---
title: "HvJ EU, C-361/97, beschikking van 25 mei 1998 · EG-Verdrag art. 177"
description: "Beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 mei 1998, C-361/97: EG-Verdrag art. 177."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-361-97-beschikking"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-361-97-ordonnance"
---

# Beschikking van het Hof van 25 mei 1998, C-361/97 · EG-Verdrag art. 177

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Tweede kamer

**Zaak**

C-361/97

**ECLI**

ECLI:EU:C:1998:250

**Datum**

25 mei 1998

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing niet-ontvankelijk

**Verwijzende rechter**

ASVG-Landesberufungskommission für das Burgenland, Eisenstadt (Oostenrijk) beslissing van 18 september 1997 LBK 6/1997

**Zaak ingediend op**

21 oktober 1997

**Advocaat-generaal**

Cosmas

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1998, blz. I-3101

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Hirsch

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Prejudiciële verwijzing](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04) [Bevoegdheid van Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04.02) 167 beslissingen

## Tekst

43 paragrafen

Beschikking van het Hof (Tweede kamer)

25 mei 1998

In zaak C-361/97,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de ASVG-Landesberufungskommission für das Burgenland (Oostenrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen

R. Nour

Burgenländische Gebietskrankenkasse,

om een prejudiciële beslissing over algemene beginselen van het gemeenschapsrecht,

geeft

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: R. Schintgen, kamerpresident, G. F. Mancini en G. Hirsch (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: G. Cosmas

griffier: R. Grass

de advocaat-generaal gehoord,

de navolgende

### Beschikking

1. Bij beschikking van 18 september 1997, ingekomen bij het Hof op 21 oktober daaraanvolgend, heeft de ASVG-Landesberufungskommission für das Burgenland (commissie van beroep inzake de sociale zekerheid van de deelstaat Burgenland; hierna: „Landesberufungskommission”) krachtens artikel 177 EG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van algemene beginselen van het gemeenschapsrecht.

2. Die vragen zijn gesteld in het kader van een geding tussen de arts R. Nour en de Burgenländische Gebietskrankenkasse, strekkende tot vaststelling van de nietigheid van met dat orgaan overeengekomen contractuele regelingen betreffende de vermindering van zijn honoraria.

3. De Landesberufungskommission is een permanent orgaan, ingesteld krachtens de wetten inzake de sociale zekerheid en rechtsprekend in hoogste ressort in geschillen tussen artsen en de socialezekerheidsorganen waarmee zij collectieve en individuele overeenkomsten zijn aangegaan. Blijkens het dossier bestaat genoemde commissie uit twee vertegenwoordigers van de artsen, twee vertegenwoordigers van de socialezekerheidsorganen en een beroepsrechter, tevens voorzitter.

4.

Tijdens zijn zitting in raadkamer op 18 september 1997 heeft de Landesberufungskommission besloten de behandeling van de hoofdzaak te schorsen en het Hof de volgende vier prejudiciële vragen te stellen:

