---
title: "HvJ EU, 36/80 en 71/80, arrest van 10 maart 1981 · EEG-Verdrag art. 177 en art. 39"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 maart 1981, 36/80 en 71/80: EEG-Verdrag art. 177 en art. 39."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-36-80-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-36-80-arret"
---

# Arrest van het Hof van 10 maart 1981, 36/80 en 71/80 · EEG-Verdrag art. 177 en art. 39

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaken**

36/80, 71/80

**ECLI**

ECLI:EU:C:1981:62

**Datum**

10 maart 1981

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

C-36/80 High Court (Irlande) (Ierland) beslissing van 25 oktober 1979 5622P/1979 ; C-71/80 High Court (Irlande) (Ierland) beslissing van 29 november 1979 3852P/1979

**Zaak ingediend op**

28 januari 1980

**Advocaat-generaal**

Warner

**Opmerkingen**

Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

C-36/80, C-71/80 High Court beslissing van 26 april 1983 5622P/1979 ; 3852P/1979 ; C-71/80 Supreme Court beslissing van 29 maart 1985

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Engels

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1981, blz. 735

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Due

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [Gemeenschappelijke marktordeningen: beginselen en instrumenten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.03) [Gemeenschappelijke marktordeningen en interventie van de Lid-Staten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.03.02) 13 beslissingen
  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Prejudiciële verwijzing](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04) [Voorlegging aan het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04.01) [Uitsluitende bevoegdheid van de nationale rechter](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04.01.03) 49 beslissingen
  - [Vrij verkeer van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02%2C578-4.02) [Douanerechten en heffingen van gelijke werking · verbod](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.01) [Heffingen van gelijke werking](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.01.02) [Concrete gevallen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.01.02.02) 19 beslissingen

## Tekst

55 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het procesverloop

##### A — De feiten en bet procesverloop voor de nationale rechter

1.

In april 1979 gaf de Ierse regering een aantal besluiten tot invoering van een tijdelijke belasting van 2 % op de belastbare waarde van de navolgende produkten:

a) verse melk (van 1 mei tot 31 december 1979);

b) levende binnenlandse runderen (van 1 mei tot 31 december 1979);

c) granen (tarwe, haver en gerst) (van 1 augustus tot 31 december 1979);

d) suikerbieten (van 1 augustus tot 31 december 1979).

Behoudens zekere uitzonderingen diende de belasting te worden betaald over binnenlandse produkten op het ogenblik van levering met het oog op verwerking, opslag of export. De belasting gold niet voor ingevoerde produkten, behalve voor sinds meer dan veertien dagen in Ierland ingevoerde runderen, die als binnenlands vee werden beschouwd.

De uitzonderingen hadden betrekking op de eerste 5000 „imperial gallons” melk, besmette dieren en in bepaalde county's verbouwde en aan een bepaalde suikerfabriek geleverde suikerbieten.

De betaling van de belasting, aan de Revenue Commissioners, diende te geschieden door de exporteur, door de verwerkende onderneming (slachthuis, zuivelfabriek, suikerfabriek of maalderij) dan wel door het opslagbedrijf, en zulks door de eigenaars van genoemde ondernemingen aan het einde van elke maand en door de exporteurs in beginsel vóór de export.

Voor melk, vee en graan werd als belastbare waarde aangemerkt de prijs die voor het produkt bij een verkooptransactie op de vrije markt kan worden bedongen tussen een koper en een verkoper die onafhankelijk zijn van elkaar. Voor suikerbieten daarentegen gold als belastbare waarde de daadwerkelijk door de koper betaalde prijs.

Indien de goederen werden gekocht door de exporteur of de eigenaar van de verwerkende onderneming, kon deze in beginsel een bedrag gelijk aan de belasting aftrekken van de prijs die hij aan de verkoper diende te betalen, of dit bedrag als contractueel verschuldigd terugvorderen. Indien de belastingplichtige niet zelf eigenaar werd van het produkt, bij voorbeeld omdat hij enkel als bemiddelaar bij de verkoop optrad, kon hij het bedrag van de belasting terugvorderen van de eigenaar van het produkt.

Voor de betaling van de belasting bij uitvoer konden de exporteurs kiezen voor toepassing van de formaliteiten en de procedure neergelegd in richtlijn nr. 78/453 van de Raad van 22 mei 1978 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende uitstel van betaling van in- of uitvoerrechten (PB L 146 van 1978, blz. 19) in het kader van de monetair compenserende bedragen. De eigenaars van genoemde ondernemingen dienden bij de Revenue Commissioners een vergunning aan te vragen, die werd toegekend onder zekere voorwaarden, zoals bijvoorbeeld de verplichting bepaalde gegevens te verstrekken met het oog op de controle.

2.

De Ierse landbouwers en hun verenigingen dienden een klacht in bij de Commissie. Bovendien stelden zij tezamen met enkele verwerkende ondernemingen en een vee-exporteur twee beroepen in tegen de Ierse regering en andere Ierse instanties. Deze beroepen hebben geleid tot de verzoeken om een prejudiciële beslissing van de High Court van Ierland.

In een brief aan de Commissie van 2 oktober 1979 lichtte de regering van de Ierse Republiek de redenen voor de instelling van de betrokken belasting als volgt toe :

> „Om historische redenen bleven de welvaart en de ontwikkeling van de Ierse landbouw tot voor kort achter bij de andere sectoren van de economie. Dit kwam tot uiting in een voor de landbouw relatief gunstig belastingstelsel, met name wat de inkomstenbelasting betreft. Sinds 1972 evenwel heeft de landbouw, voornamelijk dank zij de invloed van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, grote vooruitgang geboekt en is het belastingstelsel geleidelijk gewijzigd en geharmoniseerd met dat in andere sectoren met vergelijkbare inkomens. Deze ontwikkeling had bij het opstellen van de begroting voor 1979 nog niet haar eindpunt bereikt, doch de regering gaf er zich op dat ogenblik rekenschap van dat de landbouwsector voortaan veel beter in staat was, te betalen voor de eraan verleende bijzondere diensten. De regering ging op zoek naar middelen om althans een gedeelte van de uitgaven te verhalen op de landbouwsector en niet op de belastingplichtigen in het algemeen', en stelde vast dat voor het lopende begrotingsjaar geen enkel belastingstelsel een doeltreffende oplossing kon bieden voor de invordering van geldmiddelen. Op die grond werd als voorlopige maatregel een stelsel van heffingen op landbouwprodukten ingesteld, dat zou worden toegepast totdat de regering, na raadpleging van de betrokken kringen, een definitief belastingstelsel voor de landbouw zou hebben vastgesteld. Sinds het opstellen van de begroting hebben deze raadplegingen plaatsgehad; op 24 april werd een definitief belastingstelsel met werking vanaf 1980 aangekondigd, en de inning van de heffing zal op 31 december 1979 worden beëindigd.”

