---
title: "HvJ EU, 319/81, arrest van 15 maart 1983 · EEG-Verdrag art. 95 en art. 169"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 maart 1983, 319/81: EEG-Verdrag art. 95 en art. 169."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-319-81-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-319-81-arret"
---

# Arrest van het Hof van 15 maart 1983, 319/81 · EEG-Verdrag art. 95 en art. 169

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

319/81

**ECLI**

ECLI:EU:C:1983:71

**Datum**

15 maart 1983

## De zaak

**Procedure**

Beroep wegens niet-nakoming gegrond

**Zaak ingediend op**

23 december 1981

**Advocaat-generaal**

[Slynn conclusie van 25 januari 1983](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-319-81-conclusie)

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Italiaans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1983, blz. 601

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Mertens de Wilmars

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Fiscale bepalingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10%2C578-4.10) [Binnenlandse belastingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.01%2C578-4.10.01)

    - [Verbod ingevoerde producten zwaarder te belasten dan gelijksoortige nationale producten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.01.02%2C578-4.10.01.02) 75 beslissingen
    - [Verbod van belastingen die concurrerende nationale producten zijdelings kunnen beschermen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.01.03) 16 beslissingen
  - [Vrij verkeer van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02%2C578-4.02) [Douanerechten en heffingen van gelijke werking · verbod](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.01) [Heffingen van gelijke werking](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.01.02) [Concrete gevallen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.01.02.02) 19 beslissingen

## Tekst

97 paragrafen

### ARREST

### De feiten

#### I — De feiten en het procesverloop

De feiten, het procesverloop en de conclusies, middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

##### 1. De voorgeschiedenis

Het onderhavige beroep moet worden gezien in de context van het streven naar een rechterlijke beslissing met betrekking tot de situatie die het gevolg is van de diverse nationale belastingregelingen voor alcoholhoudende dranken en die door de Commissie in strijd wordt geacht met artikel 95 EEG-Verdrag, na het mislukken van de onderhandelingen die tussen de Lid-Staten zijn gevoerd om te komen tot homogene, parallelle en gelijktijdige oplossingen waardoor alle belastingsdiscriminaties die thans nog op het terrein van door gisting of distillatie verkregen dranken bestaan, zouden worden opgeheven.

Die onderhandelingen hebben zonder positief resultaat ongeveer twee jaar geduurd. De door de Raad van ministers op 21 oktober 1981 definitief vastgestelde mislukking heeft geleid tot het besluit van de Commissie om de zaak aan het Hof voor te leggen.

In deze zelfde context hoort het beroep van de Commissie tegen het Verenigd Koninkrijk thuis (zaak 170/78), betreffende de accijns op wijn en bier.

##### 2. De Italiaanse BTW-regeling

De Italiaanse BTW-regeling kent naast het gewone tarief, dat thans 15 % bedraagt, één lager tarief en twee hogere tarieven.

Het lagere tarief van 8 % geldt voor een aantal goederen en diensten die in hoofdzaak aan essentiële behoeften beantwoorden.

De twee hogere tarieven gelden voor niet-essentiële verbruiksgoederen en genotmiddelen. Het tarief van 20 % is van toepassing op een aantal produkten die, naar het oordeel van de Italiaanse wetgever, weliswaar niet-essentieel of genotmiddelen zijn, doch die geen bijzonder luxe- of prestigekarakter hebben. Het tarief van 38 % geldt voor verbruiksgoederen met een meer uitgesproken luxe- of nrestieekarakter.

In dit verband bepaalt besluitwet nr. 58 van 4 maart 1977, omgezet in wet nr. 183 van 9 mei 1977, dat op alle gedistilleerde dranken het hogere tarief van toepassing is. Het tarief van 38 % geldt voor gin en „gedistilleerde dranken met een in het land van produktie door bijzondere maatregelen geregelde of beschermde aanduiding van oorsprong of herkomst”, die dus als kostbare en luxe-produkten worden beschouwd. De overige gedistilleerde dranken vallen onder het tarief van 20 %.

#### II — Het procesverloop

Bij verzoekschrift van 22 december 1981, ingeschreven ter griffie van het Hof op 23 december 1981, heeft de Commissie krachtens artikel 169, tweede alinea, EEG-Verdrag, beroep ingesteld bij het Hof van Justitie, aangezien de Italiaanse regering had nagelaten te handelen overeenkomstig het met reden omkleed advies van 2 februari 1979.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Bij brief van 20 oktober 1982 heeft het partijen evenwel verzocht, een aantal vragen te beantwoorden ter verduidelijking van de situatie. Aan dat verzoek is binnen de gestelde termijn gevolg gegeven.

#### III — Conclusies van partijen

1.

De *Commissie* concludeert dat het den Hove behage:

> a)„ vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door op gedistilleerde dranken een volgens de benaming van oorsprong of herkomst gedifferentieerde belastingregeling toe te passen — zoals blijkt uit besluitwet nr. 58 van 4 maart 1977 betreffende de BTW —, met betrekking tot de uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
>
> b) de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten van de procedure.”

2. De *Italiaanse Republiek* concludeert tot verwerping van het beroep van de Commissie.

#### IV — Middelen en argumenten van partijen

De Commissie betoogt in haar verzoekschrift, dat de Italiaanse regeling in geding inbreuk maakt op het gemeenschapsrecht en met name op artikel 95 EEG-Verdrag, aangezien het criterium „benaming van oorsprong of herkomst” uitsluitend ingevoerd gedistilleerd op het oog heeft; er bestaan immers geen oor-sprongs- en benamingsregelingen voor binnenlands gedistilleerd. De Italiaanse regeling heeft tot gevolg dat nagenoeg alle uit andere Lid-Staten ingevoerde gedistilleerde dranken (whisky, cognac, armagnac, rum, enz.) zwaarder worden belast, en heeft daardoor een discriminerende of protectionistische werking.

Gedifferentieerde belastingtarieven zijn stellig mogelijk, mits de hand wordt gehouden aan het beginsel dat tussen gelijksoortige produkten niet mag worden gediscrimineerd. Maar terwijl (nationale en ingevoerde) gedistilleerde dranken gelijksoortige en/of concurrerende produkten in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag zijn, past de Italiaanse regeling op ingevoerd gedistilleerd een hoger tarief toe dan op de gelijksoortige nationale produkten.

De Commissie verwijst naar de conclusie van advocaatgeneraal Sir Gordon Slynn in zaak 244/80 (Foglia/Novello II, Jurispr. 1981, blz. 3069) betreffende de Franse accijns op likeurwijn. De Italiaanse en de Franse regeling komen in zoverre overeen, dat beide het oor-sprongs- en herkomstcriterium hanteren. De Italiaanse regeling doet dat ter begunstiging van nationale produkten voor zover deze niet aan dat criterium voldoen, de Franse regeling doet het ter begunstiging van nationale produkten, voor zover deze wel eraan voldoen. De Commissie betoogt dat ook hier de gevolgen dezelfde zijn, zij het dat het om de bescherming van tegenovergestelde nationale belangen gaat.

Uit de geografische component van het gehanteerde criterium volgt overigens nog een andere overeenkomst tussen de twee regelingen. Wanneer produkten meer of minder zwaar worden belast naar gelang van hun oorsprong of herkomst, is het uiteraard niet mogelijk het gunstigste fiscale regiem uit te breiden tot ingevoerde gelijksoortige en/of concurrerende produkten. Daardoor ontstaat een geografische bescherming uitsluitend ten gunste van de nationale produkten, die onomkeerbaar en onvermijdelijk is en daardoor in strijd met het herhaaldelijk door het Hof van Justitie bevestigde beginsel van gelijke fiscale behandeling.

