---
title: "HvJ EU, 30/72, arrest van 8 februari 1973 · Verordening 2637/69 art. 6 en art. 5"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 februari 1973, 30/72: verordening 2637/69 art. 6 en art. 5."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-30-72-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-30-72-arret"
---

# Arrest van het Hof van 8 februari 1973, 30/72 · Verordening 2637/69 art. 6 en art. 5

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

30/72

**ECLI**

ECLI:EU:C:1973:16

**Datum**

8 februari 1973

## De zaak

**Procedure**

Beroep wegens niet-nakoming gegrond

**Zaak ingediend op**

8 juni 1972

**Advocaat-generaal**

Mayras

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Italiaans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1973, blz. 161

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Kutscher

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Beginselen en burgerschap van de Unie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-01) [Verplichtingen van de lidstaten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-01.03) 62 beslissingen
  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Beroep wegens niet-nakoming](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.01) [Verweermiddelen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.01.03) 48 beslissingen

## Tekst

46 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

#### I — De feiten en het procesverloop

Overwegende dat de feiten en het procesverloop kunnen worden samengevat als volgt:

1\. Op 9 december 1969 heeft de Raad, onder meer op grond van de overweging „dat de gemeenschappelijke markten voor appelen, peren en perziken worden gekenmerkt door een zeker gebrek aan aanpassing van het aanbod aan de vraag, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht”, verordening (EEG) nr. 2517/69 uitgevaardigd „tot vaststelling van bepaalde maatregelen ter sanering van de fruitproduktie in de Gemeenschap”, die op 1 januari 1970 (PB nr. L 318, blz. 15) in werking is getreden. Sommige bepalingen dezer verordening zijn gewijzigd bij 's Raads verordening (EEG) nr. 2476/70 van 7 december 1970 (PB nr. L 266, blz. 2). Wanneer men deze wijzigingen in aanmerking neemt, behelst de onderhavige verordening nr. 2517/69 in hoofdzaak het volgende: Volgens artikel 1 kwamen de fruitproducerende landbouwers in de Gemeenschap „op hun verzoek in aanmerking voor een premie voor het rooien van appelbomen, perebomen en perzikbomen”; de voorwaarden voor toekenning van deze premie moesten door de Commissie op advies van het comité van beheer worden vastgesteld. De aanvragen moesten vóór 1 maart 1971 worden ingediend en de premie werd slechts toegekend aan degenen die zich schriftelijk verbonden vóór 1 maart 1973 over te gaan tot rooiing der fruitbomen waarvoor de premie was aangevraagd en gedurende vijf jaren volledig van het aanplanten van appelbomen, perebomen en perzikbomen wilden afzien (artikel 2). De premie werd „in één keer uitgekeerd wanneer de aanvrager het bewijs \[leverde\] dat hij daadwerkelijk heeft gerooid” (artikel 3, lid 2, gewijzigd); het Europees Oriënterings- en Garantiefonds voor de Landbouw vergoedde de staten 50 % van de betaalde premies (artikel 7). Op grondslag van verordening nr. 2517/69 heeft de Commissie op 24 december 1969 verordening (EEG) nr. 2637/69 uitgevaardigd „houdende vaststelling van de rooipremie voor appelbomen, perebomen en perzikbomen alsmede van de voorwaarden voor de toekenning van deze premie” (PB nr. L 327, blz. 31). In deze verordening, die op 1 januari 1970 in werking is getreden en bij verordening (EEG) 2565/70 van 18 december 1970 (PB nr. L 275, blz. 22) gedeeltelijk is gewijzigd, wordt met name het volgende bepaald: „Het verzoek om toekenning van de premie wordt ingediend bij de daartoe door iedere Lid-Staat aangewezen bevoegde instantie”; het moet bepaalde opgaven bevatten (artikel 4) „na ontvangst van het verzoek gaat de door de bevoegde instantie aangewezen beambte over tot controle” van deze opgaven; na deze controle en na registratie van de door de exploitant ondertekende schriftelijke verbintenis om gedurende vijf jaar van de aanplant van fruitbomen af te zien, constateert de bevoegde instantie „dat het verzoek ontvankelijk is” (artikel 5). „Op verzoek van betrokkene constateert de door de bevoegde instantie aangewezen beambte dat de rooiing heeft plaatsgevonden en geeft hij een verklaring af waaruit blijkt op welke datum zulks is geschied” (artikel 6). Het in artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2517/69 bedoelde bewijs wordt door de exploitant geleverd door overlegging van de in artikel 6 bedoelde verklaring aan de bevoegde instantie" (artikel 7).

