---
title: "HvJ EU, 32/71, arrest van 7 juni 1972 · EEG-Verdrag art. 119 en art. 184"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 juni 1972, 32/71: EEG-Verdrag art. 119 en art. 184."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-32-71-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-32-71-arret"
---

# Arrest van het Hof van 7 juni 1972, 32/71 · EEG-Verdrag art. 119 en art. 184

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Tweede kamer

**Zaak**

32/71

**ECLI**

ECLI:EU:C:1972:49

**Datum**

7 juni 1972

## De zaak

**Procedure**

Ambtenarenzaak gegrond

**Zaak ingediend op**

18 juni 1971

**Advocaat-generaal**

Roemer

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Frans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1972, blz. 363

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Pescatore

**Repertorium van het Hof**

- [Ambtenarenrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-F)

  - [De bronnen van het Europese ambtenarenrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-F-01%2C578-9.01) [Beginselen van het Europese Ambtenarenrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-F-01.02) [Gelijke behandeling en non-discriminatie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-F-01.02.01) 5 beslissingen
  - [Financiële regeling](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-F-09) [Bezoldiging](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-F-09.01) [Vergoedingen/Toelagen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-F-09.01.07) [Ontheemdingstoelage](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-F-09.01.07.01) 2 beslissingen

## Tekst

69 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

#### I — Overzicht van de feiten

Overwegende dat de aan het geding ten grondslag liggende feiten kunnen worden samengevat als volgt: Mejuffrouw M. Bauduin, van Franse nationaliteit, is op 2 juli 1962 bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen in dienst getreden.

Bij haar indiensttreding werd zij in het genot gesteld van de ontheemdingstoelage bedoeld in artikel 69 van het Statuut van de ambtenaren, zoals die volgens artikel 4, lid 1, alinea a, van bijlage VII van dat Statuut wordt toegekend aan de ambtenaar

die niet de nationaliteit bezit van de Staat op welks grondgebied in Europa zijn standplaats is gelegen, en deze ook nooit heeft bezeten,

en

die gedurende een periode van vijf jaar, eindigende zes maanden vóór zijn indiensttreding, niet regelmatig woonachtig is geweest of zijn voornaamste beroepsbezigheden heeft uitgeoefend op het grondgebied in Europa van bedoelde Staat.

Op 31 oktober 1970 is zij gehuwd met de heer J.A. Chollet, van Belgische nationaliteit, die geen ambtenaar van de Gemeenschappen is.

Op haar salarisstrook voor de maand februari 1971 was vermeld, dat een bedrag van 9240 Bfr, dat zij als ontheemdingstoelage had ontvangen, moest worden gerestitueerd.

Op 2 maart 1971 diende zij' ingevolge artikel 90 van het Statuut van de ambtenaren langs administratieve weg een' klacht in bij de voorzitter van de Commissie tegen de intrekking van haar ontheemdingstoelage.

Bij nota van 12 maart 1971 heeft een ambtenaar van het Directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer, directoraat Financieel Beheer, afdeling salarissen, pensioenen en vergoedingen, der Commissie haar doen weten dat bij de herberekening van haar salaris als gevolg van de intrekking van de ontheemdingstoelage over het tijdvak van 1 november 1970 tot en met 31 januari 1971 was gebleken dat zij een bedrag van 9240 Bfr te veel ontvangen had, dat op haar salaris over de maanden maart tot en met juli 1971 zou worden ingehouden.

Toen haar klacht van 2 maart 1971 onbeantwoord bleef, wendde zij zich met het onderhavige beroep tot het Hof van Justitie.

#### II — Procesvoering

Overwegende dat het inleidend verzoekschrift op 18 juni 1971 ter griffie van het Hof is ingeschreven;

dat de schriftelijke procedure een regelmatig verloop heeft gehad;

dat het Hof bij beschikking van 24 november 1971 heeft besloten om, in afwijking van zijn beschikking van 7 oktober 1970 houdende toewijziging van door de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen aanhangig gemaakte zaken (PB nr. C 128, blz. 13), de behandeling van de onderhavige zaak op te dragen aan de Tweede Kamer;

dat het Hof (Tweede Kamer), op rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, heeft besloten zonder voorafgaande instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan;