In zijn arrest van 30 oktober 1980 (zaak 26/80, Schneider, Jurispr. 1980, blz. 3469, 3487) verklaarde het Hof immers voor recht, dat aan het non-discriminatievereiste is voldaan, „wanneer de regeling die op uit andere Lid-Staten ingevoerd gedistilleerd wordt toegepast, gelijkwaardig is aan de regeling voor de nationale produktie, in dier voege dat de ingevoerde produkten daadwerkelijk dezelfde voordelen kunnen genieten als vergelijkbare nationale produkten”.

Deze mogelijkheid bestaat niet — en kan logischerwijze ook niet bestaan — in het kader van de BTW-regeling, daar de Italiaanse wetgever de toepassing van het gunstige tarief van 20 % afhankelijk heeft gesteld van een voorwaarde waaraan ingevoerde produkten nimmer kunnen voldoen. Het gaat derhalve om een voorwaarde die deze produkten a priori van de belastingverlichting uitsluit en deze aan de nationale produkten voorbehoudt.

Bijgevolg heeft dit belastingstelsel een discriminerend karakter en valt het onder het verbod van artikel 95 EEG-Verdrag.

De Italiaanse regering voert in hoofdzaak de volgende argumenten aan:

Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht staat het de nationale wetgever vrij, het stelsel van verbruiksbelastingen te kiezen, dat het meest geschikt is om bepaalde legitieme doelstellingen van economisch en sociaal beleid te verwezenlijken, zulks krachtens algemene, overigens aan alle moderne belastingstelsels ten grondslag liggende beginselen inzake draagkracht en progressiviteit van de belastingheffing. Artikel 95 verlangt enkel, dat het gekozen belastingstelsel zonder discriminatie wordt toegepast op nationale en op uit de anderen Lid-Staten ingevoerde produkten. Het begrip gelijksoortig mag niet algemeen en abstract worden opgevat, maar moet worden gerelateerd aan de doelstellingen van het concrete nationale belastingstelsel en aan de aard van de behoeften waaraan door de consumptie van gedistilleerd wordt voldaan. Noch over de intrinsieke wettigheid van het gekozen onderscheidingscriterium, noch over het materieel adequate karakter van de elementen aan de hand waarvan de wetgever in concreto bepaalt wat luxe of prestigegoederen zijn, is enige discussie mogelijk. Het betreft hier immers een keuze die ontegenzeglijk behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de nationale wetgever, die aan geen enkele controle is onderworpen zolang een schending van de beginselen van artikel 96 niet nauwkeurig en concreet is aangetoond.

In de tweede plaats is er geen sprake van schending van artikel 95, omdat de Italiaanse wetgever geen onderscheid maakt tussen nationale en ingevoerde produkten. De hier bedoelde produkten worden niet belast naar hun plaats van produktie, doch naar hun kwaliteit. Met behulp van deze classificatie kan het doel van de Italiaanse wetgever dus zeer wel worden bereikt. De Italiaanse regering meent dan ook, dat de grieven van de Commissie niet terzake zijn.

Omtrent de bewering van de Commissie, dat het ontbreken van een nationale produktie met een „gereglementeerde en beschermde aanduiding van oorsprong of herkomst” tot discriminatie leidt, merkt de Italiaanse regering op, dat het criterium abstract is, zodat ingevoerde produkten die niet voldoen aan de vereisten om als prestigegoederen te kunnen of moeten gelden, in feite dezelfde voordelen kunnen genieten als vergelijkbare nationale produkten. Voorts kan het eventueel ontbreken van een overeenkomstige nationale produktie in geen geval voldoende reden zijn om toepassing van het algemene criterium te verhinderen en daarmee het betrokken verbruik te bevoordelen. De Italiaanse regering haalt hier het voorbeeld aan van met de hand vervaardigde Oosterse tapijten; dit zijn stellig produkten van grote waarde, vergeleken met overeenkomstige industriële produkten.

Ook het feit dat Italië geen gedistilleerd van eerste kwaliteit produceert, is niet voldoende om te beletten dat het verbruik van dergelijk gedistilleerd wordt belast in overeenstemming met de algemene beginselen van de Italiaanse BTW-regeling, die algemeen genoeg is om ieder discriminerend oogmerk uit te sluiten.

Tenslotte betoogt de Italiaanse regering dat het hogere tarief het verbruik niet beperkt. Omdat het om luxegoederen gaat, is de vraag ernaar tamelijk stabiel; dit blijkt wel uit de statistieken, die aantonen dat het verbruik van bepaalde gedistilleerde dranken (met name whisky) aanzienlijk is toegenomen, ondanks het BTW-tarief van 35 % en sedert 1 oktober 1982 van 38 %.

Met name wat gin betreft, lijkt de Commissie de daar/oor geldende belastingregeling niet te betwisten. De Italiaanse regering wijst er ook op, dat het geding geen betrekking kan hebben op dit produkt, daar de belastingheffing uitsluitend geschiedt volgens de objectieve kenmerken van het produkt in verband met de gebruikte grondstof en de produktiewijze. In Italië wordt trouwens een grote hoeveelheid gin geproduceerd en het tarief van 38 % geldt zowel voor Italiaanse als voor ingevoerde gin.

In repliek bespreekt de Commissie met name de in casu relevante rechtspraak van het Hof. Zij erkent dat 's Hofs arrest van 14 januari 1981 in zaak 46/80 (Vinal, Jurispr. 1981, blz. 77) een vernieuwing betekent ten opzichte van alle eerdere rechtspraak over de toepassing van artikel 95, want het Hof erkende daar voor het eerst de verenigbaarheid met het Verdrag van dat een belastingstelsel met differentiële tarieven, waarvan het hoogste tarief geldt voor een produkt dat uitsluitend wordt ingevoerd uit andere Lid-Staten, en daardoor de invoer van dit produkt (synthetische alcohol) uit andere Lid-Staten in Italië beperkt ten gunste van gelijksoortige nationale produkten (alcohol van agrarische oorsprong).

De thans bestreden regeling voldoet echter niet aan alle door het Hof in dat arrest vastgestelde voorwaarden.

Met name het argument dat de BTW dezelfde economische gevolgen heeft voor gelijksoortige nationale produkten, wordt door het Hof niet aanvaard. Dit argument gaat in de onderhavige zaak des te minder op, wanneer men bedenkt dat de toepassing van het hogere tarief geenszins tot gevolg heeft gehad dat de Italiaanse produktie van hetzelfde soort gedistilleerd werd afgeremd. Daarmee treedt het discriminerende aspect van de BTW duidelijk aan het licht: zij treft steeds en uitsluitend vrijwel alle ingevoerde gedistilleerde dranken (whisky en cognac).

Het verschil tussen de regeling inzake de bijzondere accijns (waarop de zaak-Vinal betrekking had) en de BTW-regeling is economisch nog ingrijpender. In het eerste geval wordt het feit dat in Italië geen synthetische alcohol wordt geproduceerd, begrijpelijk wanneer men nagaat wat de produktiekosten zouden zijn en welke fiscale last op die produktie zou drukken; in het tweede geval is het ontbreken van nationaal „kwaliteits”-gedistilleerd uitsluitend het gevolg van het ontbreken van een wettelijke regeling ad hoc, die deze dranken zou beschermen en hun aldus het bestaan en een plaats op de markt zou verzekeren.