3. Verzoekers in het hoofdgeding in zaak 36/80 belastten professor Denis Lucey van het University College van Cork met een onderzoek naar de uitwerking van de betrokken belasting. In zijn voorlopige conclusies onder punt 42 van het rapport, stelde professor Lucey vast dat de gehele of bijna de gehele last van de heffing werd afgewenteld op de landbouwproducenten, doordat de nettoprijzen voor de betrokken produkten werden verlaagd. Meer in het bijzonder kwam hij tot de conclusie dat voor granen, suikerbieten en melk de belasting van 2 % uiteindelijk door de producenten werd gedragen, terwijl de door de belasting veroorzaakte administratiekosten werden gedragen door de verwerkings- of opslagbedrijven. Wat rundvee betreft is de situatie minder eenvoudig. Wegens de hoge vraag konden de exportslachterijen aanvankelijk de belasting op hun kopers afwentelen; maar door de werking van de interventieprijzen kwam de last later weer op de producenten te rusten, zodat deze wegens de belasting niet de gehele interventieprijs ontvingen. Een zeer groot aantal runderen werd vlak voor de invoering van de heffing verkocht en geslacht en in de eerste weken na invoering ervan zagen de exporteurs hun omzet aanzienlijk afnemen. De invoer van vee uit Noord-Ierland nam toe.

4.

De bij de High Court van Ierland ingestelde beroepen strekken ertoe, de onverenigbaarheid van de belasting met het EEG-Verdrag en inzonderheid de communautaire regeling van de gemeenschappelijke ordening der markten voor de betrokken produkten vast te stellen, en een rechterlijk verbod tot heffing van de belasting te verkrijgen.

Overwegende dat de Ierse regering zich heeft verbonden de betaalde belastingen terug te betalen ingeval de High Court de heffing ongeldig mocht verklaren, heeft de nationale rechter geen uitspraak gedaan over het verzoek om een rechterlijk bevel, doch de procedure geschorst en besloten de navolgende vragen ter prejudiciële beslissing aan het Hof van Justitie voor te leggen:

> 1.„ Is de beschikking van de High Court waarbij in deze stand van de procedure de vraag sub 2 krachtens artikel 177 EEG-Verdrag ter prejudiciële beslissing wordt voorgelegd aan het Hof van Justitie, een correcte uitoefening van de overeenkomstig voornoemd artikel aan de High Court toekomende bevoegdheid?
>
> 2.Is een nationale belasting als de onderhavige in strijd met het EEG-Verdrag, inzonderheid met de artikelen 9, 11, 12, 16, 17 en 38 tot 46 dan wel met één van deze artikelen, of met de verordeningen nr. 804/68, 805/68, 3330/74 en 2727/75 van de Raad dan wel met één van deze verordeningen?”

##### B — Procesverloop voor het Hof van Justitie

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verzoekers in het hoofdgeding, in zaak 36/80 vertegenwoordigd door Mason Hayes & Curran, Solicitors te Dublin, en in zaak 71/80 door B. McCracken S.C., M. Robinson en T. Morgan, barristers, geïnstrueerd door Beatty & Healy, Solicitors te Dublin; door verweerders in het hoofdgeding, te deze vertegenwoordigd door L. J. Dokkery, Chief State Solicitor als gemachtigde; en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door R. Wainwright en H. P. Hartwig, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

Bij beschikking van 16 september 1980 heeft het Hof besloten de zaken 36/80 en 71/80 met het oog op de mondelinge behandeling en de uitspraak te voegen.

#### II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG

##### A — De eerste vraag

Verweerders in het hoofdgeding merken op dat zij, wegens een verschil van mening tussen partijen over feitelijke vragen onder meer betreffende de toepassing en de uitwerking van de belasting de High Court hadden verzocht, het Hof van Justitie niet om een prejudiciële beslissing te vragen zolang deze feiten niet vaststonden. Hiermee wensten verweerders te voorkomen dat nadat duidelijkheid over de feiten zou zijn ontstaan, eventueel andere vragen van gemeenschapsrecht zouden rijzen die een verwijzing naar het Hof krachtens artikel 177 noodzakelijk zouden maken, waardoor zich het zeer ongewenste geval zou kunnen voordoen dat dezelfde zaak meer dan één keer moest worden verwezen. Tegen het besluit van de High Court, de vraag over de geldigheid van de betrokken wettelijke bepalingen aan het Hof voor te leggen alvorens uitspraak te doen, hebben verweerders hoger beroep ingesteld. Nadat tijdens de mondelinge behandeling van dit beroep twijfels waren gerezen over het bestaan van een recht op hoger beroep bij een hogere nationale rechter tegen een verwijzingsbeschikking van een nationale rechter, zijn partijen het eens geworden over een schorsing van de procedure voor onbepaalde tijd en werd wat nu de eerste vraag vormt van de verwijzingsbeschikking van de High Court, toegevoegd aan het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing.

