Arrest van het Hof van 19 mei 1993, C-320/91 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting C-320/91 ECLI:EU:C:1993:198 19 mei 1993

Zoeken

Arrest van het Hof van 19 mei 1993, C-320/91Mededinging, postmonopolie, draagwijdte

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-320-91-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
C-320/91
ECLI
ECLI:EU:C:1993:198
Datum
19 mei 1993

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Tribunal correctionnel de Liège, 11e chambre correctionnelle (België) beslissing van 13 november 1991 68.98 1341/88
Zaak ingediend op
11 december 1991
Advocaat-generaal
Tesauro
Opmerkingen
Ierse, Spaanse, Britse regering Commissie
Nationale beslissing na het arrest
Tribunal de première instance de Liège, 11e chambre correctionnelle beslissing van 21 maart 2000 68.98.1341/88

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Frans
Jurisprudentie
Jurispr. 1993, blz. I-2533
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Schockweiler
Repertorium van het Hof

Tekst

25 paragrafen

Arrest

1.

Bij vonnis van 13 november 1991, ingekomen bij het Hof op 11 december daaraanvolgend, heeft de Correctionele Rechtbank te Luik krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 86 en 90 van het Verdrag, teneinde de verenigbaarheid met die bepalingen te kunnen beoordelen van de Belgische regeling inzake het postmonopolie.

2.

Die vragen zijn gerezen in een voor die rechtbank dienende strafzaak tegen P. Corbeau, handelaar te Luik, die ervan wordt verdacht de Belgische wettelijke regeling inzake het postmonopolie te hebben overtreden.

3.

In België verlenen de wetten van 26 december 1956 op de postdienst (Belgisch Staatsblad van 30-31 december 1956, blz. 8619) en 6 juli 1971 houdende oprichting van de Regie der posterijen (Belgisch Staatsblad van 14 augustus 1971, blz. 9510) aan de publiekrechtelijke rechtspersoon Regie der posterijen een alleenrecht voor het inzamelen, vervoeren en bestellen over heel de uitgestrektheid van het Rijk van alle correspondentie, van welke aard ook, en voorzien zij in strafsancties voor iedere inbreuk op dat alleenrecht.

4.

Uit de aan het Hof toegezonden stukken van het hoofdgeding, de schriftelijke opmerkingen en de behandeling ter terechtzitting blijkt, dat Corbeau in de geografische sector van de stad Luik en de aangrenzende zones een dienst aanbiedt, die erin bestaat de poststukken ten huize van de afzender in te zamelen en ze, voor zover de geadresseerden binnen de betrokken sector wonen, vóór de volgende dag 's middags te bestellen. Wat de aan geadresseerden buiten die sector gerichte poststukken betreft, zamelt Corbeau de correspondentie ten huize van de afzender in en verzendt hij ze over de post.

5.

De door de Regie der posterijen geadieerde Correctionele Rechtbank te Luik, die twijfelde aan de verenigbaarheid van de betrokken Belgische regeling met het gemeenschapsrecht, besloot de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de navolgende prejudiciële vragen te stellen:

a)In hoeverre is een postmonopolie als ingesteld door de Belgische wet van 26 december 1956 betreffende het postmonopolie bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht in overeenstemming met de bepalingen van het EEG-Verdrag (inzonderheid de artikelen 90, 85 en 86) en met de ter zake toepasselijke bepalingen van afgeleid recht?

b)In hoeverre moet een dergelijk monopolie eventueel worden aangepast om in overeenstemming te zijn met de communautaire verplichtingen van de Lid-Staten op dit gebied en inzonderheid met artikel 90, lid 1, en de ter zake toepasselijke bepalingen van afgeleid recht?

c)Valt een onderneming die een wettelijk monopolie bezit en waaraan alleenrechten, analoog met die beschreven in de Belgische wet van 26 december 1956, zijn verleend, krachtens artikel 90, lid 2, EEG-Verdrag onder de regels van het Europese mededingingsrecht (inzonderheid de artikelen 7 en 85 tot en met 90)?

d)Beschikt een dergelijke onderneming over een machtspositie op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 86 EEG-Verdrag, die hetzij uit een wettelijk monopolie, hetzij uit de feiten van de onderhavige zaak zou voortvloeien?

