---
title: "HvJ EU, 327/82, arrest van 18 januari 1984 · Verordening 805/68 art. 18 en art. 20"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 januari 1984, 327/82: verordening 805/68 art. 18 en art. 20."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-327-82-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-327-82-arret"
---

# Arrest van het Hof van 18 januari 1984, 327/82 · Verordening 805/68 art. 18 en art. 20

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Vijfde kamer

**Zaak**

327/82

**ECLI**

ECLI:EU:C:1984:11

**Datum**

18 januari 1984

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland) beslissing van 17 december 1982 40/05/270

**Zaak ingediend op**

20 december 1982

**Advocaat-generaal**

VerLoren van Themaat

**Nationale beslissing na het arrest**

College van Beroep voor het bedrijfsleven beslissing van 17 oktober 1985 40/05/270

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Nederlands

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1984, blz. 107

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Everling

**Repertorium van het Hof**

- [Communautaire rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A) [Uitlegging van gemeenschapsrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-05) 37 beslissingen
- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [De gemeenschappelijke marktordeningen per product](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04) [Rundvlees](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.08) [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.08.02) [Uitvoerregeling](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.08.02.02) 2 beslissingen

## Tekst

80 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten van de zaak, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het procesverloop

Ingevolge artikel 18 van verordening nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148 van 1968, blz. 24), kan het verschil tussen de prijzen van de in deze verordening genoemde produkten op de wereldmarkt en de prijzen in de Gemeenschap overbrugd worden door een restitutie bij de uitvoer. Deze restitutie is vastgesteld bij verordening nr. 2787/81 van de Commissie van 25 september 1981 (PB L 271 van 1981, blz. 44), waarvan de bijlage de lijst bevat van de produkten waarvoor de restitutie werd toegekend.

Deze lijst vermeldt onder post „ex 02.01 All” van het gemeenschappelijke douanetarief „vlees van runderen: a) vers of gekoeld:...; 4. andere:... bb) delen, zonder been, met uitzondering van de vang en de schenkel, elk deelstuk individueel verpakt”.

Op 23 oktober en 6 november 1981 deed de vennootschap Ekro BV Vee- en Vleeshandel (hierna: Ekro), te Apeldoorn, bij de ontvanger der douane en accijnzen te Bergh aangifte ten uitvoer naar Vaticaanstad van twee partijen vlees van respectievelijk 2380 en 2062 kg, door haar omschreven als „kalfsdelen zonder been, andere, gekoeld, met uitzondering van de vang en de schenkel, elk deelstuk individueel verpakt”. Zij verzocht om toekenning van de uitvoerrestituties voor deze partijen vlees.

Elk van de partijen bevatte met name borststukken, met daaraan een in pistola-vorm uitgesneden stuk vlees, waarvan in het hoofgeding wordt betwist of het als „vang” moet worden aangemerkt. Het totale gewicht van de borststukken bedroeg 1156 kg, waarvan 201 kg voor de voornoemde, in pistolavorm uitgesneden stukken waarvan de kwalificatie wordt betwist.

Het Produktschap voor Vee en Vlees te Rijswijk weigerde Ekro voor de uitvoer van de 1156 kg borst restituties toe te kennen.

Tegen deze weigering heeft Ekro beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.

Partijen in het hoofdgeding zijn het in de eerste plaats oneens over de vraag, of voornoemde in pistolavorm uitgesneden stukken als „vang” moeten worden aangemerkt. Het Produktschap voor Vee en Vlees, dat deze vraag bevestigend beantwoordt, meent dat onder vang moet worden verstaan het flankvlees dat zich bevindt tussen rug en schouder van het rund enerzijds en het achterdeel anderzijds. Ekro, die de vraag ontkennend beantwoordt, is van mening dat onder „vang” moet worden verstaan het tot de achtervoet behorende flankvlees tot en met het gedeelte daarvan dat tot de achterste twee ribben behoort.

Zij verschillen voorts van mening over de vraag, of restitutie moet worden toegekend voor de uitvoer van runderborst waaraan zich een stuk „vang” bevindt. Het Produktschap voor Vee en Vlees beantwoordt deze vraag ontkennend. Ekro antwoordt er bevestigend op in die zin dat er volgens haar een restitutie moet worden toegekend, berekend op basis van het gewicht van het uitgevoerde vlees, verminderd met dat van de vang die eraan vastzit.

Van oordeel dat het geding betrekking heeft op vragen die de uitlegging van het gemeenschapsrecht betreffen, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven de behandeling van de zaak geschorst en het Hof bij beschikking van 17 december 1982 krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende twee vragen:

Wat moet bij een juiste uitleg van post ex 02.01 All a), 4. bb) van het gemeenschappelijk douanetarief worden verstaan onder ‚vang’ en hoe kan ‚vang’, dat niet onder die tariefpost valt, worden onderscheiden van wel onder die tariefpost vallende delen zonder been?