2\. In een rondschrijven, nr. 7 van 14 februari 1970, heeft het Italiaanse Ministerie van Land- en Bosbouw de bevoegde plaatselijke instanties gewezen op verordening nr. 2517/69. Zich het recht voorbehoudend om „zodra mogelijk de nodige instructies voor de toekenning van de premie te geven”, verbood het bedoelde instanties uitgaven voor de aanleg en vernieuwing van appel-, pereen perzikboomgaarden te subsidiëren. Bij rondschrijven nr. 17 van 12 mei 1970 heeft dit zelfde ministerie: een exposé gegeven van de doelstellingen van de verordeningen nrs. 2517/69 en 2637/69 en daarvan bepaalde belangrijke gedeelten weergegeven; gedetailleerde instructies gegeven inzake de indiening en registratie der premieaanvragen, controle ter plaatse op de bij aanvraag gedane opgaven, het „besluit tot toekenning der premie”, de vaststelling — op verzoek van belanghebbende — dat het rooien had plaatsgevonden, de toekenning van de premie en de maatregelen die moesten worden genomen wanneer de begunstigde in strijd met zijn schriftelijke verbintenis tot nieuwe aanplant mocht overgaan. Bij dit rondschrijven waren de modellen gevoegd die in de verschillende fasen van de behandeling moesten worden gebruikt (aanvraagformulieren, taxatierapporten, enz.); het eindigde als volgt: „Na zo de procedure inzake de toekenning en betaling der rooipremies te hebben omschreven, wil het ministerie erop wijzen dat de assessoraten en inspecties, in afwachting van de wettelijke maatregel die ter uitvoering der hierbedoelde maatregelen de nodige kredieten zal vrijmaken, er voorshands mede moeten volstaan aan deze maatregelen publiciteit te geven en de aanvragen der betrokken landbouwers in ontvangst te nemen”. Op 26 november 1970 deed het ministerie tot de plaatselijke instanties rondschrijven nr. 24 uitgaan, waarin men het volgende leest: „Omdat de hierbedoelde wettelijke maatregel heden ten dage nog niet is genomen en niet te voorzien valt wanneer dit wel het geval zal zijn, terwijl bovendien verschillende provinciale landbouwinspecties, organisaties, verenigingen en particulieren er bij de administratie op aandringen spoedig uitvoering aan de communautaire bepalingen te geven, worden — mede in aanmerking genomen de tijdvakken waarbinnen het rooien der boomgaarden technisch uitvoerbaar is — de betrokken inspecties door middel van deze circulaire tot de voorafgaande controles ter plaatse gemachtigd. Waar de inspecties zich formeel pas tot toekenning der hierbedoelde premies kunnen binden wanneer genoemde wettelijke maatregel zal zijn genomen, wordt er op gewezen dat de inspecties na tot de voorafgaande controles ter plaatse te zijn overgegaan, desgeraden voorlopige rooivergunningen kunnen afgeven, doch daarbij uitdrukkelijk moeten vermelden dar de inspecties zich geenszins tot toekenning van de premie verbinden, aangezien zodanige beslissing eerst nadien — naar gelang daartoe de middelen beschikbaar gesteld zijn en volgens de ter uitvoering der bijzondere maatregelen vast te stellen criteria — kan worden genomen. Bij brief van 3 februari 1971 heeft de Commissie vastgesteld dat, voor zover haar bekend, aan de regeling die bij genoemde bepalingen in leven was geroepen, „in Italië nog geen concrete toepassing werd gegeven” en de Italiaanse Regering op de aan zodanige situatie verbonden bezwaren gewezen, met uitnodiging binnen twee maanden de nodige maatregelen te nemen, bij gebreke waarvan de Commissie „onverwijld de procedures die in het Verdrag rer verzekering van de toepassing van het Gemeenschapsrecht zijn voorzien, zou moeten inleiden”. De Italiaanse Regering liet deze brief onbeantwoord, waarna de Commissie bij brief van 2 juni 1971 de procedure van artikel 169 van het Verdrag heeft ingeleid — met verzoek aan de regering de Commissie binnen twee maanden haar opmerkingen te doen toekomen —. Toen deze opmerkingen uitbleven, nam de Commissie op 14 oktober 1971 een met redenen omkleed advies als in voormeld artikel 169 bedoeld, waarin zij vaststelde dat de Italiaanse Republiek de voor haar uit de verordeningen nrs. 2517/69 en 2637/69 voortvloeiende verplichtingen niet was nagekomen en die Lid-Staat uitnodigde binnen een maand de nodige maatregelen te nemen. In de overwegingen van dit advies komt onder meer de volgende passage voor: „Blijkens de inlichtingen waarover de Commissie beschikt heeft de Italiaanse Republiek nog niet alle maatregelen genomen om op haar grondgebied uitvoering te geven aan de hiervoor omschreven premieregeling voor her rooien van fruitbomen. Met name de voor de uitkering der premies nodige begrotingsbepalingen laten nog op zich wachten. Er was volgens de inlichtingen der Commissie in Italië dan ook nog geen enkele premie voor het rooien van fruitbomen betaald, ofschoon 11100 Italiaanse telers op de uiterste datum, 1 maart 1971, daartoe strekkende aanvragen voor een totale oppervlakte van 30300 ha hadden ingediend.” Het advies is bij brief van 19 oktober 1971 aan de Italiaanse Regering medegedeeld. Bij brief van 29 november 1971 heeft de permanente vertegenwoordiger van Italië de Commissie doen weten dat „de Italiaanse autoriteiten ter nakoming der communautaire verplichtingen en ook om de nationale producenten niet langer te laten wachten, een schema van een wetsontwerp hebben uitgewerkt om de nodige middelen tot betaling van de premies voor het rooien van de hierbedoelde fruitbomen vrij te maken, welk ontwerp op 9 november jongstleden aan de betrokken ministers is medegedeeld en zeer spoedig voor beraad op de agenda van de Raad van Ministers zal worden geplaatst”. De brieven besloten met de hernieuwde verzekering dat „de betrokken bestuursorganen al het nodige zullen doen opdat de legislatieve behandeling van het betrokken wetsontwerp ten spoedigste kan worden afgesloten”. Nadat deze aangelegenheid op 21 december door het beheerscomité Groenten en Fruit was besproken, heeft de Directeur-generaal Landbouw bij telex van 29 december 1971 Italië verzocht om de navolgende nadere inlichtingen: Heeft de bevoegde nationale instantie na controle van de opgaven door betrokkenen in de premieaanvragen gedaan en na registratie van de verbintenissen der exploitanten bedoeld in artikel 5, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 2637/69, deze aanvragen ontvankelijk verklaard? Welke oppervlakten zijn reeds gerooid? Heeft de door de bevoegde instantie aangewezen beamte geconstateerd dat — en, zo ja, wanneer — het rooien heeft plaatsgevonden!” Bij telex van 25 maart 1972 heeft de permanente vertegenwoordiger van Italië geantwoord „dat er al lang voorschriften inzake het in behandeling nemen van de aanvragen van premies voor het rooien van appelbomen, perebomen en perzikbomen en de voorafgaande controles ter plaatse waren gegeven”. Desondanks had „men zich jegens de aanvragers niet formeel kunnen verbinden, omdat de nationale maatregel tot opening van de nodige kredieten de legislatieve procedure nog niet geheel had doorlopen”. Met betrekking tot de vragen 2 en 3 heeft de permanente vertegenwoordiger „in afwachting van de mogelijkheid de Commissie verder te kunnen inlichten” volstaan met mededeling van het aantal premieaanvragen dat binnen de gestelde termijn definitief was binnengekomen — en de desbetreffende oppervlakten —.