Volgens verweerders is deze vraag als volgt te beantwoorden:

De nationale rechter is bij uitsluiting bevoegd, het tijdstip te kiezen waarop hij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een vraag ter prejudiciële beslissing voorlegt, zulks onverminderd het recht op hoger beroep bij een nationale rechterlijke instantie, dat naar nationaal recht eventueel bestaat tegen de uitoefening of de niet-uitoefening door de lagere rechter van diens bevoegdheid in het betrokken geval te verzoeken om een prejudiciële beslissing.

b) Bij de beslissing van de vraag of zij het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag om een prejudiciële beslissing zullen verzoeken, dienen de nationale rechterlijke instanties na te gaan of de voor hen aanhangige procedure een stadium heeft bereikt waarin ofwel de prejudiciële beslissing op zich voldoende is om een uitspraak mogelijk te maken, ofwel de prejudiciële beslissing weliswaar op zich niet volstaat om een uitspraak mogelijk te maken, doch daartoe wel noodzakelijk is, en uit een afweging van de voor- en nadelen (waaronder de wenselijkheid meer dan één verwijzing in een zelfde zaak te voorkomen) een prejudiciële beslissing noodzakelijk blijkt te zijn voordat de vraag of de vragen (van feitelijke aard of van nationaal recht) die tezamen met de prejudiciële beslissing een uitspraak mogelijk maken, zijn opgelost.”

Verweerders beklemtonen dat zij in de huidige stand van het geding geen intrekking of opschorting wensen van het verzoek om prejudiciële beslissing door het Hof van Justitie over de tweede vraag, doch dat het Hof, door de eerste vraag in vorenbedoelde zin te beantwoorden, de nationale rechters in het algemeen nuttige aanwijzingen zou verschaffen over de praktische toepassing van artikel 177 EEG-Verdrag.

Verzoekers in zaak 36/80 achten een uitspraak van het Hof over deze vraag niet noodzakelijk. Gezien de wijze waarop zij aan het Hof is voorgelegd, valt zij niet onder artikel 177, tweede alinea, aangezien de verwijzende rechter beantwoording ervan niet noodzakelijk heeft geoordeeld voor het wijzen van zijn vonnis. Voor het geval het Hof een antwoord op deze vraag noodzakelijk of nuttig zou achten, steunen verzoekers de stelling van verzoekers in zaak 71/80, dat het aan de nationale rechter staat te beslissen op welk tijdstip een vraag aan het Hof moet worden voogelegd.

De Commissie meent dat, bij gebreke van uitzonderlijke omstandigheden als een onzekere rechtssituatie of een kunstmatig karakter van de procedure voor de nationale rechter, de discretionaire bevoegdheid van de nationale rechter om een zaak naar het Hof te verwijzen, in de onderhavige zaken niet in het gedrang mag worden gebracht.

##### B — De tweede vraag

a) Na een grondig onderzoek van de rechtspraak van het Hof en het prijsmechanisme in de vier betrokken sectoren, betogen verzoekers in bet hoofdgeding in zaak 36/80 dat de heffing van de belasting in de eerste plaats in strijd is met de artikelen 38 tot 46 EEG-Verdrag en met voornoemde verordeningen van de Raad, op grond dat zij een ongeoorloofde inmenging vormt in de gemeenschappelijke ordening der markten voor de vier produkten. Zodra in een bepaalde sector een regeling is vastgesteld, dienen de Lid-Staten zich te onthouden van maatregelen die deze kunnen ondermijnen of een inbreuk daarop kunnen vormen. Volgens verzoekers heeft de betrokken belasting het prijsvormingsmechanisme verstoord, doordat zij de door de richt- of oriëntatieprijs gevormde bovengrens en de door de interventieprijs of — in het geval van suikerbieten — door de minimumprijs gevormde benedengrens verlaagt. Wanneer de marktprijs voor de betrokken produkten gelijk was aan de richtprijs, zouden de producenten die prijs min 2 % hebben ontvangen en in sommige gevallen, dat wil zeggen wanneer de interventieprijs werd toegepast, zou de belasting de producenten het risico doen lopen, in tegenstelling tot de wil van de Raad, minder dan de interventieprijs te ontvangen. Aangezien de richt- of oriëntatieprijzen, de interventie- en de drempelprijzen alsmede de restituties en heffingen bij uitvoer onderling samenhangen, en de prijzen van afgeleide produkten afhankelijk zijn van die van de grondstoffen — de minimumprijs voor suikerbieten hangt evenwel af van de interventieprijs voor witte suiker — heeft de belasting het algemene prijsvormingsmechanisme aangetast en kon zij een nadelige invloed hebben op de werking van de gemeenschappelijke ordening der markten, te weten het vrije verkeer van de betrokken produkten en de stabiliteit van de bevoorrading, alsmede op de levensstandaard van de landbouwproducenten. De belasting vormt tevens een inbreuk op de artikelen 9, 11, 12 en 16 EEG-Verdrag, want zij had niet de uitwerking van een binnenlandse belasting doch van een douanerecht bij uitvoer of van een heffing van gelijke werking; zij was immers niet van toepassing op de gehele landbouwproduktie noch op alle producenten, en maakte bovendien onderscheid tussen verwerkende ondernemingen en opslagbedrijven enerzijds en exporteurs anderzijds. Op dezelfde gronden is door de heffing van de belasting het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod geschonden. Verzoekers beklemtonen bovendien dat het tijdelijke karakter van de belasting niet betekent dat een dergelijke heffing in de toekomst niet opnieuw zal worden ingevoerd voor een kortere of langere periode of tegen een hogere voet dan 2 %, wat bijzonder ernstige gevolgen zou hebben voor de landbouwbevolking. Zij geven het Hof in overweging de tweede vraag als volgt te beantwoorden: In sectoren waarvoor een gemeenschappelijke ordening van de markten bestaat, en inzonderheid wanneer deze ordening op een stelsel van gemeenschappelijke prijzen berust, is het de Lid-Staten niet langer geoorloofd eenzijdige maatregelen vast te stellen die het prijsvormingsmechanisme van de gemeenschappelijke ordening der markten nadelig beïnvloeden. Een nationale belasting als de onderhavige, die granen, runderen, melk en suikerbieten bij de produktie en bij uitvoer met 2 % belast en daardoor de in het kader van voornoemde gemeenschappelijke ordeningen der markten voorziene prijsvorming verstoort, is onverenigbaar met verordening nr. 2727/75 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, verordening nr. 805/68 houdende gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, en met verordening nr. 3330/74 houdende gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker. Een nationale belasting als de onderhavige is door de wijze' van toepassing ervan discriminerend voor producenten en exporteurs ten opzichte van producenten en concurrenten die in gelijke stadia opereren, doordat zij gelijke gevallen ongelijk behandelt; zij is mitsdien onverenigbaar met artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag.” Verzoekers in het hoofdgeding in zaak 71/80 ondersteunen deze argumenten en betogen bovendien dat de belasting een douanerecht of een heffing van gelijke werking vormt.