2\. Brengt een juiste uitleg van de verordening (EEG) nr. 2787/81 mee dat geen restitutie mag worden toegekend terzake van uitvoer naar derde landen van een deel zonder been, indien daaraan een stuk ‚vang’ vastzit, of dient bij een juiste uitleg van die verordening de restitutie in dat geval te worden toegekend op basis van het totale gewicht aan uitgevoerd vlees, verminderd met het gewicht aan vangvlees?”

De verwijzingsbeschikking is op 20 december 1982 ter griffie van het Hof ingeschreven.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend voor Ekro door haar adjunctdirecteur A. Bouwmann; voor het Produktschap voor Vee en Vlees door zijn voorzitter, vertegenwoordigd door J. J. Koch, secretaris; door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door haar gemachtigden M. Seidel en E. Röder; en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. C. Fischer.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan en de zaak overeenkomstig artikel 95 van het Reglement voor de procesvoering naar de Vijfde kamer te verwijzen. Het heeft de Commissie uitgenodigd schriftelijk enkele vragen te beantwoorden.

#### II — Schriftelijke opmerkingen

##### 1. Opmerkingen van Ekro

Ekro heeft het Hof bij wijze van opmerkingen een kopie overgelegd van een door haar aan het College van Beroep voor het Bedrijfsleven gerichte brief, waarin een vraag wordt geformuleerd die haar in de onderhavige procedure van wezenlijk belang lijkt. Deze derde vraag, die het Hof volledigheidshalve eveneens zou dienen te beantwoorden, betreft een discriminatie die gelegen zou zijn in het feit dat voor „vangen” zonder been niet de restitutie voor delen zonder been wordt toegekend, terwijl de restitutie voor delen met been wel wordt toegekend voor „vangen” met been.

##### 2. Opmerkingen van bet Produktschap voor Vee en Vlees

Ten aanzien van de eerste vraag merkt het Produktschap voor Vee en Vlees op, dat tariefpost ex 02.01 A II a), 4. bb) kan worden begrepen vanuit de context dat de Commissie voor een bepaalde hoogwaardige aanbiedingsvorm van rundvlees, namelijk uitgebeende delen welke individueel zijn verpakt, een afzonderlijk restitutieschema, gedifferentieerd naar bestemming, heeft ingesteld. De voor deze tariefpost vastgestelde restituties behoren tot de hoogste restituties voor rundvlees. Voor delen van geringe waarde, zoals „vang” en „schenkel”, dient deze hoge resitutie niet te worden toegekend.

In Nederland wordt onder „vang” verstaan het gedeelte van een rund, waaronder het gedeelte rond de navel, afgebeeld op een als bijlage aan de memorie van het Produktschap gehechte schets. Bij gebreke van een anatomische definitie van dit begrip in de communautaire verordeningen kan en moet Nederland dit begrip uitleggen volgens de algemeen aanvaarde definitie welke in Nederland geldt. Elke Lid-Staat heeft zijn eigen term voor „vang”, en deze behoeven wegens de verschillende tradities in de vleessector in de Lid-Staten niet materieel gelijk te zijn. Communautair gezien heeft dit tot gevolg dat de exporteurs in de verschillende Lid-Staten de desbetreffende tariefpost niet eenvormig zien toegepast.

„Vang” kan dus worden onderscheiden van de delen zonder been van tariefpost ex 02.01 A II a), 4. bb) door op de als bijlage aan de opmerkingen gehechte schets het gehele karkas te verminderen met het als zodanig aangeduide deel (alsmede met het op deze schets als „schenkel” aangeduide deel).

Wat de tweede vraag betreft, refereert het Produktschap voor Vee en Vlees zich aan het standpunt van de Commissie.

##### 3. Opmerkingen van de regering van de Bondsrepubliek Duitsland

De regering van de Bondsrepubliek Duitsland wijst er vooreerst op, dat de eerste vraag niet de uitlegging van voornoemde post van het gemeenschappelijk douanetarief betreft, doch de uitlegging van de overeenkomstige post van de bijlage bij verordening nr. 2787/81 van de Commissie van 25 september 1981. Overeenkomstig een besluit van de Bondsminister van Financiën van 18 november 1982, is „Knochendünnung” (vang met been) een deel dat tussen de achtste en negende rib naar het achterdeel toe wordt uitgesneden en het gedeelte met de volgende vijf ribben omvat; de „Fleischdünnung” (vang zonder been) bestaat uit de weke delen van de buik, die worden begrensd door de naad met de bout, de „Knochendünnung” en bovenaan de dunne lende.

Met betrekking tot de tweede vraag geeft de regering van de Bondsrepubliek Duitsland als haar mening te kennen, dat voor een deel zonder been waaraan een stuk „vang” vastzit, een uitvoerrestitutie mag worden toegekend wanneer het „vangvlees” niet bepalend is voor de aard van het deel.

