---
title: "HvJ EU, 3/58 e.a., Barbara Erzbergbau AG, arrest van 10 mei 1960"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 1960, 3/58 e.a.."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-3-58-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-3-58-arret"
---

# Arrest van het Hof van 10 mei 1960, 3/58 e.a., Barbara Erzbergbau AG

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaken**

3/58, 25/58, 26/58

**ECLI**

ECLI:EU:C:1960:18

**Datum**

10 mei 1960

## De zaak

**Procedure**

Beroep tot nietigverklaring ongegrond

**Zaak ingediend op**

15 maart 1958

**Advocaat-generaal**

Lagrange

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Donner

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-C)

  - [Doelstellingen en grondslagen van de Gemeenschap](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-C-01) 2 beslissingen
  - [Handelingen van de instellingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-C-03) 4 beslissingen
  - Vervoer

## Tekst

119 paragrafen

### ARREST

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN

### I. Conclusies van partijen

Overwegende dat verzoeksters concluderen dat het den Hove behage, onderscheidenlijk:

In de zaken 3-58 en 4-58 nietig te verklaren de beschikking T/10.202;

in de zaken 5-16-58 nietig te verklaren de beschikking T/10.203;

in de zaak 17-58 nietig te verklaren de beschikking T/10.203, voor zover betrekking hebbende op het bijzondere tarief voor het vervoer van minerale brandstoffen 6 B 31;

in de zaak 18-58 nietig te verklaren de beschikking T/10.203, voor zover betrekking hebbende op tariefpost 71 b van het tarief voor kanaalrechten voor het Mittelland-kanaal;

in de zaken 25 en 26-58 nietig te verklaren de beschikking T/10.203;

dat verzoeksters in de zaken 3 tot 16-58, 25 en 26-58 de bepalingen in de bestreden beschikkingen hebben aangeduid, waardoor zij in het bijzonder zijn gegriefd;

Overwegende dat alle verzoeksters voorts concluderen tot veroordeling van verweerster in de kosten;

Overwegende dat de interveniënten de conclusies van de onderscheiden partijen in de hoofdzaak ondersteunen en concluderen tot veroordeling van verweerster in de kosten;

Overwegende dat verweerster concludeert dat het den Hove behage:

1\. de beroepen te verwerpen;

2\. verzoeksters en interveniënten in de kosten te veroordelen;

### II. Overzicht van de feiten

Overwegende dat de feiten, die aan dit geding ten grondslag liggen, als volgt kunnen worden samengevat:

Bij de aanvang van haar werkzaamheden stelde de Hoge Autoriteit een werkprogramma op, zulks ter voorbereiding van de door haar te geven beoordeling der geldende bijzondere vervoertarieven — een taak, haar bij de verdragsbepalingen inzake vervoer opgedragen — en ter voorbereiding tevens van de terzake nodige maatregelen.

De betrokken instanties kregen gelegenheid, hun standpunt uiteen te zetten tijdens samenkomsten met vertegenwoordigers van de Duitse Bondsregering en van de Duitse Landen. Documenten werden uitgewisseld, en de Hoge Autoriteit stelde een onderzoek in naar de economische toestand in het algemeen, alsmede naar de toestand van de ijzer- en staalindustrie in de betrokken gebieden in het bijzonder.

De Hoge Autoriteit verklaart dat zij de bestreden beschikkingen in haar zitting van 9 februari 1958 heeft genomen; zij heeft ze bij brief van 12 februari 1958 aan de Duitse Regering medegedeeld.

In de bestreden gedeelten van deze beschikkingen wordt de afschaffing of de wijziging — binnen bepaalde termijnen — bevolen van de bijzondere tarieven, waarvan verzoeksters profiteren.

De beschikkingen zijn voornamelijk gebaseerd op de twee volgende overwegingen:

a) de bijzondere tarieven waarvan de ondernemingen profiteren zijn discriminerend ten opzichte van ondernemingen die op het gebied van het vervoer in vergelijkbare omstandigheden verkeren;

b) de handhaving der tarieven is niet noodzakelijk ter bereiking van de doeleinden neergelegd in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag.

De Hoge Autoriteit heeft voorts de afschaffing bevolen van enkele van deze tarieven, die de Bondsregering als concurrerende tarieven had beschouwd, omdat zij deze niet geboden achtte door de concurrentie van een ander middel van vervoer.

