---
title: "HvJ EU, 34/73, Fratelli Variola S.p.A, arrest van 10 oktober 1973 · Verordening 19/62 art. 20 en art. 18"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 oktober 1973, 34/73, Fratelli Variola S.p.A: verordening 19/62 art. 20 en art. 18."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-34-73-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-34-73-arret"
---

# Arrest van het Hof van 10 oktober 1973, 34/73, Fratelli Variola S.p.A · Verordening 19/62 art. 20 en art. 18

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

34/73

**ECLI**

ECLI:EU:C:1973:101

**Datum**

10 oktober 1973

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Tribunale di Trieste (Italië) beslissing van 12 januari 1973 9

**Zaak ingediend op**

27 februari 1973

**Advocaat-generaal**

Mayras

**Nationale beslissing na het arrest**

Tribunale di Trieste beslissing van 12 december 1973

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Italiaans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1973, blz. 981

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Sørensen

**Repertorium van het Hof**

- [Communautaire rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A) [Gemeenschapsrecht en nationaal recht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-03) [Rechtstreekse werking, voorrang en eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-03.01) 38 beslissingen
- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Handelingen van de instellingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20) [Verordeningen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20.01) [Rechtstreekse werking](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20.01.02) 6 beslissingen
  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [Algemeen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.00) [Bepalingen inzake de landbouw en algemene bepalingen van het Verdrag](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.00.02) 7 beslissingen
  - [Vrij verkeer van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02%2C578-4.02) [Douanerechten en heffingen van gelijke werking · verbod](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.01) 51 beslissingen

## Tekst

55 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

#### I — Overzicht van de feiten en het procesverloop

Overwegende dat de aan het geding ten grondslag liggende feiten en het procesverloop kunnen worden samengevat als volgt:

1\. Artikel 18, lid 1, van verordening nr. 19 verbiedt, als „onverenigbaar met de toepassing van het stelsel van intracommunautaire heffingen”, „de toepassing van enig douanerecht of enige heffing van gelijke werking” bij de invoer uit Lid-Staten. Evenzo bepaalt artikel 20, lid 1, van dezelfde verordening: „De toepassing van het stelsel van heffingen ten opzichte van derde landen brengt de afschaffing mede van de inning van ieder douanerecht of iedere heffing van gelijke werking op de uit derde landen afkomstige invoer.” De artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19 zijn op 30 juli 1962 in werking getreden (vgl. verordening nr. 49/62, PB 1962, blz. 1571). Verordening nr. 120/67/EEG van de Raad verbiedt in artikel 21, lid 1, ten aanzien van het intracommunautaire handelsverkeer en in artikel 18, lid 2, ten aanzien van het verkeer met de derde landen „de toepassing van enig douanerecht of enige heffing van gelijke werking”. Overeenkomstig artikel 33 is „de bij deze verordening ingestelde regeling (…) van toepassing met ingang van 1 juli 1967”, terwijl bij dit zelfde artikel verordening nr. 19 met ingang van dezelfde dag werd ingetrokken

2\. Op 15 april 1965 voerde de firma Fratelli Variola onder meer een partij graan in, afkomstig uit Argentinië, en op 27 september 1967 een partij graan uit Canada. Bij de eerste invoer moest de firma aan de douane te Triëst de volgende bedragen betalen: 13310 lire administratieve rechten, 5000 lire statistiekrecht en 1500 lire lossingsrecht; bij de tweede invoer: 252850 lire administratief recht, 100000 lire statistiekrecht en 30000 lire lossingsrecht. Op 2 januari 1973 maakte de firma voor de president van de rechtbank te Triëst een dwangbevelprocedure tegen de belastingdienst aanhangig, ten einde terugbetaling te verkrijgen van de ten onrechte ingevorderde bedragen voor administratieve rechten, statistiek- en lossingsrecht. Daarbij voerde zij in hoofdzaak aan dat de hiervoor genoemde rechten en heffingen naar hun aard heffingen van gelijke werking als douanerechten zijn, dat deze krachtens de verordeningen nrs. 19/62 en 120/67 na 30 juli 1962 door de Italiaanse staat niet meer mochten worden geheven, en dat derhalve de Italiaanse administratie dit bedrag wederrechtelijk heeft ingevorderd en tot terugbetaling ervan is gehouden.

