---
title: "HvJ EU, C-30/89, arrest van 13 maart 1990 · Territoriale werkingssfeer"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 maart 1990, C-30/89: territoriale werkingssfeer."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-30-89-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-30-89-arret"
---

# Arrest van het Hof van 13 maart 1990, C-30/89 · Territoriale werkingssfeer, vervoer tussen twee punten op het nationale grondgebied, doch gedeeltelijk buiten dat grondgebied om

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

C-30/89

**ECLI**

ECLI:EU:C:1990:114

**Datum**

13 maart 1990

## De zaak

**Procedure**

Beroep wegens niet-nakoming ongegrond

**Zaak ingediend op**

3 februari 1989

**Advocaat-generaal**

[Lenz conclusie van 14 februari 1990](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-30-89-conclusie)

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Frans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1990, blz. I-691

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Schockweiler

**Repertorium van het Hof**

- [Communautaire rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A) [Bronnen van het gemeenschapsrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01) [Algemene rechtsbeginselen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02) [Rechtszekerheid](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02.05) 33 beslissingen
- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Fiscale bepalingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10%2C578-4.10) [Harmonisatie van de belastingwetgevingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02%2C578-4.10.02) [Belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01%2C578-4.10.02.01) [Toepassingsgebied](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01.02%2C578-4.10.02.01.02) [Territoriaal toepassingsgebied](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01.02.01) 7 beslissingen

## Tekst

30 paragrafen

### Arrest

1.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 3 februari 1989, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat de Franse Republiek, door in strijd met de zesde richtlijn (77/38 8/EEG) van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, biz. 1 ; hierna „zesde richtlijn”), het vervoer tussen het Franse vasteland en de op Corsica gelegen departementen voor het buiten het vasteland gelegen gedeelte van het traject van BTW vrij te stellen,

—niet heeft voldaan aan de verplichting, de noodzakelijke berekeningen te maken, een afschrift van die berekeningen aan de Commissie te zenden, en op 31 oktober 1986 de over de jaren 1980 tot en met 1985 niet betaalde eigen middelen ter beschikking van de Commissie te stellen, welke verplichting op haar rust krachtens verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 2892/77 van de Raad van 19 december 1977 houdende toepassing voor de eigen middelen uit de belasting over de toegevoegde waarde van het besluit van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen (PB 1977, L 336, biz. 8),

—niet heeft voldaan aan de verplichting, over die bedragen vertragingsrente vanaf 31 oktober 1986 te betalen, welke verplichting op haar rust krachtens artikel 11 van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 2891/77 van de Raad van 19 december 1977 houdende toepassing van het besluit van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen (PB 1977, L 336, biz. 1).

2. De Commissie is van oordeel, dat ingevolge de bepalingen van de zesde richtlijn en in het bijzonder de artikelen [2](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2) en [3](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-3) daarvan, zee- en luchtvervoer waarbij de plaats van vertrek en de plaats van aankomst op Frans grondgebied liggen, voor zover daarbij geen tussenhaven of luchthaven in een ander land wordt aangedaan, moet worden aangemerkt als geheel binnen Frankrijk plaats te vinden en derhalve aan BTW te zijn onderworpen, onverschillig of het afgelegde traject deels door of over internationale wateren verloopt.

3. De Commissie erkent, dat de Franse Republiek op grond van artikel 28, lid 3, sub b, en punt 17 van [bijlage F](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/bijlage-f) bij de zesde richtlijn het vervoer tussen het Franse vasteland en de op Corsica gelegen departementen van BTW kan blijven vrijstellen, voor zover het het buiten het vasteland gelegen gedeelte van het traject betreft.

4. In dat geval evenwel, aldus de Commissie, dient de Franse Republiek die vrijstelling te compenseren, door overeenkomstig artikel 9, lid 2, van voornoemde verordening nr. 2892/77 in de grondslag van de eigen middelen uit de BTW de omzet op te nemen van het gehele betrokken vervoer, hieronder begrepen het gedeelte van het traject dat door of over de internationale wateren tussen het Franse vasteland en Corsica verloopt.