b) Met betrekking tot de uitvoer van runderen steunen verzoekers in zaak 36/80 de argumentering van een van de verzoekers in het hoofdgeding in zaak 71/80, dat de belasting een belemmering vormde van het vrije verkeer van goederen en tot een marktverstoring leidde. Deze verzoeker, die runderen exporteert, betoogt dat de belasting dezelfde gevolgen had als een heffing van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking; hij beschrijft de daadwerkelijke uitwerking van de belasting op de uitvoer van levende runderen als volgt: Sinds de instelling van de belasting heeft geen verkoper van runderen meer willen verkopen aan exporteurs, indien het bedrag van de belasting van de prijs werd afgetrokken; dit had tot gevolg dat de exporteurs voor de keuze werden geplaatst, ofwel de belasting zelf te dragen, ofwel deze op hun kopers af te wentelen. Bij hun aankopen stonden de exporteurs in concurrentie met kopers voor de binnenlandse markt. Bij verkoop op de binnenlandse markt werden alleen de verkopen van voor de slacht bestemde runderen belast en was de belasting pas verschuldigd op het ogenblik van de slacht. Dit leidde tot een daling van de uitvoer en een toename van de invoer, vooral vanuit Noord-Ierland; geen belasting was immers verschuldigd voor runderen die binnen 14 dagen na de import werden geslacht. Juist de omstandigheid dat de belasting slechts voor een beperkte duur werd geheven, heeft de werking van de normale marktmechanismen belemmerd en bovendien ondernemingen van een zekere omvang begunstigd, aangezien deze konden kiezen, de runderen te houden tot 31 december 1979, ofwel ze op de binnenlandse markt als mest- of fokvee te verkopen, in welk geval geen belasting verschuldigd was. Bij de inning van de belasting hebben de Revenue Commissioners gebruik gemaakt van het mechanisme dat bestemd is voor de betaling van uitvoerrechten, en daardoor het werkelijke karakter van de belasting erkend.

c) Verweerders in het hoofdgeding leggen in hun opmerkingen de nadruk op het doel van de belasting. Het gaat om een binnenlandse belasting op de nationale produktie die gedragen werd door de landbouwproducenten zelf. Zij heeft de prijsvorming of de prijsstabiliteit, noch de bevoorradingsmogelijkheden of de landbouwproduktiviteit beïnvloed. De communautaire verordeningen hebben niet ten doel, de producenten een bepaald netto-inkomen voor hun produkten te garanderen, en de heffing van de belasting heeft niet dwingend ertoe geleid dat de betrokken produkten tegen een prijs beneden de interventieprijs werden verkocht. Op de argumenten van de exporteur van runderen in zaak 71/80 antwoorden verweerders in het hoofdgeding met name dat de heffing van de belasting een daling van de door de Ierse producenten behaalde prijzen tot gevolg heeft gehad, zowel bij voor de slacht als bij voor uitvoer bestemde verkopen. Het normale marktmechanisme heeft ervoor gezorgd dat de belasting niet heeft geleid tot een verschil tussen de prijzen op de binnenlandse markt en die op de exportmarkt, daar beide door het marktmechanisme worden bepaald. Concluderend menen verweerders dat het Hof in antwoord op de tweede vraag dient te verklaren, dat een nationale belasting als voorzien in de „Statutory Instruments” nrs. 152, 153, 160, 250 en 266 van 1979 niet in strijd is met het EEG-Verdrag noch met een van de door de Raad ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen.