3\. Op 8 juni 1972 heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld. De Italiaanse Regering heeft gedesisteerd van dupliek. Het Hof heeft op rapport van de Rechter-Rapporteur en de Advocaat-Generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan, met dien verstande dat zij de Commissie bij brief van 30 november 1972 heeft verzocht „schriftelijk op te geven welke maatregelen, behalve betaling der premies, de Italiaanse staat had moeten nemen — en binnen welke termijn — om aan haar verplichting — vaststelling van alle bepalingen om op haar grondgebied feitelijk toepassing te geven aan de premieregeling voor het rooien van fruitbomen — te voldoen”. De zaak is namens partijen ter terechtzitting van 10 januari 1973 bepleit. De Advocaat-Generaal heeft ter terechtzitting van 24 januari 1973 zijn conclusie genomen.

#### II — Conclusies van partijen

Overwegende dat de Commissie concludeert dat het den Hove behage:

te verstaan dat de Italiaanse Republiek de voor haar uit de verordeningen (EEG) nrs. 2517/69 en 2637/69 voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen doordat zij niet de nodige bepalingen heeft vastgesteld om op haar grondgebied feitelijke toepassing te geven aan de premieregeling voor het rooien van fruitbomen;

b) de Italiaanse Republiek in de kosten te verwijzen”;

dat de Italiaanse Regering deze conclusies bestrijdt;

#### III — Middelen en argumenten van partijen

Overwegende dat de middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

De Commissie schetst de produktieomstandigheden en marktsituatie op de communautaire markt voor appelen, peren en perziken en wijst er met name op dat in deze sector het kwalitatief toch reeds onbevredigend aanbod om structurele redenen de vraag overtreft, hetgeen telken jare tot een snelle prijsdaling en kostbare interventiemaatregelen ten laste van het budget van de afdeling Garantie van het EOGFL leidt. Met de verordeningen nrs. 2517/69 en 2637/69 heeft men hieraan willen tegemoet komen.