3\. Bij beschikking van 12 januari 1973 heeft de president van de rechtbank te Triëst besloten tot schorsing van het geding en overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen: Is het begrip „heffing van gelijke werking” in de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19/62 en de artikelen 18 en 21 van verordening nr. 120/67 hetzelfde als in artikel 9 en volgende van het Verdrag? Is een heffing (of geldelijke last) die uitsluitend wordt toegepast op ingevoerde waren — afkomstig uit de Lid-Staten of uit derde landen — wegens het enkele feit dat deze worden gelost in Italiaanse havens, een heffing van gelijke werking in de zin van artikel 9 en volgende van het Verdrag, en deswege ingevolge de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19/62 en 18 en 21 van verordening nr. 120/67 verboden bij invoer van granen uit de Lid-Staten of uit derde landen? Moeten de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19/62 en de artikelen 18 en 21 van verordening nr. 120/67 worden geacht rechtstreeks toepasselijk te zijn in de nationale rechtsorde van de Lid-Staten? Moet, gezien artikel 189 van het Verdrag, de invoering van bovengenoemde bepalingen in de rechtsorde van de Lid-Staten — welke in het algemeen voortvloeit uit de wet tot ratificatie van het EEG-Verdrag — worden geacht in het bijzonder mede te zijn bewerkstelligd door afzonderlijke nationale bepalingen, welke de inhoud van de Gemeenschapsvoorschriften overnemen? Ingeval vraag 4 bevestigend wordt beantwoord, brengen dan deze afzonderlijke nationale bepalingen met dezelfde inhoud als de rechtstreeks toepasselijke Gemeenschapsvoorschriften mede dat de bij de communautaire voorschriften geregelde materie valt onder de nationale rechtsregels, zodat het Hof van Justitie niet bevoegd zou zijn kennis te nemen van eventuele schendingen? Ingeval de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19/62 rechtstreeks toepasselijk zijn, hebben zij dan ten behoeve van particulieren subjectieve rechten doen ontstaan die de nationale rechterlijke instanties moeten handhaven? Indien vraag 6 bevestigend wordt beantwoord, zijn die subjectieve rechten dan in volle omvang blijven bestaan en zijn zij niet vervallen met ingang van 1 juli 1962 (of een andere datum) als gevolg van de inwerkingtreding van verordening nr. 120/67, die verordening nr. 19/62 heeft vervangen? Kan een Lid-Staat door middel van een na de inwerkingtreding der Gemeenschapsbepaling gegeven wetsvoorschrift naar goeddunken wijziging brengen in de ingangsdatum van het verbod om heffingen van gelijke werking, als bedoeld in de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19/62 en de artikelen 18 en 21 van verordening nr. 120/67, toe te passen? Uit de overwegingen van de verwijzingsbeschikking, waarbij de president van de rechtbank te Triëst deze vragen aan het Hof heeft voorgelegd, blijkt het volgende: vraag 2 heeft betrekking op het lossingsrecht, bedoeld in het koninklijk besluit nr. 1592 van 21 december 1921 en in artikel 27 van wet nr. 82 van 9 februari 1963; wat betreft het recht voor administratieve diensten en het statistiekrecht verwijst de rechtbank naar 's Hofs arresten in de zaken 24-68 en 8-70, waarin deze rechten als heffingen van gelijke werking als een douanerecht zijn gekwalificeerd; de rechtbank wenst te weten of het verbod heffingen van gelijke werking op graanimporten uit Lid-Staten en derde landen in te voeren of ingevoerd te houden, van kracht werd met ingang van 30 juli 1962, de dag van inwerkingtreding van verordening nr. 19/62, of eerst met ingang van 1 juli 1967, de dag van inwerkingtreding van verordening nr. 120/67; vraag 5 doelt op het feit dat de Italiaanse staat de bepalingen van verordening nr. 19/62 bij wetsdecreet nr. 955 van 30 juli 1962 heeft gerecipieerd, en die van verordening nr. 120/67 bij wetsdecreet nr. 59 van 20 februari 1968; vraag nr. 8 doelt op het feit dat de Italiaanse staat door wet nr. 447 van 24 juni 1971 heeft afgeschaft: met ingang van 1 juli 1968 de administratieve rechten voor invoeren uit Lid-Staten, en eerst met ingang van 1 augustus 1971 de administratieve rechten en het statistiekrecht voor invoeren uit derde landen.

