---
title: "HvJ EU, C-346/93, Kleinwort Benson Ltd, arrest van 28 maart 1995 · EEG-Executieverdrag, model voor nationaal recht"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 28 maart 1995, C-346/93, Kleinwort Benson Ltd: EEG-Executieverdrag, model voor nationaal recht."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-346-93-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-346-93-arret"
---

# Arrest van het Hof van 28 maart 1995, C-346/93, Kleinwort Benson Ltd · EEG-Executieverdrag, model voor nationaal recht, uitlegging, prejudiciële vraag, onbevoegdheid van Hof

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

C-346/93

**ECLI**

ECLI:EU:C:1995:85

**Datum**

28 maart 1995

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing niet-ontvankelijk

**Verwijzende rechter**

Court of Appeal, Civil Division (Verenigd Koninkrijk) beslissing van 18 mei 1993

**Zaak ingediend op**

6 juli 1993

**Advocaat-generaal**

Tesauro

**Opmerkingen**

Duitse, Spaanse, Franse, Britse regering Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

Court of Appeal (England & Wales), Civil Division beslissing van 25 januari 1996 ; House of Lords beslissing van 30 oktober 1997

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Engels

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1995, blz. I-615

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Schockweiler

**Repertorium van het Hof**

- [Verdrag betreffende rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-E) [Protocol betreffende uitlegging door Hof van Justitie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-E-71) [Bevoegdheid van Hof voor uitlegging van verdrag](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-E-71.01) 2 beslissingen

## Tekst

29 paragrafen

### Arrest

1. Bij beschikking van 18 mei 1993, ingekomen bij het Hof op 6 juli daaraanvolgend, heeft de Court of Appeal krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd door het Verdrag van 9 oktober 1978 betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB 1978, L 304, blz. 1 en —gewijzigde tekst— blz. 77; hierna: „Executieverdrag”) een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 5, sub 1 en 3, Executieverdrag.

2. Die vraag is gerezen in een geding tussen Kleinwort Benson Ltd (hierna: „Kleinwort”), een in Engeland gevestigde bank, en de City of Glasgow District Council (hierna: „Council”), het gemeentebestuur van Glasgow (Schotland). Het geding betreft de vraag, welke rechter bevoegd is kennis te nemen van een vordering tot terugbetaling van een geldsom die ter uitvoering van nietigverklaarde overeenkomsten is betaald.

3. Uit het dossier blijkt, dat Kleinwort en de Council met ingang van 7 september 1982 zeven rente-swapovereenkomsten hebben gesloten, ter uitvoering waarvan Kleinwort tussen 9 maart 1983 en 10 september 1987 in totaal 807230,31 UKL aan de Council heeft betaald.

4. Op 24 januari 1991 besliste het House of Lords in een principearrest, dat plaatselijke besturen als de Council niet bevoegd waren dergelijke overeenkomsten te sluiten, en dat de gesloten overeenkomsten derhalve ab initio nietig waren wegens onbekwaamheid van één der partijen.

5. Op 6 september 1991 daagde Kleinwort de Council in Engeland voor de High Court of Justice, Queen's Bench Division, Commercial Court, ter zake van ongerechtvaardigde verrijking en vorderde zij terugbetaling van de bedragen die zij ter uitvoering van de gesloten overeenkomsten had betaald.

6. De Council stelde, dat de Engelse gerechten onbevoegd waren van Kleinworts vordering kennis te nemen, en dat de vordering tot terugbetaling moest worden ingesteld bij het gerecht van de woonplaats van verweerder, in Schotland.

7. Kleinwort daarentegen betoogde voor de High Court, dat de vordering tegen de Council haar grondslag had hetzij in een „verbintenis uit overeenkomst”, hetzij in een „verbintenis uit onrechtmatige daad”, zodat ingevolge Section 5(1) respectievelijk Section 5(3) van bijlage 4 van de Civil Jurisdiction and Judgments Act 1982 (Wet van 1982 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en beslissingen in burgerlijke zaken — hierna: „wet van 1982”) de Engelse gerechten bevoegd waren.

8. De wet van 1982, die primair tot doel heeft het Executieverdrag in het Verenigd Koninkrijk toepasselijk te maken, regelt voorts de verdeling van de bevoegdheden in civiele zaken over de gerechten in de verschillende delen van het grondgebied van die Lid-Staat (Engeland en Wales, Schotland, Noord-Ierland).

9. Daartoe zijn in bijlage 4 van de wet van 1982 een aantal door het Executieverdrag geïnspireerde bepalingen opgenomen. Zo gaat artikel 2 uit van het beginsel, dat het gerecht van de woonplaats van de verweerder bevoegd is, terwijl Section 5(1) en (3) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst voorziet in een bijzondere bevoegdheid van het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is of moet worden uitgevoerd, en, ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, van het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of, in geval van potentiële schade, zich dreigt voor te doen.

