Arrest van het Hof van 12 november 1974, 32/74, Friedrich Haaga GmbH · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 32/74 ECLI:EU:C:1974:116 12 november 1974

Zoeken

Arrest van het Hof van 12 november 1974, 32/74, Friedrich Haaga GmbHEerste richtlijn 67/227 art. 2, EEG-Verdrag art. 177

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-32-74-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
32/74
ECLI
ECLI:EU:C:1974:116
Datum
12 november 1974

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Bundesgerichtshof (Duitsland) beslissing van 14 februari 1974 II ZB 11/73
Zaak ingediend op
14 mei 1974
Advocaat-generaal
Mayras
Nationale beslissing na het arrest
Bundesgerichtshof beslissing van 5 december 1974 II ZB 11/73

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Duits
Jurisprudentie
Jurispr. 1974, blz. 1201
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Pescatore
Repertorium van het Hof

Tekst

39 paragrafen

ARREST

Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten, het procesverloop en de schriftelijke opmerkingen gemaakt krachtens artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG kunnen worden samengevat als volgt:

I — De feiten en de schriftelijke procedure

Op 9 maart 1968 heeft de Raad van de Europese Gemeenschappen een „eerste richtlijn” vastgesteld „strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken” (PB nr. L 65, blz. 8).

Volgens de considerans heeft deze richtlijn met name ten doel de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van de Lid-Staten betreffende de openbaarmaking, de rechtsgeldigheid van de verbintenissen en de nietigheid van naamloze vennootschappen en vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid te coördineren, zulks met het oog op de bescherming van de belangen van derden; zij moeten daardoor in de gelegenheid worden gesteld kennis te nemen van de voornaamste akten van de betrokken vennootschap en van bepaalde haar betreffende gegevens, met name de identiteit der personen die de bevoegdheid hebben haar te verbinden.

Artikel 2, lid 1, bepaalt dan ook dat de Lid-Staten de nodige maatregelen nemen opdat de verplichte openbaarmaking betreffende vennootschappen ten minste plaats vindt vóór de benoeming, het aftreden, alsmede de identiteit van de personen die, als orgaan waarin de wet voorziet of als leden van een dergelijk orgaan, de bevoegdheid hebben de vennootschap ten opzichte van derden te verbinden en haar in rechte te vertegenwoordigen. Uit de openbaarmaking moet blijken of de personen die de bevoegdheid hebben de vennootschap te verbinden, dit alleen of slechts gezamenlijk kunnen doen.

Overeenkomstig artikel 13 van de richtlijn heeft de Bondsrepubliek Duitsland in artikel 3 van de wet van 15 augustus 1969 ter uitvoering van de eerste richtlijn van de Raad nopens de coördinatie van het vennootschapsrecht (Bundesgesetzblatt I, blz, 1146) met ingang van 1 september 1969 de wet op de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (Gesellschaft mit beschränkter Haftung) in die zin gewijzigd dat aan artikel 8 een lid 3 is toegevoegd volgens hetwelk in de aanmelding ter inschrijving in het handelsregister ook de vertegenwoordigingsbevoegdheid der bestuurders moet zijn vermeld, terwijl artikel 10, eerste lid, is aangevuld met een volzin volgens welke de inschrijving in het register ook de vertegenwoordigingsbevoegdheid der bestuurders moet vermelden.

De voorschriften van de wet op de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid betreffende die vertegenwoordigingsbevoegdheid zelve zijn ongewijzigd gebleven: die bevoegdheid wordt door meerdere bestuurders gezamenlijk en door de enige bestuurder alleen uitgeoefend.

De inschrijving in het handelsregister van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Friedrich Haaga GmbH, gevestigd te Stuttgart, vermeldt overeenkomstig een clausule in de vennootschapsakte dat „wanneer er meerdere bestuurders zijn benoemd,… de vennootschap (wordt) vertegenwoordigd door twee bestuurders dan wel door een bestuurder en een procuratiehouder”.