> 1)„ In zijn rechtspraak heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen tal van algemene rechtsbeginselen ontwikkeld en toegepast, waaronder beginselen die hebben te gelden in een rechtsstaat, zoals het evenredigheidsbeginsel (arrest van 20 februari 1979, Buitoni, 122/78, Jurispr. blz. 677, 684), het rechtszekerheidsbeginsel (arrest van 5 maart 1980, Ferwerda, 265/78, Jurispr. blz. 617, 630) enzovoort. Er bestaat echter geen volledige communautaire grondrechtencataloog. Verwezen wordt naar aanbeveling nr. R(94) 12, op 13 oktober 1994 vastgesteld door het Comité van ministers van de Raad van Europa, over de onafhankelijkheid, de doeltreffendheid en de rol van de rechter, volgens welke onder meer de ambtsperiode en de bezoldiging van rechters wettelijk gewaarborgd moeten zijn.
>
> Het Hof wordt gevraagd, of deze aanbeveling bij wege van de algemene rechtsbeginselen ook deel uitmaakt van het gemeenschapsrecht.
>
> 2) Moet het beginsel inzake bescherming van het gewettigd vertrouwen (arresten Hof van 20 september 1990, Commissie/Duitsland, [C-5/89](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-5-89-arrest), Jurispr. blz. I-3437, en 10 januari 1992, Kühn, C-177/90, Jurispr. blz. I-35, enz.), zoals tot uitdrukking komend in het beginsel dat de wet geen terugwerkende kracht heeft (arresten Hof van 25 januari 1979, Racke, 98/78, Jurispr. blz. 69, en 11 juli 1991, Crispoltoni, [C-368/89](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-368-89-arrest), Jurispr. blz. I-3695, enz.), ook aldus worden uitgelegd, dat het een bestuursorgaan niet is toegestaan de bezoldiging van een rechter, die bij een handeling van de staat op een vast bedrag per behandelde zaak is bepaald, te verminderen op de enkele grond dat zij naar het oordeel van dat bestuursorgaan onevenredig is?
>
> 3) Kan men nog van rechtszekerheid spreken wanneer een bij wet ingerichte beroepsweg die twee instanties omvat, in feite uit slechts één instantie bestaat, omdat de eerste instantie stelselmatig niets doet, zodat de tweede en laatste instantie op desbetreffend verzoek langs de weg van devolutie alleen moet beslissen?
>
> 4) Mag een bestuursorgaan een gerecht of een quasi-gerechtelijk college voorschrijven, wanneer respectievelijk in welke omstandigheden bij dat gerecht of college aanhangige zaken gevoegd moeten worden, of vormt dat een inmenging in de autonome sfeer van de rechtspraak?”

5. Blijkens de verwijzingsbeschikking en het dossier van de hoofdzaak houden de vragen van de Landesberufungskommission voornamelijk verband met twee aspecten van haar functioneren: in de eerste plaats de berekeningswijze van de bezoldiging van de voorzitter van die commissie (eerste, tweede en vierde vraag), en in de tweede plaats de verhouding tussen de Paritätische Schiedskommission (paritaire arbitragecommissie) als instantie van eerste aanleg en de Landesberufungskommission als beroepsinstantie (derde vraag).

6. Wat het eerste aspect betreft, blijkt uit het dossier, dat bij het Verwaltungsgerichtshof thans een geding aanhangig is tussen de voorzitter van de Landesberufungskommission en het Ministerie van Justitie over het bedrag dat aan de voorzitter verschuldigd is ter zake van de afdoening, door de commissie, van 36 socialezekerheidszaken in de eerste helft van 1996.

7. De eerste en de tweede vraag houden verband met dat geschil, waarin de voorzitter van de Landesberufungskommission het Ministerie van Justitie juist verwijt, bij eenvoudige administratieve beslissing de berekeningswijze van zijn bezoldiging met terugwerkende kracht te hebben gewijzigd.

8. De reden van de vierde vraag is gelegen in de omstandigheid dat het Ministerie van Justitie onlangs alle Landesberufungskommissionen heeft aangespoord identieke of soortgelijke zaken te voegen, dit om te voorkomen, dat de op basis van een vast bedrag per afgedaan dossier berekende bezoldiging van de voorzitters van die commissies te hoog wordt.

9. Wat het tweede aspect betreft, lijkt de verwijzende rechterlijke instantie met haar derde vraag de aandacht van het Hof erop te willen vestigen, dat de instantie in eerste aanleg ten gevolge van haar paritaire samenstelling er niet in slaagt, geschillen tussen artsen en socialezekerheidsorganen te beslechten, zodat de Landesberufungskommission in de praktijk in eerste en laatste ressort beslist.