Hoe delen van runderen waaraan „vang” of „schenkel” vastzit, moeten worden behandeld, laat de verordening in het midden. Een stuk bestaande uit een gedeelte „schenkel” en ander vlees, is evenmin „schenkelvlees” als een stuk bestaande uit ander vlees en een gedeelte „vang”, „vangvlees” is. Voor zulke stukken kunnen drie oplossingen in aanmerking worden genomen:

voor een deel zonder been, waaraan een stuk vang vastzit, wordt geen uitvoerrestitutie toegekend;

voor een deel zonder been, waaraan een stuk vang vastzit, wordt slechts voor het andere gedeelte uitvoerrestitutie toegekend;

voor een deel zonder been, waaraan een stuk vang vastzit, wordt voor het gehele deel uitvoerrestitutie toegekend wanneer de vang niet bepalend is voor de aard van het deel.

De eerste oplossing is gekozen bij verordening nr. 2773/82 van de Commissie van 13 oktober 1982 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector rundvlees (PB L 292 van 1982, blz. 20). In noot 7 van de bijlage bij deze verordening wordt gepreciseerd, dat uitsluitend de delen zonder been, „waaraan de hele (noch) een gedeelte van de vang vastzit”, voor de restitutie in aanmerking komen. Deze verordening, op 1 november 1982 in werking getreden, is in casu niet toepasselijk. Vóór deze verordening was de rechtstoestand anders of minstens onduidelijk. In haar telexbericht aan het Bondsministerie van Voedselvoorziening van 3 augustus 1982 heeft de Commissie het bestaan van die onduidelijkheid trouwens erkend.

De tweede oplossing kan enkel op een uitdrukkelijke bepaling worden gebaseerd.

In aanmerking komt dus enkel de derde oplossing, waarbij het criterium moet zijn, of het gedeelte „vangvlees” bepalend is voor de aard van het deel. In casu moet de oplossing worden gezocht in artikel 20, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968, waarin wordt bepaald dat de algemene bepalingen voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief en de bijzondere regelen voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief van toepassing zijn voor de klassificatie van de produkten die onder de onderhavige verordening vallen, zoals het Hof in een soortgelijk geval heeft beslist (arrest van 1. 7. 1982, zaak 145/81, Wünsche, Jurispr. 1982, blz. 2493). Volgens Algemene bepaling 3b van titel I, deel A, van het gemeenschappelijk douanetarief moeten mengsels worden ingedeeld naar de stof of naar het goed, waaraan zij hun wezenlijk karakter ontlenen. Dienvolgens moeten delen zonder been, waaraan een stuk vang vastzit, worden geacht voor restitutie in aanmerking te komen, wanneer het gedeelte vlees dat geen vang is, bepalend is voor de aard van het produkt. Het volgens het bepalende bestanddeel te klassificeren produkt moet daarbij worden geacht geheel daaruit te bestaan.

##### 4. Opmerkingen van de Commissie

De Commissie merkt vooraf op, dat haar verordening nr. 2787/81 bij de omschrijving van de produkten die voor uitvoerrestituties in aanmerking komen, uitgaat van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, maar daaraan vaak bijzondere voorwaarden toevoegt, bijvoorbeeld waar zij de toekenning van de restituties beperkt tot een deel van de produkten die onder een postonderverdeling van het gemeenschappelijk douanetarief vallen (de postonderverdelingen „ex”).

De hieruit resulterende bijzondere nomenclatuur is niet overgenomen in het gemeenschappelijk douanetarief. Daar het gaat om een regeling met een eigen rechtsgrondslag en een eigen doelstelling, moet bij de uitlegging van deze bijzondere nomenclatuur weliswaar worden tewerkgegaan binnen het kader van de algemene regels voor de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief, doch bovendien en vooral in overeenstemming met de bepalingen en de doelstellingen van de landbouwverordening waarbij zij is ingevoerd.

De eerste vraag betreft derhalve de uitlegging van het begrip „vang” in de zin van de bijlage bij verordening nr. 2787/81, en de tweede vraag de betrokken aanduiding in haar geheel en de berekening van de restitutie.

In tegenstelling tot de andere landbouwmarkten kent de communautaire rundvleesmarkt geen grote structurele overschotten. Waar voor bepaalde aanbiedingsvormen en bepaalde bestemmingen een vrij selectief stelsel van restituties wordt toegepast teneinde de Gemeenschap in staat te stellen haar aandeel in de wereldhandel te behouden, verdient de vaststelling van een restitutie voor andere produkten in deze sector geen aanbeveling wegens de geringe omvang waarin de Gemeenschap daarmee aan de wereldhandel deelneemt. Dit verklaart waarom de restituties slechts voor bepaalde categorieën produkten gelden. Vers of gekoeld vlees zonder been (met uitzondering van de vang en de schenkel), elk deelstuk individueel verpakt, is een vrij duur produkt, waarvan de uitvoer voor de Gemeenschap van belang is en waarvoor deze een vrij hoge restitutie heeft vastgesteld. De vang en de schenkel daarentegen hebben een vrij geringe waarde en zijn veeleer bestemd voor de vleesverwerkende industrie; voor deze delen bestaan er in de Gemeenschap traditioneel ruime afzetmogelijkheden, zodat de toekenning van uitvoerrestituties niet gerechtvaardigd is.

