken C-369/93, C-373/93 en C-377/93);

—vermout, van oorsprong uit Italië, met een alcoholgehalte van 13,5 % (zaak C-370/93);

—sherry, van oorsprong uit Spanje, met een alcoholgehalte van 17 % (zaken C-371/93, C-374/93 en C-376/93).

In hun bezwaren stelden de importeurs, die niet de voor vruchtenwijn geldende vrijstelling hadden gekregen, dat de Nederlandse wettelijke regeling, die druivenwijn en wijn van andere vruchten dan druiven verschillend belast, onverenigbaar was met artikel 95 van het Verdrag.

11.

Tegen elk van deze afwijzende beschikkingen gingen de importeurs in beroep. De Tariefcommissie heeft de behandeling van de zaken geschorst en het Hof verzocht om een antwoord op de volgende prejudiciële vragen:

> 1)„ Is de onderhavige heffing van wijnaccijns bij de invoer in Nederland van \[het betrokken produkt\], van oorsprong uit \[de betrokken Lid-Staat\], met \[het betrokken\] alcoholpercentage — gelet met name op de accijnsrechtelijke behandeling van vruchtenwijn in de destijds geldende Nederlandse accijnswetgeving en gelet onder meer ook op de omstandigheid dat Nederland een Lid-Staat van de Benelux is — in strijd met artikel 95 van het EEG-Verdrag?
>
> 2) Welke werking in de tijd moet aan een bevestigend antwoord op de eerste vraag worden gegeven?”

12. Bij beschikking van 6 september 1993 heeft het Hof overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering de zaken C-367/93, C-368/93, C-369/93, C-370/93, C-371/93, C-372/93, C-373/93, C-374/93, C-375/93, C-376/93 en C-377/93 voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest gevoegd.

### De eerste vraag

13. Vooraf moet worden opgemerkt, dat het Hof zich in het kader van artikel 1 77 van het Verdrag niet kan uitspreken over de verenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling met het gemeenschapsrecht. Het is echter wel bevoegd, de nationale rechter alle gegevens voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht te verschaffen die deze in staat kunnen stellen, die verenigbaarheid te beoordelen met het oog op het in de bij hem aanhangige zaak te wijzen vonnis (zie met name arrest van 8 oktober 1992, zaak C-143/91, Van der Tas, Jurispr. 1992, blz. I-5045, r. o. 12).

14.

Met de eerste vraag wordt het Hof verzocht om uitlegging van artikel 95, eerste en tweede alinea, EEG-Verdrag. Deze bepalingen hiiden als volgt:

> „De Lid-Staten heffen op produkten van de overige Lid-Staten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale produkten worden geheven.
>
> Bovendien heffen de Lid-Staten op de produkten van de overige Lid-Staten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere produkties zijdelings worden beschermd.”

15. Volgens vaste rechtspraak heeft artikel 95 tot doel, het vrije verkeer van goederen tussen de Lid-Staten onder normale mededingingsvoorwaarden te verzekeren door elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van produkten uit andere Lid-Staten. Deze bepaling dient dus de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen nationale en ingevoerde produkten (zie arrest van 11 december 1990, zaak [C-47/88](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-47-88-arrest), Commissie/Denemarken, Jurispr. 1990, blz. I-4509, r. o. 9).

16. Blijkens de verwijzingsbeschikkingen is het de nationale rechter in het bijzonder te doen om het in artikel 95 gehanteerde begrip nationale prodtikten en, ingeval de eerste alinea van toepassing is, over de eventuele gelijksoortigheid van de betrokken produkten en de van accijns vrijgestelde vruchtenwijnen. Indien mocht blijken dat de betrokken produkten en de nationale produkten niet gelijksoortig zijn, moet worden onderzocht of artikel 95, tweede alinea, van toepassing is.