dat het Hof (Tweede Kamer) bij beschikking van 3 december 1971 voor de mondelinge behandeling de voeging\_ van de onderhavige zaak met zaak 20-71 (L. Sabbatini-Bertoni tegen Europees Parlement) heeft gelast;

dat de President van het Hof bij beschikking van 13 januari 1972 in de gevoegde zaken 20-71 en 32-71 de Advocaat-Generaal K. Roemer heeft aangewezen ter vervanging van de overleden Advocaat-Generaal A. Dutheillet de Lamothe;

dat partijen in haar pleidooien zijn gehoord ter terechtzitting van 20 januari 1972;

dat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van 24 februari 1972 zijn conclusie heeft genomen;

#### III — Conclusies van partijen

Overwegende dat verzoekster van een deel van het petitum heeft gedesisteerd en voorts heeft geconcludeerd dat het den Hove behage:

a) nietig te verklaren het besluit van de Commissie houdende intrekking van haar ontheemdingstoelage met ingang van 1 november 1970;

b) nietig te verklaren het naar aanleiding van verzoeksters klacht op 2 maart 1971 tegen het sub 1 bedoelde besluit door verweerster implicite gegeven afwijzende besluit;

c) te verklaren voor recht dat zij niettegenstaande haar huwelijk voor en na aanspraak heeft op de ontheemdingstoelage bedoeld in artikel 4 van bijlage VII van het Statuut van de ambtenaren;

d) verweerster in de kosten van het geding te veroordelen;

Overwegende dat verweerster concludeert dat het den Hove behage:

a) het beroep geheel ongegrond te verklaren;

b) verzoekster in de kosten te verwijzen.

#### IV — Middelen en argumenten van partijen

Overwegende dat de middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

##### A — Onwettigheid van artikel 4, lid 3, van bijlage VII van het Statuut

Verzoekster wijst erop dat de bestreden besluiten blijkbaar berusten op artikel 4, lid 3, van bijlage VII van het Statuut, luidende als volgt:

De ambtenaar verliest het recht op de toelage, indien hij, door huwelijk met een persoon die op de datum van het huwelijk niet aan de voorwaarden voor toekenning van deze toelage voldoet, niet de hoedanigheid van gezinshoofd verkrijgt.

Deze bepaling is onwettig, immers enerzijds in strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat iedere discriminatie naar kunnen is verboden en mannen en vrouwen dezelfde beloning moeten ontvangen, anderzijds met artikel 119 van het EEG-Verdrag, waarin het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers is neergelegd.

a) Het Hof van Justitie heeft met name te waken voor de eerbiediging der algemene rechtsbeginselen — die niet in een positief rechtsvoorschrift behoeven te zijn neergelegd —. De algemene rechtsbeginselen kunnen worden ingeroepen tegenover de handelingen der communautaire instellingen; zij vloeien niet slechts voort uit het geschreven of ongeschreven recht van de Gemeenschap, doch ook uit het volkenrecht en uit de verwijzing naar beginselen die in de rechtsorden der Lid-Staten zijn ontwikkeld. Het lijdt geen twijfel, dat in het Gemeenschapsrecht het algemeen rechtsbeginsel geldt dat man en vrouw, wat betreft hun beloning — in ruime zin —, gelijk moeten worden behandeld.

b) Dit beginsel wordt bovendien in een aantal positieve rechtsvoorschriften gehuldigd, zoals conventie nr. 100 (1951) van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), de resolutie van de conferentie van de Lid-Staten der Gemeenschap van 30 december 1961 en artikel 119 van het EEG-Verdrag. Vooral artikel 119 proclameert het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, waarbij beloning niet alleen „het gewone loon of … salaris” omvat, doch ook „alle overige voordelen … die de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt”. En onmiskenbaar maakt de ontheemdingstoelage in de zin van deze bepaling deel uit van de beloning.