4\. De verwijzingsbeschikking van de president van de rechtbank te Triëst is ter griffie van het Hof ingeschreven op 27 februari 1973. Overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG zijn op 7 juni 1973 schriftelijke opmerkingen ingediend door mevrouw W. Dona-Viscardini, juridisch adviseur van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, namens deze, en op 13 juni 1973 door professor G. M. Ubertazzi en mr. F. Capelli namens verzoekster in het hoofdgeding. Het Hof heeft, op rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Ter terechtzitting van 12 juli 1973 hebben verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie van de Europese Gemeenschappen mondelinge opmerkingen gemaakt. De Advocaat-Generaal heeft ter terechtzitting van 26 september 1973 conclusie genomen.

#### II.— Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

Overwegende dat de krachtens artikel 20 van het Statuut ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

##### 1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid

De firma Variola betoogt dat de ontvankelijkheid van de verwijzing buiten twijfel staat. De verwijzing overeenkomstig artikel 177 van het Verdrag is niet afhankelijk van het bestaan van een contradictoir geding voor de nationale rechter. Deze kan dus ook om een prejudiciële beslissing verzoeken tijdens een summiere procedure, zoals die ter verkrijging van een dwangbevel, bedoeld in de artikelen 633 en volgende van het Italiaanse wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Deze stelling wordt bevestigd door de rechtspraak van het Hof en meer in het bijzonder door het arrest in de zaak 43-71 (Politi tegen Italiaans Ministerie van Financiën, Jurisprudentie 1971, blz. 1040).

Het betoog van de Commissie op dit punt is in wezen gelijk aan dat van de firma Variola. Voorts merkt de Commissie op dat de vragen 4 en 5 voor de litigieuze bepalingen niet van belang schijnen, aangezien deze — althans het gedeelte ervan dat betrekking heeft op het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten op invoeren uit derde landen — niet in de door de nationale rechter bedoelde interne maatregelen zijn overgenomen. Men zou echter kunnen menen dat de nationale rechter zich afvraagt of door de overneming van sommige bepalingen der Gemeenschapsverordeningen in de interne uitvoeringsvoorschriften wellicht het gehele door de communautaire reglementering bestreken gebied aan de nationale regels wordt onderworpen.

##### 2. Ten aanzien van de hoofdzaak

###### Vragen 1 en 2:

Volgens de firma Variola vertoont het lossingsrecht alle kenmerken van een heffing van gelijke werking als een douanerecht. Zij verwijst naar 's Hofs arrest 24-68 (Commissie tegen Italiaanse Republiek, Jurisprudentie 1969, blz. 193). Het recht wordt uitsluitend toegepast op geïmporteerde goederen op de enkele grond van hun binnenkomst op het territoir van de staat. De mogelijke tegenwerping dat dit recht een tegenprestatie vormt voor een verleende dienst, mist elke grond. Ook nationale produkten worden immers in de havens van de staat gelost, maar zonder dat daarvoor betaling van enig recht wordt verlangd. Bovendien valt niet in te zien welke dienst de staat verleent door de lossing van ingevoerde goederen in de Italiaanse havens toe te staan.

De Commissie betoogt dat het begrip heffing van gelijke werking door het Hof reeds helder is gedefinieerd; zie de arresten 24-68 (reeds aangehaald) en 2 en 3-69 (Sociaal Fonds Diamantarbeiders tegen Brachfeld en Chougol, Jurisprudentie 1969, blz. 211).

De Commissie gaat na of het begrip heffing van gelijke werking in de artikelen 20 van verordening nr. 19/62 en 18 van verordening nr. 120/67 hetzelfde is als dat in artikel 21 van laatstgenoemde verordening. Zij overweegt dat, ook al moge hun doelstelling verschillen, de draagwijdte van het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten, of het nu op de intracommunautaire dan wel de extracommunautaire verhoudingen betrekking heeft, dezelfde blijft.

