---
title: "HvJ EU, 36/79, Denkavit Futtermittel GmbH, arrest van 15 november 1979 · Verordening 2464/69 art. 1, EEG-Verdrag art. 40"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 november 1979, 36/79, Denkavit Futtermittel GmbH: verordening 2464/69 art. 1, EEG-Verdrag art. 40."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-36-79-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-36-79-arret"
---

# Arrest van het Hof van 15 november 1979, 36/79, Denkavit Futtermittel GmbH · Verordening 2464/69 art. 1, EEG-Verdrag art. 40

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

36/79

**ECLI**

ECLI:EU:C:1979:258

**Datum**

15 november 1979

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Finanzgericht Münster (Duitsland) beslissing van 19 januari 1979 V 1378/76 U

**Zaak ingediend op**

2 maart 1979

**Advocaat-generaal**

Reischl

**Opmerkingen**

Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

Finanzgericht Münster beslissing van 25 juni 1980 V 1378/76 U

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1979, blz. 3439

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Mackenzie Stuart

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [Gemeenschappelijke marktordeningen: beginselen en instrumenten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.03) [Discriminatieverbod](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.03.03) 23 beslissingen
  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Prejudiciële verwijzing](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04) [Bevoegdheid van Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04.02) 167 beslissingen

## Tekst

76 paragrafen

### ARREST

### De feiten

#### I — De feiten en het procesverloop

1. Toen de regering van de Bondsrepubliek Duitsland op 24 oktober 1969 het besluit nam de DM met ingang van 27 oktober 1969 met 8,5 % te revalueren ten opzichte van de officiële pariteit, stonden de Bondsrepubliek en de Gemeenschap voor het probleem, hoe de inkomstenverliezen voor de Duitse landbouw als gevolg van de koppeling der Europese landbouwprijzen aan een gemeenschappelijke rekeneenheid moesten worden gecompenseerd.

2. De Duitse autoriteiten en de Commissie raamden na gemeenschappelijk overleg de uit de revaluatie voortvloeiende inkomstenverliezen voor de Duitse landbouw op DM 1,7 miljard per jaar. Om deze verliezen te compenseren machtigde de Raad bij verordening (EEG) nr. 2464/69 van 9 december 1969 (PB L 312 van 1969, blz. 4), de Bondsrepubliek vanaf 1 januari 1970 rechtstreekse steun aan de landbouwproducenten te verlenen, waarbij het EOGFL in de financiering zou bijdragen.

3.

Artikel 1, leden 1 tot en met 3, van verordening (EEG) nr. 2464/69 luidt als volgt:

1) Steun die op de hierna volgende voorwaarden aan de Duitse landbouwproducenten wordt verleend, kan als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd.

2) De steun kan worden verleend tot een bedrag van DM 1,7 miljard voor elk der begrotingsjaren 1970 tot en met 1973. De Gemeenschap draagt op degressieve wijze en overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 bij in de financiering van de steun.

3) De steun kan worden verleend in de vorm van rechtstreekse steun aan de landbouwproducent, voor zover deze niet wordt bepaald op grond van de prijs of de hoeveelheid van het produkt.

Deze rechtstreekse steun kan gedeeltelijk worden verleend in de vorm van een voorschot dat de landbouwproducent ontvangt bij de verkoop van zijn produkten en dat beperkt is tot ten hoogste 3 % van de verkoopprijs; deze steun kan hetzij door de koper, hetzij door een daartoe door de bevoegde nationale autoriteiten aan te wijzen instantie worden betaald.

4. Bij beschikking van de Raad van 21 januari 1974 (op 24 januari 1974 aan de Bondsrepubliek betekend, maar niet gepubliceerd) werd de in laatstgenoemd lid van artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2464/69 toegelaten maatregel aldus verlengd en gewijzigd, dat de Bondsrepubliek Duitsland „tijdelijk gemachtigd werd, de landbouwproducenten steun te verlenen in de vorm van een compensatie, die de landbouwproducent ontvangt bij de verkoop van zijn produkten en die beperkt is tot ten hoogste 3 % van de verkoopprijs”. Evenals in de verordening wordt voorgeschreven, kan de aldus gewijzigde steun „hetzij door de koper, hetzij door een daartoe door de bevoegde nationale autoriteiten aan te wijzen instantie worden betaald”.

5. Op grond van verordening nr. 2464/69 stelde de Duitse wetgever op 23 december 1969 het Aufwertungsausgleichsgesetz (Revaluatievereveningswet) vast, waarvan artikel 4 de landbouw en bosbouwbedrijven in de zin van paragraaf 24, lid 2, Umsatzsteuergesetz (Wet op de omzetbelasting) juncto paragraaf 51 Bewertungsgesetz (Taxatiewet) toestond, de verschuldigde omzetbelasting (Belasting op de Toegevoegde Waarde) met 3 % te korten. Om als landbouwbedrijf in de zin van deze laatste bepalingen te gelden, moeten veefokkerijen en veehouderijen over een bepaald agrarisch geëxploiteerd areaal beschikken en een bepaalde verhouding tussen dit areaal en de veestapel aantonen.

6. Behalve op de vervaardiging van veevoeder legt verzoekster in het hoofdgeding zich toe op het mesten van kalveren met door haarzelf vervaardigde melksurrogaten. Zij koopt daartoe ongeveer een week oude kalveren aan en verkoopt deze na ze vier maanden te hebben gemest aan slachtbedrijven. Daar verzoekster niet over agrarisch bruikbaar areaal beschikt, is zij in de zin van het Duitse belastingrecht geen landbouwbedrijf, maar een industrieel bedrijf.

7. Verzoekster had in 1974 door de verkoop van mestkalveren een omzet van in totaal DM 21394474,21. In haar belastingaangifte over dit jaar verzocht zij overeenkomstig artikel 4 Aufwertungsausgleichsgesetz om steun voor een bedrag van DM 641834,24 (dat wil zeggen 3 % van haar omzet). Bij beschikking van 26 maart 1976 wees het Finanzamt Warendorf, verweerder in het hoofdgeding, het verzoek af, op grond dat verzoekster in de zin van het Duitse belastingrecht een industrieel en niet een agrarisch bedrijf exploiteerde.