5. Bijgevolg heeft de Commissie de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag ingeleid door de Franse Republiek bij brief van 6 mei 1987 in gebreke te stellen.

6. In haar schrijven van 7 juli 1987 bestreed de Franse Republiek de opvatting van de Commissie. Zij stelde met name, dat de belastingvrijstelling voor het gedeelte van het vervoer tussen het Franse vasteland en Corsica, dat via de internationale zee of het luchtruim daarboven plaatsvindt, voortvloeit uit artikel 9, lid 2, sub b, en niet uit de overgangsmaatregelen van [artikel 28, lid 3, sub b, van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-28). De term „plaats” in [artikel 9, lid 2, sub b, van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-9) zou staan voor een aardrijkskundig begrip, waardoor een dienst kan worden gelokaliseerd, ten einde de belastingheffing over een op die plaats uitgeoefende economische activiteit toe te wijzen aan het land dat daar territoriale soevereiniteit bezit. De volle zee en het internationale luchtruim zouden echter geen deel uitmaken van het gebied van een Lid-Staat, zodat wat het vervoer tussen het Franse vasteland en Corsica betreft, het in of boven de internationale wateren gelegen gedeelte van het traject niet in Frankrijk is gelegen. Volgens de Franse Republiek volgt hieruit, dat het in of boven de internationale wateren gelegen gedeelte van het traject tussen het Franse vasteland en Corsica niet in de grondslag voor de eigen middelen uit de BTW behoeft te worden opgenomen.

7. Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

8. Om te kunnen beslissen of de Franse Republiek gehouden was, het bedrag aan BTW dat overeenkomt met het in of boven de internationale wateren gelegen gedeelte van het traject tussen het Franse vasteland en Corsica, als eigen middelen ter beschikking van de Commissie te stellen, moet worden onderzocht, welke verplichtingen de zesde richtlijn aan de Lid-Staten oplegt.

9. Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat deze richtlijn met het oog op de invoering in de Gemeenschap van een gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde de Lid-Staten de verplichting oplegt, hun nationale BTW-stelsels in overeenstemming te brengen met de door de richtlijn voorgeschreven gemeenschappelijke regels.

10. Tot deze regels behoort ook de vaststelling van de plaats van de belastbare handelingen, wat volgens de zevende overweging van de considerans van de zesde richtlijn noodzakelijk is om competentieconflicten tussen de Lid-Staten te voorkomen.

11. Zo verplicht [artikel 2, lid 1, van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2) de Lid-Staten, alle diensten die in het binnenland onder bezwarende titel worden verricht, aan BTW te onderwerpen.

12. De territoriale werkingssfeer van de zesde richtlijn komt volgens artikel 3, lid 1, overeen met de werkingssfeer van het EEG-Verdrag, zoals die in artikel 227 van dat Verdrag voor elke Lid-Staat is omschreven.

13. Met betrekking tot diensten geeft [artikel 9, lid 1, van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-9) als algemene regel, dat „als plaats van een dienst wordt aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht, of bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats”.

14. Met betrekking tot vervoerdiensten evenwel bevat [artikel 9, lid 2, sub b, van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-9) een afwijking van de algemene regel, waar het bepaalt dat de plaats van vervoerdiensten de plaats is „waar het vervoer plaatsvindt, zulks naar verhouding van de afgelegde afstanden”.

15. De enige verplichting die de zesde richtlijn de Lid-Staten met betrekking tot de belasting van vervoerdiensten oplegt, houdt blijkens deze bepalingen dus in, dat zij de binnen hun territoriale grenzen verrichte diensten aan de belasting moeten onderwerpen.

16. De bijzondere aanknopingsregel voor vervoerdiensten, waarbij wordt afgeweken van de algemene, in [artikel 9, lid 1, van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-9) neergelegde regeling ter bepaling van de plaats van diensten, beoogt dus te verzekeren, dat elke Lid-Staat vervoerdiensten belast voor de op zijn grondgebied gelegen gedeelten van het traject.

