Arrest
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 oktober 1990, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat de Helleense Republiek de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door niet de nodige maatregelen te nemen ter uitvoering van het arrest van 15 maart 1988 (zaak 147/86, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1988, blz. 1637), waarin het Hof had verklaard:
1)„ Door onderdanen van andere Lid-Staten te verbieden ‚frontistiria’ en particuliere muziek- en dansscholen op te richten en onderricht aan huis te verstrekken, is de Helleense Republiek de krachtens de artikelen 52 en 59 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2)Door de toegang van onderdanen van andere Lid-Staten die reeds in Griekenland werkzaam zijn, en van hun gezinsleden tot de functies van directeur van en leraar aan ‚frontistiria’ en particuliere muziek- en dansscholen te verbieden of te beperken, is de Helleense Republiek de krachtens artikel 48 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen”,
en evenmin de nodige maatregelen te nemen ter uitvoering van het arrest van 14 juli 1988 (zaak 38/87, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1988, blz. 4415), waarin het Hof had verklaard:
1)„ De Helleense Republiek is de krachtens de artikelen 52 en 59 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen, door bepalingen te handhaven, waaruit niet uitdrukkelijk blijkt dat onderdanen van andere Lid-Staten zich als gewoon lid bij de Technische Kamer van Griekenland kunnen inschrijven, terwijl die inschrijving de toegang tot en de uitoefening van het beroep van architect, civiel-ingenieur en landmeter in de Helleense Republiek bepaalt en vergemakkelijkt.”
Omdat de Commissie niets had vernomen over maatregelen die de Helleense Republiek had moeten nemen om de uitvoering van de twee genoemde arresten te verzekeren, leidde zij de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag in, die zij heeft afgerond met de instelling van het onderhavige beroep wegens niet-nakoming.
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De Commissie betoogt, dat de Helleense Republiek de nationale wetgeving nog niet heeft gewijzigd ten einde deze in overeenstemming te brengen met de twee bovengenoemde arresten van 15 maart en 14 juli 1988, welk feit een verzuim oplevert van de in artikel 171 EEG-Verdrag bedoelde verplichting om die maatregelen te nemen, welke nodig zijn ter uitvoering van een arrest.
De Helleense Republiek brengt daar niet meer tegen in dan dat de nodige wetswijzigingen ter uitvoering van de twee arresten van het Hof in voorbereiding zijn en binnenkort zouden moeten worden gepubliceerd.
Weliswaar bepaalt artikel 171 EEG-Verdrag niet binnen welke termijn aan een arrest uitvoering moet worden gegeven, doch het belang van een rechtstreekse en uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht vereist dat met die uitvoering onmiddellijk een begin wordt gemaakt en dat zij zo snel mogelijk wordt voltooid (zie het arrest van 13 juli 1988, zaak 169/87, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1988, blz. 4093, r. o. 14).
Dientengevolge moet de niet-nakoming worden vastgesteld, zoals omschreven in de conclusies van de Commissie.
Kosten
Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden venvezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet de nodige maatregelen te nemen ter uitvoering van: het arrest van 15 maart 1988 (zaak 147/86, Commissie/Griekenland), waarin het Hof had verklaard: Door onderdanen van andere Lid-Staten te verbieden‚frontistiria’ en particuliere muziek- en dansscholen op te richten en onderricht aan huis te verstrekken, is de Helleense Republiek de krachtens de artikelen 52 en 59 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen. Door de toegang van onderdanen van andere Lid-Staten die reeds in Griekenland werkzaam zijn, en van hun gezinsleden tot de functies van directeur van en leraar aan ‚frontistiria’ en particuliere muziek- en dansscholen te verbieden of te beperken, is de Helleense Republiek de krachtens artikel 48 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen”, en van het arrest van 14 juli 1988 (zaak 38/87, Commissie/Griekenland), waarin het Hof had verklaard: De Helleense Republiek is de krachtens de artikelen 52 en 59 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen, door bepalingen te handhaven, waaruit niet uitdrukkelijk blijkt dat onderdanen van andere Lid-Staten zich als gewoon lid bij de Technische Kamer van Griekenland kunnen inschrijven, terwijl die inschrijving de toegang tot en de uitoefening van het beroep van architect, civiel-ingenieur en landmeter in de Helleense Republiek bepaalt en vergemakkelijkt”, is de Helleense Republiek de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
5Rechtspraak
1Europese Unie
1Hof van JustitieC-101/9119.01.1993