Rekening houdend met deze situatie, valt onmogelijk vol te houden dat de BTW-regeling zodanig is ingericht, dat „de uitbreiding” van het lagere tarief van 20 % „tot ingevoerd gedistilleerd” dat niet aan de criteria van een gereglementeerde benaming van oorsprong of herkomst beantwoordt, „volstrekt gegarandeerd is.” Beziet men de structuur van de markt van de betrokken produkten, dan kan men alleen maar vaststellen dat het tarief van 20 % de nationale produktie van gedistilleerd in haar geheel bevoordeelt; de invoer van gelijksoortige produkten uit andere Lid-Staten is slechts van marginaal belang.

Met betrekking tot de criteria ter onderscheiding van de belaste produkten, namelijk de kwaliteit en het luxe karakter, betoogt de Commissie dat de door de Italiaanse regering ter rechtvaardiging van deze kwalificaties genoemde parameters van „publieke opinie” of „gewone en luxeverbruiksgoederen”, eveneens volkomen irrelevant zijn.

Door de invloed van vier duidelijk gestructureerde belastingregelingen is uit andere Lid-Staten ingevoerd gedistilleerd in Italië immers steeds veel zwaarder belast geweest dan Italiaans gedistilleerd. Niettemin vertoonden de kleinhandelsprijzen van Italiaanse en van buitenlandse gedistilleerde dranken steeds weinig verschil en waren zij alleszins vergelijkbaar. Daaruit volgt dus dat de draagkracht van de verschillende consumenten van gedistilleerd dezelfde is.

Voorts lijkt het tegenstrijdig om te onderscheiden tussen „populaire” en „voor de elite bestemde” consumptiegoederen, wanneer de Italiaanse regering erkent dat het in alle gevallen gaat om dranken die aan luxe behoeften moeten voldoen. Hiertoe verwijst de Commissie naar 's Hofs vaste rechtspraak, dat voor de toepassing van artikel 95 rekening moet worden gehouden met het vermogen van de produkten om in dezelfde consumentenbehoeften te voorzien.

De gekritiseerde parameters zijn dus duidelijk subjectieve criteria; zij zijn de uitdrukking van keuzes van de wetgever, die verweerster ten onrechte beschouwt als „discretionair” en „onttrokken aan iedere controle”, zodat er voor een onderzoek of zij wel voldoen aan het vereiste van neutraliteit van de belastingheffing, geen plaats zou zijn.

De poging van de Italiaanse regering om de op de produkten toegepaste BTW-regeling op één lijn te stellen met een stelsel van directe belastingen dat de contribuabelen naar draagkracht belast, verdient geen aandacht. De door de Italiaanse wetgever gehanteerde criteria zijn en blijven subjectief, en als zodanig zijn zij in strijd met het door het Hof in verscheidene arresten geformuleerde vereiste, dat een eventuele differentiatie tussen produkten voor belastingdoeleinden op objectieve criteria moet berusten, juist om de mogelijkheid uit te sluiten dat willekeurige belastingen worden geheven als die welke zijn gebaseerd op de geografische herkomst van de produkten (bijvoorbeeld Scotch whisky).

Vervolgens onderzoekt de Commissie de wettigheid van de door de Italiaanse wetgever nagestreefde belastingpolitieke doelen.

De algemene verwijzing naar doeleinden van fiscale aard is om verschillende redenen irrelevant. Ieder belastingstelsel heeft per definitie fiscale beleidsdoelen. Deze spelen geen enkele rol, wanneer een bepaald stelsel niet in overeenstemming is met de voorwaarden van artikel 95. Het Hof heeft nimmer fiscale beleidsdoelen als zodanig erkend. Artikel 95 stelt zeer nauwkeutige grenzen aan de bevoegdheid van de Lid-Staten op belastinggebied.

De Commissie beperkt zich tot de opmerking, dat het arrest van 27 februari 1980 in zaak 169/78 (Commissie t. Italië, Jurispr. 1980, blz. 385) niet toelaat de bestreden BTW-regeling te accepteren.

Een niet te ontkennen omstandigheid die deze regeling nog verwerpelijker maakt, is dat zij altijd en uitsluitend nagenoeg alle ingevoerde gedistilleerde dranken (whisky en cognac) treft. In zoverre was het stelsel van belastingbanderollen, waarop zaak 169/78 betrekking had, veel gunstiger, omdat daarbij gedistilleerde dranken werden belast naar gelang van de grondstof, ongeacht de plaats van oorsprong of herkomst. Franse cognac en mare de Bourgogne werden volgens hetzelfde tarief aangeslagen als brandy en Italiaanse grappa.

Tenslotte dringt de Commissie erop aan, de onderhavige zaak op te lossen door toepassing van de uitleggingscriteria die het Hof heeft geformuleerd in de arresten inzake de belastingregelingen voor gedistilleerd en met name in het arrest in zaak 169/78. Het volstrekt eigen karakter van de markt van gedistilleerd belet immers om in casu eventueel ook gebruik te maken van de beoordelingscriteria die het Hof heeft opgesteld in verband met de markt voor gedenatureerde ethylalcohol in zaak 46/80 (Vinal), hoewel de onderhavige regeling evenmin aan de door het Hof in dat arrest gestelde voorwaarden voldoet.

Gezien de uitleggingsmoeilijkheden die het arrest-Vinal kan opleveren, acht de Commissie echter een uitspraak van het Hof wenselijk in de vorm van een uitlegging die alle bestaande twijfel en onzekerheid kan wegnemen.

In dupliek bestrijdt de Italiaanse regering met name het betoog van de Commissie met betrekking tot de rechtspraak van het Hof.

Zij stelt in de eerste plaats, dat het niet juist is dat het arrest van 14 januari 1981 in zaak 140/79 (Chemial, Jurispr. 1981, blz. 1) en dat in zaak 46/80 voornoemd een vernieuwing bevatten ten opzichte van de eerdere rechtspraak betreffende artikel 95. Zij sluiten integendeel volmaakt bij die eerdere rechtspraak aan. Bovendien hebben de beginselen van de desbetreffende vaste rechtspraak bevestiging gevonden in het arrest van 27 mei 1981 (gevoegde zaken 142 en 143/80, Essevi en Salengo, Jurispr. 1981, blz. 1413).

Een belastingregeling die bepaalde categorieën produkten, die zich volgens objectieve en neutrale criteria onderscheiden, verschillend behandelt, is volstrekt niet onverenigbaar met artikel 95. Dit artikel zou stellig wel worden geschonden indien de onderscheiden, op verschillende wijze behandelde categorieën produkten meer of minder uitdrukkelijk werden geïndividualiseerd door verwijzing naar hun binnen- of buitenlandse herkomst. Het enkele feit dat het ingevoerde produkt in de praktijk het enige is dat zwaarder wordt belast, is op zichzelf niet voldoende om tot het bestaan van een verboden discriminatie te concluderen. Om tot een dergelijke conclusie te kunnen komen, zou men eerst voor elk afzonderlijk geval een grondiger onderzoek moeten verrichten naar de criteria en de structuur van de betrokken belastingregeling en het verband tussen die regeling en de ontwikkeling van de nationale produktie.

Op dit punt is door de arresten-Chemial en Vinal de rechtspraak gepreciseerd in die zin, dat de in artikel 95 verboden discriminatie een daadwerkelijke dicriminatie moet zijn.

De Italiaanse regering zet in extenso uiteen, dat de onderhavige regeling niet discriminerend is en neutraal ten aanzien van de — binnenlandse dan wel buitenlandse — herkomst van de belaste produkten; zij wijst daartoe op de objectieve kenmerken van de regeling.

Met name heeft deze niet ten doel, de consumptie van de belaste produkten af te remmen; zij beoogt slechts een rechtvaardige belastingheffing, die in overeenstemming is met de algemene belastingpolitieke doeleinden. Volgens de Italiaanse regering kan deze zaak niet op één lijn worden gesteld met genoemde zaken 140/79 en 46/80.