8. Na de afwijzing van haar bezwaarschrift tegen deze beschikking, stelde verzoekster bij het Finanzgericht Munster het beroep in, dat in het hoofdgeding wordt behandeld.

9.

Bij beschikking van 26 september 1977 besloot het Finanzgericht Munster de procedure te schorsen en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag te verzoeken, uitspraak te doen over de navolgende prejudiciële vragen:

> 1.„ Omvat het communautaire rechtsbegrip, landbouwproducent’ in artikel 1, leden 1 en 3, van verordening (EEG) nr. 2464/69 ook de industriële veefokker/veehouder in de zin van het Duitse belastingrecht ?
>
> Zo ja:
>
> 2.Moeten de artikelen 39, 40, lid 3, tweede alinea, van het EEG-Verdrag, artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2464/69 van de Raad, alsook eventuele verdere bepalingen van het gemeenschapsrecht aldus worden uitgelegd, dat het de Bondsrepubliek Duitsland, lid van de EEG, als adressaat van verordening (EEG) nr. 2464/69 verboden is om, ingeval er ter compensatie van de revaluatie voor onder de marktordeningen vallende landbouwprodukten rechtstreekse steun wordt verleend, bepaalde groepen van landbouwproducenten — in casu de industriële veehouders en veefokkers in de zin van het Duitse belastingrecht —, van de steunverlening uit te sluiten.”

10. Deze prejudiciële vragen werden behandeld in zaak 139/77 (Jurispr. 1978, blz. 1317).

11. Terwijl het Finanzgericht in die zaak slechts in het algemeen het onderscheid uit het Duitse belastingrecht tussen agrarische en industriële veefokkers/ veehouders volgde, ging verzoekster in het hoofdgeding in haar schriftelijke opmerkingen meer in het bijzonder in op de kalvermesterij. Zij betoogde dat er op structureel en economisch gebied in de zin van het Duitse belastingrecht geen verschillen bestaan tussen de *industriële kalvermesterij* enerzijds en de *agrarische kalvermesterij* anderzijds. Zowel de „agrarische” kalvermester als de „industriële” kalvermester moet de jonge kalveren van kalverfokkers kopen en het melksurrogaat van een fabrikant betrekken. Het landbouwareaal van de „agrarische” mester is voor de kalvermesterij van geen belang (zie Jurispr. 1978, blz. 1320). Verzoekster in het hoofdgeding kwam daarom tot de conclusie dat de Duitse wetgever, door aan industriële veefokkers/veehouders geen compensatie voor de revaluatie van de DM te verlenen, het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag heeft geschonden.

12. De Commissie betoogde in haar schriftelijke opmerkingen onder meer dat landbouwers sterker dan industriële veehouders zijn getroffen door de gevolgen van de revaluatie. De landbouwer, die zijn eigen grond exploiteert, dekt zijn behoefte aan diervoeders in de regel althans gedeeltelijk uit eigen produktie. Daarom kan hij minder gemakkelijk overstappen op door de revaluatie goedkoper geworden importvoeders (Jurispr. 1978, blz. 1327).

13. In het arrest van 13 juni 1978 in zaak 139/77 overwoog het Hof met betrekking tot de eerste vraag (r.o. 12, tweede alinea) onder meer dat noch de samenhang noch de doelstellingen van de verordening een enge uitleg vereisen, zodat het niet is uitgesloten dat het in de tekst der verordening gehanteerde tamelijk ruime begrip „landbouwproducenten” de vervaardiging van landbouwprodukten ongeacht de methode kan omvatten.

14.

Met betrekking tot de tweede vraag overwoog het Hof (r.o. 16) dat dient te worden onderzocht of het onderscheid in de zin van het Duitse belastingrecht tussen agrarische veehouders en veefokkers enerzijds en industriële veehouders en veefokkers anderzijds, zoals door het Aufwertungsausgleichsgesetz wordt gehanteerd, discriminerend is in de zin van artikel 40, lid 3, van het Verdrag.

Het Hof beantwoordde deze vraag ontkennend en overwoog te deze (r.o. 17):

> „… dat uit de stukken met name blijkt dat de agrarische veefokkers en veehouders in de zin van de Duitse belastingwetgeving, door voeder te gebruiken dat grotendeels in hun bedrijven wordt geproduceerd, bijzonder afhankelijk zijn van de onbestendigheden die verbonden zijn met de exploitatie van de grond;
>
> dat daarentegen de industriële veehouders en veefokkers in de zin van genoemde wetgeving, die het noodzakelijke diervoeder grotendeels op de nationale of internationale markt kopen, niet aan dezelfde risico's zijn blootgesteld en in geval van een revaluatie van de nationale munteenheid in de gelegenheid zijn dit tegen gunstige prijzen in het buitenland te betrekken;
>
> dat mitsdien het onderscheid tussen agrarische veehouders en veefokkers en industriële veehouders en veefokkers, dat door het Duitse belastingrecht wordt gemaakt doordat verband wordt gelegd tussen de veestapel en het gebruikte landbouwareaal en dat door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland als objectief, zij het forfaitair, criterium wordt gehanteerd bij de toekenning van steun die zij krachtens de bepalingen van verordening nr. 2464/69 mag verlenen, niet als discriminerend kan worden bestempeld;”

15.

Het dictum van het arrest van 13 juni 1978 in zaak 139/77 luidt als volgt:

> „Noch de bepalingen van het EEG-Verdrag, noch artikel 1 van verordening nr. 2464/69 van de Raad, noch de bepalingen van de beschikking van de Raad van 21 januari 1974 hielden voor de Bondsrepubliek Duitsland het verbod in om de industriële veehouders of veefokkers uit te sluiten van de in genoemde verordening bedoelde steun”.

16.