De Commissie betoogt dat het Hof eerder heeft uitgesproken dat de term „heffing van gelijke werking” in de verordeningen inzake de ordening der landbouwmarkten dezelfde draagwijdte heeft als in de artikelen 9 en volgende van het Verdrag, zonder enig onderscheid te maken tussen het intracommunautaire stelsel en het op derde landen toepasselijke (zie de arresten 43-71, reeds aangehaald, en 84-71, Marimex tegen Italiaans Ministerie van Financiën, Jurisprudentie 1972, blz. 89).

De Commissie merkt op dat in het kader van artikel 177 van het Verdrag het Hof de Gemeenschapsregels niet op een bepaalde zaak kan toepassen, maar beklemtoont dat het Hof wel kan beslissen dat een recht, geheven bij de lossing van uit het buitenland afkomstige goederen — dus alleen op ingevoerde produkten en niet op nationale —, een geldelijke last is welke, uit hoofde van hun grensoverschrijding, op de buitenlandse goederen wordt geheven. Als het om een eenzijdig opgelegde last ging, zou die belasting stellig een heffing van gelijke werking als een douanerecht overeenkomstig de door 's Hofs rechtspraak omschreven criteria zijn. Maar ofschoon het Hof, aldus de Commissie, niet heeft uitgesloten dat een geldelijke last een tegenprestatie voor een door de administratie verleende dienst kan vormen, kan uit 's Hofs rechtspraak worden afgeleid dat, om een heffing inderdaad als zodanige tegenprestatie te kunnen aanmerken, aan uiterst strenge maatstaven moet zijn voldaan. De Commissie is van oordeel dat daarvan in casu geen sprake is. Zij meent dat, wat die maatstaven betreft, weliswaar kan worden toegegeven dat het lossingsrecht ter financiering van het onderhoud van de havens dient, maar niet een tegenprestatie voor een concreet en waardeerbaar voordeel is. De importeurs hebben er stellig belang bij dat de havens in goede staat verkeren, maar dit belang hebben zij gemeen met alle deelnemers aan het economisch verkeer, ook met degenen die nationale produkten verhandelen.

###### Vragen 3 en 6:

De firma Variola betoogt dat de bepalingen van de bij het beroep aangehaalde verordeningen alle kenmerken vertonen welke vereist zijn om op basis van 's Hofs rechtspraak rechtstreeks toepasselijk te worden geacht. Zij zijn immers duidelijk en welomschreven, niet van een voorwaarde of van nadere maatregelen der Lid-Staten of der communautaire instellingen afhankelijk gesteld en aan de discretionaire bevoegdheid der Lid-Staten onttrokken.

De Commissie is van mening dat de betrokken bepalingen zowel naar vorm als naar inhoud geëigend zijn in de interne rechtsorde der Lid-Staten gevolgen in het leven te roepen. Met de verplichting der Lid-Staten geen douanerechten of heffingen van gelijke werking toe te passen, correspondeert het recht van de particulieren een belasting die naar aard of gevolg een douanerecht is, niet te betalen. Dit recht van de particulieren kan derhalve, zoals alle subjectieve rechten, op bescherming door de nationale rechter aanspraak maken.

###### Vragen 4 en 5:

De firma Variola betoogt dat de rechtbank van Triëst met deze vragen op een ernstige schending van de communautaire reglementering door de Italiaanse staat doelt. Het is in Italië gebruikelijk dat rechtstreeks toepasselijke Gemeenschapsvoorschriften door middel van interne maatregelen, welke de EEG-bepalingen integraal overnemen, worden gerecipieerd. Dit systeem brengt in Italië zeer ernstige gevaren mee. Telkens wanneer de Italiaanse rechter een Gemeenschapsbepaling moet toepassen, heeft hij ook met een — noodzakelijkerwijze posterieur, want het EEG-model reproducerend — nationaal rechtsvoorschrift te maken, dat elke afwijking van dit model omzet in een conflict tussen de communautaire en de posterieure nationale rechtsregel. Bovendien kan het bestaan van de nationale rechtsregel in geval van twijfel de rechter ertoe brengen een prejudiciële uitlegging door het Hof van Justitie af te wijzen, aangezien hij zal menen alleen de interne regel te moeten interpreteren.