17. De zesde richtlijn bevat echter geen enkel voorschrift dat de Lid-Staten zou verplichten, BTW te heffen voor die gedeelten van het traject van een vervoerdienst, die gelegen zijn buiten de territoriale grenzen van die staten, in internationale wateren of in het internationale luchtruim. Meer in het bijzonder legt geen enkele bepaling van de richtlijn de Lid-Staten de verplichting op, vervoerdiensten aan BTW te onderwerpen voor de in internationale wateren of in het internationale luchtruim afgelegde afstanden, wanneer het vervoer tussen twee op hetzelfde nationale grondgebied gelegen punten plaatsvindt zonder dat een tussenhaven of luchthaven in een andere staat wordt aangedaan.

18. Volgens het arrest van het Hof van 23 januari 1986 (zaak 283/84, Trans Tirreno Express, Jurispr. 1986, blz. 231, r. o. 21) verzet de zesde richtlijn zich er niet tegen, dat een Lid-Staat een vervoerdienst tussen twee op zijn nationale grondgebied gelegen punten met BTW belast, ook al vindt het vervoer gedeeltelijk buiten zijn nationale grondgebied plaats, mits die staat geen inbreuk maakt op de fiscale bevoegdheden van andere staten. Uit dit arrest mag echter niet worden afgeleid, dat de Lid-Staten ingevolge de zesde richtlijn verplicht zijn, op hun grondgebied verricht vervoer voor het in of boven de internationale wateren gelegen gedeelte van het traject aan BTW te onderwerpen. De enige gevolgtrekking die uit de algemene doelstelling van de zesde richtlijn mag worden gemaakt, is dat de Lid-Staten die gebruik maken van de vrijheid om het toepassingsgebied van hun belastingwetgeving uit te breiden tot buiten hun eigenlijke territoriale grenzen, bij de belastingheffing over de betrokken handelingen de door de richtlijn gestelde gemeenschappelijke regels dienen na te leven.

19. Derhalve moet worden vastgesteld, dat de in casu door de Commissie voorgestane extensieve uitlegging in de zesde richtlijn zelf geen enkele grondslag vindt.

20. Een dergelijke uitlegging zou overigens niet tot een gemeenschappelijk BTW-stelsel kunnen leiden. Immers, ook wanneer de Lid-Staten, zoals de Commissie stelt, in het geval van rechtstreeks vervoer tussen twee punten op het nationale grondgebied belasting zouden moeten heffen over het in internationale wateren of in het internationale luchtruim gelegen gedeelte van het traject, zou het resultaat daarvan geen uniforme BTW-regeling zijn, daar de door de Commissie voorgestane uitlegging geen oplossing biedt voor vervoer tussen twee in verschillende Lid-Staten gelegen punten.

21. Ter ondersteuning van haar opvatting beroept de Commissie zich nog op de gemeenschappelijke opvatting van de Lid-Staten, die zij meent te kunnen afleiden uit de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, biz. 23, hierna: „Toetredingsakte”). Bij die Toetredingsakte werd de Portugese Republiek in het aan [artikel 15 van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-15) toegevoegde punt 15 het recht verleend, vervoer over zee en door de lucht tussen de eilanden die de autonome gebieden van de Azoren en Madeira vormen, en tussen deze eilanden en het vasteland gelijk te stellen met internationaal vervoer en het derhalve niet aan BTW te onderwerpen (zie bijlage I, sub V, punt 2, bij de Toetredingsakte). Volgens artikel 374, tweede alinea, Toetredingsakte is „de in [artikel 15, punt 15, van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-15)... bedoelde afwijking... niet van invloed op het bedrag van de rechten die uit hoofde van \[de eigen middelen uit de BTW\] verschuldigd zijn”.

22. Dienaangaande moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat bepalingen als die welke voor de Portugese Republiek gelden, niet zijn voorzien voor het Koninkrijk Spanje, hoewel dit wat het zee- en luchtvervoer tussen het vasteland en de onder zijn soevereiniteit vallende eilanden betreft, in een zelfde situatie verkeert als de Portugese Republiek. Daarom moet worden aangenomen, dat de door de Commissie genoemde bepalingen van de Toetredingakte zijn vastgesteld ter oplossing van bijzondere problemen die de toetreding voor de Portugese Republiek meebracht. Er mag dus niet uit worden afgeleid, dat de Lid-Staten een bepaalde uitlegging wilden geven aan een bepaling van bestaand afgeleid recht.