De uitvoering van dit stelsel was toevertrouwd aan de Lid-Staten, die de nodige administratieve en financiële voorschriften moesten geven. Het blijkt echter dat de Italiaanse Republiek niet al deze bepalingen heeft vastgesteld en dat de hierbedoelde premieregeling op Italiaans grondgebied niet daadwerkelijk is toegepast. Weliswaar heeft de Italiaanse Regering bepaalde instructies tot de bevoegde organen doen uitgaan, doch zij kon over de nakoming van de andere uit de hierbedoelde verordeningen voortvloeiende verplichtingen (vaststelling dat het rooien heeft plaatsgehad; afgifte van een verklaring waaruit blijkt in welk tijdvak dit is geschied, enz.) geen inlichtingen verstrekken. Zij heeft ten aanzien van de financiële verplichdngen erkend dat zij niet alleen nog tot geen enkele betaling was overgegaan, doch zich jegens de aanvragers zelfs niet „formeel had verbonden”. Deze verzuimen stonden aan herstel van het evenwicht op de gemeenschappelijke markt in de weg, verzwaarden de lasten van de afdeling Garantie van het EOGFL en berokkenden de betrokkenen Italiaanse producenten ernstig nadeel. Een en ander houdt schending van de verordeningen nrs. 2517/69 en 2637/69 in.

Met name met betrekking tot de term „formele verbintenis”, die in de telex van 25 maart 1972 wordt gebezigd, zij gewezen op de ontoelaatbaarheid van een opvatting die zou medebrengen dat zij niet meer als rechtstreeks toepasselijk zijn te beschouwen en dat particulieren er niet langer rechtstreeks aanspraken aan kunnen ontlenen. Wanneer de voorwaarden waarvan deze verordeningen de toekenning der premies afhankelijk stellen eenmaal zijn vervuld, zijn de nationale bestuursorganen gehouden over te gaan tot de controles die in verordeningen worden voorzien en hebben zij vervolgens de premies te betalen, ongeacht de situatie op legislatief gebied. Het Hof heeft uitgesproken dat stilzitten van het parlement een inbreuk van een Lid-Staat niet vermag te rechtvaardigen. En ook al moest men langs legislatieve weg de nodige kredieten openen, het blijft een feit dat de Italiaanse Regering naar aanleiding van de vaststelling van verordeningen nrs. 2517/69 en 2637/69 bij het parlement geen enkel wetsontwerp heeft ingediend en, de aandrang der Commissie ten spijt, twee jaar is blijven stilzitten. Pas bij het verstrijken van de termijn binnen welke zij zich naar het met redenen omkleed advies der Commissie had kunnen gedragen, heeft de regering medegedeeld dat er een „schema” van een wetsontwerp was uitgewerkt en dat de kwestie „op zeer korte termijn op de agenda van de Raad van ministers zou worden geplaatst…”. De Commissie weet niet op welke datum er een wetsontwerp door de Raad van ministers is goedgekeurd en aan het parlement is toegezonden. De laatste inlichtingen ontleent zij aan de telex van 25 maart 1972, waarin slechts wordt gezegd dat de maatregel „de legislatieve procedure nog niet geheel (heeft\] doorlopen”.

De Italiaanse Regering wijst op haar circulaires nrs. 7, 17 en 24, waaraan zij de conclusie verbindt dat Italië, bestuurlijk gezien, zelfs met voortvarendheid te werk is gegaan. De administratie heeft er zich ook voor ingezet dat de wetgever de nodige srappen nam om de kredieten voor de betaling der premies vrij te maken.

De Italiaanse Regering is er zich van bewust dat zij de communautaire besluiten ten spoedigste heeft uit te voeren. Doch in het kader ener procedure ex artikel 169 moet ook rekening worden gehouden met bijzondere omstandigheden die de niet-nakoming van zodanige verplichtingen vermogen te rechtvaardigen, althans te verklaren; slechts dan kan „het Hof vaststellen of er van een werkelijk verzuim dan wel slechts van vertraging bij de nakoming sprake is”.

Aan het onderhavig gedrag van de Italiaanse staat lag geen besluit ten grondslag om de hierbedoelde verplichtingen niet na te komen.