Uit het dossier in de onderhavige zaak blijkt dat het Finanzgericht Münster zich niet gebonden acht aan het dictum van het arrest in zaak 139/77, omdat het Hof naar zijn mening is uitgegaan van feiten die niet voor de kalvermesterij gelden. Bij beschikking van 19 januari 1979 heeft het overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag de aanhangige procedure opnieuw geschorst en het Hof gevraagd om een prejudiciële beslissing over de volgende (uitdrukkelijke tot kalvermesterij beperkte) vraag:

Is het de Bondsrepubliek Duitsland ingevolge het EEG-Verdrag, artikel 1 van verordening nr. 2464/69, de beschikking van de Raad van 21 januari 1974 of mogelijke andere bepalingen van gemeenschapsrecht verboden, de „industriële” kalvermesterijen in de zin van het Duitse belastingsrecht uit te sluiten van de steunverlening uit hoofde van genoemde verordening, wanneer de agrarische kalvermesterijen voor het mesten van kalveren dezelfde industrieel vervaardigde voedermiddelen gebruiken als de industriële kalvermesterijen ?

17. De verwijzingsbeschikking is op 2 maart 1979 ten Hove ingeschreven.

18. Uit de overwegingen van de verwijzingsbeschikking blijkt dat volgens de nationale rechter (die in dit opzicht de mening van verzoekster deelt) agrarische kalvermesterijen in de zin van het Duitse belastingrecht voor het mesten van kalveren *dezelfde voedermiddelen* gebruiken als de industriële kalvermesterijen, namelijk *uitsluitend industrieel vervaardigde melksurrogaten* van het soort dat verzoekster in haar bedrijf vervaardigt en gebruikt. Zowel de agrarische als de industriële kalvermesterijen moeten voor het mesten van hun kalveren uitsluitend dit voeder gebruiken om „wit” vlees te krijgen, dat een bijzondere handelswaarde bezit en uitsluitend wordt verkocht onder de naam „kalfsvlees”. De agrarische kalvermesterijen zouden in theorie hun kalveren weliswaar (ook) met voedermiddelen van eigen produktie kunnen mesten, maar dan krijgen zij rood vlees dat als rundvlees wordt verhandeld. Bovendien zouden de mestkosten dan aanzienlijk hoger zijn.

19. Volgens het Finanzgericht moet verzoekster in het gelijk worden gesteld wanneer de „industriële” kalvermesters landbouwproducenten in de zin van het gemeenschapsrecht zijn en het op grond daarvan verboden is om bij de toekenning van steun ter compensatie van de gevolgen van een revaluatie voor produkten van de gemeenschappelijke landbouwmarkt individuele „landbouw” producenten van de steunverlening uit te sluiten.

20. Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verzoekster in het hoofdgeding, te deze vertegenwoordigd door D. Ehle en U. C. Feldmann, advocaten te Keulen, door verweerder in het hoofdgeding, te deze vertegenwoordigd door M. Ernst, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur P. Karpenstein.

21. Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Samenvatting van de schriftelijke opmerkingen

Verzoekster in het hoofdgeding merkt op dat de gestelde vraag uitgaat van de veronderstelling dat de agrarische kalvermesterijen voor het mesten dezelfde industrieel vervaardigde produkten gebruiken als de industriële kalvermesterijen. Met een beroep op de rechtspraak van het Hof in de zaken 104/77, Oehlschläger/Hauptzollamt Emmerich (Jurispr. 1978, blz. 797) en 131/77, Milac/Hauptzollamt Saarbrücken (Jurispr. 1978, blz. 1050), betoogt zij dat de vaststelling van de feiten in het kader van een procedure krachtens artikel 177 EEG-Verdrag tot de taak van de nationale rechter behoort. Daarom moet het Hof zich haar bij zijn uitspraak in de onderhavige zaak baseren op de door het Finanzgericht in zijn verwijzingsbeschikking geconstateerde feiten met betrekking tot de bij de kalvermesterij gebruikte voeders.

Met betrekking tot de feiten betoogt verzoekster onder meer dat meer dan 99 % van de Duitse mestkalveren worden gemest met melksurrogaten. Het landbouwareaal is dus van geen enkel belang voor de kalvermesterij. De agrarische kalvermester wordt volgens de in het Duitse belastingrecht gemaakte onderscheiding alleen als landbouwer aangemerkt, omdat hij over landbouwgrond beschikt. Deze moeten echter worden gebruikt voor andere activiteiten (bij voorbeeld het verbouwen van graan), die niets uitstaande hebben met de kalvermesterij zelf. Op een landbouwbedrijf is de kalvermesterij dus een bijzondere sector, waar ook de agrarische kalvermester een industriële werkzaamheid verricht. In deze sector bestaat geen „typisch agrarische produktie”.

Verzoekster wijst er voorts op dat zij voor de kalvermesterij in hoofdzaak werkt met loonmesters (Lohnmäster), die zelf over een landbouwareaal beschikken, dat echter niet voor de kalvermesterij kan worden gebruikt. Deze loonmesters zijn dus agrarische veehouders in de zin van het Duitse belastingrecht. Zij ontvangen een mestloon dat een soort prijsgarantie vormt. Dit loon wordt berekend naar het gemiddelde inkomen dat een „agrarische kalvermester” normaliter ontvangt. Ook de compensatie in verband met de revaluatie maakt deel uit van dit gemiddeld inkomen. Verzoekster draagt het risico voor prijsschommelingen op de markt. Wanneer de betrokken loonmester geen loonmestcontracten zou sluiten en zelf het marktrisico zou dragen, zou hij ook de compensatie ontvangen. Door de toepassing van verordening nr. 2464/69 „straft” de Duitse wetgever verzoekster als industriële kalvermester, dus voor het feit dat zij in de vorm van een prijsgarantie het marktrisico bij de kalvermesterij van de eigenlijke landbouwexploitant heeft overgenomen.

Volgens verzoekster staan genoemde feiten tussen partijen in het hoofdgeding vast.

Met betrekking tot de toepassing van het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod op de vastgestelde feiten, merkt verzoekster op dat volgens dit beginsel vergelijkbare situaties niet verschillend mogen worden behandeld, tenzij zulks objectief gerechtvaardigd is. Uit de weergave van de feiten blijkt dat het bij industriële en agrarische kalvermesterijen in de zin van het Duitse belastingrecht niet slechts gaat om vergelijkbare, doch zelfs om identieke situaties. Daarom bestaat er geen enkele grond die een verschillende behandeling objectief kan rechtvaardigen.