Wat de eerste vraag betreft, merkt de Commissie op, dat vergelijking van de termen waarmee het vlees in de verschillende talen van de Gemeenschap wordt aangeduid, niet steeds volstaat om een eenvormige uitlegging te waarborgen. De wijze van uitbenen en uitsnijden van geslachte dieren, alsmede de aanbiedingsvorm van de delen verschillen van land tot land en zelfs van streek tot streek, zodat zelfs binnen één taalgebied een zelfde benaming niet steeds voor precies hetzelfde anatomische deel wordt gebruikt. Daarentegen is de terminologie met betrekking tot verschillende aanbiedingsvormen van vlees door bepaalde communautaire verordeningen gepreciseerd.

Het gemeenschapsrecht bevat geen nauwkeurige omschrijving van het begrip „vang”. In Nederland wordt hieronder verstaan het gedeelte tussen billen en buik, de liezen. Uit een publikatie van het Europees Produktiviteitsagentschap van de Europese Organisatie voor Economische Samenwerking van 1960, waarin de uitsnijmethodes en de in de verschillende landen gebruikte termen aan de hand van diagrammen en terminologietabellen worden verklaard, blijkt dat in slagerstermen volgens de in Nederland toegepaste uitsnijmethode de „vanglap” zich bevindt op de buikwand, tussen het spierstuk en de slip van de lende, die tot de achtervoet behoren, enerzijds en de dunne borst anderzijds.

Onder verwijzing naar de betrokken diagrammen alsmede naar de in de verschillende talen van de Gemeenschap gebruikte termen, meent de Commissie te kunnen concluderen dat onder vang — en de daarmee overeenstemmende termen in de andere talen — moet worden verstaan het lendestuk van de buikwand tussen de eigenlijke achtervoet en de borst. Wat de in de verschillende Lid-Staten gebruikelijke terminologie met betrekking tot de afgrenzing tussen de vang en de achtervoet betreft, lijken er geen grote verschillen te bestaan. Het enige punt waarop er geen volledige overeenstemming schijnt te bestaan, is de juiste afgrenzing tussen de vang en de borst.

De Commissie onderzoekt vervolgens de door partijen in het hoofdgeding voorgestelde omschrijvingen en merkt daarbij op, dat het standpunt van Ekro op een misverstand berust. Er zijn immers twee gebruikelijke uitsnijmethodes voor de achtervoet, te weten de rechte afsnijding waarbij de vang aan de achtervoet blijft vastzitten, zodat de voorvoet de acht tot tien andere ribben en de borst omvat, en de pistola-uitsnijding, waarbij de vang en de onderste delen van de ribben aan de voorvoet blijven vastzitten. De vang behoort dus niet altijd tot de achtervoet. Daar het omstreden deel in casu in pistolavorm is uitgesneden, dient men aan te nemen dat het gaat om een pistola-uitsnijding, waarbij de vang normalerwijze aan de voorvoet blijft vastzitten. Het criterium dat de vang slechts het lendestuk van de twee laatste ribben omvat, stemt niet overeen met de in Nederland gebruikelijke uitsnijmethodes. In de terminologie van de verschillende Lid-Staten omvat de vang veeleer het lendestuk van de drie tot vijf laatste ribben. Het lendestuk van mindere kwaliteit is trouwens niet beperkt tot het vlees rond de twee laatste ribben.

De door verweerder in het hoofdgeding voorgestelde omschrijving, namelijk het lendestuk dat zich bevindt tussen rug en schouder enerzijds en de achtervoet anderzijds, lijkt daarentegen enigszins te ruim of althans te onnauwkeurig. De omschrijving van de „vang” als het lendestuk tussen de borst (puntborst, dunne borst) en de achtervoet beantwoordt beter aan de Nederlandse terminologie.

Mitsdien moet de eerste vraag aldus worden beantwoord, dat voor de toepassing van verordening nr. 2787/81 op de uitvoer van produkten als omschreven in de bijlage hiervan onder postonderverdeling ex 02.01 A. II a), 4. bb) van het gemeenschappelijk douanetarief, onder „vang” dient te worden verstaan het lendestuk tussen de achtervoet en de borst van het karkas.

Wat de tweede vraag betreft, vloeit uit de bewoordingen en het doel van de omstreden bepaling voort, dat de restitutie enkel kan worden toegekend voor delen zonder been, waaraan geen vang vastzit.

Toekenning van de restitutie voor delen waaraan slechts een kleine hoeveelheid vang vastzit, zou neerkomen op het verlenen van een vrij hoge restitutie voor een vleessoort van vrij geringe waarde, waardoor de uitvoer van dit vlees indirect wordt aangemoedigd, ondanks de vraag ernaar vanwege de vleesverwerkende industrie in de Gemeenschap. Aangezien de tekst daarin niet voorziet, kan van de douane-instanties bovendien niet worden geëist, dat zij de restitutie beperken door het gewicht van de stukken vang in mindering te brengen.