d) De Commissie merkt op dat de Lid-Staten niet het recht is ontnomen, directe of indirecte binnenlandse belastingen te heffen. De communautaire verplichtingen van de Lid-Staten stellen aan de uitoefening van deze bevoegdheid evenwel uiteenlopende voorwaarden en beperkingen. Zo is het de Lid-Staten ingevolge het EEG-Verdrag verboden, op produkten van andere Lid-Staten discriminerende binnenlandse belastingen te heffen en op binnenlandse belastingen kortingen toe te staan die in feite een exportsubsidie vormen. Voorts kan een binnenlandse belasting worden verboden voor zover zij een heffing van gelijke werking als een douanerecht vormt, bij voorbeeld wanneer zij uitsluitend is bestemd voor de financiering van activiteiten die met name de nationale produkten ten goede komen of wanneer de toepassing ervan de export zwaarder treft dan de verkoop in het binnenland. Ten slotte kan men niet de mogelijkheid uitsluiten, dat een binnenlandse belasting wordt verboden op grond dat zij in wezen onverenigbaar is met het gemeenschappelijk landbouwbeleid, bij voorbeeld omdat zij de gevolgen van een wijziging van het communautair prijsniveau beperkt of wanneer zij wordt geheven in het kader van een stelsel dat onverenigbaar is met de voorschriften van het Verdrag betreffende het vrije verkeer van goederen en met de gemeenschappelijke ordening der' markten. Volgens de Commissie gaat het in casu niet om een douanerecht bij invoer noch om een maatregel van gelijke werking, aangezien de belasting niet van toepassing is op ingevoerde produkten, met uitzondering van levende runderen die sinds meer dan veertien dagen op Iers grondgebied verblijven. Volgens de Commissie heeft laatstgenoemde bepaling betreffende ingevoerde runderen enkel tot doel, dat wordt vastgesteld welke dieren tot de Ierse veestapel behoren en dientengevolge bij latere levering aan een slachthuis aan belasting zijn onderworpen. Voor het overige werd de belasting geheven op het ogenblik dat de levende dieren aan het slachthuis werden geleverd, en niet op het ogenblik van of op grond van de import. De belasting vormt evenmin een uitvoerrecht, want zij treft alle betrokken produkten, ongeacht of zij bestemd zijn voor binnenlands gebruik dan wel voor de export. Wat de verhouding tussen de belasting en het gemeenschappelijk landbouwbeleid betreft, gaat de Commissie ervan uit dat bij gebreke van een uitdrukkelijke verbodsbepaling in de basisverordeningen en van een harmonisatie van de betrokken rechtsvoorschriften, rechtens geen grond bestaat de Lid-Staten de heffing van belastingen op landbouwprodukten te verbieden, zelfs wanneer voor deze produkten een gemeenschappelijke marktordening bestaat. Het blijft niettemin mogelijk dat een binnenlandse belasting zoals die door de Ierse regering werd ingevoerd, onverenigbaar is met de gemeenschappelijke ordening der markten doordat zij de prijsvorming verstoort en de doelstellingen van het gemeenschappelijk beleid in het gedrang brengt. Om onderstaande redenen is de Commissie evenwel tot de conclusie gekomen dat dit in casu niet het geval is: Ofschoon de bevoegdheid van de Lid-Staten om binnenlandse belastingen in te stellen in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten kan worden beperkt, meent de Commissie dat de Raad bij gebreke van een daartoe strekkend verbod in de verordeningen deze beperkingen niet al te strikt heeft willen opvatten. De in de considerans van de betrokken verordeningen neergelegde doelstelling, de landbouwbevolking een billijke levensstandaard te waarborgen, wordt niet enkel door de instelling van een gemeenschappelijke ordening der markten bereikt. Mitsdien kan niet worden gesteld dat het inkomen van de landbouwers geheel wordt bepaald door de gemeenschappelijke ordening der markten, noch dat de Lid-Staten elke bevoegdheid hebben verloren tot het treffen van maatregelen in de vorm van steunmaatregelen dan wel belastingen, waardoor dit inkomen wordt beïnvloed. De betrokken belasting grijpt niet daadwerkelijk in in de prijsvorming, want zij houdt geen beperking in van de produktie noch van het recht vrijelijk op de markt te verkopen. Zij komt evenmin neer op een prijszetting en maakt het de producent niet onmogelijk de met de gemeenschappelijke ordening der markten beoogde prijs te behalen; zij heeft niet ten doel noch tot gevolg de prijzen te doen dalen of de doorwerking van een wijziging van de communautaire prijzen te beperken, aangezien zij in beginsel wordt gedragen door de producenten, die geen rechtstreekse waarborg voor een bepaald prijsniveau genieten. De Commissie stelt voor de tweede vraag als volgt te beantwoorden: „Een nationale belasting die wordt gedragen door de producenten en die op algemene en niet-discriminerende wijze wordt geheven op met het oog op verwerking, opslag of export geleverde landbouwprodukten, moet worden beschouwd als verenigbaar met de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende het vrije verkeer van goederen en de verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de betrokken sectoren.”

#### III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 12 november 1980 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de Ierse regering, te dezen vertegenwoordigd door R. Cook, S.C.; verzoekers in het hoofdgeding in zaak 36/80, te dezen vertegenwoordigd door A. Brown, S.C.; verzoekers in het hoofdgeding in zaak 71/80, te dezen vertegenwoordigd door B. McCracken, S.C.; en de Commissie, te dezen vertegenwoordigd door R. Wainwright, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 17 december 1980 conclusie genomen.

#### IV — Verzoek van de Ierse regering tot heropening van de mondelinge behandeling

1.

In een brief van 23 januari 1981, ingekomen ter griffie van het Hof op 28 januari 1981, heeft de Ierse regering opmerkingen gemaakt over de conclusie van de advocaat-generaal en tevens het Hof verzocht,

a) overeenkomstig artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering de mondelinge behandeling te heropenen

dan wel

b) overeenkomstig artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering maatregelen van instructie te bevelen

en daartoe

c) toe te staan, dat de bij de brief gevoegde opmerkingen naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal mondeling dan wel schriftelijk als deel uitmakend van de opmerkingen van de Ierse regering bij het Hof worden ingediend

dan wel

d) partijen overeenkomstig artikel 21 van 's Hofs Statuut bij wijze van uitzonderlijke maatregel te verzoeken, zich te uiten over de door de advocaat-generaal gegeven samenvatting van hun opmerkingen, dan wel het Hof aanwijzingen te verschaffen, hoe het rapport ter terechtzitting in het licht van de mondelinge behandeling en het daarbij door de Ierse regering overgelegde document alsmede gezien de conclusie van de advocaat-generaal zou kunnen worden aangevuld.

2. Na kennis te hebben genomen van deze brief heeft het Hof op 4 februari 1981 in raadkamer vastgesteld, dat het beschikt over alle voor de beantwoording van de in casu gestelde vragen noodzakelijke gegevens en mitsdien besloten geen gevolg te geven aan de in de brief gedane verzoeken.

### In rechte

1. Bij beschikking van 25 oktober 1979, ingekomen ten Hove op 28 januari 1980, heeft de High Court van Ierland krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld waarvan de ene betrekking heeft op de uitlegging van voornoemd artikel 177 en de andere strekt tot het verkrijgen van gegevens inzake de uitlegging van het gemeenschapsrecht, waarover de High Court dient te beschikken om te kunnen beoordelen of een door de Ierse regering in 1979 ingevoerde tijdelijke belasting van 2 % op de waarde van bepaalde landbouwprodukten verenigbaar is met dat recht. Bij beschikking van 29 november 1979, ingekomen ten Hove op 6 maart 1980, heeft dezelfde rechterlijke instantie in een ander voor haar aanhangig geding nagenoeg identieke vragen gesteld.

2. Blijkens de processtukken werd de betwiste belasting van 1 mei tot 31 december 1979 geheven op verse melk en levende runderen, en van 1 augustus tot 31 december 1979 op bepaalde graansoorten, te weten, tarwe, haver en gerst, alsmede op suikerbieten. Behoudens bepaalde uitzonderingen, vooral van sociale aard, werd de belasting geheven op het moment dat bedoelde produkten werden geleverd met het oog op verwerking, opslag of uitvoer. Zij was niet van toepassing op ingevoerde produkten, met uitzondering van sedert meer dan veertien dagen ingevoerde runderen, die als binnenlands vee werden beschouwd. De belasting moest aan de Revenue Commissioners (de fiscus) worden afgedragen, en wel door de exporteur of door het verwerkings- of opslagbedrijf. Aangezien zij moest worden gedragen door de producenten, was in de eraan ten grondslag liggende ministeriële besluiten bepaald dat de exporteurs en de betrokken ondernemingen het bedrag van de belasting op de producenten konden verhalen.