Verzoekster betwist in ieder geval de overweging van het Hof in zijn arrest van 13 juni 1978 dat het in het Duitse belastingrecht gemaakte onderscheid tussen agrarische veehouders en veefokkers enerzijds en industriële veehouders en veefokkers anderzijds, „doordat verband wordt gelegd tussen de veestapel en het gebruikte landbouwareaal”, als een objectief, niet-discriminerend criterium kan worden bestempeld. In de voorafgaande overweging is het Hof immers uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat de agrarische veefokkers en veehouders hoofdzakelijk uit eigen bedrijf, dus van de exploitatie van de grond afkomstig voeder gebruiken. Slechts aan deze omstandigheid verbond het Hof het gevolg („mitsdien”) dat het verband tussen de veehouderij en het gebruikte landbouwareaal een gerechtvaardigd criterium kan zijn.

Naar aanleiding van de overweging van het Hof dat hier een „forfaitair” criterium wordt gehanteerd, merkt verzoekster op dat ook bij een forfaitaire beoordelingsmethode haar uitsluiting van de revaluatieverevening in vergelijking met agrarische kalvermesters de grenzen van een toelaatbare schematische indeling („Typisierung”) duidelijk overschrijdt. De kalvermesterij vormt immers een bijzondere en zelfstandige economische sector van groot belang (verzoekster schat de totale omzet in de Bondsrepubliek Duitsland over 1974 op ongeveer DM 600 miljoen), waarop een dergelijk criterium zeker niet kan worden toegepast, indien dit — zoals in casu — ertoe leidt dat een groep belastingplichtingen (namelijk de „industriële” mesters) daardoor in een aanzienlijk ongunstiger concurrentiepositie komen te verkeren dan een andere groep (de „agrarische” mesters).

Volgens verzoekster valt ook niet aan te nemen dat het Aufwertungsausgleichsgesetz een maatregel van dringende aard was. Men had tenminste kunnen verwachten dat de wetgever in 1974, dus 5 jaar na de inwerkingtreding van het Aufwertungsausgleichgesetz, een eind zou maken aan de ernstige discriminatie tussen de agrarische en de industriële kalvermesterij.

Een schematische indeling mag in geen geval ertoe leiden dat identieke gevallen in het belastingrecht en de steunregeling verschillend worden behandeld, alleen omdat in het ene geval de kalvermesterij wordt geleid door een landbouwexploitant, die daarnaast zijn grond bewerkt, en in het andere geval door een ondernemer, zoals verzoekster, die zich daarnaast bezighoudt met de produktie van diervoeders. Dergelijke onderscheidingscriteria hebben niets meer uitstaande met de kalvermesterij als zodanig of met het gebruik van voeder, zodat zij geen objectieve rechtvaardiging voor discriminatie bieden.

Verordening nr. 2464/69 had ten doel, door de daling van de landbouwprijzen veroorzaakte verliezen te compenseren. Wat de kalveren betreft zijn de agrarische en de industriële mesters gelijkelijk door deze verliezen getroffen. Het is veelbetekenend dat in 1974 het in verordening nr. 974/71 van de Raad voorziene stelsel van monetaire compenserende bedragen is ingevoerd. Dit stelsel berust op en monetaire compensatie die niet produktiegebonden is. De compensatie in verband met de revaluatie had daarom uiterlijk in 1974 ook ongeacht het produkt aan de kalvermesterij moeten worden toegekend, omdat het stelsel van monetaire compenserende bedragen, dat dezelfde oorzaken en doelstellingen heeft als de revaluatieverevening, een strikt neutrale compensatie biedt ten behoeve, respectievelijk ten laste van alle exportprodu kten.

Evenmin bestaan er andere redenen die kunnen rechtvaardigen dat de industriële kalvermesterij is uitgesloten van de revaluatieverevening. Met name genieten de industriële mesters ten opzichte van agrarische mesters geen structurele of sociale voordelen, waardoor hun uitsluiting van de steun zou kunnen worden gerechtvaardigd.

Verzoekster stelt daarom voor de vraag van het Finanzgericht Münster te beantwoorden als volgt:

„Ingevolge het EEG-Verdrag, met name artikel 40, lid 3, tweede alinea, en verordening (EEG) nr. 2464/69 tezamen met de beschikking van de Raad van 21 januari 1974 is het verboden, de industriële kalvermesterijen in de zin van het Duitse belastingrecht uit te sluiten van de compensatie in verband met de revaluatie, wanneer de agrarische kalvermesterijen voor het mesten van kalveren dezelfe industrieel vervaardigde voedermiddelen gebruiken als de industriële kalvermesterijen”.

Het Finanzamt Warendorf, verweerder in het hoofdgeding, is van mening dat niet alleen melksurrogaten de produktie van wit kalfsvlees mogelijk maken; hetzelfde resultaat kan ook worden verkregen door het gebruik van volle melk, dat in een later stadium eventueel kan worden aangevuld met krachtvoer. De „agrarische” producent is inderdaad in staat volle melk in eigen bedrijf te produceren, door een gedeelte van zijn grond als weidegrond voor melkvee te gebruiken. Wanneer hij over voldoende areaal beschikt heeft hij dus de mogelijkheid te kiezen tussen zelf geproduceerde of aangekochte voeders. Er bestaat dus geen enkele reden om af te wijken van het arrest van het Hof in zaak 139/77, nu in het kader van de onderhavige zaak geen nieuwe feiten naar voren zijn gekomen.