De Commissie betoogt dat de gewoonte rechtstreeks toepasselijke Gemeenschapsvoorschriften in nationale wetten over te nemen, tot verwarring leidt, ook wanneer het niet de bedoeling van de nationale wetgever was de rechtstreekse en autonome werking der Gemeenschapsverordeningen uit te sluiten. De nationale rechter weet niet meer aan welke regel hij zich moet houden: die van de Gemeenschapsverordening of die van de overeenkomstige interne voorschriften. Ook als het om volkomen gelijkluidende regels gaat, behoeft een keuze niet zonder gevolg te zijn:

a) het tijdstip van inwerkingtreding kan verschillen,

b) de prejudiciële uitlegging van de Gemeenschapsregels door het Hof wordt overbodig.

Het Hof van Justitie heeft bedoelde gewoonte al eerder uitdrukkelijk veroordeeld (arrest 39-72, Commissie tegen Italiaanse Republiek, nog niet gepubliceerd).

###### Vraag 7:

Wat betreft het tijdstip waarop de door de Gemeenschapsverordeningen toegekende subjectieve rechten zijn ontstaan, betoogt de firma Variola dat het verbod tot toepassing van heffingen van gelijke werking in volle omvang werd gehandhaafd door verordening nr. 120/67, welke verordening nr. 19/62 volledig heeft vervangen: het verbod heeft derhalve vanaf 30 juli 1962 zonder onderbreking gegolden.

De Commissie sluit zich bij deze opvatting aan.

###### Vraag 8:

Naar het oordeel van de firma Variola kan het antwoord op deze vraag klaarblijkelijk alleen worden gevonden in de oplossing van het conflict tussen de communautaire voorschriften en de artikelen 1 en 2 van de Italiaanse wet nr. 447 van 1971. De vraag heeft betrekking op het belang van de ingangsdata, door de nationale wet vastgesteld voor de — door de communautaire voorschriften in het leven geroepen — subjectieve rechten, welke, gezien de voorrang van het Gemeenschapsrecht boven het nationale recht, na hun ontstaan stellig niet meer kunnen worden beperkt. Te dien aanzien zal het Hof de voorrang van het Gemeenschapsrecht ook boven posterieur nationaal recht uitdrukkelijk en formeel dienen te bevestigen.

De Commissie merkt op dat het vraagstuk niet nieuw is: ook in de zaak 84-71 (Marimex tegen het Italiaanse Ministerie van Financiën, reeds aangehaald) is het, juist met betrekking tot wet nr. 447, houdende afschaffing van het statistiekrecht en het recht voor administratieve diensten, aan de orde geweest. Het Hof heeft het toen opgelost met zijn overweging dat de in artikel 189 voorziene werking der verordeningen zich verzet tegen de toepassing van alle, ook latere, wetgevende maatregelen die met het daarin bepaalde niet verenigbaar zijn. De Commissie meent dat de uitdrukkelijke intrekking van nationale regelingen, ouder dan en onverenigbaar met rechtstreeks toepasselijk Gemeenschapsrecht, stellig nuttig en met het oog op de rechtszekerheid wenselijk kan zijn, maar dat het niet meer kan betekenen dan een eenvoudige formaliteit zonder eigen gevolg. Indien het besluit tot intrekking andere gevolgen zou hebben dan communautaire regelingen — met name, zoals in casu, ten aanzien van het tijdstip waarop de betrokken rechten ontstaan —, ontstaat er een conflict dat dan overeenkomstig het beginsel van de voorrang van het Gemeenschapsrecht boven het nationale recht moet worden opgelost.

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat de president van de rechtbank te Triëst bij beschikking van 12 januari 1973, ingekomen ter griffie van het Hof op 27 februari 1973, krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag heeft verzocht om een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van 's Raads verordeningen nr. 19 van 4 april 1962 en nr. 120/67/EEG van 13 juni 1967 betreffende de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten in de sector granen, en omtrent sommige vragen met betrekking tot de rechtstreekse werking van communautaire rechtsregels in de rechtsorde der Lid-Staten;

#### Ten aanzien van de erste vraag

2. Overwegende dat in de eerste plaats het Hof wordt verzocht te beslissen of het begrip heffing van gelijke werking als douanerechten in de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19/62 en de artikelen 18 en 21 van verordening nr. 120/67 hetzelfde is als dat van de artikelen 9 en volgende van het Verdrag;

3.