Wat de noodzakelijke legislatieve maatregelen betreft: er dient allereerst op te worden gewezen dat het openen van de nodige kredieten is afgestuit op het feit dat de Italiaanse staat „terzelfder tijd een oplossing had te zoeken voor de problemen die de aanpassing van de economische en sociale structuren des lands aan nieuwe produktiemethoden en aan recente ervaringen op sociaal gebied deed rijzen, hetgeen voor haar tegelijkertijd andere zware financiële verplichtingen medebracht”. Voorts kon „het voorontwerp ener door de bevoegde ministeries (die van Land- en Bosbouw en van Financiën) opgestelde financiële wet” pas in november 1971 „aan de andere bestuursorganen ter goedkeuring worden voorgelegd”. Doch „het is van algemene bekendheid dat de legislatieve procedure niet kon worden beëindigd als gevolg van de polirieke wederwaardigheden in ons land tussen einde 1971 en begin 1972”, toen „eerst de verkiezing van het staatshoofd het parlement en de regering volledig in beslag nam en daarna een politieke crisis van kapitale betekenis” die tot vervroegde ontbinding van het parlement en tot nieuwe verkiezingen heeft geleid en pas na enige tijd als geëindigd kon worden beschouwd.

In al deze omstandigheden heeft de Commissie een overdreven ijver aan de dag gelegd door de procedure van artikel 169 van het Verdrag in te leiden zonder het einde van de crisis af te wachten en terwijl het parlement op reces was gegaan, dus op een tijdstip waarop de regering het gewraakte verzuim onmogelijk kon beëindigen. De communautaire gezagsorganen zijn gehouden „met begrip en niet alleen maar met formalistische gestrengheid” eventuele moeilijkheden van de Lid-Staten te volgen. Artikel 169, tweede alinea, heeft het aan de Commissie overgelaten wanneer zij het best in beroep kan gaan; de Commissie moet zich daarbij laten leiden door de Verdragsfilosofie — volgens welke maatregelen die tot verstoring van het evenwicht kunnen leiden en de harmonische ontwikkeling van het optreden der Lid-Staten in gevaar kunnen brengen dienen te worden vermeden —.

De Italiaanse Regering heeft het stellige voornemen wettelijke maatregelen tot dekking van de kosten der hierbedoelde betalingen zoveel mogelijk te bespoedigen.

De Commissie antwoordt dat het onderscheid tussen niet-uitvoering en te late uitvoering van geen belang is voor de toepassing van artikel 169, dat ook de verplichting tot handelen binnen een bepaald tijdsbestek betreft; dit artikel maakt het de Commissie bovendien mogelijk zich tot het Hof te wenden zodra blijkt dat de betrokken staat zich niet binnen de gestelde termijn naar het met redenen omkleed advies heeft gedragen, onverschillig of mag worden verwacht dat dit in een verre of nabijgelegen toekomst alsnog zal gebeuren.

Het is juist dat de Lid-Staten niet verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor omissies die aan buitengewone, van hun wil onafhankelijke, omstandigheden moeten worden toegeschreven. Doch uit de feiten die de Italiaanse Regering aanvoert blijkt niet dat er in casu op dit beginsel den beroep kan worden gedaan: Het rondschrijven van 14 februari 1970 geeft slechts instructies voor de toepassing van een bepaling van verordening nr. 2517/69 waarin staatssteun ten behoeve van de aanleg of vernieuwing van boomgaarden wordt verboden. De circulaire van 12 mei 1970 behelst weliswaar „meer dan gedetailleerde” voorschriften inzake de toepassing van de belangrijkste bepalingen der verordeningen nrs. 2517/69 en 2637/69; de slotzin leidt er echter toe dat de uitvoering dezer verordeningen reeds in de beginfase, de registratie der ingediende aanvragen, strandt. Ook het rondschrijven van 26 november 1970 betekent slechts een kleine stap vooruit: om te beginnen moeten de „voorlopige rooivergunningen” ten onrechte op hun doelmatigheid worden getoetst en voorts wordt aan de plaatselijke instanties opgedragen te verklaren dat zij ten aanzien van de toekenning der premies geen enkele verbintenis aangaan.

Met verwijzing naar 's Hots arrest van17 mei 1972 (Leonesio/Italiaans Ministerie van Landbouw, premies voor het slachten van rundvee, zaak 93-71, Jurisprudentie 1972, blz. 288) beroept de Commissie zich ook hier op de rechtstreekse werking der Gemeenschapsverordeningen, waartegenover de Lid-Staten zich niet op de nationale wetgeving mogen beroepen.