De Commissie acht het twijfelachtig of de verwijzende rechter, die zich reeds in zaak 139/77 tot het Hof heeft gewend, opnieuw een vraag kan voorleggen inzake het beweerde discriminatoire karakter van het in de Duitse regeling gemaakte onderscheid. Zij meent echter geen formele exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen dit verzoek te moeten opwerpen, vooral omdat in het arrest van 13 juni 1978 slechts in het algemeen het onderscheid tussen agrarische respectievelijk industriële veehouders en veefokkers aan de orde is geweest en omdat het Hof niet afzonderlijk is ingegaan op de kalverfokkerij, aangezien de verwijzende rechter destijds geen vraag in die zin heeft gesteld. Bovendien heeft het Hof in een geval dat zeer wel met het onderhavige valt te vergelijken, beslist dat de nationale rechterlijke instanties zelf hebben te beoordelen of 's Hofs prejudiciële uitspraak hun voldoende klaarheid heeft verschaft, dan wel of het noodzakelijk is het Hof andermaal te adiëren (zaak nr. 29/68, Milch-, Fett- und Eierkontor/ Hauptzollamt Saarbrücken, Jurispr. 1969, blz. 178).

Met betrekking tot de inhoud van de prejudiciële vraag rijst volgens de Commissie de vraag of het Finanzgericht, gezien de bewoordingen van de verwijzingsbeschikking, niet ook een nieuw onderzoek wenst van de eerste prejudiciële vraag in zaak 139/77, betreffende het gemeenschapsrechtelijke begrip „landbouwproducenten”, waarop het Hof tot dusver geen definitief antwoord heeft gegeven. De Commissie meent echter het verzoek om een prejudiciële beslissing niet in deze zin te moeten uitleggen.

Ook de opmerking dat het beroep gegrond zou zijn wanneer het gemeenschapsrecht de Bondsrepubliek Duitsland zou hebben verboden industriële kalvermesters uit te sluiten van het genot van de in verordening nr. 2464/69 bedoelde steun, acht de Commissie niet zonder meer begrijpelijk. Volgens de rechtspraak van het Hof in de gevoegde zaken 124/76 en 20/77, SA Moulins et Huileries de Pont-à-Mousson, Jurispr. 1977, blz. 1813) brengt de onverenigbaarheid van een regeling met het communautaire gelijkheidsbeginsel niet per se mee dat alle van toepassing van deze regeling uitgesloten ondernemingen recht hebben op bedoelde steun. In dit geval dient de (communautaire of nationale) wetgever veeleer de consequenties te trekken uit de door het Hof vastgestelde onverenigbaarheid.

Volgens de Commissie moet de vraag van het Finanzgericht ook in haar huidige vorm zowel om juridische als om feitelijke redenen ontkennend worden beantwoord.

Zelfs indien men immers aanneemt (hetgeen de Commissie onjuist acht) dat de agrarische kalvermesters uitsluitend melksurrogaten van het door verzoekster geproduceerde soort gebruiken, dan nog is het verschil in behandeling tussen agrarische en industriële mesters op het gebied van de steun om objectieve redenen gerechtvaardigd. Weliswaar hebben beide groepen mesters op grond van de revaluatie dezelfde voordelen genoten, maar voor de agrarische mesters heeft de revaluatie aanzienlijke verliezen veroorzaakt bij de exploitatie van de grond en de melkproduktie. Bovendien kan de kalvermesterij niet als enige vergelijkingsgrondslag dienen. Het zou ontoelaatbaar zijn deze werkzaamheid uit het geheel der werkzaamheden van een landbouwbedrijf te lichten en vervolgens te vergelijken met de industriële kalvermesterij, die zonder landbouwareaal wordt bedreven.

De Commissie wijst op de noodzaak een snelle, onvermijdelijk schematische en algemeen geldende oplossing te vinden voor het vraagstuk van de door honderdduizenden landbouwproducenten tengevolge van de revaluatie van 1969 gederfde inkomsten. Door met het oog op de steunregeling het in het Duitse belastingrecht bestaande onderscheid tussen agrarische en industriële veefokkers (en niet slechts voor een bepaalde categorie dieren) aan te houden, heeft de Duitse wetgever een maatstaf gekozen aan de hand waarvan de steun wordt toegekend aan een categorie fokkers (de „agrarische”), welke grotendeels bestaat uit fokkers die ook hun eigen grond bewerken. Het zijn juist deze voortbrengselen van de grond die door de revaluatie in waarde zijn verminderd.

Afgezien daarvan verwerpt de Commissie ook de opvatting dat er geen verschil bestaat tussen de door de agrarische en door de industriële kalvermesters gebruikte fokmethoden.

Hierover moeten twee opmerkingen worden gemaakt. Enerzijds heeft noch de Commissie noch het Hof beweerd dat de argrarische fokkers voor het mesten van hun kalveren hoofdzakelijk hun eigen produkten gebruiken. De door verzoekster en het Finanzgericht gekritiseerde opmerkingen in het arrest van 13 juni 1978 hadden betrekking op agrarische veehouders in het algemeen. Anderzijds moet de vraag of er sprake is van discriminatie in het kader van de onderhavige zaak niet uitsluitend worden bezien vanuit het standpunt van de „kalvermesterijen”. Veeleer moet de situatie op de markt voor kalveren als geheel in ogenschouw worden genomen, dat wil zeggen er moet een vergelijking worden gemaakt tussen de fokmethoden voor alle op de Duitse markt aangeboden „agrarische” kalveren en de door de „industriële” mesterijen aangeboden dieren. Dusdoende kan men vaststellen dat de Duitse kalvermarkt het volgende beeld vertoont:

De op de Duitse markt voor kalfsvlees aangeboden dieren zijn lang niet alle afkomstig van gespecialiseerde mesterijen, al is het merendeel door agrarische en industriële mesterijen gefokt. Een vrij groot gedeelte van deze dieren komt echter van melkveebedrijven met een kleinere of grotere veestapel, die de kalveren van hun veestapel die niet voor de veefokkerij bestemd zijn tot de slacht op traditionele wijze mesten. Deze kleine, niet in de mesterij gespecialiseerde landbouwers nemen een aanzienlijk deel van de kalverproduktie voor hun rekening.

Terwijl de gespecialiseerde industriële mesterijen uitsluitend industrieel vervaardigde melksurrogaten voeren, gebruiken de agrarische mesters — en natuurlijk nog meer de gelegenheidsmesters —, hoofdzakelijk in eigen bedrijf geproduceerde melk. Zij gebruiken gedeeltelijk rechtstreeks van hun melkvee afkomstige volle melk en daarnaast ondermelk die zij na levering van hun volle melk terugkrijgen van de melkfabriek.