Overwegende dat de Verdragsbepalingen, krachtens welke het de Lid-Staten verboden is in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap heffingen van gelijke werking als douanerechten toe te passen, ten doel hebben het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap te verzekeren;

dat de bepalingen van de verordeningen betreffende de ordening van de landbouwmarkt enerzijds, voor zover zij de toepassing van enig douanerecht of enige heffing van gelijke werking in het intracommunautaire handelsverkeer verbieden, hetzelfde doel nastreven en anderzijds, voor zover die bepalingen een soortgelijk verbod voor invoeren uit derde landen bevatten, een uniforme regeling aan de buitengrenzen van de Gemeenschap beogen te verzekeren;

dat uit niets blijkt dat de uitdrukking „heffing van gelijke werking” in de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19/62 en 18 en 21 van verordening nr. 120/67 anders zou moeten worden uitgelegd dan in de artikelen 9 en volgende van het Verdrag;

#### Ten aanzien van de tweede vraag

4. Overwegende dat het Hof vervolgens wordt verzocht te beslissen of een heffing die uitsluitend op ingevoerde — hetzij uit andere Lid-Staten, hetzij uit derde landen afkomstige — goederen wordt gelegd uit hoofde van het enkele feit dat zij in nationale havens worden gelost, een krachtens de aangehaalde verordeningen verboden „heffing van gelijke werking als een douanerecht” is;

5.

Overwegende dat het blijkens de processtukken in casu gaat om het zogenaamde „lossingsrecht”, bedoeld in artikel 27 van de Italiaanse wet nr. 28 van 9 februari 1963 op de heffingen en rechten inzake vervoer per schip, en geheven op goederen van buitenlandse herkomst, die in de havens, op de reden en kusten van de staat worden gelost ten einde definitief of tijdelijk te worden ingevoerd;

dat voor granen dit lossingsrecht 30 lire per ton bedraagt;

dat de opbrengst ervan wordt aangewend voor de haveninstallaties en de laad- en losfaciliteiten;

6.

Overwegende dat het verbod van elk douanerecht en van elke heffing van gelijke werking betrekking heeft op iedere bij of wegens invoer geheven belasting welke bepaaldelijk op het ingevoerde produkt en niet op het nationale produkt wordt gelegd en derhalve op het vrije verkeer van goederen dezelfde beperkende invloed heeft als een douanerecht;

dat, hoe gering zodanige belasting ook moge zijn, de heffing ervan tezamen met de administratieve formaliteiten waartoe zij aanleiding geeft, het vrije verkeer van goederen belemmert;

#### Ten aanzien van de vragen 3 en 6

7. Overwegende dat met de derde en zesde vraag het Hof wordt verzocht te beslissen of de bepalingen van de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19/62 en de artikelen 18 en 21 van verordening nr. 120/67 moeten worden geacht rechtstreeks toepasselijk te zijn in de Lid-Staten en aldus ten behoeve van de particulieren rechten doen ontstaan welke de nationale rechter moet handhaven;

8.

Overwegende dat een verordening naar luid van artikel 189, tweede alinea, van het Verdrag „een algemene strekking” heeft en „rechtstreeks toepasselijk (is) in elke Lid-Staat”;

dat zij derhalve naar haar aard en functie in het stelsel van de communautaire rechtsbronnen rechtstreeks werkt, en als zodanig aan particulieren rechten kan verlenen die de nationale rechter gehouden is te beschermen;

dat derhalve de gestelde vraag bevestigend dient te worden beantwoord;

#### Ten aanzien van de vragen 4 en 5

9. Overwegende dat met de vierde en vijfde vraag in wezen aan het Hof wordt gevraagd of de bepalingen der litigieuze verordeningen in de rechtsorde van de Lid-Staten kunnen worden opgenomen bij wege van interne maatregelen die de inhoud van de communautaire voorschriften overnemen, waardoor de materie aan het nationale recht wordt onderworpen en dientengevolge aan de bevoegdheid van het Hof onttrokken;

10.