Het feit dat in Italië geen regeling voor aanduidingen van oorsprong of herkomst bestaat, kan niet worden aangevoerd als bewijs dat de Italiaanse regeling discriminerend is. Dit blijkt wel hieruit, dat zowel in Italië geproduceerde gin als ingevoerde gin onder het tarief van 38 % vallen.

In de tweede plaats zijn gewoon gedistilleerd en gedistilleerd met een aanduiding van oorsprong duidelijk onderscheiden, niet onderling vervangbare produkten, bestemd voor geheel verschillende markten.

Het is nu eenmaal een feit dat Italië geen gedistilleerd van bijzondere kwaliteit produceert (evenmin als Perzische tapijten of Russische kaviaar). Dit is echter volstrekt geen reden om buitenlands gedistilleerd van bijzondere kwaliteit (of Perzische tapijten of kaviaar) niet onder de belastingregeling voor alle luxegoederen te laten vallen.

Met betrekking tot de onderscheidingscriteria merkt de Italiaanse regering verder op, dat gedistilleerde dranken die zowel een aanduiding van oorsprong dragen als onder een bijzondere reglementering vallen, juist die zijn waaraan alle consumenten in het algemeen een bijzondere prestige toekennen. Zoals uit marktanalyses blijkt, is dit dus geen willekeurige en „subjectieve” beoordeling.

De Italiaanse wetgever kon dus zeer wel alleen de gereglementeerde en van oorsprongsaanduiding voorziene gedistilleerde dranken als luxegoederen beschouwen.

Evenmin kan men zeggen dat er iets „te-genstrijdigs” is in het onderscheid tussen twee categorieën produkten die toch beide niet-essentiële verbruiksgoederen of genotmiddelen zijn.

Met betrekking tot de door de Commissie bestreden wettigheid van de belastingpolitieke doeleinden, merkt de Italiaanse regering op, dat het draagkrachtcriterium zowel bij de directe als bij de indirecte belastingen een rol speelt. In alle moderne belastingstelsels wordt gestreefd naar een zekere progressiviteit, zowel bij de directe als bij de indirecte belastingen. Met name wordt in alle belastingregelingen voor verbruiksgoederen onderscheid gemaakt tussen essentieel verbruik, veelvuldig verbruik en verbruik met een luxekarakter, juist om dit laatste, dat immers een onweerlegbare en kenmerkende uiting van grotere draagkracht is, te belasten.

Vervolgens gaat de Italiaanse regering in op het argument van de Commissie, dat de Italiaanse BTW-regeling voor gedistilleerd niet wettig kan zijn, omdat zij niet gericht is op doelstellingen van economisch of industrieel beleid, zoals die welke door het Hof in de arresten-Chemial en -Vinal in aanmerking zijn genomen. Deze opwerping lijkt te berusten op een onduidelijkheid, zo meent de Italiaanse regering. Het vereiste dat een belastingregeling met gedifferentieerde tarieven voor gelijksoortige produkten gericht moet zijn op de verwezenlijking van legitieme doelstellingen, mag niet aldus worden uitgelegd, dat er in ieder geval een niet-fiscale doelstelling (van economisch of industrieel beleid) moet bestaan die inhoudelijk positief moet kunnen worden beoordeeld. Wat in werkelijkheid nodig is, is dat de betrokken belastingregeling geen doelstellingen nastreeft die niet enkel in strijd zijn met artikel 95, doch ook met andere normen of beginselen van gemeenschapsrecht of met bepaalde vereisten van een gemeenschappelijk beleid. Behalve aan dit zuiver negatieve vereiste, behoeft een belastingregeling met gedifferentieerde tarieven aan geen enkele andere voorwaarde te voldoen om wettig te zijn, behoudens uiteraard het fundamentele vereiste, dat het onderscheid tussen de verschillende, volgens een gedifferentieerd tarief belaste categorieën produkten is gebaseerd op objectieve en neutrale, niet-discriminerende criteria. Aan dit laatste vereiste is in casu overigens ten volle voldaan.

De regering van het Verenigd Koninkrijk, interveniente aan de zijde van verzoekster, voert het volgende aan:

Het begrip gelijksoortigheid moet voor de gehele Gemeenschap identiek zijn; het moet worden bepaald aan de hand van objectieve criteria, gebaseerd op de bestemming die de verbruikers aan het produkt geven. De Britse regering wijst erop, dat de beide categorieën produkten, met en zonder aanduiding van oorsprong, met elkaar concurreren, zodat zij worden gedekt door artikel 95, tweede alinea.

Het voor de toepassing van verschillende BTW-tarieven gehanteerde onderscheid correspondeert noch met een verschil in kwaliteit, noch met een ander objectief criterium. Het is uitsluitend gebaseerd op een verschil in wetgeving in de landen waar de gedistilleerde dranken worden geproduceerd. Dat fiscale onderscheid begunstigt alle gedistilleerde dranken die in Italië worden geproduceerd, omdat de Italiaanse wetgeving zo is ingericht, dat geen enkele binnenlands geproduceerde gedistilleerde drank ooit onder het hoogste tarief kan vallen. De onderhavige zaak verschilt dus duidelijk van de zaak-Vinal.

Omgekeerd meent de Britse regering dat, gezien de geringe omvang van de invoer in Italië van gedistilleerd zonder aanduiding van oorsprong uit andere Lid-Staten, dit onderscheid in wezen neerkomt op een onderscheid tussen in Italië geproduceerde en ingevoerde gedistilleerde dranken.

Zelfs wanneer men het Italiaanse draagkrachtcriterium aanvaardt, kan toch een belastingstelsel dat de bestaande consumptiegewoonten in stand tracht te houden en daardoor iedere potentiële ontwikkeling van de markt afremt, niet worden gerechtvaardigd door een statistische benadering van de smaak van de consument. Het belasten van een produkt zogezegd omdat het een „verfijnd of prestigekarakter” heeft, is bedoeld om het onderscheid waarop die opvatting is gebaseerd, te laten voortbestaan. Er is geen reden om aan te nemen dat whisky, indien zij niet op deze wijze dubbel werd gediscrimineerd, niet door tal van sociaaleconomische groepen in Italië zou worden gedronken.

Met betrekking tot de bewering van de Italiaanse regering, dat de invoer van gin en Schotse whisky in de vijf jaren na de invoering van de BTW in Italië is toegenomen, antwoordt de Britse regering dat zonder de discriminerende belastingtarieven deze toeneming veel groter had kunnen zijn. In 1979-1980 is de waarde van de uitvoer van Schotse whisky naar Italië weliswaar met 2 % gestegen, maar de hoeveelheid, gemeten naar volumen, liep met 6 % terug.

Het Verenigd Koninkrijk komt bijgevolg tot de conclusie, dat de Italiaanse regeling althans indirect de eigen produktie tegen de concurrentie van deze gedistilleerde dranken beschermt.

#### V — Antwoorden op de gestelde vragen

1.

De eerste vraag luidt als volgt:

> „Voor welke Italiaanse gedistilleerde dranken geldt het belastingtarief van 18 % en voor welke het tarief van 35 %?”

De *Italiaanse regering* antwoordt, dat er thans, afgezien van gin, in Italië geen gedistilleerd wordt geproduceerd dat aan de voorwaarden voor toepassing van het 38 %-tarief voldoet. Op alle Italiaanse gedistilleerde dranken wordt het 20 %-tarief toegepast. Daarentegen wordt de gehele Italiaanse produktie van gin evenals ingevoerde gin belast volgens het 38 %-tarief (op 1 oktober 1982 is het tarief van 18 % verhoogd tot 20 % en het tarief van 35 % tot 38 %).