#### Het begrip nationale produkten

17. Essentieel voor de toepassing van artikel 95 is de definitie van het begrip „nationale produkten”.

18. Dienaangaande zet de Nederlandse regering uiteen, dat deze definitie in casu afhankelijk is van de verhouding tussen artikel 95 en de hiervoor uiteengezette Beneluxregeling. Volgens artikel 233 van het Verdrag vormen de bepalingen van het gemeenschapsrecht geen beletsel voor het bestaan en de voltooiing van de unie tussen België, Luxemburg en Nederland, voor zover de doelstellingen van die unie niet bereikt zijn door toepassing van het Verdrag. Het Hof heeft deze bepaling aldus uitgelegd, dat zij beoogt te voorkomen, dat deze regionale unie door de toepassing van het gemeenschapsrecht uiteen zou vallen of in haar ontwikkeling zou worden belemmerd. Artikel 233 stelt de drie betrokken Lid-Staten dus in staat om, in afwijking van de gemeenschapsvoorschriften, de bepalingen toe te passen die binnen hun unie gelden, voor zover die unie verder is voortgeschreden dan de gemeenschappelijke markt (arrest van 16 mei 1984, zaak 105/83, Pakvries, Jurispr. 1984, blz. 2101, r. o. 11).

19. De Nederlandse regering betoogt derhalve dat, gelet op de stand van de unificatie van de accijnzen in België, Luxemburg en Nederland, deze drie Lid-Staten voor de toepassing van artikel 95 van het Verdrag als één enkele Lid-Staat moeten worden beschouwd. Gezien de omvang van de produktie van vruchten- en druivenwijn in de Beneluxlanden, zou druivenwijn dan ook als een nationaal produkt moeten worden beschouwd. Daar vruchtenwijn en druivenwijn beide nationale produkten zijn, zou er geen sprake zijn van discriminatie in de zin van artikel 95 van het Verdrag.

20. Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat het grondgebied van België, Nederland en Luxemburg voor de wijnaccijns als één grondgebied moet worden beschouwd. Zoals immers uit de rechtsoverwegingen 3 en volgende van dit arrest blijkt, heeft het Unificatieverdrag de bedragen en maatstaven van de accijnzen op gegiste vruchtendranken en mousserende gegiste dranken aan elkaar gelijk gemaakt door de instelling van een gemeenschappelijk tarief en een complementair tarief voor België en Nederland. Voorts hebben de Beneluxlanden een eenvormige regeling voor de heffing van accijnzen alsmede een mechanisme voor de verrekening tussen de partijen ingesteld.

21. Derhalve moeten alle in de Beneluxlanden geproduceerde vruchten- en druivenwijnen als nationale produkten in de zin van artikel 95 van het Verdrag worden aangemerkt.

22. Dat Luxemburgse druivenwijn op het grondgebied van de Benelux een gunstiger fiscale behandeling genoot dan ingevoerde wijn, was niet in strijd met het Verdrag. Krachtens artikel 1, lid 1, tweede alinea, van het aan het EEG-Verdrag gehechte Protocol betreffende het Groothertogdom Luxemburg pasten België, Luxemburg en Nederland namelijk de regeling toe vermeld in artikel 6, lid 3, van de Overeenkomst van 25 juli 1921 tot oprichting van een economische unie tussen België en het Groothertogdom Luxemburg. Deze uitzondering werd gehandhaafd op basis van artikel 2 van verordening (EEG) nr. 541/70 van de Raad van 20 maart 1970 betreffende de landbouw van het Groothertogdom Luxemburg (PB 1970, L 68, blz. 3) en andere daaropvolgende verordeningen. Deze fiscale vrijstellingen werden op 1 januari 1993 afgeschaft krachtens artikel 2 van verordening (EEG) nr. 204/90 van de Raad van 22 januari 1990 betreffende de landbouw in het Groothertogdom Luxemburg (PB 1990, L 22, blz. 11).