3. Twee verenigingen van Ierse landbouwproducenten alsmede enkele verwerkende ondernemingen en een vee-exporteur hebben tegen de Ierse regering beroep ingesteld bij de High Court, om de onverenigbaarheid van de belasting met het gemeenschapsrecht te doen vaststellen. Oordelende dat deze zaken in de eerste plaats een probleem betreffende de uitlegging van gemeenschapsrechtelijke bepalingen opwierpen, heeft de nationale rechter besloten het Hof een prejudiciële vraag te stellen, zonder eerst in te gaan op de feitelijke vragen waarover partijen het oneens zijn, en die met name betrekking hebben op de werking en de gevolgen van de belasting. Nadat de Ierse regering had betoogd dat een verwijzing naar het Hof in die stand van het geding voorbarig was, heeft de High Court in haar verwijzingsbeschikkingen een inleidende vraag opgenomen met betrekking tot de uitlegging van artikel 177 EEG-Verdrag.

#### De eerste vraag

4.

De eerste vraag van de High Court van Ierland luidt als volgt:

> „Is de beschikking van de High Court waarbij in deze stand van de procedure de vraag sub 2 krachtens artikel 177 EEG-Verdrag ter prejudiciële beslissing wordt voorgelegd aan het Hof van Justitie, een correcte uitoefening van de overeenkomstig voornoemd artikel aan de High Court toekomende bevoegdheid?”

5. Alvorens op deze vraag te antwoorden, zij erop gewezen dat artikel 177 EEG-Verdrag het kader vormt voor een nauwe samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof van Justitie, gebaseerd op een onderlinge taakverdeling. Uit artikel 177, eerste alinea, blijkt duidelijk dat het aan de nationale rechterlijke instantie staat te beslissen in welke stand van het geding zij het Hof een prejudiciële vraag dient voor te leggen.

6. Het Hof heeft in het arrest van 12 juli 1979 (zaak 244/78, Union Laitière Normande, Jurispr. 1979, biz. 2663) reeds overwogen, dat de noodzaak tot een nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te geraken, noopt tot een omschrijving van het juridisch kader waarin de geyraagde uitlegging moet passen. Gelet hierop kan het in bepaalde omstandigheden aangewezen zijn, dat de betrokken feiten vaststaan en de problemen van zuiver nationaal recht zijn opgelost op het moment van verwijzing naar het Hof, zodat dit kennis kan nemen van alle gegevens, zowel feitelijk als rechtens, die voor de verlangde uitlegging van het gemeenschapsrecht van belang kunnen zijn.

7. Deze overwegingen houden evenwel geenszins een beperking in van de beoordelingsbevoegdheid van de nationale rechter, die als enige rechtstreeks kennis heeft van de feiten van het geding en van de argumenten van partijen, die uitspraak zal moeten doen en die derhalve het best in staat is te beoordelen, in welke stand van het geding een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie noodzakelijk is.

8. Bij de keuze van het moment waarop hij zich krachtens artikel 177 EEG-Verdrag tot het Hof van Justitie wendt, laat de nationale rechter zich derhalve leiden door overwegingen van proceseconomie, waarvan de beoordeling aan deze rechter staat.

9. Op de eerste vraag moet mitsdien worden geantwoord dat het krachtens artikel 177 EEG-Verdrag tot de beoordelingsbevoegdheid van de nationale rechter behoort, uit te maken in welke stand van een bij hem aanhangig geding het Hof van Justitie een prejudiciële vraag moet worden voorgelegd.

#### De tweede vraag

10.

De tweede vraag luidt als volgt:

> „Is een nationale belasting als de onderhavige in strijd met het EEG-Verdrag, inzonderheid met de artikelen 9, 11, 12, 16, 17 en 38 tot 46 dan wel met één van deze artikelen, of met de verordeningen nr. 804/68, 805/68, 3330/74 en 2727/75 van de Raad dan wel met één van deze verordeningen?”

11. Met deze vraag wenst de High Court de elementen van uitlegging van het gemeenschapsrecht te verkrijgen, welke nodig zijn ter beoordeling van de verenigbaarheid van de belasting met dit recht, en met name met de bepalingen van het Verdrag houdende verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten en betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid, alsmede met de verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sectoren van de belaste produkten. Aangezien alle belaste produkten onder communautaire regelingen houdende gemeenschappelijke ordening der markten vallen, dient de belasting in de eerste plaats in het licht van deze regelingen te worden bezien.

12. In hun voor het Hof gemaakte opmerkingen hebben de verenigingen van landbouwproducenten, verzoeksters in het hoofdgeding in zaak 36/80, in de eerste plaats betoogd dat de belasting een onrechtmatige inmenging vormt in de betrokken gemeenschappelijke marktordeningen, voor zover deze ten doel hebben de producenten een bepaalde prijs te waarborgen. Zij betogen dat indien — overeenkomstig de bedoeling van de Ierse regering — de belasting moet worden gedragen door de landbouwproducenten, deze een lagere nettoprijs ontvangen dan de communautaire instanties bij de vaststelling van de richtprijs of oriëntatieprijs en van de interventie- of minimumprijs voor het betrokken produkt voor ogen hadden. Een dergelijk resultaat achten zij in strijd met een van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat volgens artikel 39, lid 1, sub b, EEG-Verdrag ten doel heeft de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn.