c) Door te bepalen dat „de ambtenaar … het recht op de (sc. ontheemdingstoelage \[verliest\] indien hij, door huwelijk met een persoon die op de datum van het huwelijk niet aan de voorwaarden voor toekenning van deze toelage voldoet, niet de hoedanigheid van gezinshoofd verkrijgt”, schept artikel 4, lid 3, van bijlage VII van het Statuut een in het oog vallende ongelijkheid tussen mannelijke en vrouwelijke ambtenaren die zich in een zelfde positie bevinden. Dat verband gelegd wordt tussen behoud van het recht op de toelage en de hoedanigheid van gezinshoofd, leidt voor beide geslachten tot verschillende gevolgen; de gehuwde mannelijke ambtenaar wordt in het Statuut van rechtswege als gezinshoofd beschouwd (artikel 1, lid 3, alinea a, van bijlage VII), de gehuwde ambtenares slechts bij wege van uitzondering. Dit verband is geheel kunstmatig, omdat de ontheemdingstoelage haar bestaansgrond vindt in de gewijzigde levensomstandigheden van de ambtenaar en bestemd is ter compensatie van extra uitgaven, verbonden aan het instandhouden — met het land van herkomst — der door het huwelijk geenszins beëindigde gezins- en familiebanden en dergelijke. Of men gezinshoofd is of niet — deze term wordt trouwens in het burgerlijk recht van vier Lid-Staten van de Gemeenschap niet meer gebruikt — doet voor de materiële, familiale, psychologische en affectieve gevolgen van de „ontheemding” niet ter zake. Artikel 4, lid 3, van bijlage VII van het Statuut stelt derhalve toekenning van de ontheemdingstoelage afhankelijk van een daaraan vreemd criterium en leidt daardoor tot een duidelijk ongelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke ambtenaren.

De Commissie heeft in haar antwoord op een in het Parlement gestelde vraag ook zelf erkend, dat het verband dat is gelegd tussen de ontheemdingstoelage en de hoedanigheid van gezinshoofd, in feite wat de toekenning van deze toelage betreft voor elk van beide geslachten tot verschillende gevolgen leidt. Ongelijke behandeling is, gezien het gelijkheidsbeginsel, rechtens alleen toelaatbaar wanneer er tussen de aangelegde criteria enerzijds en de verschillende inhoud der regels anderzijds een gemotiveerd verband bestaat; zulks is in casu niet het geval.

De instellingen van de Gemeenschap hebben tot taak een einde te maken aan de discriminaties die in de nationale wettelijke regelingen op het stuk van de beloning nog tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers worden gemaakt, zodat niet kan worden aanvaard dat deze zelfde instellingen op hun eigen ambtenaren een bepaling zouden kunnen toepassen die kennelijk dergelijke discriminaties behelst.

Verweerster merkt op, dat het door verzoekster opgeworpen middel van onwettigheid niet slechts de wettigheid van artikel 4, lid 3, van bijlage VII van het Statuut discutabel stelt, doch ook die van een aantal andere statutaire bepalingen waarin eveneens de toekenning of het bedrag van een vergoeding aan de hoedanigheid van gezinshoofd is gebonden (inrichtingsvergoedingen; inrichtingsvergoedingen bij beëindiging van de dienst; reiskosten naar de plaats van herkomst).

Het middel ontbeert echter deugdelijke grondslag.

a) Verzoekster heeft het bestaan van een „hoger rechtsbeginsel” volgens hetwelk iedere op het geslacht gebaseerde discriminatie is uitgesloten — dat zij zegt aan te treffen in de rechtsorden van de Lid-Staten en in het Gemeenschapsrecht — niet aangetoond, laat staan bewezen dat dit beginsel rechtstreeks toepasselijk en in zijn algemeenheid geldig zou zijn. Integendeel, in het recht van de Lid-Staten worden de rechtsposities van man en vrouw op tal van gebieden geregeld op een wijze die maar weinig weg heeft van een strikte, rigoureuze gelijkstelling; in velerlei opzicht worden zij rechtens ongelijk behandeld. In deze differentiatie zoals zij in positieve rechtsregels is neergelegd, spiegelen zich een bepaald bestand aan economische, sociale en morele structuren van onze maatschappij en zekere opvatting van huwelijk en gezin af; zij moeten in het positief recht als zodanig worden aanvaard. In het onderhavig geval kan de wettigheid van artikel 4, lid 3, van bijlage VII van het Statuut slechts worden getoetst aan artikel 119 van het Verdrag — beloning van man en vrouw in het algemeen — afgezien van bijzondere factoren die de betrokken rechtsposities — met name de status van de gehuwden — wijzigen.