23. Ofschoon de Beneluxlanden derhalve door de voorkeursbehandeling van in Luxemburg geproduceerde druivenwijn geen inbreuk maakten op artikel 95, mochten zij niettemin de in een van de drie Beneluxlanden geproduceerde vruchtenwijnen niet bevoordelen tegenover eventueel gelijksoortige produkten uit een andere Lid-Staat van de Gemeenschap.

24. Zoals uit de rechtsoverwegingen 3 tot en met 5 blijkt, gold voor in de Benelux geproduceerde vruchtenwijnen een gunstiger fiscale regeling dan voor ingevoerde druivenwijnen, die volgens de Commissie en verzoeksters in de hoofdgedingen gelijksoortig zijn aan vruchtenwijnen.

25. Deze fiscale discriminatie van ingevoerde produkten kan niet worden aangemerkt als noodzakelijk voor de werking van de in het kader van de Benelux ingevoerde regeling en is derhalve niet gerechtvaardigd op grond van artikel 233 van het Verdrag.

#### De gelijksoortigheid van de betrokken produkten

26. Vervolgens moet worden onderzocht, of de verschillende druivenwijnen die in de hoofdgedingen aan de orde zijn, gelijksoortig zijn aan vruchtenwijn, in de zin van artikel 95, eerste alinea, van het Verdrag.

27. Volgens vaste rechtspraak van het Hof, dat het begrip gelijksoortigheid ruim heeft uitgelegd, moet bij de beoordeling daarvan worden onderzocht of de betrokken produkten soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften van de consument voldoen, waarbij niet de volstrekte identiteit, maar het soortgelijke en vergelijkbare gebruik de maatstaf is. Wat in het bijzonder de vraag betreft, of vruchtenwijn en druivenwijn gelijksoortig zijn, preciseerde het Hof, dat enerzijds moet worden gelet op een aantal objectieve kenmerken van beide soorten dranken, zoals oorsprong, wijze van vervaardiging en organoleptische eigenschappen, met name smaak en alcoholgehalte, terwijl anderzijds moet worden onderzocht of zij uit verbruikersoogpunt al dan niet aan dezelfde behoeften kunnen beantwoorden (zie arrest van 4 maart 1986, zaak 106/84, Commissie/Denemarken, Jmïspr. 1986, blz. 833, r. o. 12).

28. In casu moeten deze criteria achtereenvolgens worden toegepast met betrekking tot rode wijnen, likeurwijnen als sherry en madeira, vermout en champagne.

29. Wat rode wijn betreft, moet onderscheid worden gemaakt tussen tafelwijnen, die in de zaken C-368/93 en C-372/93 aan de orde zijn, en in een bepaald gebied voortgebrachte rode kwaliteitswijnen, waarvan sprake is in zaak C-375/93.

30. In het arrest van 4 maart 1986 (Commissie/Denemarken, reeds aangehaald, r. o. 14 en 15) overwoog het Hof reeds, dat tafelwijnen, vruchtenwijnen zowel als druivenwijnen, uit dezelfde soort grondstoffen — landbouwprodukten — en volgens hetzelfde procédé —natuurlijke gisting— worden vervaardigd. Verder merkte het Hof op, dat de organoleptische eigenschappen van beide categorieën wijnen — met name smaak en alcoholgehalte — met elkaar overeenstemmen, dat zij aan dezelfde behoeften van de consument voldoen en zich lenen voor hetzelfde gebruik, namelijk zowel als verfrissende en opwekkende drank als bij maaltijden.

31. Het staat aan de nationale rechter om aan de hand van de door het Hof ontwikkelde criteria te beoordelen, of ook de in een bepaald gebied voortgebrachte rode kwaliteitswijnen moeten worden aangemerkt als gelijksoortig aan vruchtenwijnen, in de zin van artikel 95, eerste alinea, van het Verdrag.