13. Ofschoon partijen in het hoofdgeding uiteenlopende meningen zijn toegedaan over de werkelijke redenen waarom de Ierse regering de belasting heeft ingevoerd, zijn zij het erover eens dat deze een onderdeel vormt van een inkomensbeleid waarmee een verdeling van de fiscale lasten over de verschillende sectoren van de beroepsbevolking wordt beoogd. Gelijk de Ierse regering en de Commissie terecht betogen, staan de gemeenschappelijke ordeningen der markten in beginsel niet in de weg aan een dergelijk nationaal beleid. Volgens artikel 39, lid 2, sub c, EEG-Verdrag dient bij het tot stand brengen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid rekening te worden gehouden met „het feit, dat de landbouwsector in de Lid-Staten nauw verweven is met de gehele economie.” Het gemeenschappelijk landbouwbeleid is er mitsdien niet op gericht, de landbouwers aan de gevolgen van een nationaal inkomensbeleid te onttrekken. Met de vaststelling van gemeenschappelijke prijzen in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen wordt overigens niet beoogd, de landbouwproducenten ongeacht de door de nationale instanties opgelegde fiscale lasten een nettoprijs te waarborgen, terwijl juist uit de bewoording van artikel 39, lid 1, sub b, blijkt dat de verhoging van het hoofdelijk inkomen van de landbouwers wordt geacht in de eerste plaats voort te vloeien uit de sub a genoemde structurele maatregelen.

14. Bijgevolg is een nationale belasting als de onderhavige niet als zodanig in strijd met de communautaire regeling houdende een gemeenschappelijke ordening der markten. Hieraan wordt niet afgedaan door de enkele omstandigheid dat de belasting — om administratieve redenen — werd geheven via de exporteurs en de verwerkings- of opslagbedrijven.

15. De middelen voor het tot stand brengen van een nationaal inkomensbeleid dat onder meer de landbouwproducenten omvat, zouden echter onverenigbaar zijn met het EEG-Verdrag en met de regelingen houdende een gemeenschappelijke ordening der markten, indien zij een belemmering vormden voor de werking van de mechanismen met behulp waarvan de betrokken marktordeningen hun doelstellingen bereiken. Met het oog op deze regelingen is het derhalve in werkelijkheid de vraag, of de betrokken belasting niet juist gezien de grondslag en de modaliteiten voor de heffing ervan niet alleen, overeenkomstig de bedoeling van de Ierse regering, het inkomen van de landbouwproducenten heeft belast, maar ook andere gevolgen heeft gehad die de werking van de in de betrokken marktordeningen voorziene mechanismen konden aantasten.

16.

Verzoekers in het hoofdgeding in zaak 36/80 betogen in dit verband onder meer dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een nationale maatregel zelfs op grond van zijn potentiële gevolgen onverenigbaar met het Verdrag kan zijn. Zij leggen vooral de nadruk op de potentiële gevolgen van de betwiste belasting voor de vorming van de marktprijzen en voor de marktbevoorrading. Zij steunen voorts de stelling van de. vee-exporteur, verzoeker in het hoofdgeding in zaak 71/80, dat dergelijke gevolgen zich op de rundermarkt inderdaad hebben doen gevoelen. Op grond van de volgens deze verzoeker bijzondere situatie van de Ierse rundermarkt, zouden de exporteurs het bedrag van de belasting niet op de producenten hebben kunnen afwentelen.

Bovendien zouden tal van runderen vlak voor de invoering van de belasting zijn verkocht en geslacht, terwijl de bevoorrading van de markt nadien zou zijn afgenomen; dit zou hebben geleid tot een toename van de invoer van runderen uit Noord-Ierland, waarover geen belasting was verschuldigd indien zij binnen veertien dagen na de invoer werden verkocht aan een verwerkende onderneming. De opheffing van de belasting zou tegenovergestelde gevolgen hebben gehad. Volgens verzoekers in het hoofdgeding in beide zaken heeft de belasting aldus de vorming van de marktprijzen, de bevoorrading van de markt en het intracommunautaire handelsverkeer, althans in de sector rundvlees, verstoord.

17. De litigieuze belasting trad op 1 mei 1979 in werking voor melk en runderen en op 1 augustus 1979 voor de andere belaste produkten. Zij werd voor alle produkten op 31 december van hetzelfde jaar opgeheven. Mitsdien moet worden onderzocht welke ontwikkelingen zich op de betrokken markten voordeden in het tijdvak waarin de belasting werd toegepast, en moet in voorkomend geval worden nagegaan of deze ontwikkelingen in ieder geval gedeeltelijk zijn toe te schrijven aan de gevolgen van de belasting; daarbij moeten evenwel buiten beschouwing blijven de tijdelijke gevolgen die zich onmiddellijk voor en na de invoering en de opheffing van de belasting hebben voorgedaan, voor zover deze kunnen worden geacht te zijn veroorzaakt door transacties bedoeld om de belastingdruk te vermijden.

18. Een dergelijk onderzoek is nodig in weerwil van het lage tarief en de korte geldigheidsduur van de belasting, daar de voor de nationale rechter bestreden belastingregeling betrekking had op produkten die alle onder een gemeenschappelijke marktordening vallen en bovendien van toepassing was op handelsfasen die in grote mate samenvallen met die waarop die marktordeningen betrekking hebben.

19. Het staat aan de nationale rechter om uit te maken of de belasting die aan zijn oordeel wordt onderworpen, daadwerkelijk gevolgen heeft gehad die de werking van de mechanismen waarin de gemeenschappelijke marktordeningen voorzien, verstoren. Met het oog op de in zoverre door de nationale rechter te geven beoordeling kunnen niettemin zekere elementen van gemeenschapsrecht in de beschouwing worden betrokken.

20. De mechanismen van de betrokken gemeenschappelijke marktordeningen hebben in hoofdzaak ten doel, in het produktie- en groothandelsstadium tot een prijspeil te komen dat rekening houdt met zowel de belangen van de gehele communautaire produktie in de betrokken sector als die van de verbruikers, en dat de bevoorrading verzekert zonder een overtollige produktie aan te moedigen. Deze doelstellingen zouden in het gedrang kunnen worden gebracht door eenzijdig vastgestelde nationale maatregelen, die een aanmerkelijke — al zij het geen doelbewuste — invloed hebben op het prijspeil op de binnenlandse markt in het produktie- of groothandelsstadium of op de bevoorrading van deze markt. In het geval van een belasting als de onderhavige hangt het gevaar van een dergelijke invloed niet enkel af van het tarief en de duur van de belasting, doch ook van de betrokken marktsituatie en, voor wat de bevoorrading betreft, vooral van het meer of minder algemene karakter ervan, dat wil zeggen van het aantal belaste landbouwprodukten. Een belasting van korte duur die geldt voor een groot aantal produkten, kan neutraal zijn doordat zij geen wijziging meebrengt van de structuur van de landbouwproduktie. Wanneer de belasting de producenten evenwel ertoe aanzet, de produktie van de belaste produkten gedeeltelijk te vervangen door produktie van niet belaste produkten, bestaat het gevaar dat de belasting op verschillende markten verstoringen veroorzaakt.