De *Commissie* sluit zich bij dit antwoord aan en merkt op, dat deze cijfers het discriminerende karakter van de regeling bevestigen. Het hogere tarief van 38 % geldt voor vrijwel alle gedistilleerde dranken die uit de andere Lid-Staten worden ingevoerd.

De *Britse regering* verklaart dat het 20 %-tarief van toepassing is op grappa, gedistilleerd van wijn en rum. Gin is de enige in Italië geproduceerde gedistilleerde drank die met 38 % wordt belast.

2.

De tweede vraag luidt als volgt:

> „Over welke uit de andere Lid-Staten ingevoerde gedistilleerde dranken wordt het tarief van 18 % respectievelijk 35 % geheven?

Welke hoeveelheden ervan werden in de periode 1977-1981 ingevoerd, vergeleken met de voorgaande periode?”

De *Commissie* legt bijlagen over met gedetailleerde gegevens, volgens welke van de totale invoer in 1981 (106162 hl zuivere alcohol) 98,67 % van de uit het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk afkomstige gedistilleerd volgens het tarief van 35 % (thans 38 %), is belast en de resterende 1,33 % met het lagere tarief >an4-8 % (thans 20 %).

De Italiaanse invoer van gedistilleerd, belast volgens het tarief van 35 %, respectievelijk van 18%, ziet eruit als volgt:

a) 35 % *BTW*

*hl zuivere alcohol*

—gin

2220

—Schotse en Ierse whisky

96657

—Frans gedistilleerd van wijn en draf van druiven (cognac, armagnac, marc de Bourgogne, enz.)

5716

—Frans gedistilleerd van vruchten (calvados, mirabelle, enz.)

154104747

b) 18% BTW

*hl zuivere alcohol*

—rum, wodka en ander gedistilleerd

1415

De *Italiaanse regering* merkt op, dat het niet mogelijk is een volledige lijst over te leggen van alle in de Lid-Staten geproduceerde gedistilleerde dranken die aan beide voorwaarden voldoen, namelijk aanduiding van oorsprong en onderwerp zijn van een bijzondere reglementering en bescherming met betrekking tot de bereidingswijze in het land van produktie.

Blijkens de invoercijfers in Italië zijn de meest verkochte produkten waarover 38 % BTW wordt geheven: Schotse whisky, cognac en gin. Voorts moeten worden genoemd: Ierse whisky, armagnac en gereglementeerde Franse maresoorten, zoals mare de Bourgogne en mare de Champagne.

In bijlage bij haar antwoorden legt de Italiaanse regering cijfers over betreffende de invoer uit de landen van de Gemeenschap in de jaren 1975-1981; daarbij merkt zijn op, dat geen nauwkeurige gegevens kunnen worden verstrekt over de samenstelling van de invoer van gedistilleerde dranken waarover 20 % BTW wordt geheven.

De *Britse regering* beperkt zich tot de invoer uit het Verenigd Koninkrijk in Italië, waarbij het hoofdzakelijk gaat om Schotse whisky, Ierse whisky, gin en rum. Van 1969 tot 1974 nam de invoer van Schotse whisky blijkens de door de Britse regering verstrekte cijfers toe met 199% (van 38330 hl tot 114480 hl), terwijl de stijging, volgens die cijfers, in de jaren 1975-1980 66 % bedroeg (van 72520 hl tot 120700 hl). Voor gin bedroeg de stijging van 1969 tot 1974 70 % (van 1822 hl tot 3099 hl) en van 1977 tot 1980 36% (van 2647 hl tot 3380 hl). In bijlage zijn gedetailleerde cijfers overgelegd.

3.

In de derde plaats heeft het Hof partijen gevraagd of naar hun mening „de nationale en de ingevoerde gedistilleerde dranken overeenkomstige eigenschappen bezitten en aan dezelfde behoeften voldoen”.

De *Commissie* verklaart dat als „gedistilleerde dranken” worden beschouwd alle door distillatie verkregen alcoholhoudende dranken die de in de toelichtingen op de IDR-nomenclatuur genoemde kenmerken vertonen; als zodanig bezitten zij noodzakelijkerwijze overeenkomstige eigenschappen en voldoen zij aan dezelfde behoeften van de consument. Daarom, aldus de Commissie, heeft het Hof in zijn rechtspraak steeds aangenomen dat alle gedistilleerde dranken gelijksoortig zijn en met elkaar concurreren in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag.

Volgens de *Italiaanse regering* kan niet worden aangenomen dat alle gedistilleerde dranken identieke of gelijksoortige produkten zijn. Met name moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen gedistilleerd uit wijn en gedistilleerd uit graan, die verschillende organoleptische eigenschappen bezitten en in de ogen van de consument aan verschillende behoeften voldoen.

Daarentegen kunnen geen verschillende eigenschappen worden toegekend aan nationale en ingevoerde produkten die tot een zelfde categorie behoren, en kan niet worden gezegd dat deze aan andere behoeften tegemoetkomen dan gene.

Het omstreden verschil tussen twee BTW-tarieven evenwel berust op twee nauwkeurige criteria (aanduiding van oorsprong en een bijzondere reglementering van de produktie), die de produkten die eraan voldoen, tot gedistilleerd van hogere kwaliteit stempelen.

De Italiaanse regering erkent dat het feit dat een produkt van een bepaald type een bijzondere kwaliteit bezit, op zichzelf niet voldoende is om het radicaal te doen. verschillen van andere, overeenkomstige produkten.

Volgens het *Verenigd Koninkrijk* heeft het Hof in de zaken 169/78 (Commissie t. Italië) en 216/81 (Cogis) reeds beslist, dat gedistilleerd uit graan, dat een belangrijk deel uitmaakt van de invoer uit het Verenigd Koninkrijk, en gedistilleerd uit wijn, dat een belangrijk deel uitmaakt van het in Italië geproduceerde gedistilleerd, aan identieke of gelijksoortige behoeften van de consumenten voldoen.

4.

In de vierde vraag worden partijen uitgenodigd om

> „een overzicht over te leggen van de gemiddelde kleinhandelsprijzen, met vermelding van de prijs vóór BTW, van een door hen representatief geachte selectie Italiaans gedistilleerd en uit de betrokken andere Lid-Staten ingevoerd gedistilleerd”.

Partijen (de *Commissie* en de *Italiaanse regering)* hebben in onderling overleg een (bij de antwoorden gevoegde) lijst opgesteld van de gemiddelde kleinhandelsprijzen, met en zonder BTW, van een aantal voor de Italiaanse markt representatieve produkten.

Het Verenigd Koninkrijk betreurt dat het de gevraagde gegevens niet in overleg met de andere partijen kan overleggen, en produceert een eigen overzicht met enkele gegevens.

5.

In de vijfde plaats heeft het Hof gevraagd, welke gevolgen de betrokken regeling sinds haar invoering heeft gehad voor de invoer.

De *Commissie* meent dat de gevolgen van de in 1977 in Italië ingevoerde BTW-regeling niet objectief en adequaat kunnen worden beoordeeld.

In de eerste plaats is die regeling ingevoerd op een markt — de markt van gedistilleerde dranken — die reeds door andere, eveneens discriminerende belastingen op alcohol een kunstmatig karakter vertoonde. Bovendien was ook al vóór de invoering van de thans in geding zijnde besluitwet nr. 58 van 4 maart 1977 de BTW op uit de andere Lid-Staten ingevoerd gedistilleerd veel hoger.