Een dergelijke toepassing zou de ongewenste ontwikkeling van de vangexport bovendien geenszins kunnen belemmeren en de controle moeilijker maken. Deze uitlegging is, na de feiten die aan het onderhavig geding ten grondslag liggen, bevestigd door de opneming van voetnoot 7 in de bijlage bij verordening nr. 2773/82.

Mitsdien zou op de tweede vraag kunnen worden geantwoord, dat delen zonder been, waaraan vang vastzit, geheel noch gedeeltelijk in aanmerking komen voor de bij verordening nr. 2787/81 vastgestelde restitutie bij de uitvoer naar derde landen.

#### III — Antwoord van de Commissie op de door het Hof gestelde vragen

In antwoord op de vragen van het Hof heeft de Commissie onder meer het volgende verklaard:

1. De wijze van uitsnijden en uitbenen van runderen vertoont een zeer grote verscheidenheid naar gelang van de handelsgebruiken en de consumptiegewoonten. Deze gebruiken verschillen van land tot land en vaak zelfs van streek tot streek. Deze verscheidenheid is nog groter bij het uitsnijden en uitbenen van voor- en achtervoeten. Communautaire definities zijn dan ook nagenoeg onmogelijk te vinden. Elke Lid-Staat moet derhalve de aldaar gebruikelijke definities van de verschillende stukken vlees aanwenden, zonder evenwel de doelstelling van het gemeenschapsvoorschrift uit het oog te verliezen. Het door de Commissie voorgestelde antwoord op de eerste prejudiciële vraag dient in deze zin te worden gepreciseerd.

2. Het is bijgevolg niet mogelijk een nauwkeurige communautaire definitie te geven van de juiste afgrenzing tussen de borst en de vang of van de afgrenzing van de achtervoet van het karkas.

3. Bij de invoering van het begrip „vang” in de communautaire regeling was de Commissie zich bewust van de mogelijkheid dat de betekenis van dit begrip in alle Lid-Staten niet volstrekt identiek zou zijn, maar zij was van oordeel dat deze verschillen slechts van gering belang zouden zijn en geen wijziging van de nationale uitsnijmethodes en benamingen zouden vergen. Zij heeft evenmin geprobeerd de uiteenlopende praktijken hieromtrent voor de toekenning van de uitvoerrestituties in de verschillende Lid-Staten te uniformiseren.

#### IV — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 26 oktober 1983 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door Ekro, vertegenwoordigd door P. Wendt, advocaat te Hamburg, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Röder, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. C. Fischer.

Ekro heeft bij deze gelegenheid onder meer als haar mening te kennen gegeven, dat de eerste vraag slechts is gesteld voor het geval dat, wegens het antwoord op de tweede vraag, de toekenning van de restituties daadwerkelijk zou afhangen van de juiste afgrenzing van de vang, wat bij de door haar voorgestelde oplossing niet het geval is. Als beantwoording van die vraag noodzakelijk is, zou men moeten vaststellen dat verordening nr. 2787/81 van de Commissie, wegens de onnauwkeurigheid van de gebruikte termen eh wegens het feit dat deze in de verschillende Lid-Staten verschillend worden begrepen, ongeldig is in zoverre zij de toekenning van uitvoerrestituties voor vang uitsluit. Op de tweede vraag moet worden geantwoord, dat ingevolge verordening nr. 2787/81 de restitutie moet worden toegekend voor het gehele stuk vlees, ook wanneer er een deel vang aan vastzit, mits de vang niet bepalend is voor de aard van het stuk. Aan deze voorwaarde is in elk geval voldaan indien het gedeelte vang niet meer dan 25 % bedraagt. Ekro verwijst hier naar hetgeen de regering van de Bondsrepubliek tijdens de schriftelijke behandeling heeft betoogd, alsmede naar een vergelijking van de restitutiebedragen die bij de verordeningen nrs. 2787/81 en 2773/83 zijn vastgesteld voor delen zonder been en delen met been; daaruit zou blijken dat, door de invoeging van voetnoot 7 bij verordening nr. 2773/83, de. voordien bestaande rechtstoestand voor wat het in aanmerking nemen van delen met vang betreft, is gewijzigd.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 14 december 1983 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij beschikking van 17 december 1982, ten Hove ingekomen op 20 december daaropvolgend, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening nr. 2787/81 van de Commissie van 25 september 1981 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector rundvlees (PB L 271 van 1981, blz. 44).

2. Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de vennootschap, Ekro BV Vee- en Vleeshandel (hierna: Ekro), een Nederlandse exporteur van rundvlees, en het Produktschap voor Vee en Vlees te Rijswijk (hierna: Produktschap). Het geding heeft betrekking op de weigering van het Produktschap om Ekro krachtens artikel 18 van verordening nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148 van 1968, blz. 24), alsmede krachtens genoemde verordening nr. 2787/81 van de Commissie restituties toe te kennen bij de uitvoer van rundvlees naar een derde land.