Om de sanering sneller te doen verlopen heeft men in verordening nr. 2517/69 bepaald dat de aanvragen uiterlijk op 1 maart 1971 moesten zijn ingediend en het aan de rooiing en de betalingen voorafgaande onderzoek tot het hoognodige beperkt. Om dezelfde redenen moest de Commissie onverwijld reageren. Pas op 29 november 1971, dat wil zeggen bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies genoemde termijn, heefr de Italiaanse Regering medegedeeld dat een „schema” van een wetsontwerp was opgesteld en dat de zaak „ten spoedigste op de agenda van de Raad van ministers zou worden geplaatst”; in haar telex van 25 maart 1972 wordt echter gezegd dat de maatregel „de legislatieve procedure nog niet geheel had doorlopen”. Het heeft er de schijn van dat bedoeld schema nog steeds een voorwerp van interministerieel beraad uitmaakte.

De politieke moeilijkheden waarvoor de Italiaanse Regering aandacht vraagt, kunnen niet verklaren dat de regering niet reeds bij publikatie van de hierbedoelde verordeningen een wetsontwerp aan het parlement heeft voorgelegd. En zou de praktijk van een financiële wet ad hoc door andere Lid-Staten — die ieder op hun beurt verkiezingen beleven, moeilijkheden op hun weg vinden en crises doormaken — worden overgenomen, dan zou de toepassing der communautaire verordeningen ernstig in gevaar geraken.

Naar aanleiding van 's Hots verzoek zich nader omtrent de draagwijdte harer grieven uit te laten, heeft de Commissie onder meer het volgende verklaard:

Afgezien van het feit dat er tot heden geen enkele premie is betaald, is het ingeroepen verzuim daarin gelegen dat:

de Italiaanse Regering de plaatselijke bevoegde instanties pas in haar circulaire van 26 november 1970 machtigde te constateren of de premieaanvragen der betrokken landbouwers ontvankelijk waren in voege als bedoeld in artikel 5 van verordening nr. 2637/69. Deze machtiging kwam te laat. De gewone rooitijd voor fruitbomen is telken jare gelegen tussen het einde van de oogst — oktober of november — en de nieuwe vruchtzetting — maart of april —. Dat de maatregel te laat kwam heeft ertoe geleid dat de rooiperiode in de winter 1970-1971 niet volledig kon worden gebruikt;

de bevoegde autoriteiten tot nu toe niet zijn gemachtigd om volgens artikel 6 van verordening nr. 2637/69 te constateren dat het rooien heeft plaatsgehad. Tot staving van deze bewering brengt de Commissie een aantal sommaties van november 1972 in het geding, waarbij Italiaanse landbouwers van de bevoegde instanties aldaar formeel verlangen dat worde overgegaan tot de hierbedoelde „constateringen” en hun de verklaring, in de artikelen 6 en 7 dier verordening genoemd, worde afgegeven.

Bij de mondelinge behandeling heeft de Italiaanse Regering met name betoogd dat de landbouwcommissie van de Senaat van de Italiaanse Republiek zojuist een wetsdecreet, de rooipremies voor fruitbomen betreffende, had goedgekeurd, dat op 15 januari 1973 door de Senaat in pleno zou worden behandeld. Vorenbedoelde „constateringen” zijn inmiddels geschied „in verband met 's Hofs verzoek aan de Commissie”, dat wil zeggen in verband met voormelde brief van het Hof van 30 november 1972.

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat de Commissie zich bij op 8 juni 1972 ter griffie ingekomen rekwest krachtens artikel 169 van het EEG-Verdrag tot het Hof heeft gewend met verzoek te verklaren voor recht dat de Italiaanse Republiek niet alle noodzakelijke bepalingen ter uitvoering van 's Raads verordening nr. 2517/69 van 9 december 1969 (PB nr. L 318, blz. 15) — waarbij ter sanering van de fruitproduktie in de Gemeenschap een premieregeling in het leven is geroepen — en van uitvoeringsverordening nr. 2637/69 van 24 december 1969 (PB L 327, blz. 31) heeft vastgesteld en aldus de voor haar uit deze verordeningen voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen;

2. Overwegende dat de Commissie er allereerst op wijst dat de Italiaanse Republiek buitensporig veel tijd heeft laten voorbijgaan alvorens — bij circulaire van het Ministerie van Land- en Bosbouw van 26 november 1970 — de plaatselijk bevoegde instanties te machtigen over te gaan tot vaststelling van de ontvankelijkheid van de premieaanvragen der betrokken exploitanten overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 2637/69;

3.

Overwegende dat aan het met redenen omkleed advies van de Commissie van 14 oktober 1971 de vaststelling ten grondslag lag dat de Italiaanse Republiek niet „alle bepalingen had vastgesteld om op haar grondgebied feitelijke toepassing te kunnen geven aan de premieregeling voor het rooien van fruitbomen”;

dat deze formulering alleen kan slaan op bepalingen die nog niet waren vastgesteld toen het advies werd uitgebracht en niet mag worden geacht mede op het niet tijdig nemen van voormelde maatregel betrekking te hebben;

dat dit feit derhalve buiten beschouwing moet blijven;

4.