In de tweede plaats is de Commissie van mening, dat geen rekening moet worden gehouden met de concrete invloed van de discriminerende belasting op uit andere Lid-Staten ingevoerde gelijksoortige of concurrerende produkten. Het Hof heeft zelf in eerdere arresten alle argumenten verworpen, die de toepassing van artikel 95 wilden doen afhangen van de ontwikkeling van de importen, van de resultaten van eventuele marktonderzoeken of van statistische bewijzen voor de protectionistische werking van een bepaalde belastingregeling. Anders zou het verbod van belastingdiscriminatie een slag in de lucht zijn.

Al mogen in het kader van artikel 95 statistische gegevens geen enkele rol spelen, toch ontkent de Commissie niet dat, ondanks tenminste vier discriminerende belastingen op alcohol, waaronder de BTW, de invoer van Schotse en Ierse whisky in Italië in de jaren 1977-1981 is toegenomen; deze toeneming wordt nog duidelijker wanneer men de cijfers voor dejaren 1971 en 1981 vergelijkt.

Evenzeer staat echter vast, dat de Italiaanse produktie van gedistilleerde dranken in de periode 1975-1981 gelijk is gebleven, terwijl de uitvoer van Italiaans gedistilleerd aanzienlijk is toegenomen, namelijk van 13600 hl zuivere alcohol in 1975 tot 76270 hl in 1981.

De *Italiaanse regering* meent dat uit de in bijlage overgelegde gegevens duidelijk blijkt, dat de bestreden belastingregeling geen enkele beperkende invloed op de invoer heeft gehad.

Vergelijkt men bijvoorbeeld de whiskyinvoer in de twee jaren vóór de litigieuze maatregel (1975 en 1976) met die in de jaren 1980 en 1981, dan constateert men een toeneming van 21,88 %. Het is echter juist, dat terwijl het verbruik van het ingevoerde produkt zo aanzienlijk is toegenomen, het totale verbruik is teruggelopen of gelijkgebleven.

Volgens de *Britse regering* daarentegen laten de invoercijfers zien dat de invoer van Schotse whisky en gin in Italië na de inwerkingtreding van de bestreden besluitwet van 1974 in Italië minder sterk is gegroeid. Deze ontwikkeling zal nog worden versterkt door het grotere verschil tussen de sinds juli 1982 geldende BTW-tarieven.

6.

De zesde vraag luidt als volgt:

> „Partijen wordt verzocht om een vergelijkend overzicht van de produktie en het verbruik in Italië van Italiaanse gin en andere gedistilleerde dranken.”

Wat het verbruik van in Italië geproduceerde gin betreft, legt de *Commissie* de volgende tabel over, die in onderling overleg tussen de partijen is opgesteld.

Verbruik van Italiaans gedistilleerd (met inbegrip van gin) in hectoliters zuivere alcohol

Jaar1975197619771978197919801981Totaal verbruik (binnenland en export)336633400441339478348082369384351743343248Binnenlands verbruik323033368644322325326130357580325053266978

Wegens het ontbreken van de nodige gegevens kan de Commissie geen cijfers met betrekking tot de produktie overleggen.

Ofschoon specifieke gegevens ontbreken, meent de Commissie het jaarlijks verbruik te kunnen schatten op ongeveer 4000 hl — een geringe en te verwaarlozen hoeveelheid.

Volgens de *Italiaanse regering* bevatten de officiële statistieken geen informatie over de produktie en het verbruik van Italiaanse gin. Op grond van bij de producenten verkregen gegevens kan het verbruik van Italiaanse gin in Italië worden geschat op ongeveer 4000 hl zuivere alcohol (overeenkomend met 10000 hl gin van 40 %), een cijfer dat de laatste jaren vrijwel constant is gebleven.

In bijlage geeft de Italiaanse regering de totaalcijfers betreffende het verbruik van Italiaans gedistilleerd. Voorraadcijfers ontbreken.

De *Britse regering* was niet in staat voldoende adequate of nauwkeurige cijfers te verkrijgen om een bruikbare vergelijking te maken.

#### VI — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 14 december 1982 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de Commissie, vertegenwoordigd door A. Abate; het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door R. J. A. Carnwath; en de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door M. Conti.

De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 25 januari 1983 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het Hof op 23 december 1981, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door bij de belasting over de toegevoegde waarde (BTW) een gedifferentieerd tarief toe te passen op gedistilleerde dranken — afhankelijk van de aanduiding van oorsprong of herkomst —, de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2. De Italiaanse BTW-regeling kent naast het gewone tarief één verlaagd tarief en twee hogere tarieven. Het ene hogere tarief — ten tijde van de instelling van het beroep 18 %, doch bij besluitwet nr. 697 van 1 oktober 1982 (GURI nr. 273 van 4 oktober 1982) verhoogd tot 20 % — geldt voor een aantal produkten die, naar het oordeel van de Italiaanse wetgever, niet-essentiële goederen of genotmiddelen zijn. Het tweede hogere tarief geldt voor produkten waarvan het verbruik volgens de nationale wetgever een luxe of prestigekarakter heeft; het bedroeg bij het instellen van het beroep 35 % en is bij besluitwet nr. 697 van 1 oktober 1982 verhoogd tot 38 %.

3. Volgens besluitwet nr. 58 van 4 maart 1977 (GURI nr. 70 van 14 maart 1977), omgezet in wet nr. 183 van 9 mei 1977 (GURI nr. 129 van 13 mei 1977) en gewijzigd bij besluitwet nr. 697 van 1 oktober 1982 (GURI nr. 273 van 4 oktober 1982), vallen alle gedistilleerde dranken onder de hogere tarieven. Daarbij wordt echter onderscheid gemaakt in die zin, dat gin en gedistilleerde dranken met een in het land van produktie door bijzondere maatregelen geregelde of beschermde aanduiding van oorsprong of herkomst worden belast volgens het tarief van 35 % (thans 38 %), terwijl alle andere gedistilleerde dranken worden belast volgens het tarief van 18 % (thans 20 %).

4. Omdat er in Italië geen enkele regeling bestaat ter bescherming van aanduidingen van oorsprong of herkomst van in Italië geproduceerd gedistilleerd — het gaat daarbij hoofdzakelijk om dranken die als „grappa” worden aangeduid —, meende de Commissie dat de BTW-regeling met het bovenomschreven criterium een fiscale subcategorie invoerde die ertoe leidde, dat nagenoeg alle uit de andere Lid-Staten geïmporteerde gedistilleerde dranken zwaarder werden belast dan de gelijksoortige of concurrerende nationale produkten.

5. Van oordeel dat de regeling uit dien hoofde onverenigbaar was met artikel 95 EEG-Verdrag, leidde zij de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag in en bracht zij op 2 februari 1979 een met redenen omkleed advies uit, dat zowel betrekking had op de hogere belasting op gin als op die op in de andere Lid-Staten geproduceerde gedistilleerde dranken met een aanduiding van oorsprong of herkomst. In dit advies constateerde zij dat de Italiaanse Republiek, door deze belastingregeling te handhaven, haar verplichtingen krachtens artikel 95 EEG-Verdrag niet was nagekomen, en nodigde zij haar uit, alle noodzakelijke maatregelen te nemen om daaraan een einde te maken.

6. Toen de Italiaanse Republiek aan die uitnodiging geen gehoor gaf, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.