Bij besluit van 11 augustus 1971 heeft de Rechtspfleger (een gerechtelijk ambtenaar, belast met bepaalde jurisdictionele taken, met name op het gebied van de beslissingen buiten eigenlijk rechtsgeding) bij het Amtsgericht te Stuttgart, belast met de zorg voor het handelsregister, de Firma Haaga gelast vóór 1 oktober op te geven over welke algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid haar bestuurders, in verband met hun aantal, beschikten en met name om, wanneer er sprake mocht zijn van slechts één bestuurder, te vermelden dat deze alleen bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen.

Op 25 september 1971 kwam de firma Haaga tegen dit besluit in verzet op grond dat de verlangde inschrijving overbodig zou zijn; reeds uit de bewoordingen der inschrijvingen in het register zou blijken dat wanneer een vennootschap slechts één bestuurder heeft, deze ook alleen tot vertegenwoordiging bevoegd is.

Op 1 oktober 1971 heeft het Amtsgericht geweigerd zich hieromtrent uit te spreken en de zaak op 16 november ter fine van een uitspraak op dit verzet verwezen naar het Landgericht te Stuttgart.

Het Landgericht verwierp het beroep bij uitspraak van 8 december 1971.

Op 9 januari 1973 ging de firma Haaga tegen die uitspraak in hoger beroep bij het Oberlandesgericht te Stuttgart.

Deze instantie achtte het beroep ongegrond, doch aangezien het Oberlandesgericht te Frankfurt/Main in een uitspraak van 6 mei 1971 van een tegengestelde opvatting had blijk gegeven, kon zij geen beslissing nemen en heeft zij de zaak overeenkomstig artikel 28, lid 2, van het Gesetz über die Angelegenheit der freiwilligen Gerichtsbarkeit verwezen naar het Bundesgerichtshof.

De Tweede burgerlijke kamer van het Bundesgerichtshof overwoog dat de beslissing van de zaak afhangt van de vraag of artikel 10, lid 1, tweede volzin (nieuw), van het GmbH-Gesetz medebrengt dat ook wanneer er sprake is van één enkele bestuurder, in het handelsregister moet worden vermeld dat deze tot vertegenwoordiging bevoegd is; waar met bedoeld voorschrift is beoogd het Duitse recht in overeenstemming te brengen met 's Raads richtlijn van 9 maart 1968, komt het op de uitlegging van artikel 2, lid 1, alinea d, tweede volzin, van de richtlijn aan.

Bij beschikking van 14 februari 1974 heeft het Bundesgerichtshof derhalve overeenkomstig artikel 177 van het EEG-Verdrag de behandeling geschorst totdat het Hof van Justitie zich bij wege van prejudiciële beslissing zou hebben uitgesproken over de volgende vraag:

Dient artikel 2, lid 1, sub d, tweede alinea, van de eerste richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van het vennootschapsrecht (PB nr. L 65 van 14 maart 1968, blz. 8), aldus te worden uitgelegd, dat, indien het vertegenwoordigend orgaan van een vennootschap uit een of meer leden kan bestaan en het nationaal recht in geval van benoeming van slechts één lid dwingend voorschrijft dat hij alleen de vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft, niet slechts de bij benoeming van meerdere leden geldende vertegenwoordigingsregeling moet worden openbaar gemaakt, doch bovendien moet worden vermeld dat bij benoeming van een enkel lid, alleen dit lid de vennootschap vertegenwoordigt? Of kan laatstgenoemde ver melding achterwege blijven, omdat de mogelijkheid om slechts één enkele persoon als vertegenwoordigend orgaan te benoemen, alsmede de vertegenwoordigingsbevoegdheid van deze ene persoon, automatisch voortvloeien uit de inschrijving van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van meerdere personen in verband met de wettelijke regeling?

De beschikking van het Bundesgerichtshof is op 14 mei 1974 ter griffie van het Hof ingeschreven.

Overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG zijn op 12 juli 1974 schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Het Hof heeft, op rapport van de Rechter-Rapporteur en de Advocaat-Generaal gehoord, besloten, zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

De Commissie betoogt dat het er in de vraag van het Bundesgerichtshof in hoofdzaak om gaat of wanneer het met vertegenwoordiging van een vennootschap belaste orgaan uit één enkel lid bestaat, het feit dat hij alleen de vennootschap vertegenwoordigt, moet worden openbaar gemaakt wanneer enerzijds dat met vertegenwoordiging belaste orgaan één of meer leden kan omvatten en het nationale recht anderzijds dwingend voorschrijft dat wanneer er slechts één lid is benoemd, dat lid alleen tot vertegenwoordiging der vennootschap bevoegd is. Het gaat er derhalve om of artikel 2, lid 1, sub d, tweede alinea, van de richtlijn van 9 maart 1968 medebrengt dat tot een publikatie moet worden overgegaan van de volgende inhoud:

„Is er slechts één bestuurder, dan vertegenwoordigt hij alleen de vennootschap.”

a) Aan de hand van de bewoordingen van het betrokken voorschrift en met behulp van een zuiver grammaticale analyse alleen kan deze vraag niet duidelijk worden beantwoord. De verplichting te „vermelden of degenen die bevoegd zijn de vennootschap te vertegenwoordigen dat alleen kunnen doen dan wel zulks te zamen moeten doen” heeft mogelijk alleen betrekking op gevallen waarin meerderen tot die vertegenwoordiging bevoegd zijn; de pluralis kan echter ook de singularis omvatten.

b) Ten aanzien van de bedoeling van het uit te leggen voorschrift zij het volgende opgemerkt: De in de richtlijn bedoelde openbaarmaking is in hoofdzaak bedoeld om de belangen van derden te beschermen, zodat men geneigd zou kunnen zijn haar bepalingen extensief uit te leggen en uit te spreken dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid ook moet worden vermeld wanneer er slechts één persoon is aangewezen. Men dient zich echter af te vragen of de bescherming van derden werkelijk om een dergelijke openbaarmaking vraagt. De redenering dat het er niet voor mag worden gehouden dat de betrokken personen nauwkeurig met de onderscheiden wettelijke regelingen der Lid-Staten op de hoogte zijn en dat niet de indruk mag worden gevestigd dat de bestuurder slechts te zamen met een procuratiehouder kan optreden, is niet overtuigend. De in de Lid-Staten geldende voorschrif ten vertonen juist geen verschillen in gevallen waarin het tot vertegenwoordiging geroepen orgaan slechts uit één persoon bestaat: een derde kan er zeker van zijn dat in de gehele Gemeenschap het enig lid van het met de vertegenwoordiging ener vennootschap belaste orgaan bevoegd is de vennootschap alleen te vertegenwoordigen. Publikatie van de bevoegdheid tot vertegenwoordiging door een enkele persoon komt daarom overbodig voor.

c) Ook de wordingsgeschiedenis van het voorschrift biedt geen steun voor de opvatting dat de individuele vertegenwoordigingsbevoegdheid van het enig lid van het vertegenwoordigend orgaan openbaar gemaakt moet worden.

De Commissie meent derhalve dat de vraag van het Bundesgerichtshof als volgt dient te worden beantwoord:

Artikel 2, lid 1, sub d, tweede alinea, van 's Raads richtlijn van 9 maart 1968 is aldus te verstaan: wanneer het vertegenwoordigend orgaan van een vennootschap uit één of meer leden kan bestaan en er slechts één lid is benoemd, dan behoeft het feit dat dit ene lid bevoegd is de vennootschap alleen te vertegenwoordigen, niet te worden openbaar gemaakt.

Overwegende dat de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Wägenbaur, als gemachtigde, ter terechtzitting van 2 oktober 1974 mondelinge opmerkingen heeft gemaakt;

Overwegende dat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van 23 oktober 1974 zijn conclusie heeft genomen;

Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat het Bundesgerichtshof bij beschikking van 14 februari 1974, ingekomen ter griffie van het Hof op 14 mei 1974 krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag een vraag heeft gesteld inzake de uitlegging van artikel 2, lid 1, sub d, tweede alinea, van de eerste richtlijn van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken — met betrekking tot de voorgeschreven openbaarmaking van bepaalde gegevens betreffende de organen die bevoegd zijn de vennootschap jegens derden te vertegenwoordigen —;

2.