6.

Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke bepalingen en de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen, wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

7.

Gezien de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten moeten de prejudiciële vragen aldus worden begrepen, dat de nationale rechter in wezen wenst te vernemen, of artikel 90 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet dat een regeling van een Lid-Staat die aan een lichaam als de Regie der posterijen het alleenrecht op het inzamelen, vervoeren en bestellen van poststukken verleent, strafrechtelijk verbiedt, dat een in die Lid-Staat gevestigde marktdeelnemer op die markt een aantal specifieke diensten aanbiedt.

8.

Voor het antwoord op deze vraag, zoals zij is geherformuleerd, moet allereerst worden opgemerkt, dat een lichaam als de Regie der posterijen, waaraan het alleenrecht op het inzamelen, vervoeren en bestellen van poststukken is verleend, moet worden beschouwd als een onderneming waaraan de betrokken Lid-Staat uitsluitende rechten heeft verleend, in de zin van artikel 90, lid 1, EEG-Verdrag.

9.

Vervolgens zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een onderneming die op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt een wettelijk monopolie bezit, kan worden geacht een machtspositie in de zin van artikel 86 EEG-Verdrag in te nemen (zie arresten van 10 december 1991, zaak C-179/90, Merci convenzionali porto di Genova, Jurispr. 1991, blz. I-5889, r. o. 14, en 13 december 1991, zaak C-18/88, RTT, Jurispr. 1991, blz. I-5941, r. o. 17).

10.

Artikel 86 ziet echter slechts op de mededinging beperkende gedragingen waartoe ondernemingen op eigen initiatief besluiten, en niet op maatregelen van staten (zie arrest RTT, reeds aangehaald, r. o. 26).

11.

Het Hof had de gelegenheid dienaangaande te preciseren, dat ofschoon het enkele feit dat een Lid-Staat door het verlenen van alleenrechten een machtspositie creëert, als zodanig niet onverenigbaar is met artikel 86, het Verdrag toch ook de Lid-Staten verbiedt maatregelen te nemen of te handhaven welke die bepaling haar nuttig effect kunnen ontnemen (zie arrest van 18 juni 1991, zaak C-260/89, ERT, Jurispr. 1991, blz. I-2925, r. o. 35).

12.

Zo bepaalt artikel 90, lid 1, dat de Lid-Staten met betrekking tot de ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel nemen of handhaven welke in strijd is met onder meer de mededingingsregels van het Verdrag.

13.

Deze bepaling moet worden gelezen in samenhang met lid 2 van datzelfde artikel, volgens hetwelk de ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang onder de mededingingsregels vallen, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert.

14.

Deze laatste bepaling staat de Lid-Staten dus toe, aan ondernemingen die zij belasten met het beheer van diensten van algemeen economisch belang, alleenrechten te verlenen die de toepassing van de mededingingsregels van het Verdrag kunnen belemmeren, voor zover beperkingen van de mededinging — of zelfs een uitsluiting van elke mededinging — van andere marktdeelnemers noodzakelijk zijn om te verzekeren, dat de houders van de alleenrechten de hun opgedragen bijzondere taak kunnen vervullen.

15.

Met betrekking tot de diensten waar het in het hoofdgeding om gaat, kan niet worden betwist, dat de Regie der posterijen belast is met een dienst van algemeen economisch belang, bestaande in de verplichting te zorgen voor het inzamelen, vervoeren en bestellen van poststukken, ten behoeve van alle gebruikers, over het gehele grondgebied van de betrokken Lid-Staat, tegen eenvormige tarieven en onder vergelijkbare voorwaarden van kwaliteit, zonder te letten op bijzondere situaties en op de economische rentabiliteit van elke individuele verrichting.

16.

Bijgevolg moet worden onderzocht, in hoeverre een beperking van de mededinging — of zelfs een uitsluiting van elke mededinging — van andere marktdeelnemers noodzakelijk is om de houder van het alleenrecht in staat te stellen, zijn taak van algemeen belang te vervullen en zulks met name onder economisch aanvaardbare omstandigheden.

17.