3. De als bijlage aan verordening nr. 2787/81 van de Commissie gehechte lijst van produkten waarvoor de in artikel 18 van verordening nr. 805/68 van de Raad bedoelde restitutie wordt toegekend, vermeldt onder meer onder post „ex 02.01 Α II” van het gemeenschappelijk douanetarief „vlees van runderen: a) vers of gekoeld:...; 4. andere:... bb) delen, zonder been, met uitzondering van de ‚vang’ en de ‚schenkel’, elk deelstuk individueel verpakt”.

4. In oktober 1981 exporteerde Ekro twee partijen kalfsvlees van respectievelijk 2380 en 2062 kg naar Vaticaanstad en verzocht daarvoor om toekenning van uitvoerrestituties overeenkomstig voornoemde bepaling. Deze partijen bevatten onder meer 1156 kg borststukken waaraan in pistolavorm uitgesneden stukken vlees vastzaten die, volgens het Produktschap, als delen van de „vang” moesten worden aangemerkt. Het totale gewicht van laatstbedoelde stukken bedroeg 201 kg. Het Produktschap weigerde Ekro de uitvoerrestituties voor de 1156 kg borst toe te kennen.

5. Voor het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, waarbij zij tegen deze weigering beroep had ingesteld, betoogde Ekro enerzijds dat de voornoemde aan de borstdelen vastzittende, in pistolavorm uitgesneden stukken vlees niet als deel van de vang waren aan te merken, en anderzijds dat de restituties in elk geval moesten worden berekend op basis van het totale gewicht van het uitgevoerde vlees verminderd met dat van de eraan vastzittende vang; ook de uitvoer van runderborstdelen waaraan stukken vang vastzitten, zou dus recht geven op een evenredige restitutie.

6.

Om in dit geding uitspraak te kunnen doen, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven het Hof de navolgende prejudiciële vragen gesteld :

> 1.„ Wat moet bij een juiste uitleg van post ex 02.01 A II a), 4. bb) van het gemeenschappelijk douanetarief worden verstaan onder ‚vang’ en hoe kan ‚vang’, dat niet onder die tariefpost valt, worden onderscheiden van wel onder die tariefpost vallende delen zonder been?
>
> 2.Brengt een juiste uitleg van de verordening (EEG) nr. 2787/81 mee dat geen restitutie mag worden toegekend terzake van uitvoer naar derde landen van een deel zonder been, indien daaraan een stuk ‚vang’ vastzit, of dient bij een juiste uitleg van die verordening de restitutie in dat geval te worden toegekend op basis van het totale gewicht aan uitgevoerd vlees, verminderd met het gewicht aan vangvlees?”

#### De eerste vraag

7. De eerste vraag strekt ertoe te vernemen, wat de juiste afgrenzing is van het stuk rundvlees dat in de bijlage bij verordening nr. 2787/81 van de Commissie vang wordt genoemd.

8. De regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie — in hun schriftelijke opmerkingen voor het Hof — alsook Ekro — in het hoofdgeding — hebben elk een andere anatomische begrenzing van het betrokken stuk verdedigd en daarbij, waar nodig aan de hand van tekeningen, gepreciseerd waar dit deel van de buikwand zich bevindt ten opzichte van de voor-en de achtervoet van het runderkarkas en ten opzichte van de ribben en de borst.

9. Het Produktschap en de Commissie in haar mondelinge opmerkingen hebben betoogd, dat de autoriteiten van elke Lid-Staat zich voor de omschrijving van het betrokken stuk dienen aan te sluiten bij de in die Lid-Staat bestaande gebruiken en tradities met betrekking tot het uitsnijden en uitbenen van runderkarkassen. De Commissie heeft daar evenwel aan toegevoegd, dat zij daarbij het doel van het door de gemeenschapsregeling ingevoerde restitutiestelsel in het oog moeten houden.

10. Blijkens het dossier bestaat er voor wat het uitsnijden en uitbenen van runderkarkassen betreft, een groot aantal tradities en gebruiken, die niet alleen van Lid-Staat tot Lid-Staat, maar zelfs van streek tot streek verschillen. Die uitsnij- en uitbeenmethodes vinden met name hun oorsprong in de consumptiegewoonten en de handelsgebruiken in de onderscheiden streken en Lid-Staten. De in de diverse taalversies van verordening nr. 2787/81 gebezigde termen kunnen dus van Lid-Staat tot Lid-Staat en van streek tot streek een verschillende betekenis hebben, afhankelijk van de aldaar gebruikelijke methode voor het uitsnijden en uitbenen van runderkarkassen.

11. Met het oog op de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en het beginsel van gelijke behandeling is het als algemene regel noodzakelijk dat de termen van een gemeenschapsrechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de Lid-Staten verwijst, in de gehele Gemeenschap autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling.