b) Artikel 4, lid 3, van bijlage VII van het Statuut stelt aan het verkrijgen of behoud van het recht op de ontheemdingstoelage geen verschillende voorwaarden al naar gelang het om mannen of vrouwen gaat. Mannelijke en vrouwelijke ambtenaren hebben precies dezelfde aanspraak op de toelage. In de gewraakte bepaling wordt het behoud van dit recht door een pas getrouwde ambtenaar wiens echtgenote c.q. wier echtgenoot (zonder onderscheid) niet aan de voorwaarden voor toekenning voldoet, alleen afhankelijk gesteld van de vraag of men door dit huwelijk de hoedanigheid van gezinshoofd verkrijgt. Doch vrouwelijke ambtenaren kunnen evengoed als mannelijke ambtenaren de hoedanigheid van gezinshoofd bezitten; deze hoedanigheid is niet alleen voor de man weggelegd. Verzoeksters bezwaren zijn niet zozeer tegen artikel 4, lid 3, van bijlage VII gericht als wel tegen artikel 1, lid 3, en tegen de omstandigheid dat een ambtenares bij huwelijk minder dikwijls dan haar echtgenoot de hoedanigheid van gezinshoofd verkrijgt. Het probleem dat hier rijst betreft niet zozeer de ontheemdingstoelage als wel de rechtspositie van de gehuwde vrouw. Het Statuut is in zoverre niet de bron, doch slechts de afspiegeling van de verschillende rechtsposities van man en vrouw, voortvloeiende uit de nationale wetten betreffende de staat en de rechtspositie van de gehuwde vrouw. Men bedenke dat discriminatie een met de wet strijdige differentiatie is van personen die een vergelijkbare positie innemen en dat in de meeste nationale wettelijke regelingen de gehuwde vrouw en de gehuwde man niet steeds in geheel dezelfde positie verkeren. De auteurs van het Verdrag hebben overigens terecht ook gemeend dat wanneer een ambtenaar in het huwelijk treedt en het gezinshoofd niet zelf aan de voorwaarden voor toekenning van de ontheemdingstoelage voldoet, een aanspraak op die toelage niet langer gerechtvaardigd is en dan ook als voorwaarde voor behoud van de toelage gesteld, dat men deze hoedanigheid van gezinshoofd verkrijgt. Door zijn huwelijk wordt de echtgenoot die geen gezinshoofd is als het ware gebonden aan hetzelfde land als het gezinshoofd; voor zover daardoor behoud of verkrijging van het recht op de ontheemdingstoelage is uitgesloten, kan daarop logischerwijze ook geen aanspraak worden gemaakt door de echtgenoot die niet de hoedanigheid van gezinshoofd bezit. Het verband tussen behoud van het recht op de toelage en verkrijging van de hoedaningheid van gezinshoofd berust derhalve op positieve gegevenheden: de tegenwoordige economische en sociologische werkelijkheid is dat de zetel van gezin, huwelijk en echtelijke samenwoning behoudens zeldzame uitzonderingsgevallen is gebonden aan het gezinshoofd; als zich geen buitengewone gebeurtenissen voordoen, deelt het gezin, vooral wat betreft werk- en woonplaats, zijn lotgevallen en volgt het hem. Dit verband tussen behoud van de ontheemdingstoelage en de hoedanigheid van gezinshoofd draagt derhalve geen discriminerend of gekunsteld karakter.

c) Bovendien zij erop gewezen, dat toekenning van de ontheemdingstoelage allereerst van de nationaliteit afhangt. Verzoeksters betoog, waarin ervan wordt uitgegaan dat de Commissie heeft toegelaten dat het statutaire verband tussen het recht op de ontheemdingstoelage en de hoedanigheid van gezinshoofd tot voor elk van beide geslachten verschillende gevolgen leidt, impliceert dan ook noodzakelijkerwijze de onwettigheid van artikel 4 van bijlage VII, dat immers het recht op de ontheemdingstoelage aan de nationaliteit bindt en ook in zoverre voor elk van beide geslachten tot verschillende gevolgen leidt, nu in sommige nationale wettelijke regelingen de vrouw de nationaliteit van haar echtgenoot verkrijgt, doch niet omgekeerd. De nationaliteit is een alleszins juiste en verantwoorde maatstaf voor de toekenning der ontheemdingstoelage.