Bij dit onderzoek moet worden uitgegaan van de premisse, dat de verplichting van degene die met die taak is belast, zijn diensten te verzekeren zonder daarbij het economisch evenwicht te verliezen, de mogelijkheid van compensatie tussen rendabele en minder rendabele sectoren van bedrijvigheid onderstelt en dus een beperking van de mededinging door particuliere ondernemers in de economisch rendabele sectoren rechtvaardigt.

18.

Indien aan particuliere ondernemers zou worden toegestaan, de houder van de alleenrechten te beconcurreren in de aan die rechten beantwoordende sectoren van hun keuze, dan zouden dezen immers in staat worden gesteld, zich op de economisch rendabele activiteiten te concentreren en daarbij voordeliger tarieven te hanteren dan door de houders van de alleenrechten worden toegepast, aangezien zij, anders dan deze laatsten, niet economisch verplicht zijn de in de onrendabele sectoren geleden verliezen met de in de rendabeler sectoren gemaakte winsten te compenseren.

19.

De uitsluiting van de mededinging is echter niet gerechtvaardigd wanneer het gaat om specifieke, van de dienst van algemeen belang dissocieerbare diensten, die beantwoorden aan bijzondere behoeften van de marktdeelnemers en een aantal bijkomende prestaties vergen, die de traditionele post niet aanbiedt, zoals inzameling ten huize, grotere snelheid of betrouwbaarheid bij het bestellen of de mogelijkheid de bestemming onderweg te wijzigen, voor zover die diensten naar hun aard en naar de omstandigheden, zoals het geografisch gebied, waarin zij worden aangeboden, het economisch evenwicht van de door de houder van het alleenrecht verrichte dienst van algemeen economisch belang niet in gevaar brengen.

20.

Het staat aan de verwijzende rechter, te onderzoeken of de diensten waar het in het bij hem aanhangig geding om gaat, aan deze criteria beantwoorden.

21.

Mitsdien moet op de vragen van de Correctionele Rechtbank te Luik worden geantwoord, dat artikel 90 EEG-Verdrag eraan in de weg staat, dat een regeling van een Lid-Staat, die aan een lichaam als de Regie der posterijen het alleenrecht op het inzamelen, vervoeren en bestellen van poststukken verleent, strafrechtelijk verbiedt, dat een in die Lid-Staat gevestigde marktdeelnemer een aantal specifieke, van de dienst van algemeen belang dissocieerbare diensten aanbiedt, die beantwoorden aan bijzondere behoeften van de marktdeelnemers en een aantal bijkomende prestaties vergen die de traditionele post niet aanbiedt, voor zover die diensten het economisch evenwicht van de door de houder van het alleenrecht verrichte dienst van algemeen economisch belang niet in gevaar brengen. Het staat aan de verwijzende rechter, te onderzoeken of de diensten waar het in het bij hem aanhangige geding om gaat, aan deze criteria beantwoorden.

Kosten

22.

De kosten door de Spaanse, de Britse en de Ierse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Correctionele Rechtbank te Luik bij vonnis van 13 november 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Artikel 90 EEG-Verdrag staat eraan in de weg, dat een regeling van een Lid-Staat, die aan een lichaam als de Regie der posterijen het alleenrecht op het inzamelen, vervoeren en bestellen van poststukken verleent, strafrechtelijk verbiedt, dat een in die Lid-Staat gevestigde marktdeelnemer een aantal specifieke, van de dienst van algemeen belang dissocieerbare diensten aanbiedt, die beantwoorden aan bijzondere behoeften van de marktdeelnemers en een aantal bijkomende prestaties vergen die de traditionele post niet aanbiedt, voor zover die diensten het economisch evenwicht van de door de houder van het alleenrecht verrichte dienst van algemeen economisch belang niet in gevaar brengen. Het staat aan de verwijzende rechter, te onderzoeken of de diensten waar het in het bij hem aanhangige geding om gaat, aan deze criteria beantwoorden.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

4
EEG-Verdrag art. 90uitgelegd6 voorkomens
EEG-Verdrag art. 864 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1771 voorkomen

Rechtspraak

10

Europese Unie

10

Hof van JustitieC-357/0723.04.2009

Vrijstellingen

Hof van JustitieC-341/0601.07.2008

Regelmatigheid van procedure voor Gerecht, vernietiging

Hof van JustitieC-49/0701.07.2008

Begrip ‚onderneming’