Overwegende dat de rechtstreekse toepasselijkheid van een verordening vooronderstelt dat zij in werking treedt en ten gunste of ten laste van de rechtssubjecten wordt toegepast zonder dat daartoe enige maatregel tot receptie in het nationale recht vereist is;

dat de Lid-Staten krachtens hun uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen, welke zij bij de ratificatie ervan op zich hebben genomen, gehouden zijn aan de rechtstreekse werking van verordeningen en andere communautaire rechtsvoorschriften niets in de weg te leggen;

dat de nauwgezette naleving van deze plicht een onontbeerlijke voorwaarde is voor de gelijktijdige en eenvormige toepassing der Gemeenschapsverordeningen op het gehele gebied van de Gemeenschap;

11.

dat meer in het bijzonder de Lid-Staten gehouden zijn geen enkele maatregel te nemen, welke aan 's Hofs bevoegdheid zich over elke vraag van uitlegging van het Gemeenschapsrecht of over de geldigheid van een handeling der communautaire instellingen uit te spreken, afbreuk kan doen, hetgeen betekent dat elke handelwijze welke het gemeenschappelijk karakter van een rechtsregel aan de justitiabelen zou verhelen, ontoelaatbaar is;

dat, in weerwil van elke nationale wettelijke maatregel die een communautair rechtsvoorschrift in nationaal recht beoogt te transformeren, de bevoegdheid van het Hof, met name krachtens artikel 177, onverkort blijft;

#### Ten aanzien van vraag 7

12. Overwegende dat in de zevende plaats het Hof wordt gevraagd of de door de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19/62 aan de particulieren verleende rechten na de inwerkingtreding van verordening nr. 120/67 zijn blijven bestaan;

13.

Overwegende dat blijkens artikel 33 van verordening nr. 120/67 de hierbij ingestelde regeling met ingang van 1 juli 1967 van toepassing is en dat verordening nr. 19/62 met ingang van die zelfde datum is ingetrokken;

dat, behoudens een geldige contraire bepaling, de intrekking van een verordening niet inhoudt dat de door haar bepalingen in het leven geroepen subjectieve rechten worden teniet gedaan;

dat, anderzijds, het in de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19/62 tot de Lid-Staten gerichte verbod heffingen van gelijke werking als douanerechten toe te passen, in de artikelen 18 en 21 van verordening nr. 120/67 is overgenomen;

dat derhalve moet worden geconcludeerd dat de door de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19/62 ten behoeve van particulieren in het leven geroepen rechten na de inwerkingtreding van verordening nr. 120/67 zonder onderbreking zijn blijven voortbestaan;

#### Ten aanzien van vraag 8

14.

Overwegende dat in de achtste plaats aan het Hof wordt gevraagd of een Lid-Staat bij wege van een na de inwerkingtreding der litigieuze verordenin gen vastgesteld wettelijk voorschrift de ingangsdatum van het verbod van heffingen van gelijke werking kan wijzigen;

dat blijkens de processtukken deze vraag betrekking heeft op de Italiaanse wet nr. 447 van 24 juni 1971, waarbij het statistiekrecht en het recht voor administratieve diensten, welke het Hof in zijn arresten van 1 juli 1969 (zaak 24-68, Jurisprudentie 1969, blz. 193) en 18 november 1970 (zaak 8-70, Jurisprudentie 1970, blz. 961) met de communautaire verbodsbepalingen inzake de toepassing van heffingen van gelijke werking als douanerechten onverenigbaar heeft verklaard, zijn afgeschaft;

dat deze wet bepaalt dat die afschaffing eerst ingaat op de dag van haar inwerkingtreding, te weten 1 augustus 1971, behoudens wat betreft het recht voor administratieve diensten, geheven op uit andere Lid-Staten ingevoerde goederen, dat met ingang van 30 juni 1968 is afgeschaft;

15.