Overwegende dat de Commissie vervolgens betoogt dat de Italiaanse Republiek de bevoegde instanties nog niet had gemachtigd om, voor zover de rooiing had plaatsgevonden, zulks ten verzoeke van de betrokken exploitanten te constateren;

dat deze grief de toepassing betreft van artikel 6 van verordening nr. 2637/69, volgens hetwelk de nationale instanties op verzoek van de betrokkene constateren dat de rooiing heeft plaatsgevonden en een verklaring afgeven waaruit blijkt op welke datum zulks is geschied;

dat de grief voorts moet worden bezien in verband met artikel 3 van verordening nr. 2517/69 juncto artikel 7 van verordening nr. 2637/69, volgens welke bepalingen de premie wordt uitgekeerd wanneer de aanvrager — door aan de bevoegde instantie de in artikel 6 van verordening nr. 2637/69 bedoelde verklaring over te leggen — het bewijs levert dat hij daadwerkelijk heeft gerooid;

dat de Commissie tot staving van deze grief afschriften van een aantal sommaties van november 1972 in het geding heeft gebracht, waarin Italiaanse landbouwers formeel van hun staat verlangen dat worde overgegaan tot de constatering en de afgifte van de verklaring bedoeld in de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 2637/69;

5. Overwegende dat de Italiaanse Regering ter terechtzitting van 10 januari 1973 heeft gesteld dat bedoelde constateringen inmiddels zijn geschied;

6.

Overwegende dat voor zover het bestuur werkelijk tot deze constateringen en de afgifte van bedoelde verklaringen is overgegaan, zulks blijkens de uiteenzetting van de Italiaanse Regeting op zijn vroegst in november 1972 is geschied;

dat een en ander echter blijkens de verordeningen nrs. 2517/69 en 2637/69 op een eerdere datum had moeten geschieden, zodat de Italiaanse Republiek niet een passende termijn heeft in acht genomen;

dat in deze verordeningen weliswaar niet met zoveel woorden termijnen zijn gesteld binnen welke de Lid-Staten de nodige uitvoeringsmaatregelen hadden te nemen, doch dat zulke termijnen uit de inhoud dezer verordeningen en de doelstelling van de daarbij in het leven geroepen regeling kunnen worden afgeleid;

dat men met deze op 1 januari 1970 in werking getreden verordeningen het hoofd wilde bieden aan de moeilijkheden voortvloeiende uit de structurele overproduktie in de fruitsector, die met name tot kostbare interventies ten laste van het Europees Oriënterings- en Garantiefonds voor de Landbouw leidden;

dat het volgens de derde overweging van de considerans van verordening nr. 2517/69 in deze omstandigheden „dienstig” was „gebruik te maken van aansporingen voor de producenten om te bereiken dat zij geheel of gedeeltelijk van het produceren van de betrokken … produkten afzien” en daartoe te voorzien in de toekenning van premies aan de producenten die ermede instemden hun boomgaard geheel of gedeeltelijk te rooien;

7.

dat een aldus opgezette regeling de Lid-Staten verplichtte zo tijdig te handelen dat daarvan het beoogde effect kon uitgaan, en met name bij bedoelde constateringen en het afgeven van voormelde verklaringen zo te werk te gaan dat de exploitanten de premie konden ontvangen zodra zij aan de verder gestelde voorwaarden hadden voldaan;

dat de premieaanvragen krachtens artikel 2, eerste alinea, van verordening nr. 2517/69 vóór 1 maart 1971 moesten — en derhalve eerder konden — worden ingediend;

dat onweersproken is gebleven dat de normale rooiperiode is gelegen tussen het einde van de oogst en de nieuwe vruchtzetting of wel russen herfst en voorjaar;

dat de Italiaanse Republiek derhalve gehouden was tot voormelde constateringen en de afgifte van voormelde verklaringen uiterlijk in het voorjaar van 1971 over te gaan, opdat binnen een passende termijn zou kunnen worden beslist op premieaanvragen voor rooiingen in het hierbedoelde tijdvak, dat wil zeggen in de winter 1970-1971, verricht;

dat de inachtneming van zulk een termijn noodzakelijk was met het oog op de doeltreffende werking der genomen maatregelen, die immers hun doel slechts ten volle konden bereiken wanneer er in alle Lid-Staten gelijktijdig uitvoering aan werd gegeven;

8. dat dan ook blijkt dat de Italiaanse Republiek door te laat over te gaan tot de constateringen en de afgifte der verklaringen bedoeld in artikel 6 van verordening nr. 2637/69, de op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

9. Overwegende dat de Commissie aan de Italiaanse Republiek ten slotte verwijt dat zij de premies voor het rooien van fruitbomen bedoeld in de verordeningen nrs. 2517/69 en 2637/69 niet aan de exploitanten die daarop aanspraak konden maken heeft uitgekeerd;

10.