Bekijk alle 10

Bekijk de 10 documenten

Rechtsleer

22
Mok, M.R.: Art. 90 EEG-verdrag en nationaal postmonopolie, TVVS ondernemingsrecht en rechtspersonen 1993 p.216 (NL)
Defalque, Lucette: Le Traité de la C.E.E. interdit-il la création, le maintien ou l'extension de monopoles nationaux?, Journal des tribunaux / droit européen 1993 p.42-46 (FR)
X: Il Foro italiano 1993 IV Col.333 (IT)
Cartou, Louis: La poste - Le monopole en question - Sa légitimité et ses limites, Les petites affiches 1993 nº 147 p.22-23 (FR)
Giesen, Richard: Statutory Monopolies and EC Competition Law: The Belgian Post Monopoly Case, European Competition Law Review 1993 p.279-283 (EN)
Bekijk de 17 andere verwijzingen
Hamon, Francis: L'actualité juridique ; droit administratif 1993 p.866-869 (FR)
Gyselen, Luc: Anti-Competitive State Measures under the EC Treaty: Towards a Substantive Legality Standard, European Law Review Competition Law Checklist 1993 p.94-98 (EN)
Hancher, Leigh: Case C-320/91 P, Procureur du Roi v. Paul Corbeau, Judgment of the full Court, 19 May 1993, Common Market Law Review 1994, Volume 31, Issue 1, p. 105-122 (EN)
Dios, José María de: Jurisprudencia del Tribunal de Justicia de las Comunidades Europeas, Revista Jurídica de Catalunya 1994 p.250-252 (ES)
Wachsmann, Anne ; Berrod, Frédérique: Les critères de justification des monopoles : un premier bilan après l'affaire Corbeau, Revue trimestrielle de droit européen 1994 p. 39-61 (FR)
Hermitte, Marie-Angèle: Chronique de jurisprudence du Tribunal et de la Cour de justice des Communautés européennes. Concurrence, Journal du droit international 1994 p.513-515 (FR)
Kovar, Robert: La Cour de justice et les entreprises chargées de la gestion d'un service d'intérêt économique général. Un pas dans le bon sens vers une dérégulation réglée, Europe Europe 1994, n° 6 Juillet, p. 1-5 ; n° 6 Août-Septembre, p. 1-3 (FR)
Gilliams, H.M.: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1994 p.519-530 (NL)
Taylor, Simon M.: Article 90 and Telecommunications Monopolies, European Competition Law Review 1994 p.322-334 (EN)
Jiménez-Blanco Carrillo de Albornoz, Antonio: Servicio público, interés general, monopolio: recientes aportes del Tribunal de Justicia de la Comunidad Europea (1993-1994), Revista española de Derecho Administrativo 1994 p.589-602 (ES)
Iannotta, Raffaele: Il Foro amministrativo 1994 p.1692-1693 (IT)
Collovà, Taddeo: Sulla disposizione contenuta nell'art.90 del Trattato CEE in relazione alle altre regole di concorrenza, Il diritto di autore 1995 p.1-33 (IT)
Manzini, Pietro: L'intervento pubblico nell'economia alla luce dell'art.90 del Trattato CE, Rivista di diritto internazionale 1995 p.379-396 (IT)
Ktistaki, Stavroula: Dikaio antagonismou kai dimosia ypiresia sta plaisia tis evropaïkis oloklirosis, Elliniki Dikaiosyni 1995 p.1479-1495 (EL)
Blum, Françoise: De Sacchi à Franzén en passant par la Crespelle: la jurisprudence récente de l'article 90, Gazette du Palais 1999 III Doct. p.1031-1043 (FR)
Grave, Carsten: Art. 86 II EG: Weder Verbot noch Gebot zur Quersubventionierung von Dienstleistungen im allgemeinen wirtschaftlichen Interesse, Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht 2001 p.709-711 (DE)
Stadler, Josef ; Bock, Yves: Rettungsdienst auf dem Prüfstand des europäischen Wettbewerbsrechts, Bayerische Verwaltungsblätter 2003 p.40-44 (DE)