10. Er zij aan herinnerd, dat de procedure van artikel 177 van het Verdrag een instrument is van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, die het Hof in staat stelt de nationale rechter de elementen voor uitlegging van het gemeenschapsrecht te verschaffen, die laatstgenoemde nodig heeft om uitspraak te kunnen doen in het bij hem aanhangig geschil (zie, met name, arrest van 16 juli 1992, Meilicke, [C-83/91](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-83-91-arrest), Jurispr. blz. I-4871, punt 22, en beschikking van 9 augustus 1994, La Pyramide, C-378/93, Jurispr. blz. I-3999, punt 10).

11. In het kader van die samenwerking is het de nationale rechter, die als enige rechtstreeks kennis heeft van de feiten van de zaak, die het best in staat is de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen (arrest Meilicke, reeds aangehaald, punt 23). Het Hof doet derhalve uitspraak, zonder dat het in beginsel behoeft te onderzoeken, wat de nationale rechter ertoe heeft gebracht de vragen te stellen, en welke toepassing hij denkt te geven aan de communautaire bepaling die hij het Hof verzoekt uit te leggen (zie, onder meer, arrest van 5 december 1996, Reisdorf, [C-85/95](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-85-95-arrest), Jurispr. blz. I-6257, punt 15).

12. Volgens vaste rechtspraak kan het Hof evenwel geen uitspraak doen op een prejudiciële vraag wanneer duidelijk blijkt, dat de door een nationale rechterlijke instantie gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is en het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk of rechtens, die het nodig heeft om een nuttig antwoord op de gestelde vragen te kunnen geven (zie arresten van 16 juni 1981, Salonia, 126/80, Jurispr. blz. 1563, punt 6; 15 december 1995, Bosman, [C-415/93](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-415-93-arrest), Jurispr. blz. I-4921, punt 61, en 9 oktober 1997, Grado en Bashir, C-291/96, Jurispr. blz. I-5531, punt 12).

13. Dit is het geval in de onderhavige zaak, waarin de gestelde vragen geen verband houden met het voorwerp van het hoofdgeding.

14. Dienaangaande moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat de antwoorden die de Landesberufungskommission wenst te verkrijgen, niet zouden bijdragen tot de oplossing van het bij die commissie aanhangige geding tussen Nour en de Burgenländische Gebietskrankenkasse over de artsenhonoraria van eerstgenoemde. De vragen over de bezoldiging van de voorzitter, de voeging van zaken en de verhouding tot de voorinstantie zijn tussen de partijen in het hoofdgeding niet in discussie en vallen duidelijk buiten het kader van het geschil dat hen verdeeld houdt; zij verwijzen integendeel naar het bovenbeschreven conflict tussen de voorzitter van genoemde commissie en het Ministerie van Justitie.

15. Volgens vaste rechtspraak moet in een dergelijke situatie worden geoordeeld, dat de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen geen betrekking hebben op een uitlegging van het gemeenschapsrecht, die objectief noodzakelijk is voor de uitspraak die de verwijzende rechterlijke instantie moet doen (zie, met name, beschikkingen van 26 februari 1990, Falciola, [C-286/88](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-286-88-beschikking), Jurispr. blz. I-191, punt 9, en 16 mei 1994, Monin Automobiles, [C-428/93](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-428-93-beschikking), Jurispr. blz. I-1707, punt 15; zie ook arrest Grado en Bashir, reeds aangehaald, punt 16).

16. In de tweede plaats blijkt uit het dossier, dat tijdens het bij het Verwaltungsgerichtshof aanhangige geding over het functioneren van de Paritätische Schiedskommission en over de bezoldiging van de voorzitter van de Landesberufungskommission, laatstgenoemde, als partij, zonder succes heeft voorgesteld het Hof vragen te stellen die volledig overeenkomen met die welke in casu zijn gesteld.