De Commissie beschikt tot haar spijt niet over nauwkeurige cijfers betreffende de respectievelijk gebruikte hoeveelheden voeders. Uit de beschikbare statistieken blijkt echter dat momenteel een derde van de voor de kalverfokkerij en -mesterij benodigde voeders uit volle melk en ondermelk bestaat en tweederde uit industrieel vervaardigde melksurrogaten. In ieder geval ware het onjuist te beweren dat de „agrarische” mesters evenals de „industriële” mesters uitsluitend melksurrogaten gebruiken. In de eerste plaats wordt namelijk ongeveer 5 % van de gehele melkproduktie in de Gemeenschap (d.w.z. jaarlijks ongeveer 5000000 ton) gebruikt voor het voederen van kalveren en in de tweede plaats kan op basis van de door de Commissie ontvangen verzoeken om steun voor het gebruik van ondermelk als veevoeder worden aangetoond dat in de Gemeenschap thans meer dan 2000000 ton ondermelk jaarlijks worden bestemd voor het voeren van kalveren (in 1968 precies 2336000 ton).

Ten aanzien van de steunbedragen voor vloeibare ondermelk bestemd voor diervoeder, die zijn toegekend op grond van artikel 10 van verordening nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB L 148 van 1968, blz. 13), is tot 1978 geen onderscheid gemaakt tussen voeders voor kalveren en voor ander vee. Daarom is alleen bekend welke hoeveelheden in totaal zijn gebruikt als veevoeder. In het tijdvak van 1968 tot 1970 was dit voor de Gemeenschap van de Zes ongeveer 6000000 ton per jaar, doch van 1970 tot 1972 viel dit terug tot ongeveer 3500000 ton. In de Gemeenschap van de Negen is het gebruik van vloeibare ondermelk voor veevoeder in de jaren 1973 tot 1976 eerst teruggevallen van 5000000 ton tot 3000000 ton om in de beide volgende jaren weer te stijgen tot 3500000 — 4000000 ton. Hiervan werd in de Bondsrepubliek Duitsland 40 tot 45 % gebruikt. Daar de steun voor het gebruik van ondermelk als voeder voor varkens en kleinvee bij verordening nr. 2793/77 van de Commissie (PB L 321 van 1977, blz. 30) per 1 januari 1978 werd verhoogd, kan aan de hand van de verzoeken om steun aan de bevoegde interventiebureaus zeer nauwkeurig worden vastgesteld hoeveel vloeibare ondermelk jaarlijks in iedere Lid-Staat aan kalveren en hoeveel aan andere dieren wordt gevoerd. De totale hoeveelheid vloeibare ondermelk die in 1978 is gebruikt voor het voederen van dieren en waarvoor van gemeenschapswege subsidie is verleend, bedraagt 4069000 ton, waarvan 2326000 ton, dat wil zeggen bijna 60 %, voor kalveren.

Aangezien ook voordien het grootste deel van de voor diervoeder bestemde vloeibare ondermelk werd gebruikt voor het voeren van kalveren (anders was er immers geen enkele reden geweest om bij verordening nr. 2793/77 de steun voor het gebruik van vloeibare ondermelk als voeder van andere dieren dan kalveren aanzienlijk te verhogen), moet worden aangenomen dat ook gedurende de hier relevante periode 1969-1974 in de Gemeenschap ongeveer 2 tot 3 miljoen ton vloeibare ondermelk jaarlijks aan kalveren werden gevoerd. Het is zelfs waarschijnlijk dat de in deze jaren gebruikte hoeveelheden ondermelk aanzienlijk hoger waren dan thans. Uit de beschikbare statistieken blijkt namelijk dat de verhouding tussen het landbouwprodukt melk en de industrieel vervaardigde melksurrogaten, gebruikt bij de voeding van kalveren in de Bondsrepubliek, eerst omstreeks 1973 een aanzienlijke wijziging ten gunste van deze laatste begon te vertonen. Toen de betrokken verordeningen werden vastgesteld werd dus nog een veel groter aandeel van het natuurprodukt melk gebruikt dan de huidige verhouding eenderde/tweederde zou doen veronderstellen.

De Commissie concludeert uit bovenstaande overwegingen dat alleen het feit dat er verschillen bestaan tussen de voedermethoden en dat deze verschillen ontegenzeggelijk aanzienlijke hoeveelheden betreffen, beslissend is voor de uitsluiting van de industriële mesters van toekenning van compensatie in verband met de revaluatie in 1969.

Volledigheidshalve voegt de Commissie hieraan toe dat het onjuist ware te stellen dat alleen het gebruik van industrieel vervaardigde melksurrogaten de mogelijkheid biedt het — door het publiek zozeer begeerde — „witte” vlees te verkrijgen. Met melk gevoederde kalveren hebben ook „wit” vlees en dit is kwalitatief zelfs beter dan door het uitsluitend gebruik van surrogaten verkregen kalfsvlees.

De Commissie is daarom van mening dat de vraag in de tweede verwijzingsbeschikking van het Finanzgericht Munster als volgt moet worden beantwoord:

Ook wanneer rekening wordt gehouden met de bijzondere situatie op de Duitse kalverenmarkt, verbiedt noch het EEG-Verdrag noch artikel 1 van verordening nr. 2464/69 van de Raad noch de beschikking van de Raad van 21 januari 1974 de Bondsrepubliek Duitsland om de industriële kalvermesterijen uit te sluiten van de in verordening nr. 2464/69 bedoelde steun.

#### III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 4 oktober 1979 hebben verzoekster in het hoofdgeding, te deze vertegenwoordigd door D. Ehle, advocaat te Keulen, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur P. Karpenstein als gemachtigde, mondelinge opmerkingen gemaakt.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 23 oktober 1979 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij beschikking van 19 januari 1979, ingekomen ten Hove op 2 maart 1979, heeft het Finanzgericht Münster krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een vraag gesteld over de uitlegging van het EEG-Verdrag, van artikel 1 van verordening nr. 2464/69 van de Raad van 9 december 1969 betreffende de ingevolge de revaluatie van de Duitse mark op landbouwgebied te nemen maatregelen (PB L 312 van 1969, blz. 4) en van de beschikking van de Raad van 21 januari 1974, aan de Bondsrepubliek Duitsland op 24 januari 1974 betekend, waarbij de Raad een aantal bepalingen van artikel 1 dezer verordening heeft gewijzigd en de geldigheidsduur ervan heeft verlengd.