32. Wat de wijnen van het type „likeurwijn” betreft die in de zaken C-371/93, C-374/93 en C-376/93 (sherry) en zaak C-367/93 (madeira) aan de orde zijn, moet worden erkend, dat deze zich van tafelwijnen onderscheiden doordat zij gewoonlijk als aperitief respectievelijk als dessertwijn worden gedronken en dus aan andere behoeften van de consumenten voldoen. Voorts zij opgemerkt, dat het alcoholgehalte van sherry (17 volumeprocenten) en madeira (18 volumeprocenten) hoger is dan dat van vruchtenwijnen (15 volumeprocenten), die een voorkeursbehandeling genieten.

33. Vermout, die in zaak C-370/93 aan de orde is, heeft een alcoholgehalte van 13,5 volumeprocenten, zodat hij zou kunnen worden gelijkgesteld met niet-mousserende vruchtenwijnen met een alcoholgehalte van niet meer dan 15 volumeprocenten. Evenwel moet rekening worden gehouden met het feit, dat vermout niet wordt vervaardigd uit dezelfde grondstoffen als vruchtenwijnen: aan de druivenwijn wordt niet enkel ethylalcohol toegevoegd, maar ook een kleine hoeveelheid van een kruidenmengsel, dat de vermout zijn specifieke smaak geeft. Daaruit volgt, dat de organoleptische eigenschappen van vermout niet overeenkomen met die van niet-mousserende vruchtenwijn en dat deze twee categorieën dranken aan verschillende behoeften van de consumenten voldoen.

34. Onverminderd de door de verwijzende rechter te onderzoeken vraag, of er vruchtenwijnen met vergelijkbare kenmerken bestaan, dient deze rechter te beoordelen of de betrokken wijn daaraan gelijksoortig kan worden geacht.

35. Met betrekking tot champagne, die in de zaken C-369/93, C-373/93 en C-377/93 aan de orde is, moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat ofschoon zowel mousserende vruchtenwijnen als champagne uit dezelfde soort grondstoffen worden vervaardigd, dat niet volgens hetzelfde procédé gebeurt. Terwijl champagne mousserend wordt door een natuurlijk procédé, te weten een tweede gisting in de fles, vereisen mousserende vruchtenwijnen de toevoeging van koolzuur, hetgeen geen natuurlijk gistingsproces is. Voorts zijn de organoleptische eigenschappen van champagne niet vergelijkbaar met die van mousserende vruchtenwijnen. Ten slotte voldoen deze twee categorieën dranken niet aan dezelfde behoeften van de consument, met name omdat champagne gewoonlijk bij bijzondere gelegenheden wordt gedronken.

36. Gelet op deze criteria staat het aan de nationale rechter te beoordelen, of champagne, die in de zaken C-369/93, C-373/93 en C-377/93 aan de orde is, kan worden beschouwd als een produkt dat gelijksoortig is aan mousserende vruchtenwijnen met een alcoholgehalte van niet meer dan 15 volumeprocenten.

#### De toepassing van artikel 95, tweede alinea

37. Ofschoon een nationale wettelijke regeling als in de hoofdgedingen aan de orde is, wat sherry, madeira, vermout en champagne betreft verenigbaar is met artikel 95, eerste alinea, zou zij niettemin kunnen indruisen tegen artikel 95, tweede alinea. Het lijkt dan ook nuttig, de verwijzende rechter alle elementen te verschaffen die hem in staat stellen uitspraak te doen over de verenigbaarheid van die wettelijke regeling met laatstbedoelde bepaling.

38. Dienaangaande heeft het Hof reeds vastgesteld, dat artikel 95, tweede alinea, van het Verdrag zich richt tegen elke vorm van zijdelings fiscaal protectionisme in het geval van produkten die, hoewel niet gelijksoortig in de zin van de eerste alinea, toch gedeeltelijk, indirect of potentieel in een mededingingsverhouding staan met sommige produkties van het land van invoer (zie arrest van 9 juli 1987, zaak 356/85, Commissie/België, Jurispr. 1987, blz. 3299, r. o. 7).