21. De aan het Hof gestelde vraag heeft tevens betrekking op de bepalingen die heffingen van gelijke werking als douanerechten verbieden. De door de nationale rechter in dit gedeelte van de vraag geuite twijfel is ingegeven door de omstandigheid dat de belasting de produkten weliswaar niet op grond van de invoer trof, doch werd geïnd bij de levering met het oog op niet alleen de verwerking of opslag, doch ook de uitvoer van de goederen. Blijkens de processtukken rijst dit probleem in de praktijk enkel met betrekking tot runderen. Mitsdien zal het Hof dit gedeelte van de tweede vraag vanuit dat oogpunt beantwoorden.

22. De vee-exporteur, verzoeker in het hoofdgeding in zaak 71/80, betoogt in dit verband dat in geval van export van levende runderen met andere oogmerken dan onmiddellijke slacht, de runderen enkel op grond van de export werden belast, aangezien niet geëxporteerde runderen tot op het ogenblik van levering met het oog op de slacht van belasting waren vrijgesteld.

23. Daartoe zij eraan herinnerd dat, voor zover komt vast te staan dat de toepassing van een binnenlandse heffing de verkoop naar het buitenland zwaarder belast dan de binnenlandse verkoop, die heffing gelijke werking heeft als een uitvoerrecht. Dit is echter niet het geval bij een belasting die de runderen stelselmatig en volgens dezelfde criteria treft, en wel, om de woorden van de Ierse regering aan te halen, „op het ogenblik dat zij van de nationale veestapel worden afgescheiden, ongeacht of dit met het oog op de export dan wel de slacht geschiedt”.

24.

Gelet op het vorenoverwogene moet op de tweede vraag worden geantwoord dat

—een tijdelijke nationale belasting, bedoeld om — in het kader van een inkomensbeleid tot verdeling van de fiscale lasten over de verschillende sectoren van de beroepsbevolking — te worden gedragen door de landbouwproducenten, doch ingesteld in de vorm van een indirekte belasting op de waarde van bepaalde onder gemeenschappelijke marktordeningen vallende landbouwprodukten op het ogenblik van levering met het oog op verwerking, opslag of uitvoer, en verschuldigd door hetzij de exporteur hetzij het verwerkings- of opslagbedrijf, die gerechtigd waren het bedrag van de belasting op de producenten af te wentelen, in beginsel niet onverenigbaar was met de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende het landbouwbeleid noch met de communautaire voorschriften houdende een gemeenschappelijke ordening der markten;

—van een dergelijke onverenigbaarheid echter wel sprake zou zijn voor zover de belasting zou hebben geleid tot een verstoring van de werking van de in het kader van de betrokken gemeenschappelijke marktordeningen voorziene mechanismen voor de vorming van de gemeenschappelijke prijzen en voor de regulering van de marktbevoorrading;

—het aan de nationale rechter staat te beoordelen of, en in voorkomend geval in hoeverre, een belasting waarover hij heeft te oordelen daadwerkelijk dergelijke gevolgen heeft gehad;

—een belasting van de bovenomschreven aard, zelfs indien toegepast op levend uitgevoerde runderen op het ogenblik van levering voor de uitvoer, niet valt onder het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten bij uitvoer, indien zij tevens stelselmatig en volgens dezelfde criteria op niet-uitgevoerde runderen wordt toegepast op het ogenblik van levering voor de slacht.

#### Kosten

25. De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de High Court van Ierland bij beschikkingen van 25 oktober 1979 en 29 november 1979 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1\. Krachtens artikel 177 EEG-Verdrag behoort het tot de bevoegdheid van de nationale rechter, uit te maken in welke stand van een bij hem aanhangig geding het Hof van Justitie een prejudiciële vraag moet worden voorgelegd.

2\. Een tijdelijke nationale belasting, bedoeld om — in het kader van een inkomensbeleid tot verdeling van de fiscale lasten over de verschillende sectoren van de beroepsbevolking — te worden gedragen door de landbouwproducenten, doch ingesteld in de vorm van een indirekte belasting op de waarde van bepaalde onder gemeenschappelijke marktordeningen vallende landbouwprodukten op het ogenblik van levering met het oog op verwerking, opslag of uitvoer, en verschuldigd door hetzij de exporteur hetzij het verwerkings- of opslagbedrijf, die gerechtigd waren het bedrag van de belasting op de producenten af te wentelen, is in beginsel niet onverenigbaar met de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende het landbouwbeleid noch met de communautaire voorschriften houdende een gemeenschappelijke ordening der markten.

3\. Van een dergelijke onverenigbaarheid zou echter wel sprake zijn voorzover de belasting zou hebben geleid tot een verstoring van de werking van de in het kader van de betrokken gemeenschappelijke marktordeningen voorziene mechanismen voor de vorming van de gemeenschappelijke prijzen en voor de regulering van de marktbevoorrading.

4\. Het staat aan de nationale rechter te beoordelen of, en in voorkomend geval in hoeverre, een belasting waarover hij heeft te oordelen daadwerkelijk dergelijke gevolgen heeft gehad.

5\. Een belasting van de bovenomschreven aard, zelfs indien toegepast op levend uitgevoerde runderen op het ogenblik van levering voor de uitvoer, valt niet onder het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten bij uitvoer, indien zij tevens stelselmatig en volgens dezelfde criteria op niet-uitgevoerde runderen wordt toegepast op het ogenblik van levering voor de slacht.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

9

EEG-Verdrag art. 177 uitgelegd 11 voorkomens

EEG-Verdrag art. 39 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 40 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 11 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 12 uitgelegd 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 16 uitgelegd 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 38 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 46 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 9 uitgelegd 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Hof van Justitie C-97/09 26.10.2010

#### [Geldigheid, beginsel van gelijke behandeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-97-09-arrest)

## Rechtsleer

1

Daniele, L.: Il Foro italiano 1982 IV Col.26-28