10. Volgens Section 16(3)(a) van de wet van 1982 moet bij de vaststelling van de betekenis of de strekking van een der bepalingen van bijlage 4, „rekening worden gehouden met alle door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot titel II van het Verdrag van 1968 ontwikkelde relevante beginselen, alsmede met alle arresten van bedoeld Hof, die de betekenis of de strekking van de bepalingen van die titel betreffen”.

11. Ingevolge Section 47(1) en (3) van de wet van 1982, kunnen met name in bijlage 4 wijzigingen worden aangebracht „op grond van de door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot titel II van het Verdrag van 1968 ontwikkelde relevante beginselen, alsmede van alle arresten van bedoeld Hof die de betekenis of de gevolgen van de bepalingen van die titel betreffen”, daaronder begrepen „wijzigingen die tot verschillen tussen de bepalingen van bijlage 4 (...) en de overeenkomstige bepalingen van titel II van het Verdrag van 1968 leiden”.

12. Toen de High Court zich op 27 februari 1992 onbevoegd verklaarde om van het geschil kennis te nemen, ging Kleinwort van die uitspraak in beroep bij de Court of Appeal.

13.

Overwegende dat de oplossing van het geschil afhing van een beslissing over de werkingssfeer van Section 5(1) en (3) van de wet van 1982 en over de verhouding tussen die twee bepalingen, dat de bewoordingen van die bepalingen nagenoeg identiek waren met die van artikel 5, sub 1 en 3, Executieverdrag, en het Hof van Justitie laatstgenoemde bepalingen nog niet had uitgelegd, heeft de Court of Appeal op 18 mei 1993 krachtens artikel 3 van het Protocol van 3 juni 1971 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de navolgende vraag:

> „Wanneer van een verweerder terugbetaling wordt gevorderd van geldsommen die de verzoeker aan de verweerder heeft betaald ter uitvoering van een wegens onbekwaamheid van één der partijen nietige overeenkomst,
>
> a) is die verweerder dan gedagvaard ,ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst' in de zin van artikel 5, lid 1, van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Brussel op 27 september 1968 (zoals gewijzigd),of
>
> b) is hij gedagvaard ,ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad' in de zin van artikel 5, lid 3, van dat Verdrag?”

### De bevoegdheid van het Hof

14. De aan het Hof gevraagde uitlegging van de betrokken bepalingen van het Executieverdrag moet ertoe dienen, de verwijzende rechter in staat te stellen toepassing te geven niet aan het Executieverdrag, maar aan het nationale recht van de Verdragsluitende Staat waartoe hij behoort.

15. Onder die omstandigheden rijst de vraag, of het Hof bevoegd is zich over de prejudiciële vraag van de Court of Appeal uit te spreken.

16. In de eerste plaats zij erop gewezen, dat de in het hoofdgeding toepasselijke nationale wet geen rechtstreekse en onvoorwaardelijke verwijzing naar het gemeenschapsrecht bevat, waardoor dit in de nationale rechtsorde van toepassing zou zijn, doch enkel het Executieverdrag als model neemt en de bewoordingen ervan gedeeltelijk overneemt.

17. Want ofschoon die wet een aantal bepalingen van het Executieverdrag nagenoeg letterlijk overneemt, verschillen de bewoordingen ervan soms van die van de overeenkomstige bepaling van het Executieverdrag. Dit is met name het geval in Section 5(3).

18. Bovendien voorziet de wet van 1982 uitdrukkelijk in de mogelijkheid, dat de autoriteiten van de Verdragsluitende Staat wijzigingen vaststellen „die tot verschillen leiden” tussen de bepalingen van bijlage 4 en de overeenkomstige bepalingen van het Executieverdrag, zoals uitgelegd door het Hof.

19. Bijgevolg kan niet worden gezegd, dat de bepalingen van het Executieverdrag waarvan het Hof om uitlegging wordt gevraagd, als zodanig door het recht van de betrokken Verdragsluitende Staat toepasselijk zijn gemaakt, zij het ook buiten de werkingssfeer van dat Verdrag.

20. Verder verplicht de wet van 1982 de gerechten van de betrokken Verdragsluitende Staat niet, bij de beslechting van de bij hen aanhangige geschillen zich volstrekt en onvoorwaardelijk aan de hun door het Hof verstrekte uitlegging van het Executieverdrag te houden.

21. Volgens die wet immers moeten de nationale gerechten bij de toepassing van de uit het Executieverdrag overgenomen bepalingen enkel rekening houden met 's Hofs rechtspraak betreffende de uitlegging van de overeenkomstige bepalingen van het Executieverdrag. Wanneer daarentegen het Executieverdrag op het geschil van toepassing is, bepaalt Section 3(1) van de wet, dat „alle vragen betreffende de betekenis of de strekking van een bepaling van het Executieverdrag, die niet krachtens het Protocol van 1971 aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen worden voorgelegd, worden opgelost overeenkomstig de door het Hof van Justitie ontwikkelde beginselen en overeenkomstig de rechtspraak van dat Hof”.