39. Bovendien is het vaste rechtspraak, dat de vraag of een fiscale last verenigbaar is met artikel 95, tweede alinea, moet worden beantwoord met inachtneming van de gevolgen van die last voor de mededingingsverhouding tussen de betrokken produkten. Het gaat er dus in hoofdzaak om, of die last de betrokken markt al dan niet beïnvloedt door het potentiële verbruik van de ingevoerde produkten te verminderen ten gunste van concurrerende nationale produkten (zie arrest Commissie/België, reeds aangehaald, r. o. 15). In dat verband moet de verwijzende rechter rekening houden met het verschil tussen de verkoopprijzen van de betrokken produkten en met de invloed van dat verschil op de keuze van de consument, evenals met de wijze waarop het verbruik van die produkten evolueert.

40.

Mitsdien moet op de eerste vraag van de Tariefcommissie worden geantwoord, dat

—een Lid-Staat zich niet met een beroep op artikel 233 van het Verdrag kan onttrekken aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 95 van het Verdrag, wanneer dat niet noodzakelijk is voor de goede werking van de Beneluxregeling;

—artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het aan de nationale rechter staat om aan de hand van de door het Hof ontwikkelde criteria te beoordelen of:

—produkten als rode tafelwijn, in bepaalde gebieden voortgebrachte rode kwaliteitswijn, sherry, madeira en vermout enerzijds en niet-mousserende vruchtenwijn met een alcoholgehalte van niet meer dan 15 volumeprocenten anderzijds, gelijksoortig zijn;

—produkten als champagne en mousserende vruchtenwijn met een alcoholgehalte van niet meer dan 15 volumeprocenten, gelijksoortig zijn;

—artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat de vraag of een fiscale last daarmee verenigbaar is, moet worden beantwoord met inachtneming van de gevolgen van die last voor de mededingingsverhouding tussen de betrokken produkten, zodat met name moet worden onderzocht, of die last de betrokken markt al dan niet beïnvloedt door het potentiële verbruik van de ingevoerde produkten te verminderen ten gunste van concurrerende nationale produkten. In dat verband moet de verwijzende rechter rekening houden het verschil tussen de verkoopprijzen van de betrokken produkten en met de invloed van dat verschil op de keuze van de consument, evenals met de wijze waarop het verbruik van die produkten evolueert.

### De tweede vraag

41. Met de tweede vraag wordt het Hof verzocht te beslissen, of in geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag, de werking van dit arrest in de tijd moet worden beperkt.

42. Volgens vaste rechtspraak verklaart en preciseert de uitlegging die het Hof van Justitie krachtens de hem bij artikel 177 van het Verdrag verleende bevoegdheid geeft aan een voorschrift van gemeenschapsrecht, wanneer daaraan behoefte bestaat, de betekenis en strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan en toegepast. Hieruit volgt, dat het aldus uitgelegde voorschrift door de rechter ook kan en moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist, indien voor het overige is voldaan aan de voorwaarden waaronder een geschil over de toepassing van dat voorschrift voor de bevoegde rechter kan worden gebracht (zie arrest van 27 maart 1980, zaak 61/79, Denkavit italiana, Jurispr. 1980, blz. 1205, r. o. 16).

43. Gelet op deze beginselen, kan de werking van het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist, slechts bij hoge uitzondering worden beperkt (zie in het bijzonder arrest Denkavit italiana, reeds aangehaald, r. o. 17). Het Hof heeft slechts in zeer specifieke omstandigheden van deze mogelijkheid gebruik gemaakt, namelijk wanneer er een gevaar bestond voor ernstige economische gevolgen, inzonderheid gezien het grote aantal op basis van de geldig geachte wettelijke regeling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen, en wanneer bleek dat de particulieren en de nationale autoriteiten tot een met de communautaire regeling strijdig gedrag waren gebracht op grond van een objectieve, grote onzekerheid over de strekking van de communautaire voorschriften, aan welke onzekerheid het gedrag van andere Lid-Staten of van de Commissie eventueel had bijgedragen (zie in het bijzonder arrest van 16 juli 1992, zaak [C-163/90](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-163-90-arrest), Legros e. a., Jurispr. 1992, blz. I-4625).