7. De Commissie, hierin gesteund door de regering van het Verenigd Koninkrijk, betoogt in hoofdzaak, dat de bestreden gedifferentieerde belastingregeling tot gevolg heeft, dat nagenoeg alle uit de andere Lid-Staten ingevoerde gedistilleerde dranken zwaarder worden belast dan nagenoeg alle Italiaanse gedistilleerde dranken, en zodoende de nationale produktie beschermt. De Commissie erkent dat het de Lid-Staten vrijstaat ook voor gelijksoortige of concurrerende produkten gedifferentieerde belastingtarieven vast te stellen, mits zij zich daarbij houden aan de voorwaarden gesteld in 's Hofs arrest van 14 januari 1981 (zaak 46/80, Vinal, Jurispr.1981, blz. 77), doch meent dat de door de Italiaanse regering gekozen criteria niet aan die voorwaarden voldoen. Door het criterium betreffende de gereglementeerde aanduiding van oorsprong of herkomst zouden nagenoeg alle ingevoerde gedistilleerde dranken bij voorbaat van de toepassing van het lagere tarief worden uitgesloten, terwijl vrijwel de gehele Italiaanse produktie er wel voor in aanmerking komt, ofschoon de omstandigheid dat de aanduiding van oorsprong of herkomst in andere Lid-Staten beschermd is, de betrokken gedistilleerde dranken niet voldoende van Italiaans gedistilleerd onderscheidt om een gedifferentieerde behandeling te rechtvaardigen Tot staving van deze opvatting merkt de Commissie op, dat de prijs vóór belasting van bepaalde ingevoerde gedistilleerde dranken vergelijkbaar is met die van bepaalde Italiaanse produkten; hierdoor zou de bewering van de Italiaanse regering, als zouden de zwaarstbelaste produkten worden gekocht door de meer draagkrachtige consumenten met een voorkeur voor luxe of prestigegoederen, worden weerlegd.

8. Zowel in de administratieve als in de contentieuze fase van de procedure heeft de regering van de Italiaanse Republiek de gestelde niet-nakoming steeds betwist. Zij merkt in de eerste plaats op, dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof de Lid-Staten niet verboden is, belastingenregelingen in te voeren die — ook voor identieke produkten — volgens objectieve criteria, zoals de produktievoorwaarden of de gebruikte grondstoffen, gedifferentieerd zijn (arresten van 22 juni 1976, zaak 127/75, Bobie, Jurispr. 1976, blz. 1079; 10 oktober 1978, zaak 148/77, Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1787; 30 oktober 1980, zaak 26/80, Schneider, Jurispr. 1980, blz. 3469; 14 januari 1981, zaken 140/79, Chemial, en 46/80, Vinal, Jurispr. 1981, blz. 1 en 77; 27 mei 1981, gevoegde zaken 142 en 143/80, Essevi en Salengo, Jurispr. 1981, blz. 1413). Zij merkt inzonderheid op, dat het Hof in de arresten Chemial en Vinal van 14 januari 1981 heeft erkend, dat het toepassen van een gedifferentieerd belastingstelsel niet kan worden geacht een indirecte bescherming van de nationale produktie in de zin van artikel 95, tweede alinea, te zijn, alleen omdat het zwaarstbelaste produkt in feite uitsluitend uit de andere Lid-Staten wordt geïmporteerd.

9. Volgens de Italiaanse regering berust de hogere belasting van gin en gedistilleerde dranken met een in het land van produktie door bijzondere maatregelen geregelde beschermde aanduiding van oorsprong of herkomst op objectieve criteria. Dat op deze dranken het hoogste BTW-tarief wordt toegepast, zou in overeenstemming zijn met het legitieme, in alle BTW-regelingen terug te vinden streven, de essentiële of althans noodzakelijke verbruiksgoederen volgens een ander tarief te belasten dan de niet-noodzakelijke en, tenslotte, de luxe- of prestigegoederen.

10. Gedistilleerde dranken met een beschermde aanduiding van oorsprong of herkomst zouden juist wegens dit kenmerk tot laatstgenoemde categorie behoren, waarnaar uit dien hoofde een bijzondere vraag bestaat vanwege de beter gesitueerden; de hogere belasting zou dan ook uitsluitend ten doel hebben, „om redenen van verdelende rechtvaardigheid een zwaardere last te leggen op luxeverbruik, dat als zodanig een aanwijzing vormt voor een grotere draagkracht”. De bestreden belastingregeling zou derhalve voldoen aan de vereisten van objectiviteit en neutraliteit, die noodzakelijk zijn om de gedifferentieerde belastingtarieven voor gelijksoortige of concurrerende produkten overeenkomstig artikel 95 te rechtvaardigen.

11. Wat de feiten betreft, merkt de Italiaanse regering voorts op, dat ook de in Italië geproduceerde gin, waarvan het volume dat van de ingevoerde gin overtreft, om dezelfde redenen volgens het hoogste tarief wordt belast. Bovendien zou de hogere belasting op gedistilleerde dranken met een gereglementeerde aanduiding van oorsprong of herkomst niet het in artikel 95, tweede alinea, verboden gevolg hebben, dat andere produkties worden beschermd. De van verschillende zijden overgelegde statistische gegevens zouden immers aantonen, dat de Italiaanse invoer uit de andere Lid-Staten — inzonderheid het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk — zowel van gin Als van ander gedistilleerd met een aanduiding van oorsprong of herkomst in zijn geheel genomen tussen 1971 en 1981 aanzienlijk is gestegen.

12. Alvorens in te gaan op de verschillende standpunten die in het onderhavige geding zijn verdedigd, moet worden vastgesteld dat, zoals blijkt uit de bewoordingen van het verzoekschrift en door de Commissie tijdens de mondelinge behandeling is bevestigd, deze procedure niet de belasting op gin betreft, doch enkel die op gedistilleerde dranken met een in het land van produktie door bijzondere maatregelen gereglementeerde of beschermde aanduiding van oorsprong of herkomst.

13. Met betrekking tot deze dranken herinnert de regering van de Italiaanse Republiek er terecht aan, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof „het gemeenschapsrecht in. de huidige stand zijner ontwikkeling niet in de weg staat aan de vrijheid van iedere Lid-Staat om met behulp van objectieve criteria, zoals de aard van de grondstoffen of de toegepaste produktieprocédés, voor bepaalde produkten een systeem van gedifferentieerde belastingheffing vast te stellen. Zulke differentiaties verdragen zich met het gemeenschapsrecht, wanneer zij gericht zijn op de verwezenlijking van economische beleidsoogmerken die zelf ook met de in het Verdrag en in het afgeleide recht gestelde eisen verenigbaar zijn, en wanneer in de uitvoeringsbepalingen alle mogelijke, rechtstreekse of indirecte discriminatie jegens importen uit derde landen en/of iedere vorm van bescherming van concurrerende nationale produkten wordt vermeden” (arrest van 27 mei 1981, gevoegde zaken 142 en 143/80, Essevi en Salengo, Jurispr. 1981, blz. 1413).

14. Bovendien kan niet worden betwist, dat de Lid-Staten in het kader van de geharmoniseerde BTW-stelsels bevoegd zijn inzonderheid bepaalde, als luxe produkten beschouwde verbruiksgoederen zwaarder te belasten. De heffingvrijheid op het gebied ván de binnenlandse belastingen, die dus aan de Lid-Staten moet worden gelaten, kan echter geen afwijkingen rechtvaardigen van het in artikel 95 neergelegde fundamentele verbod van fiscale discriminatie: zij dient binnen de grenzen te blijven die deze bepaling stelt, en de daarin neergelegde verboden te respecteren.