dat deze vraag blijkens de verwijzingsbeschikking is gesteld nadat er in het kader ener volontaire procedure was geklaagd over een beschikking van het gezagsorgaan belast met de zorg voor het handelsregister, waarbij de betrokken vennootschap met beperkte aansprakelijkheid was gelast de vertegenwoordigingsbevoegdheid harer bestuurders te vermelden en met name wanneer er slechts een bestuurder mocht zijn, aan te geven of deze alleen bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen;

dat deze tegen die beschikking is opgekomen op grond dat de verlangde inschrijving overbodig zou zijn aangezien reeds uit de bewoordingen van de inschrijvingen in het handelsregister zou blijken dat wanneer een vennootschap slechts één bestuurder heeft, deze volgens de wettelijke regeling die in de Bondsrepubliek Duitsland van kracht is, alleen tot vertegenwoordiging bevoegd is;

3.

dat het Bundesgerichtshof dat in laatste instantie van deze zaak kreeg kennis te nemen, in verband met het feit dat die bepaling door onderscheiden rechterlijke instanties verschillend wordt geïnterpreteerd heeft gemeend dat de desbetreffende bepalingen van de richtlijn van 9 maart 1968 moeten worden uitgelegd ten einde te verzekeren dat de wet welke in de Bondsrepubliek Duitsland ter uitvoering dezer richtlijn is vastgesteld, wordt toegepast op een wijze die zich met de eisen van het Gemeenschapsrecht verdraagt;

dat het Bundesgerichtshof daartoe de vraag heeft gesteld of artikel 2, lid 1, sub d, tweede alinea, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat, indien het vertegenwoordigend orgaan van een vennootschap uit een of meer leden kan bestaan en het nationaal recht in geval van benoeming van slechts één lid dwingend voorschrijft dat hij alleen de vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft, niet slechts de bij benoeming van meerdere leden geldende vertegenwoordigingsregeling moet worden openbaar gemaakt, doch bovendien moet worden vermeld dat bij benoeming van een enkel lid, alleen dit lid de vennootschap vertegenwoordigt, dan wel of laatstgenoemde vermelding achterwege kan blijven omdat de mogelijkheid om slechts één enkele persoon als vertegenwoordigend orgaan te benoemen, alsmede de vertegenwoordigingsbevoegdheid van deze ene persoon, automatisch voortvloeien uit de inschrijving van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van meerdere personen in verband met de wettelijke regeling;

4.

Overwegende dat in artikel 2, lid 1, van de richtlijn van 9 maart 1968 wordt bepaald dat

„de Lid-Staten de nodige maatregelen [nemen] opdat de verplichte openbaarmaking betreffende vennootschappen ten minste plaatsvindt voor de volgende akten en gegevens:

d)de benoeming, het aftreden, alsmede de identiteit van de personen die, als orgaan waarin de wet voorziet of als leden van een dergelijk orgaan,

1.de bevoegdheid hebben de vennootschap ten opzichte van derden te verbinden en haar in rechte te vertegenwoordigen;

2.deelneming aan het bestuur van, het toezicht of de controle op de vennootschap”;

dat hieraan sub d in de tweede alinea — waarvan uitlegging gevraagd wordt — wordt toegevoegd dat „uit de openbaarmaking moet blijken of de personen die de bevoegdheid hebben de vennootschap te verbinden, dit alleen of slechts gezamenlijk kunnen doen”;

5.

Overwegende dat de uitdrukking „de personen die de bevoegdheid hebben de vennootschap te verbinden” naar de regelen betreffende het juridisch taalgebruik in generieke zin is te verstaan in dier voege dat de pluralis zowel één enkele persoon als ook een meerheid van personen — met de bevoegdheid de vennootschap te verbinden — omvat;

dat deze bepaling derhalve, voor het geval dat slechts één persoon bevoegd is de vennootschap te verbinden, de verplichting behelst diens bevoegdheid tot vertegenwoordiging met zoveel woorden kenbaar te maken;

6.