2. Het hoofdgeding vloeit voort uit de afwijzing door het Finanzamt Warendorf, verweerder in het hoofdgeding, van een verzoek om steun uit hoofde van het — op grond van genoemde verordening vastgestelde — Aufwertungsausgleichsgesetz (Revaluatievereveningswet) van 23 december 1969. Dit verzoek was ingediend door verzoekster in het hoofdgeding, een vennootschap die zich naast de produktie van veevoeders bezighoudt met de kalvermesterij met in eigen bedrijf geproduceerde melksurrogaten.

3. Verweerder in het hoofdgeding grondde zijn afwijzende beschikking op het feit dat verzoekster in het hoofdgeding niet over het voor de kalvermesterij noodzakelijke landbouwareaal beschikte en derhalve geen landbouwbedrijf in de zin van het Duitse belastingsrecht, waarnaar genoemde wet verwijst, maar een industrieel bedrijf was.

4.

Het hoofdgeding heeft reeds eerder tot een prejudiciële verwijzing door ditzelfde Finanzgericht geleid, namelijk in zaak 139/77, waarin het Hof arrest heeft gewezen op 13 juni 1978 (Jurispr. 1978, blz. 1317). In dit arrest heeft het Hof de oorsprong en de inhoud van de gemeenschapsregeling en het relevante nationale recht aan een onderzoek onderworpen (blz. 1329-1331) en vervolgens de volgende prejudiciële vragen beantwoord:

> 1.„ Omvat het communautaire rechtsbegrip, landbouwproducent' in artikel 1, leden 1. en 3 van verordening (EEG) nr. 2464/69 ook de industriële veefokker/veehouder in de zin van het Duitse belastingrecht?
>
> Zo ja:
>
> 2.Moeten de artikelen 39, 40, lid 3, tweede alinea, van het EEG-Verdrag, artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2464/69 van de Raad, alsook eventuele verdere bepalingen van het gemeenschapsrecht aldus worden uitgelegd, dat het de Bondsrepubliek Duitsland, lid van de EEG als adressaat van verordening (EEG) nr. 2464/69 verboden is om, ingeval er ter compensatie van de revaluatie voor onder de marktordeningen vallende landbouwprodukten rechtstreekse steun wordt verleend, bepaalde groepen van landbouwproducenten — in casu de industriële veehouders en veefokkers in de zin van het Duitse belastingrecht —, van de steunverlening uit te sluiten?”

5. Met betrekking tot de eerste vraag overwoog het Hof inzonderheid dat noch de samenhang noch de doelstellingen van verordening nr. 2464/69 een enge uitlegging vereisen, zodat het niet is uitgesloten dat het in de tekst der verordening gehanteerde tamelijk ruime begrip „landbouwproducenten” de vervaardiging van landbouwprodukten ongeacht de methode kan omvatten.

6.

Met betrekking tot de tweede vraag overwoog het Hof dat dient te worden onderzocht of het onderscheid in de zin van het Duitse belastingrecht tussen agrarische veehouders en veefokkers enerzijds en industriële veehouders en veefokkers anderzijds, zoals door het Aufwertungsausgleichsgesetz wordt gehanteerd, discriminerend is in de zin van artikel 40, lid 3, van het Verdrag. Het Hof beantwoordde deze vraag ontkennend en overwoog te deze in r.o. 17:

> „… dat uit de stukken met name blijkt dat de agrarische veefokkers en veehouders in de zin van de Duitse belastingwetgeving, door voeder te gebruiken dat grotendeels in hun bedrijven wordt geproduceerd, bijzonder afhankelijk zijn van de onbestendigheden die verbonden zijn met de exploitatie van de grond;
>
> dat daarentegen de industriële veehouders en veefokkers in de zin van genoemde wetgeving, die het noodzakelijke diervoeder grotendeels op de nationale of internationale markt kopen, niet aan dezelfde risico's zijn blootgesteld en in geval van een revaluatie van de nationale munteenheid in de gelegenheid zijn dit tegen gunstige prijzen in het buitenland te betrekken.
>
> dat mitsdien het onderscheid tussen agrarische veehouders en veefokkers en industriële veehouders en veefokkers, dat door het Duitse belastingrecht wordt gemaakt doordat verband wordt gelegd tussen de veestapel en het gebruikte landbouwareaal en dat door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland als objectief, zij het forfaitair, criterium wordt gehanteerd bij de toekenning van steun die zij krachtens de bepalingen van verordening nr. 2464/69 mag verlenen, niet als discriminerend kan worden bestempeld”;

7.

Uitspraak doende op de door het Finanzgericht gestelde vragen, verklaarde het Hof voor recht:

> „Noch de bepalingen van het EEG-Verdrag, noch artikel 1 van verordening nr. 2464/69 van de Raad, noch de bepalingen van de beschikking van de Raad van 21 januari 1974 hielden voor de Bondsrepubliek Duitsland het verbod in om de industriële veehouders of veefokkers uit te sluiten van de in genoemde verordening bedoelde steun”.

8.

In zijn verwijzingsbeschikking in de onderhavige zaak stelt het Finanzgericht het Hof een nieuwe prejudiciële vraag, luidende als volgt:

> „Is het de Bondsrepubliek Duitsland ingevolge het EEG-Verdrag, artikel 1 van verordening nr. 2464/69, de beschikking van de Raad van 21 januari 1974 of mogelijke andere bepalingen van gemeenschapsrecht verboden, de, industriële' kalvermesterijen in de zin van het Duitse belastingrecht uit te sluiten van de steunverlening uit hoofde van genoemde verordening, wanneer de agrarische kalvermesterijen voor het mesten van kalveren dezelfde industrieel vervaardigde voedermiddelen gebruiken als de industriële kalvermesterijen?”