###### B — Schending van artikel 4, lid 3, van bijlage VII van het Statuut

Verzoekster draagt subsidiair de grief voor, dat in de bestreden besluiten artikel 4, lid 3, van bijlage VII van het Statuut onjuist is geïnterpreteerd — en toegepast —: de bepaling betreft slechts het geval dat een ambtenaar van de Gemeenschappen in het huwelijk treedt met een andere ambtenaar van de Gemeenschappen, die op de dag van huwelijkssluiting niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning der ontheemdingstoelage.

a) De vraag of iemand op een gegeven ogenblik al dan niet aan die voorwaarden voldoet, kan per definitie slechts rijzen ten aanzien van ambtenaren van de instellingen der Gemeenschap. De terminologie van artikel 4, lid 3, is geenszins doorslaggevend. De eerste voorwaarde voor toekenning der toelage is dat men bij de Gemeenschappen in dienst moet zijn; of aan de overige voorwaarden is voldaan kan, wanneer men de voorschriften geen geweld wil aandoen en niet in willekeur wil vervallen, met betrekking tot iemand die aldaar niet werkzaam is niet worden nagegaan.

b) Men heeft in het tweede en derde lid van artikel 4 van bijlage VII twee verschillende gevallen op het oog en daarvoor een regeling willen geven: in lid 2 gaat het om het huwelijk van twee ambtenaren van de Gemeenschap die beiden recht op de ontheemdingstoelage hebben, in lid 3 om het huwelijk van twee ambtenaren van wie er een geen recht op deze toelage heeft.

c) Lid 3 van artikel 4 moet als uitzondering op een algemene regel restrictief worden uitgelegd; zodanige uitlegging zou bovendien de in ieder geval zeer onrechtvaardige consequenties dezer bepaling voor vrouwelijke ambtenaren beperken.

Verweerster wraakt verzoeksters betoog als slechts schijnbaar logisch.

a) Een parallellie zoals deze volgens verzoekster tussen lid 2 en lid 3 zou bestaan, wordt door deze bepalingen zelfs weersproken: enerzijds heeft men door de in het Statuut ongebruikelijke term „persoon” in artikel 4, lid 3, tot uitdrukking gebracht dat het hier niet slechts gaat om ambtenaren of personeelsleden van de Gemeenschappen, doch ook om ieder ander; anderzijds heeft het geen enkele zin te verwijzen naar de datum van het huwelijk, wanneer het alleen maar om een ambtenaar gaat. Trouwens, het ontmoet geen enkel bezwaar na te gaan of een persoon die niet bij de Gemeenschappen werkzaam is en die bij wijze van fictie geacht wordt op de huwelijksdatum bij de Gemeenschappen in dienst te treden, zou voldoen aan de voorwaarden (nationaliteit, woonplaats, beroepsbezigheden of functie), die in lid 1 worden gesteld voor de toekenning der ontheemdingstoelage.

b) De ratio van de ontheeemdingstoelage gebood de oplossing te volgen welke uit de tekst van lid 3 voortvloeit; er kan dus geen sprake van zijn dat toepassing der bepaling tot onrechtvaardige gevolgen leidt.

c) De stelling van verzoekster leidt zelf tot discriminatie: zij brengt mede dat de ontheemdingstoelage voor een ambtenares wel verloren gaat bij huwelijk met een ambtenaar die daarop zelf geen recht heeft, doch niet bij huwelijk met iemand die niet bij de Gemeenschappen werkzaam is.

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat het beroep strekt tot nietigverklaring van de besluiten waarbij de administratie van de Commissie der Europese Gemeenschappen de voorheen aan verzoekster toegekende ontheemdingstoelage per 1 november 1970 heeft ingetrokken;

2. dat verzoekster tot staving van haar beroep twee middelen voordraagt, te weten onwettigheid van artikel 4, lid 3, van bijlage VII van het Statuut en, subsidiair, schending van dat voorschrift;

3. Overwegende dat verzoekster primair betoogt dat artikel 4, lid 3, van bijlage VII van het Statuut, waarop de bestreden besluiten schijnen te berusten, onwettig is, immers in strijd met een algemeen rechtsbeginsel dat iedere discriminatie naar kunne verbiedt, en met name met artikel 119 van het EEG-Verdrag — betreffende het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers —;