Overwegende dat de Italiaanse Regering de juistheid van deze stelling niet betwist, doch zich op politieke omstandigheden beroept welke het de bevoegde instanties, hun goede wil ten spijt, onmogelijk zouden hebben gemaakt zich met de gewenste voortvarenheid van hun verplichtingen te kwijten;

dat immers enerzijds volgens de Italiaanse wetgeving de staat tot al zijn uitgaven bij de wet moet zijn gemachtigd en anderzijds de politieke crisis die Italië einde 1971-aanvang 1972 had te doorstaan, het werk van de wetgevende macht zodanig heeft verlamd dat het haar niet mogelijk is geweest *tempore utili* een wet tot dekking van de uitkering der premies goed te keuren;

11.

Overwegende dat een Lid-Staat zich ter rechtvaardiging van de niet-nakoming der verplichtingen en de niet-inachtneming der termijnen welke uit de communautaire verordeningen voortvloeien, niet op nationale voorschriften of praktijken mag beroepen;

dat hij immers, overeenkomstig de algemene verplichtingen welke in artikel 5 van het Verdrag op de Lid-Staten worden gelegd, in zijn nationale rechtsorde de consequenties uit zijn lidmaatschap van de Gemeenschap heeft te trekken en, desnodig, zijn begrotingsprocedures zodanig moet wijzigen dat zij aan tijdige uitvoering van de verplichtingen welke in het kader van het Verdrag op hem rusten niet in de weg staan;

dat de Italiaanse Republiek zich dan ook ter rechtvaardiging van de te late uitkering der hierbedoelde premies niet op haar wetgeving of bestuurspraktijken met betrekking tot de begroting mag beroepen;

dat de Lid-Staten bovendien door hun deelneming aan het overleg in de Raad op de hoogte zijn van de uitgaven waartoe de uitvoering van de handelingen dezer instelling kan leiden en derhalve met het oog op de nakoming van de financiële verplichtingen waarvoor zij zich geplaatst zullen zien tijdig passende bepalingen kunnen vaststellen;

dat de Italiaanse Republiek weliswaar na afloop van de mondelinge behandeling heeft doen weten dat het parlement een wet had aangenomen welke uitkering der hierbedoelde premies mogelijk maakte, doch dat zulks aan het gewraakte verzuim niet afdoet;

12. dat derhalve blijkt dat de niet-betaling van de premies voor het rooien van fruitbomen door de Italiaanse Republiek is te beschouwen als de niet-nakoming van de verplichtingen die uit de Gemeenschapsregel voortvloeien;

13. Overwegende dat uit een en ander blijkt dat de Italiaanse Republiek de voor haar uit de verordeningen nrs. 25 17/69 en 2637/69 voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen door niet alle bepalingen vast te stellen om op haar grondgebied feitelijke toepassing te kunnen geven aan de premieregeling voor het rooien van fruitbomen welke bij deze verordeningen was ingesteld;

#### Ten aanzien van de kosten

14.

Overwegende dat volgens artikel 169, lid 2 van het Reglement voor de procesvoering de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen;

dat de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende:

1\. Verklaart voor recht dat de Italiaanse Republiek niet alle bepalingen heeft vastgesteld om op haar grondgebied feitelijke toepassing te kunnen geven aan de premieregeling voor het rooien van fruitbomen en aldus de verplichtingen niet is nagekomen welke op haar rustten krachtens verordeningen (EEG) nrs. 2517/69 van de Raad van 9 december 1969 (PB nr. L 318, blz. 15) en 2637/69 van de Commissie van 24 december 1969 (PB nr. L 327, blz. 31);

2\. Verwijst de Italiaanse Republiek in de kosten.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

6

verordening 2637/69 art. 6 5 voorkomens

verordening 2637/69 art. 5 3 voorkomens

verordening 2517/69 art. 3 2 voorkomens

verordening 2637/69 art. 7 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 169 1 voorkomen

verordening 2517/69 art. 2 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Slynn 255/81 06.05.1982

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 13](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-255-81-conclusie)

## Rechtsleer

2

Catalano, Nicola: Sopranazionalità formale e sopranazionalità sostanziale, Il Foro italiano 1973 IV Col.60-64

Tizzano, Antonio: Persistenti violazioni del Trattato CEE e singolari pretese dell'Italia, Il Foro italiano 1973 IV Col.73-75