12. Zoals de Commissie heeft uiteengezet, heeft de bepaling in geding tot doel, stukken vlees van geringe waarde, waarnaar in de vleesverwerkende industrie in de Gemeenschap voldoende vraag bestaat, van de restitutieregeling uit te sluiten. Evenals de methodes voor het uitsnijden en het uitbenen van runderkarkassen is evenwel ook het antwoord op de vraag, welke vorm en grootte het als minderwaardig te beschouwen deel van de buikwand precies heeft, afhankelijk van de per Lid-Staat en streek verschillende consumptiegewoonten en handelsgebruiken. Uit voornoemde doelstelling van de communautaire bepaling in geding kan derhalve geen precieze anatomische begrenzing van dit deel van het karkas worden afgeleid.

13. Aangezien verordening nr. 2787/81 geen enkele aanwijzing in die zin bevat, kan niet worden aangenomen dat de communautaire wetgever in het kader van een verordening over de restituties bij de uitvoer van vlees de in de verschillende Lid-Staten bestaande uitsnij- en uitbeenmethodes heeft willen harmoniseren of uniformeren. Uit hetgeen de Commissie op een vraag van het Hof heeft geantwoord, blijkt integendeel, dat zij bij de vaststelling van verordening nr. 2787/81 zich ervan bewust was dat de in de verordening gebruikte termen niet overal precies dezelfde betekenis hadden; zij meende echter dat die verschillen slechts van gering belang waren en geen wijziging van de gebruiken en methodes terzake vergden.

14. Door zich aldus bij de verschillende betekenissen van die termen neer te leggen, heeft de Commissie zich in haar verordening derhalve impliciet gerefereerd aan de in de diverse Lid-Staten en streken gebruikelijke uitsnij- en uitbeenmethodes. Ondanks het voornoemde beginsel van eenvormige uitlegging van de bepalingen van gemeenschapsrecht, staat het dan ook niet aan het Hof, een eenvormige communautaire definitie van die termen te geven.

15. Voor de juiste anatomische begrenzing van het als vang aangeduide stuk vlees dient men derhalve te zien naar de in de betrokken Lid-Staat of streek gebruikelijke methode voor het uitsnijden en uitbenen van runderkarkassen. Het is de taak van de nationale rechter om vast te stellen welke die begrenzing is.

16. Op de eerste vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat het aan de nationale rechter staat vast te stellen, welke volgens de in de betrokken Lid-Staat of streek gebruikelijke methode voor het uitsnijden en uitbenen van runderkarkassen, de juiste anatomische begrenzing is van het deel van de buikwand, dat in postonderverdeling ex02.01 Alla), 4. bb) van de bijlage bij verordening nr. 2787/81 van de Commissie van 25 september 1981 „vang” wordt genoemd.

#### De tweede vraag

17. Met zijn tweede vraag wenst het College van Beroep voor het Bedrijfsleven te vernemen, of krachtens verordening nr. 2787/81 van de Commissie een restitutie moet worden toegekend in geval aan de uitgevoerde stukken vlees een stuk vang vastzit, en zo ja, of die restitutie moet worden berekend op basis van het totale gewicht van het uitgevoerde vlees dan wel op basis van dit gewicht verminderd met het gewicht van de vang.

18. Het Prpduktschap en de Commissie zijn van mening, dat geen uitvoerrestitutie verschuldigd is wanneer aan een stuk vlees een deel vang vastzit. De tekst van de verordening zou immers niet in de toekenning van een. verminderde restitutie voorzien; toekenning van een restitutie berekend naar het totale gewicht van het stuk, zou neerkomen op het toekennen van een hoge restitutie voor vlees van geringe waarde en daarmee op het aanmoedigen van de ongewenste uitvoer van dit vlees, waarnaar vraag bestaat van de kant van de vleesverwerkende industrie in de Gemeenschap. Deze opvatting zou trouwens na de feiten die aan het onderhavig geding ten grondslag liggen, zijn bevestigd door een wijziging van de betrokken bijlage door verordening nr. 2773/82 van de Commissie van 13 oktober 1982 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector rundvlees (PB L 292 van 1982, blz. 20).

19. De regering van de Bondsrepubliek Duitsland alsook Ekro in haar mondelinge opmerkingen hebben betoogd, dat volgens artikel 20, lid 1, van verordening nr. 805/68 en de algemene bepalingen voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief — inzonderheid Algemene bepaling 3b van titel I, deel A — een stuk vlees waaraan een deel vang vastzit, als gemengd produkt moet worden ingedeeld naar het deel waaraan het zijn wezenlijk karakter ontleent. Volgens Ekro mag aan een stuk vlees tot 20 % vang vastzitten vooraleer dit een beletsel vormt voor de toekenning van restituties.

20. Dienaangaande zij vooreerst opgemerkt, dat krachtens artikel 20, lid 1, van verordening nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968, op grondslag waarvan de betrokken restituties zijn vastgesteld „de algemene bepalingen voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief en de bijzondere regels voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief van toepassing zijn voor de klassificatie van de produkten die onder de onderhavige verordening vallen”. Volgens Algemene bepaling 3b voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief „worden mengsels ingedeeld naar de stof of naar het goed, waaraan \[zij\] hun wezenlijk karakter ontlenen...”