22. Wanneer, zoals in het hoofdgeding, het Executieverdrag niet van toepassing is, staat het het gerecht van de betrokken Verdragsluitende Staat dus vrij te beslissen, of de door het Hof gegeven uitlegging ook geldt bij de toepassing van uit het Executieverdrag overgenomen nationaal recht.

23. Zo het Hof zich bevoegd zou verklaren uitspraak te doen over de in casu gestelde prejudiciële vraag, zou zijn uitlegging van de bepalingen van het Executieverdrag dus niet bindend zijn voor de verwijzende rechter, daar deze enkel aan 's Hofs uitlegging gebonden zou zijn indien het Executieverdrag op het geschil van toepassing was.

24. Het is echter onaanvaardbaar, dat de antwoorden van het Hof op door gerechten van de Verdragsluitende Staten gestelde vragen louter een advieskarakter zouden hebben en niet bindend zouden zijn. Een dergelijke situatie zou in strijd zijn met de aard van de rol van het Hof, zoals die in het Protocol van 3 juni 1971 vorm heeft gekregen, namelijk die van een rechterlijke instantie waarvan de arresten bindende kracht hebben (zie, in die zin, advies 1/91 van 14 december 1991, Jurispr. 1991, blz. I-6079, punt 61).

25. Gelet op het voorgaande, is het Hof niet bevoegd zich over de prejudiciële vraag van de Court of Appeal uit te spreken.

### Kosten

26. De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Duitse, de Spaanse en de Franse regering alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Court of Appeal bij beschikking van 18 mei 1993 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Het Hof is niet bevoegd zich over de prejudiciële vraag van de Court of Appeal uit te spreken.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Rechtspraak

11

### Europese Unie

11

Hof van Justitie C-62/14 16.06.2015

#### [Economisch en monetair beleid](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-62-14-arrest)

Hof van Justitie Beschikking C-488/13 09.09.2014

#### [Begrip ‚niet‑betwiste geldvorderingen’, insolventieprocedure](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-488-13-beschikking)

Hof van Justitie C-313/12 07.11.2013

#### [Nationale bestuursrechtelijke procedure](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-313-12-arrest)

## Rechtsleer

15

Rigaux, Anne ; Simon, Denys: Europe 1995 Mai Comm. nº 192 p.16-17 (FR)

X: Giustizia civile 1995 I p.1409-1410 (IT)

De Guillenchmidt, Michel ; Bonichot, Jean-Claude: Jurisprudence de la Cour de justice et du Tribunal de première instance des Communautés européennes. Ordre juridique communautaire - Droit communautaire et droit national - Convention de Bruxelles - Interprétation d'une loi nationale, Les petites affiches 1995 nº 107 p.4-5 (FR)

Collins, Lawrence: The Brussels Convention within the United Kingdom, The Law Quarterly Review 1995 p.541-544 (EN)

Bishop, Eva Maria: Kleinwort Benson: A good Example of Judicial Self-restraint?, European Law Review 1995 p.495-501 (EN)

**Bekijk de 10 andere verwijzingen**

Chavrier, Henri ; Honorat, Edmond ; Pouzoulet, Philippe: Le contentieux communautaire. La recevabilité des questions préjudicielles et la compétence de la Cour pour y répondre, L'actualité juridique ; droit administratif 1995 p.708-711 (FR)

Borrás Rodríguez, Alegría: Jurisprudencia del Tribunal de Justicia de las Comunidades Europeas, Revista Jurídica de Catalunya 1995 p.1159-1163 (ES)

Klesta Dosi, Laurence: Corte di giustizia delle Comunità europee (1º ottobre 1994 - 30 aprile 1995), La nuova giurisprudenza civile commentata 1995 II p.395-397 (IT)

Gaja, Giorgio: L'interpretazione di norme interne riproduttive della Convenzione di Bruxelles da parte della Corte di giustizia, Rivista di diritto internazionale 1995 p.757-758 (IT)

Peel, Edwin: Non-admissibility and Restitution in the European Court of Justice, Lloyd's Maritime and Commercial Law Quarterly 1996 p.8-14 (EN)

Betlem, Gerrit: Case C-346/93, Kleinwort Benson Ltd. v. City of Glasgow District Council, \[I995\] ECR I-615., Common Market Law Review 1996, Volume 33, Issue 1, p. 137-147 (EN)

Volken, Paul: Rechtsprechung zum Lugano-Übereinkommen (1995), Schweizerische Zeitschrift für internationales und europäisches Recht 1996 p.125-126 (DE)

Holl, Volker H.: Kehrtwende in der Rechtsprechung des EuGH zur Auslegungszuständigkeit im Vorabentscheidungsverfahren?, Praxis des internationalen Privat- und Verfahrensrechts 1996 p.174-177 (DE)

Huet, André: Chronique de jurisprudence du Tribunal et de la Cour de justice des Communautés européennes, Journal du droit international 1996 p.550-556 (FR)

Mari, Luigi: Delimitazione della giurisdizione italiana mediante rinvio alla convenzione di Bruxelles del 1968 e competenza pregiudiziale della Corte di giustizia, Il Foro italiano 1996 IV Col.365-380 (IT)