23. In de tweede plaats zij eraan herinnerd, dat in het bijzonder bij een regeling die financiële gevolgen kan hebben, rechtszekerheid en voorzienbaarheid volgens vaste rechtspraak van het Hof een dwingend vereiste *is* waaraan streng de hand moet worden gehouden (arresten van 15 december 1987, zaak 326/85, Nederland/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 5091, r. o. 24; en 22 februari 1989, gevoegde zaken 92/87 en 93/87, Commissie/Frankrijk en Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1989, blz. 405, r. o. 22). De gemeenschapsregeling inzake de BTW nu is wegens de plicht van de Lid-Staten een gedeelte van de als BTW geheven bedragen als eigen middelen ter beschikking van de Gemeenschap te stellen, een regeling die belangrijke financiële gevolgen voor de Lid-Staten heeft.

24. Uit het voorgaande volgt dat, waar de zesde richtlijn niet aldus kan worden uitgelegd, dat zij de Franse Republiek de verplichting oplegt, het vervoer tussen haar op het vasteland gelegen gebied en de op Corsica gelegen departementen voor het door of over internationale wateren verlopende gedeelte van het traject aan BTW te onderwerpen, deze Lid-Staat niet verplicht was, overeenkomstig verordening nr. 2892/77 de daarop betrekking hebbende omzet over de jaren 1980 tot en met 1985 in de berekeningsgrondslag voor de eigen middelen uit de BTW op te nemen en deze bedragen op 31 oktober 1986 aan de Commissie ter beschikking te stellen, noch ingevolge artikel 11 van verordening nr. 2891/77 vanaf 31 oktober 1986 vertragingsrente over deze bedragen te betalen.

25. Mitsdien moet worden geconcludeerd, dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de Franse Republiek de krachtens de verordeningen nrs. 2891/77 en 2892/77 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. Bijgevolg moet het beroep van de Commissie worden verworpen.

### Kosten

26. Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Daar de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij worden verwezen in de kosten, hieronder begrepen de kosten van intervenient.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende :

1) Verwerpt het beroep.

2) Verwijst de Commissie in de kosten, daaronder begrepen die van intervenient.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

12

[Zesde richtlijn 77/388 art. 9](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-9) 4 voorkomens

EEG-Verdrag art. 169 2 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 15](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-15) 2 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 2](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2) 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 227 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 bijlage F](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/bijlage-f) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 28](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-28) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 3](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-3) 1 voorkomen

verordening 2891/77 art. 11 1 voorkomen

[326/85, arrest van 15 december 1987](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-326-85-arrest) 1 voorkomen

[92/87 en 93/87, arrest van 22 februari 1989](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-92-87-arrest) 1 voorkomen

[283/84, arrest van 23 januari 1986](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-283-84-arrest) 1 voorkomen

## Rechtspraak

19

### België

1

Rechtbank van eerste aanleg te Marche 12.06.2019

#### [Verlaagd tarief van 6%, Werken in onroerende staat, Omvormingswerken](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-tarief-werken-in-onroerende-rechtbank-marche-2019-06-12-9d34)

### Europese Unie

18

Hof van Justitie C-539/09 15.11.2011

#### [Door de Rekenkamer aangekondigd voornemen om in lidstaat controles uit te voeren](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-539-09-arrest)

Conclusie van advocaat-generaal Mazák C-291/07 17.06.2008

#### [Plaats van belastbare handelingen, fiscaal aanknopingspunt](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-291-07-conclusie)

Hof van Justitie C-58/04 15.09.2005

#### [Plaats van belastbare handelingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-58-04-arrest)

## Rechtsleer

2

X: Revue de jurisprudence fiscale 1990 p.457

González Sánchez, Manuel: Exoneración de contribución financiera a la CEE por transportes realizados en aguas y espacios aéreos internacionales, Noticias CEE 1991 nº 74 p.71-74