15. Het onderzoek van de bestreden belastingregeling leidt tot de conclusie, dat zij niet aan deze vereisten voldoet.

16. Gelijk het Hof herhaaldelijk heeft geconstateerd — onder meer in zijn arresten van 27 februari 1980 (zaak 168/79, Commissie t. Frankrijk; zaak 169/78, Commissie t. Italië, en zaak 171/78, Commissie t. Denemarken, Jurispr. 1980, blz. 347, 385 en 447) —, komt er onder de gedistilleerde dranken, alle tezamen beschouwd, een onbepaald aantal dranken voor, die als gelijksoortige produkten in de zin van artikel 95, eerste alinea, zijn aan te merken, en zelfs waar een voldoende mate van gelijksoortigheid van de betrokken produkten niet valt vast te stellen, bestaan er niettemin genoegzaam uitgesproken gemeenschappelijke kenmerken om het bestaan van althans een gedeeltelijke of potentiële concurrentieverhouding te aanvaarden. Deze vaststelling volstaat om te kunnen concluderen, dat de belasting op elk van die dranken niet mag leiden tot bescherming van de nationale produktie. Daarbij dient men niet de consumptie- en importcijfers te vergelijken, maar na te gaan hoe groot de markt van de betrokken produkten zonder die protectionistische maatregelen zou kunnen zijn.

17. Bij produkten die hetzij gelijksoortig hetzij derwijze concurrerend zijn dat zij vallen onder het toepassingsgebied van artikel 95, tweede alinea, kan het derhalve niet verenigbaar worden geacht met het discriminatieverbod van die bepaling wanneer men de hogere belasting doet afhangen van een criterium — bijvoorbeeld een aanduiding van oorsprong of herkomst — dat per definitie nimmer van toepassing kan zijn op nationale produkten die gelijksoortig zijn of in bovenomschreven zin concurreren met uit de andere Lid-Staten ingevoerde produkten. Een dergelijke regeling zou de nationale produkten bij voorbaat uitsluiten van de zwaarste belasting, daar zij nimmer aan de desbetreffende voorwaarden voldoen en de nationale wetgever, door eenvoudig van de invoering van een algemene, voor alle gedistilleerde dranken geldende regeling af te zien, deze situatie naar believen kan laten voortbestaan, welke overigens ook de overeenkomsten en verschillen zijn in de produktievoorwaarden, de kwaliteit, de prijs en de concurrentiepositie van de nationale en de uit de andere Lid-Staten ingevoerde produkten.

18. Dit discriminatoire, of in ieder geval ten aanzien van de nationale produktie protectionistische karakter blijkt overduidelijk uit de — op de door verweerster verstrekte cijfers berustende — constatering dat in het tijdvak 1975-1981 tenminste 98,5 % van het ingevoerde gedistilleerd volgens het hogere tarief van 35 % is belast (naar schatting van de Italiaanse regering werd, bij een jaarlijkse import variërend tussen 194099 hl en 284087 hl, slechts 2000-3000 hl gedistilleerd volgens het 18 %-tarief), terwijl gedurende dezelfde periode op meer dan 98,5 % van het Italiaanse gedistilleerd het 18 %-tarief werd toegepast (de jaarlijkse consumptie van aan het 35 %-tarief onderworpen Italiaanse gin is geschat op omstreeks 4000 hl, terwijl de totale consumptie van binnenlands gedistilleerd tussen 266978 hl en 368644 hl per jaar lag).

19. Ook mag men niet uit het oog verliezen dat, ook al kunnen sommige aanduidingen van oorsprong of herkomst de betrokken produkten de naam geven van bijzondere kwaliteit te zijn, deze aanduidingen de betrokken gedistilleerde dranken toch niet in het algemeen en automatisch tot luxe- of prestigegoederen stempelen. Dit geldt in het bijzonder wanneer zij in de Lid-Staat van oorsprong niet als zodanig worden beschouwd.

20. Zou overigens — hetgeen niet bewezen is — het door de Italiaanse wetgeving uit de aanduiding van oorsprong of herkomst afgeleide vermoeden, dat een dergelijk produkt een luxe- of prestigekarakter heeft, in deze of gene Lid-Staat ooit steun hebben gevonden in bepaalde consumentengewoonten, dan moet worden bedacht dat de instelling van een gemeenschappelijke markt, waar overeenkomstig de artikelen 2 en 3 EEG-Verdrag de goederen vrij en onder niet-vervalste mededingingsvoorwaarden circuleren, tot doel heeft die gewoontevorming te doorbreken en alle consumenten zoveel mogelijk gelijke toegang tot alle communautaire produkten te verzekeren.

21. Tenslotte moet erop worden gewezen, dat het vorenoverwogene niet afdoet aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om, met inachtneming van de terzake geldende richtlijnen, luxe produkten volgens een hoger BTW-tarief te belasten dan nationale of ingevoerde produkten die dat karakter niet hebben, met dien verstande evenwel dat de criteria ter afbakening van de zwaarstbelaste produktencategorie niet discriminerend mogen zijn ten aanzien van ingevoerde produkten die gelijksoortig zijn of die, in voege als bedoeld in artikel 95, tweede alinea, met de nationale produkten concurreren.

22. Uit het voorgaande volgt dat de Italiaanse Republiek, door op gedistilleerde dranken, afhankelijk van de aanduiding van oorsprong of herkomst, een gedifferentieerde belastingregeling toe te passen — zoals voortvloeit uit besluitwet nr. 58 van 4 maart 1977, betreffende de BTW —, met betrekking tot uit de andere Lid-Staten ingevoerde produkten de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende, verstaat:

1\. Door op gedistilleerde dranken, afhankelijk van de aanduiding van oorsprong of herkomst, een gedifferentieerde belastingregeling toe te passen — zoals voortvloeit uit besluitwet nr. 58 van 4 maart 1977, betreffende de BTW — is de Italiaanse Republiek met betrekking tot uit de andere Lid-Staten ingevoerde produkten de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2\. Verweerster wordt verwezen in de kosten van de procedure.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

13

EEG-Verdrag art. 95 11 voorkomens

EEG-Verdrag art. 169 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 2 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 3 1 voorkomen

[127/75, arrest van 22 juni 1976](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-127-75-arrest) 1 voorkomen

[148/77, arrest van 10 oktober 1978](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-148-77-arrest) 1 voorkomen

[168/78, arrest van 27 februari 1980](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-168-78-arrest) 1 voorkomen

[169/78, arrest van 27 februari 1980](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-169-78-arrest) 1 voorkomen

[171/78, arrest van 27 februari 1980](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-171-78-arrest) 1 voorkomen

[140/79, arrest van 14 januari 1981](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-140-79-arrest) 1 voorkomen

[26/80, arrest van 30 oktober 1980](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-26-80-arrest) 1 voorkomen

[46/80, arrest van 14 januari 1981](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-46-80-arrest) 1 voorkomen

[142/80 en 143/80, arrest van 27 mei 1981](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-142-80-arrest) 1 voorkomen

## Rechtspraak

9

### Europese Unie

9

Conclusie van advocaat-generaal Sharpston C-290/05 13.07.2006

#### [Binnenlandse belastingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-290-05-conclusie)

Hof van Justitie C-387/01 29.04.2004

#### [Vrij verkeer van werknemers, invoer van auto](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-387-01-arrest)

Hof van Justitie C-230/89 18.04.1991

#### [EEG-Verdrag art. 95 en art. 169](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-230-89-arrest)

## Rechtsleer

3

Tizzano, Antonio: Il Foro italiano 1983 IV Col. 285-287 (IT)

Ballarino, Tito: La tassazione degli alcolici in Italia e l'obbligo comunitario di non discriminazione, Rivista di diritto internazionale privato e processuale 1984 p.51-58 (IT)

Keur, D.J.: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1984 p.364-365 (NL)