4. Overwegende dat de ambtenaar volgens artikel 4, lid 3, van bijlage VII het recht op de toelage verliest „indien hij, door huwelijk met een persoon die op de datum van het huwelijk niet aan de voorwaarden voor toekenning van deze toelage voldoet, niet de hoedanigheid van gezinshoofd verkrijgt”;

5. dat dit voorschrift weliswaar op zichzelf geen verschillende behandeling naar kunne inhoudt, doch moet worden gelezen in samenhang met artikel 1, lid 3, dier bijlage, volgens hetwelk onder „gezinshoofd” in den regel is te verstaan de gehuwde mannelijke ambtenaar, terwijl de gehuwde vrouwelijke ambtenaar slechts in uitzonderingsgevallen als zodanig wordt beschouwd, met name wanneer haar echtgenoot aan een ernstige ziekte lijdt of niet tot werken in staat is;

6. dat derhalve blijkt dat mannelijke en vrouwelijke ambtenaren volgens het ongeldig geachte voorschrift inderdaad ongelijk worden behandeld, doordien het behoud van de ontheemdingstoelage afhankelijk wordt gesteld van het verkrijgen van de hoedanigheid van gezinshoofd in de zin van het Statuut;

7. dat daarom dient te worden nagegaan of dit verschil in behandeling van invloed kan zijn op de rechtsgeldigheid van het gewraakte statutaire voorschrift;

8. Overwegende dat de ontheemdingstoelage is bedoeld om de bijzondere lasten en nadelen die aan de indiensttreding bij de Gemeenschappen zijn verbonden voor ambtenaren die uit dien hoofde — onder de voorwaarden welke in artikel 4, lid 1, van bijlage VII nader zijn omschreven — genoodzaakt zijn van woonplaats te veranderen;

9. dat uit artikel 4 als geheel volgt dat de ontheemdingstoelage aan gehuwde ambtenaren niet alleen wegens de persoonlijke omstandigheden van betrokkenen, doch ook in verband met de door huwelijk geschapen gezinsomstandigheden wordt betaald;

10. dat zo in lid 3 van dit artikel de nieuwe gezinsomstandigheden in aanmerking worden genomen waarin een ambtenaar komt te verkeren door huwelijk met een persoon die niet aan de voorwaarden voor toekenning van de ontheemdingstoelage voldoet;

11. Overwegende dat intrekking van de toelage bij huwelijk van betrokkene juist kan zijn in gevallen waarin deze wijziging van de gezinsomstandigheden medebrengt dat de toestand van „ontheemding” — de ratio van bedoeld voordeel — ophoudt te bestaan;

12. dat het Statuut in zoverre de ambtenaren niet anders mag behandelen naar gelang zij man of vrouw zijn, aangezien voor beëindiging van de toestand van ontheemding voor beiden dezelfde van het geslacht onafhankelijke maatstaven hebben te gelden;

13. dat het Statuut dan ook, door het behoud van de toelage afhankelijk te stellen van het verkrijgen van de hoedanigheid van „gezinshoofd” — als omschreven in artikel 1, lid 3 — tot een willekeurig verschil in de behandeling der ambtenaren leidt;

14. dat de ten aanzien van verzoekster genomen besluiten derhalve wettelijke grondslag missen en krachtens artikel 184 van het EEG-Verdrag moeten worden nietig verklaard;

15. Overwegende dat zulks medebrengt dat op het subsidiair voorgedragen middel geen uitspraak behoeft te worden gedaan;

#### Ten aanzien van de kosten

16. Overwegende dat volgens artikel 69, paragraaf 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen;

17. dat verweerster in het ongelijk gesteld is, zodat zij in de kosten moet worden verwezen;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede Kamer),

rechtdoende:

1\. verklaart de besluiten waarbij de Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoeksters ontheemdingstoelage heeft ingetrokken, nietig;

2\. verwijst de Commissie in de kosten van het geding.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

2

EEG-Verdrag art. 119 4 voorkomens

EEG-Verdrag art. 184 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Tesauro C-408/95 27.05.1997

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 28duodecies, richtlijn 92/12 art. 28](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-408-95-conclusie)