17. Indien een nationale rechter die op persoonlijke titel partij is in een geschil met het Ministerie van Justitie, met dat geschil verband houdende prejudiciële vragen kon stellen via de rechterlijke instantie waarvan hij de voorzitter is, en in het kader van een ander geschil met een ander voorwerp tussen derde personen, zou dat indruisen tegen de regel, dat het aan de van een geschil kennisnemende nationale rechterlijke instantie, in casu het Verwaltungsgerichtshof, en niet aan de partijen staat, zich in voorkomend geval tot het Hof te wenden en de inhoud van de prejudiciële vragen te bepalen (zie, met name, arresten van 15 juni 1972, Grassi, 5/72, Jurispr. blz, 443, punt 4, en 3 oktober 1985, CBEM, 311/84, Jurispr. blz. 3261, punt 10).

18. In de derde plaats moet erop worden gewezen, dat de verwijzingsbeschikking niet doet uitkomen, in welk opzicht het gemeenschapsrecht van toepassing zou kunnen zijn op het geschil tussen de betrokken arts en de Burgenländische Gebietskrankenkasse. De verwijzende rechter beperkt zich tot de opmerking, dat artsen uit andere lidstaten in de toekomst wellicht bij soortgelijke geschillen betrokken zouden kunnen raken.

19. Volgens vaste rechtspraak evenwel kan het Hof geen uitspraak doen over een vermeende schending van algemene beginselen van gemeenschapsrecht, wanneer het gaat om een geschil dat geen enkel raakpunt heeft met een van de in de verdragsbepalingen bedoelde situaties. Het zuiver hypothetische vooruitzicht, dat de vrijheden van het Verdrag zullen worden uitgeoefend, levert geen verband op dat toepassing van de communautaire voorschriften zou kunnen rechtvaardigen (zie, in die zin, arresten van 28 juni 1984, Moser, 180/83, Jurispr. blz. 2539, punt 18, en 29 mei 1997, Kremzow, [C-299/95](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-299-95-arrest), Jurispr. blz. I-2629, punt 16).

20. Onder deze omstandigheden moet op de grondslag van artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering worden vastgesteld, dat het Hof kennelijk niet bevoegd is de door de Landesberufungskommission gestelde vragen te beantwoorden.

### Kosten

21. Daar de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, heeft de nationale rechterlijke instantie over de kosten te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer)

beschikt:

Het Hof is niet bevoegd de door de ASVG-Landesberufungskommission für das Burgenland gestelde vragen te beantwoorden.

Luxemburg, 25 mei 1998.

De griffier

R. Grass

De president van de Tweede kamer

R. Schintgen

### Voetnoten

- \*1 Procestaal: Duits.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

9

EG-Verdrag art. 177 3 voorkomens

[286/88, beschikking van 26 januari 1990](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-286-88-beschikking) 1 voorkomen

[C-299/95, arrest van 29 mei 1997](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-299-95-arrest) 1 voorkomen

[C-368/89, arrest van 11 juli 1991](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-368-89-arrest) 1 voorkomen

[C-415/93, arrest van 15 december 1995](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-415-93-arrest) 1 voorkomen

[C-428/93, beschikking van 16 mei 1994](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-428-93-beschikking) 1 voorkomen

[C-5/89, arrest van 20 september 1990](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-5-89-arrest) 1 voorkomen

[C-83/91, arrest van 16 juli 1992](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-83-91-arrest) 1 voorkomen

[C-85/95, arrest van 5 december 1996](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-85-95-arrest) 1 voorkomen

## Rechtspraak

5

### België

1

Hof van beroep te Antwerpen 01.03.2011

#### [Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, werkingssfeer, dienst](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-antwerpen-2011-03-01-893c)

### Europese Unie

4

Hof van Justitie C-558/18 26.03.2020

#### [Rechtsstaat](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-558-18-arrest)

Hof van Justitie C-380/01 05.02.2004

#### [Gelijke behandeling van mannen en vrouwen, promotiekansen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-380-01-arrest)

Hof van Justitie C-454/98 19.09.2000

#### [Verplichting van lidstaten om herziening van ten onrechte gefactureerde belasting mogelijk te maken](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-454-98-arrest)

## Rechtsleer

1

Ritleng, Dominique: Europe 1998 Juillet Comm. nº 237 p. 12 (FR)