9. Enerzijds valt op te merken dat deze vraag, in tegenstelling tot de in zaak 139/77 gestelde vragen, geen betrekking heeft op veehouders en veefokkers in het algemeen, doch alleen op kalvermesterijen, en anderzijds, dat zij — blijkens de motivering bij de verwijzingsbeschikking — uitgaat van de veronderstelling dat de „agrarische” kalvermesterijen voor het mesten dezelfde industriële melksurrogaten gebruiken als de „industriële” kalvermesterijen.

10. De juistheid van deze veronderstelling wordt door de Commissie bestreden. Zij betoogt dat de „agrarische” kalvermesterijen naast de industriële surrogaten ook zeer veel volle melk of ondermelk uit eigen bedrijf gebruiken. De Commissie baseert zich hiertoe op gegevens over de sinds 1969 geldende communautaire steunregeling betreffende voor voederdoeleinden bestemde melk. en op statistische gegevens inzake het voederen met volle melk en ondermelk in de Bondsrepubliek Duitsland. Daaruit zou blijken dat zeer grote hoeveelheden volle melk en ondermelk zijn bestemd voor het voederen van dieren en dat meer dan de helft van deze hoeveelheden blijkens de resultaten van de toepassing van een bij verordening nr. 2793/77 van de Commissie (PB L 321 van 1977, blz. 30) ingevoerde gedifferentieerde steunregeling wordt gebruikt voor het voederen van kalveren.

11. Op grond van de door haar genoemde gegevens betoogt de Commissie dat thans een derde van de voeders voor kalveren bestaat uit melk en dat dit aandeel in het tijdvak van 1969 tot 1973 waarschijnlijk nog hoger was.

12. In het kader van een procedure krachtens artikel 177 van het Verdrag kan het Hof echter geen uitspraak doen over zodanig geschil, dat evenals trouwens elke andere waardering van de feiten, tot de bevoegdheid van de nationale rechter behoort.

13. Zelfs indien men uitgaat van de veronderstelling dat de „agrarische” kalvermesterijen voor het mesten uitsluitend dezelfde industrieel vervaardigde melksurrogaten gebruiken als de „industriële” mesterijen, moet niettemin worden vastgesteld dat zulks niet van invloed is op de beantwoording van de nieuwe vraag van de nationale rechter.

14. Want volgens de eerste overweging van de considerans van verordening nr. 2464/69, waarop in het arrest in zaak 139/77 werd gewezen, hebben „de revaluatie van de Duitse mark en het feit dat de waarde van de rekeneenheid niet is gewijzigd … een daling tengevolge van de in Duitse marken uitgedrukte landbouwprijzen … met ingang van 1 januari 1970; … daaruit zal een inkomstenverlies voor de Duitse landbouw voortvloeien”. Bedoelde verliezen, waarvoor deze verordening compensatie dient te bieden deden zich voor in de landbouwsectoren die, zoals de melk- en graansector, worden gekenmerkt door een interventiestelsel en waarin de revaluatie praktisch automatisch een verlaging der in Duitse marken uitgedrukte doch — in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid — in rekeneenheden vastgestelde landbouwprijzen meebracht. Juist in deze sectoren is de produktie echter afhankelijk van de exploitatie van een agrarisch bruikbaar areaal.

15. Uit deze overwegingen volgt dat het in de Bondsrepubliek Duitsland met het oog op de toekenning van steun op grond van het Aufwertungsausgleichsgesetz gemaakte onderscheid tussen agrarische veefokkers en veehouders enerzijds en industriële veefokkers en veehouders anderzijds, op basis van een in het Duitse belastingrecht vastgestelde verhouding tussen de veestapel en het gebruikte landbouwareaal, beantwoordt aan het met de verordening nagestreefde doel.

16. Voorts moet erop worden gewezen dat volgens de vierde overweging van de considerans der verordening „deze steun slechts gedurende een bepaalde periode mag worden toegekend en dat de steunmaatregelen kunnen worden gevolgd door maatregelen van sociaalpolitieke of structuurpolitieke aard”. Hieruit blijkt dat bedoelde steun moet worden gezien tegen de achtergrond van overwegingen van sociale aard, die verband houden met het in artikel 39, lid 2, sub a, EEG-Verdrag neergelegde vereiste dat rekening moet worden gehouden met de bijzondere aard van het landbouwbedrijf, welke voortvloeit uit de maatschappelijke structuur van de landbouw. Deze bijzondere aard rechtvaardigt dat de Bondsrepubliek Duitsland bij de verlening van steun ter compensatie van de gevolgen van de revaluatie voorrang geeft aan die sectoren van de landbouweconomie waar de inkomstenverliezen tengevolge van de revaluatie het meest direct doorwerkten, dat wil zeggen de sectoren die worden gekenmerkt door bodembewerking. Daar deze prioriteit niet willekeurig is, kan zij niet worden beschouwd als een in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag verboden discriminatie tussen producenten.

17. Op grond van de voorgaande overwegingen moet op de vraag van de nationale rechter worden geantwoord dat noch het EEG-Verdrag noch artikel 1 van verordening nr. 2464/69 van de Raad noch de beschikking van de Raad van 21 januari 1974 de Bondsrepubliek Duitsland verbiedt de industriële kalvermesterijen uit te sluiten van de in genoemde verordening bedoelde steun.

#### Kosten

18. De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen.

19. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Finanzgericht Münster bij beschikking van 19 januari 1979 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Noch het EEG-Verdrag, noch artikel 1 van verordening nr. 2464/69 van de Raad, noch de beschikking van de Raad van 21 januari 1974 verbiedt de Bondsrepubliek Duitsland de industriële kalvermesterijen uit te sluiten van de in genoemde verordening bedoelde steun.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

5

verordening 2464/69 art. 1 13 voorkomens

EEG-Verdrag art. 40 uitgelegd 7 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 5 voorkomens

EEG-Verdrag art. 39 3 voorkomens

verordening 804/68 art. 10 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Stix-Hackl C-536/03 16.12.2004

#### [Aftrek van voorbelasting, werkzaamheid in vastgoedsector](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-536-03-conclusie)