21. Ook al verwijst verordening nr. 2787/81 niet zonder meer naar de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief en geeft zij een eigen nomenclatuur voor de vaststelling van de uitvoerrestituties, toch is de aangehaalde algemene bepaling van toepassing op de indeling in het kader van de specifieke nomenclatuur van verordening nr. 2787/81, voor zover noch de tekst van die verordening noch de doelstelling van het stelsel van uitvoerrestituties tot een andere oplossing dwingt.

22. Wat de tekst van de bijlage bij verordening nr. 2787/81 betreft, sluit de omschrijving van postonderverdeling ex 02.01 A II a), 4. bb) — „delen, zonder been, met uitzondering van de vang en de schenkel, elk deelstuk individueel verpakt” — enkel de stukken uit die geheel uit vang of schenkel bestaan; zij zegt echter niets over stukken die slechts voor een deel daaruit bestaan. De uitlegging van de ten tijde van de feiten geldende tekst kan niet worden beïnvloed door het feit dat de onzekerheid over de behandeling van laatstbedoelde stukken nadien zonder terugwerkende kracht is weggenomen door de invoeging van voetnoot 7 in de bijlage bij voornoemde verordening nr. 2773/82, volgens welke „de delen, zonder been, waaraan de hele of een gedeelte van de vang en/of de schenkel vastzit, niet in aanmerking komen voor de restitutie”.

23. Met betrekking tot de doelstelling van het restitutiestelsel en meer bepaald het oogmerk om vlees van geringe waarde van de toekenning van restituties uit te sluiten, moet worden vastgesteld dat, zoals bij de beantwoording van de eerste vraag is opgemerkt, de opvatting over wat in dit verband als vlees van geringe waarde is te beschouwen, van Lid-Staat tot Lid-Staat sterk verschilt. De doelstelling van het restitutiestelsel kan dan ook geen grond opleveren om voornoemde algemene bepaling voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief bij de uitlegging van de betrokken postonderverdeling van de bijlage bij verordening nr. 2787/81 buiten toepassing te laten en om zodoende geen restitutie toe te kennen wanneer aan een stuk vlees ook maar een klein gedeelte vastzit van wat volgens de in de betrokken Lid-Staat gebruikelijke methodes als vang is aan te merken.

24. Het wezenlijk karakter van een stuk vlees hangt niet, zoals Ekro heeft gesuggereerd, af van een bepaald percentage anderssoortig vlees dat eraan vastzit, maar moet worden vastgesteld aan de hand van de consumptiegewoonten, de handelsgebruiken en de in de betrokken Lid-Staat of streek gebruikelijke uitsnij- en uitbeenmethodes voor rundvlees. Het staat aan de nationale rechter dit te beoordelen.

25. Op de tweede vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat verordening nr. 2787/81 aldus moet worden uitgelegd, dat uitvoerrestituties verschuldigd zijn voor een stuk vlees waaraan een deel vang vastzit, mits dit deel, gelet op de consumptiegewoonten, de handelsgebruiken en de in de betrokken Lid-Staat of streek gebruikelijke uitsnij- en uitbeenmethodes voor rundvlees, niet bepalend is voor het wezenlijk karakter van het stuk.

#### Kosten

26. De kosten door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven bij beschikking van 17 december 1982 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1\. Het staat aan de nationale rechter vast te stellen, welke volgens de in de betrokken Lid-Staat of streek gebruikelijke methode voor het uitsnijden en uitbenen van runderkarkassen, de juiste anatomische begrenzing is van het deel van de buikwand, dat in postonderverdeling ex 02.01 A II a), 4. bb) van de bijlage bij verordening nr. 2787/81 van de Commissie van 25 september 1981 „vang” wordt genoemd.

2\. Verordening nr. 2787/81 moet aldus worden uitgelegd, dat uitvoerrestituties verschuldigd zijn voor een stuk vlees waaraan een deel vang vastzit, mits dit deel, gelet op de consumptiegewoonten, de handelsgebruiken en de in de betrokken Lid-Staat of streek gebruikelijke uit-snij- en uitbeenmethodes voor rundvlees, niet bepalend is voor het wezenlijk karakter van het stuk.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

3

verordening 805/68 art. 18 3 voorkomens

verordening 805/68 art. 20 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 2 voorkomens

## Rechtspraak

11

### Europese Unie

11

Hof van Justitie C-321/25 15.10.2026

#### [Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-321-25-arrest)

Hof van Justitie C-670/22 30.04.2024

#### [Justitiële samenwerking in strafzaken](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-670-22-arrest)

Hof van Justitie C-36/20 25.06.2020

#### [Prejudiciële spoedprocedure, asiel- en immigratiebeleid](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-36-20-arrest)

## Rechtsleer

1

X: European Court of Justice Reporter 1984 p.7 (PM)