44. In casu is er niets dat een afwijking van het beginsel van terugwerkende kracht van uitleggingsarresten rechtvaardigt.

45. Over de uitlegging van artikel 95 en het vraagstuk van de rechtstreekse toepasselijkheid ervan bestaat immers een overvloedige rechtspraak van grote verscheidenheid, die vele jaren terugreikt en geen enkele twijfel laat bestaan over de draagwijdte van deze bepaling (zie in het bijzonder arrest van 27 mei 1981, gevoegde zaken 142/80 en 143/80, Essevi en Salengo, Jurispr. 1981, blz. 1413, r. o. 33). Daar komt bij, dat de Commissie op 17 oktober 1990 tegen het Koninkrijk der Nederlanden een niet-nakomingsprocedure had ingeleid, waarin Nederland werd verweten dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde wettelijke regeling onverenigbaar was met artikel 95 van het Verdrag. Deze procedure is nadien stopgezet, nadat Nederland de nieuwe wettelijke regeling ter zake had vastgesteld, die op 1 januari 1993 in werking is getreden.

46. Voor het overige beklemtoont de Nederlandse regering de omvang van de financiële schade die zij zou lijden, indien het arrest onmiddellijk zou werken. Zij voegt daaraan toe, dat dit voor de betrokken belastingplichtigen een onbillijk voordeel zou opleveren, daar zij de belasting reeds hebben afgewenteld op hun klanten en zij het betrokken bedrag, indien het hun werd terugbetaald, niet aan deze laatsten zouden restitueren.

47. Deze argumenten kunnen niet worden aanvaard.

48. Enerzijds hebben de financiële gevolgen die een regering van de onwettigverklaring van een belasting zou kunnen ondervinden, op zich nooit een beperking van de werking van een arrest van het Hof gerechtvaardigd (zie arrest van 31 maart 1992, zaak [C-200/90](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-200-90-arrest), Dansk Denkavit en Poulsen Trading, Jurispr. 1992, blz. I-2217). Bovendien zouden anders de ernstigste inbreuken gunstiger worden behandeld, aangezien juist die inbreuken voor de Lid-Staten de aanzienlijkste financiële gevolgen kunnen hebben. Daar komt bij dat, zo de werking van een arrest enkel op grond van dergelijke overwegingen werd beperkt, zulks zou leiden tot een aanzienlijke beperking van de rechterlijke bescherming van de rechten die de belastingplichtigen aan de communautaire belastingvoorschriften ontlenen.

49. Anderzijds zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak het gemeenschapsrecht weliswaar niet uitsluit dat rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat de last van ten onrechte geheven belastingen is afgewenteld op andere deelnemers aan het economisch verkeer of op de verbruikers, maar dat het aan de Lid-Staten staat, overeenkomstig de bepalingen van hun nationale recht de terugbetaling te verzekeren van in strijd met artikel 95 geheven belastingen, onder voorwaarden die niet ongunstiger mogen zijn dan die voor vergelijkbare nationale vorderingen en die in elk geval de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde toegekende rechten niet nagenoeg onmogelijk mogen maken (zie arrest van 27 februari 1980, zaak 68/79, Just, Jurispr. 1980, blz. 501, r. o. 27).

50. Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat de werking van dit arrest niet in de tijd dient te worden beperkt.