Overwegende dat tegen de rechtstreekse werking in de rechtsorde der Lid-Staten van de verordeningen der Gemeenschap en van andere communautaire rechtsvoorschriften, daaronder begrepen het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten overeenkomstig de artikelen 9 en volgende van het Verdrag, in rechte geen nationale wetstekst kan worden ingeroepen zonder dat daardoor de wezenlijke aard van de Gemeenschapsregels als zodanig en het fundamentele beginsel van de voorrang der communautaire rechtsorde in gevaar worden gebracht;

dat dit in het bijzonder geldt voor het tijdstip waarop de Gemeenschapsregel begint te werken en ten behoeve van particulieren rechten doet ontstaan;

dat, vanwege de noodzaak de eenvormige en gelijktijdige toepassing van het Gemeenschapsrecht op het gehele gebied van de Gemeenschap te verzekeren, van een bevoegdheid der Lid-Staten om — elk voor zoveel het hem aangaat en zonder daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd — het tijdstip van de inwerkingtreding van de Gemeenschapsregel te wijzigen, geen sprake kan zijn;

#### Ten aanzien van de kosten

16. Overwegende dat de kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen en dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;

### Dictum

Gezien de processtukken;

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de president van de rechtbank te Triëst bij zijn beschikking van 12 januari 1973 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Ten aanzien van de eerste vraag

1\. Het begrip „heffing van gelijke werking” dient in de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19/62 en in de artikelen 18 en 21 van verordening nr. 120/67 in dezelfde zin te worden verstaan als in de artikelen 9 en volgende van het Verdrag.

Ten aanzien van de tweede vraag

2\. Een heffing die uitsluitend op ingevoerde goederen wordt gelegd uit hoofde van het enkele feit dat zij in nationale havens worden gelost, is een „heffing van gelijke werking als een douanerecht” en derhalve, wat betreft de invoer van granen hetzij uit andere Lid-Staten hetzij uit derde landen, verboden bij de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19/62 en 18 en 21 van verordening nr. 120/67.

Ten aanzien van de vragen 3 en 6

3\. De bepalingen van de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19/62 en 18 en 21 van verordening nr. 120/67, bevattende een tot de Lid-Staten gericht verbod enige heffing van gelijke werking als douanerechten toe te passen, zijn rechtstreeks toepasselijk in de rechtsorde van de Lid-Staten en doen derhalve ten behoeve van de particulieren rechten ontstaan, welke de nationale rechter heeft te handhaven.

Ten aanzien van de vragen 4 en 5

4\. Een nationale wettelijke maatregel, waarin de inhoud van een rechtstreeks toepasselijke communautaire rechtsregel is overgenomen, kan op generlei wijze hetzij aan deze rechtstreekse toepasselijkheid afbreuk doen, hetzij de uit het Verdrag voortvloeiende bevoegdheid van het Hof verkorten.

Ten aanzien van vraag 7

5\. De rechten, door de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19/62 ten behoeve van de particulieren in het leven geroepen, zijn na de inwerkingtreding van verordening nr. 120/67 zonder onderbreking blijven voortbestaan.

Ten aanzien van vraag 8

6\. De rechtstreekse werking van de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 19/62 en 18 en 21 van verordening nr. 120/67 verzet zich tegen elke nationale wettelijke maatregel welke de datum waarop die bepalingen beginnen te werken, beoogt te wijzigen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

8

verordening 19/62 art. 20 uitgelegd 17 voorkomens

verordening 19/62 art. 18 uitgelegd 16 voorkomens

verordening 120/67 art. 18 uitgelegd 7 voorkomens

verordening 120/67 art. 21 uitgelegd 7 voorkomens

EEG-Verdrag art. 9 5 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 4 voorkomens

EEG-Verdrag art. 189 2 voorkomens

verordening 120/67 art. 33 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Jacobs C-166/94 26.10.1995

#### [Verordening 2777/75 art. 11, richtlijn 69/73 art. 16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-166-94-conclusie)

## Rechtsleer

5

Tizzano, Antonio: Il Foro italiano 1974 IV Col. 66 (IT)

Maresceau, Marc: Enkele beschouwingen bij het arrest Variola van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Rechtskundig weekblad 1974-75 Col.857-868 (NL)

Capelli, Fausto: L'affermazione del diritto comunitario, Il Foro padano 1974 IV Col.51-54 (IT)

Wyatt, Derrick: Direct Applicability of Community Acts, European Law Review 1975 p.51-53 (EN)

Capelli, Fausto: L'affermazione del diritto comunitario, Scritti di diritto comunitario 1979 Vol. I p.60-64 (IT)