Overwegende dat deze uitlegging in overeenstemming is met de bedoeling van de richtlijn om met het oog op de verdieping van de handelsstromen tussen Lid-Staten als gevolg van de schepping van de gemeenschappelijke markt de rechtszekerheid in de betrekkingen tussen de vennootschap en derden te verzekeren;

dat het, zo gezien, van belang is dat een ieder die zakenrelaties met in andere Lid-Staten gevestigde vennootschappen wenst te vestigen en te handhaven, zonder moeite kennis kan nemen van essentiële gegevens betreffende de oprichting der handelsvennootschappen en de bevoegdheid van de personen die haar hebben te vertegenwoordigen;

dat de juridische transacties tussen onderdanen der verschillende Lid-Staten er derhalve mee gebaat zijn dat alle ter zake dienende gegevens expliciet in de officiële registers of boeken worden vermeld, ook wanneer zij soms van rechtswege uit de nationale wettelijke regeling voortvloeien dan wel vanzelfsprekend mogen voorkomen;

dat immers van derden geen volledige kennis van de wetgeving van andere Lid-Staten of van de aldaar heersende handelsgebruiken mag worden verwacht;

dat het derhalve noodzakelijk voorkomt met betrekking tot de vertegenwoordigingsbevoegdheid van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid inschrijving in het handelsregister van een vermelding ter informatie van derden te verlangen, zelfs wanneer men langs de weg van logische redenering of door verwijzing naar de nationale wet tot de aldus vermelde feiten schijnt te kunnen concluderen;

7.

dat de gestelde vraag derhalve in die zin dient te worden beantwoord dat artikel 2, lid 1, sub d, tweede alinea, van de eerste richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 maart 1968 tot coördinatie van het vennootschapsrecht aldus is te verstaan dat, indien het vertegenwoordigend orgaan van een vennootschap uit één of meer leden kan bestaan, niet slechts de bij benoeming van meerdere leden geldende vertegenwoordigingsregeling moet worden openbaargemaakt, doch bovendien moet worden vermeld dat, bij benoeming van een enkel bestuurder, ook alleen hij de vennootschap vertegenwoordigt, zelfs wanneer die vertegenwoordigingsbevoegdheid klaarblijkelijk uit het nationale recht volgt;

Ten aanzien van de kosten

8.

Overwegende dat de kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerking aan het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking komen;

Overwegende dat de procedure als een in de zaak voor het Bundesgerichtshof gerezen incident is te beschouwen, zodat deze rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Tweede burgerlijke kamer van het Bundesgerichtshof bij beschikking van 14 februari 1974 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Artikel 2, lid 1, sub d, tweede alinea, van de eerste richtlijn van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken, is aldus te verstaan dat indien het vertegenwoordigend orgaan van een vennootschap uit één of meer leden kan bestaan, niet slechts de bij benoeming van meerdere leden geldende vertegenwoordigingsregeling moet worden openbaargemaakt, doch bovendien moet worden vermeld dat, bij benoeming van een enkel bestuurder, ook alleen hij de vennootschap vertegenwoordigt, zelfs wanneer die vertegenwoordigingsbevoegdheid klaarblijkelijk uit het nationale recht volgt.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

4
Eerste richtlijn 67/227 art. 27 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1772 voorkomens
EEG-Verdrag art. 58uitgelegd2 voorkomens
Eerste richtlijn 67/227 art. 131 voorkomen

Rechtspraak

2

Europese Unie

2

Hof van Justitie111/7520.05.1976

Tweede richtlijn 67/228 art. 6, EEG-Verdrag art. 177

Bekijk de 2 documenten

Rechtsleer

7
X: Company Law; Registration, The Journal of Business Law 1975 p.71-72 (EN)
A.P.: Il Foro padano 1975 IV Col.25-26 (IT)
Maeijer, J.M.M.: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1975 p.430-435 (NL)
Houin, R.: Revue trimestrielle de droit européen 1975 p.313-315 (FR)
Colaert, Anne-Marie: De Belgische wettelijke regeling van de openbaarmaking met betrekking tot de bevoegdheid van het orgaan van vertegenwoordiging van NV en PVBA, Rechtskundig weekblad 1975-76 Col.1078-1086 (NL)
Bekijk de 2 andere verwijzingen
Morse, Geoffrey: First Directive: Disclosure of Powers of Representation, European Law Review 1975 p.70 (EN)
Abbadessa, Pietro: Diritto interno e direttiva comunitaria a proposito dell'art. 2383, Giurisprudenza commerciale 1977 II p.179-188 (IT)