### Kosten

51. De kosten door de Nederlandse en de Portugese regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door de Tariefcommissie bij beschikkingen van 7 juli 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Een Lid-Staat kan zich niet met een beroep op artikel 233 EEG-Verdrag onttrekken aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 95 van het Verdrag, wanneer dat niet noodzakelijk is voor de goede werking van de Beneluxregeling.

2) Artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het aan de nationale rechter staat om aan de hand van de door het Hof ontwikkelde criteria te beoordelen of: produkten als rode tafelwijn, in bepaalde gebieden voortgebrachte rode kwaliteitswijn, sherry, madeira en vermout enerzijds en niet-mousserende vruchtenwijn met een alcoholgehalte van niet meer dan 15 volumeprocenten anderzijds, gelijksoortig zijn; produkten als champagne en mousserende vruchtenwijn met een alcoholgehalte van niet meer dan 15 volumeprocenten gelijksoortig zijn.

3) Artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat de vraag of een fiscale last daarmee verenigbaar is, moet worden beantwoord met inachtneming van de gevolgen van die last voor de mededingingsverhouding tussen de betrokken produkten, zodat met name moet worden onderzocht, of die last de betrokken markt al dan niet beïnvloedt door het potentiële verbruik van de ingevoerde produkten te verminderen ten gunste van concurrerende nationale produkten. In dat verband moet de verwijzende rechter rekening houden met het verschil tussen de verkoopprijzen van de betrokken produkten en met de invloed van dat verschil op de keuze van de consument, evenals met de wijze waarop het verbruik van die produkten evolueert.

4) De werking van dit arrest dient niet in de tijd te worden beperkt.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

9

EEG-Verdrag art. 95 uitgelegd 13 voorkomens

EEG-Verdrag art. 233 uitgelegd 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 18 1 voorkomen

verordening 541/70 art. 2 1 voorkomen

verordening 204/90 art. 2 1 voorkomen

[C-163/90, arrest van 16 juli 1992](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-163-90-arrest) 1 voorkomen

[C-200/90, arrest van 31 maart 1992](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-200-90-arrest) 1 voorkomen

[47/88, arrest van 11 december 1990](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-47-88-arrest) 1 voorkomen

## Rechtspraak

14

### Europese Unie

14

Hof van Justitie C-82/12 27.02.2014

#### [Indirecte belastingen, accijns](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-82-12-arrest)

Hof van Justitie C-259/10 10.11.2011

#### [Vrijstellingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-259-10-arrest)

Hof van Justitie C-453/02 17.02.2005

#### [Vrijstelling voor kansspelen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-453-02-arrest)

## Rechtsleer

8

Rigaux, Anne ; Lagondet, F.: Europe 1995 Octobre Comm. nº 363 p.15-16 (FR)

Ebeling, Jan-Willem: European Food Law Review 1996 p.78-80 (EN)

Tserkezis, Giorgos: Armenopoulos 1996 p.264 (EL)

Simon, Denys: Chronique de jurisprudence du Tribunal et de la Cour de justice des Communautés européennes. Institutions et ordre juridique communautaire, Journal du droit international 1996 p.491-492 (FR)

Tiberi, Giulia: Rivista italiana di diritto pubblico comunitario 1996 p.454-455 (IT)

**Bekijk de 3 andere verwijzingen**

Barents, René: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1996 p.319-320 (NL)

Caamaño Anido, Miguel Angel ; Calderón Carrero, José Manuel: Prohibición comunitaria de tributos internos discriminatorios (Art. 95 TCE), Jurisprudencia Tributaria del Tribunal de Justicia de las Comunidades Europeas (Comentarios y concordancias con la legislación española) 1992-1995 (Ed. La ley-Actualidad - Madrid) 1997 p.191-196 (ES)

Neumann, Jan ; Türk, Elisabeth: Necessity Revisited - Proportionality in WTO Law after EC - Asbestos, Tübinger Schriften zum internationalen und europäischen Recht ; WTO-Recht und Globalisierung 2003 Bd.68 p.103-144 (EN)