### III. Middelen en argumenten van partijen

Overwegende dat de middelen en argumenten van partijen als volgt kunnen worden samengevat:

#### A. AARD EN ONTVANKELIJKHEID DER BEROEPEN

Alle verzoeksters stellen dat de beide beschikkingen van 9 februari 1958 individuele beschikkingen zijn, welke op haar betrekking hebben.

De Hoge Autoriteit erkent, dat de beschikkingen van individuele aard zijn en dat ieder der verzoeksters daardoor in meerdere of mindere mate wordt getroffen; zij bestrijdt de ontvankelijkheid der beroepen niet.

#### B. DE BEVOEGDHEID VAN DE HOGE AUTORITEIT

Volgens verzoeksters bezat verweerster niet de vereiste bevoegdheid voor het nemen van de bestreden beschikkingen. De onderhavige tarieven, waarvan de Hoge Autoriteit de intrekking of de wijziging heeft bevolen, zijn bestaande tarieven, met andere woorden tarieven die reeds bij het sluiten van het Verdrag van kracht waren. De Hoge Autoriteit kon ten opzichte van deze tarieven slechts handelen volgens paragraaf 10, lid 7 van de Overeenkomst en wel in dier voege, dat zij voor wijziging „de noodzakelijke termijnen (toestond), teneinde elke ernstige economische verstoring te voorkomen”.

Op het tijdstip waarop conform artikel 15 lid 2 van het Verdrag de beschikkingen van de Hoge Autoriteit verbindend waren geworden, namelijk door de betekening aan de Bondsregering op14 februari 1958, was paragraaf 10 van de Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen, krachtens het laatste lid van paragraaf 1, niet meer van toepassing, daar de overgangsperiode op 10 februari 1958 een einde had genomen. Toch heeft de Hoge Autoriteit na die datum nog de intrekking respectievelijk wijziging van de tarieven bevolen. Zij heeft dus de bestreden beschikkingen genomen, hoewel zij daartoe op genoemd tijdstip niet meer de bevoegdheid bezat.

De bevoegdheid van de Hoge Autoriteit tot het nemen van de bestreden beschikkingen vloeit evenmin voort uit het vierde lid van artikel 70 van het Verdrag, volgens hetwelk deze bepaling slechts van toepassing kan zijn op nieuwe tarieven, dat wil zeggen op tarieven welke eerst na de sluiting van het Verdrag worden ingevoerd. Uit artikel 70 lid 4 van het Verdrag blijkt, dat de Hoge Autoriteit haar „voorafgaande goedkeuring” moet hechten aan de tarieven die onder deze bepaling vallen. Doch voor reeds bestaande tarieven kan geen voorafgaande goedkeuring worden verleend.

Daar de Hoge Autoriteit de intrekking of wijziging niet tijdens de overgangsperiode heeft bevolen, heeft zij de bevoegdheid, welke haar uitdrukkelijk voor de duur van deze periode is toegekend, verloren. Bijgevolg kan zij haar bemoeiing niet meer uitstrekken tot bestaande tarieven. Met betrekking tot de op 10 februari 1958 van kracht zijnde tarieven genieten de Lid-Staten derhalve een onbeperkte bevoegdheid in die zin, dat de handhaving van deze tarieven niet meer aan goedkeuring van de Hoge Autoriteit is onderworpen.

Verzoeksters voeren aan dat de Hoge Autoriteit, kennelijk onbevoegd tot het nemen van de bestreden beschikkingen, de bepalingen en uitvoeringsregelingen van het Verdrag klaarblijkelijk heeft miskend.

Op deze grieven antwoordt verweerster, dat zij op 9 februari 1958 de bestreden beschikkingen heeft genomen ter uitvoering van paragraaf 10, lid 7 van de Overeenkomst, waarin haar de bevoegdheid wordt toegekend, te beslissen over de geldende bijzondere tarieven bedoeld in artikel 70, lid 4, en voor de wijziging (of intrekking) de noodzakelijke termijnen toe te staan, teneinde elke ernstige economische verstoring te voorkomen. Niet alleen werd de inhoud van deze beschikkingen dezelfde dag vastgesteld, doch eveneens de formeel aanvaarde tekst aan de notulen van de zitting der Hoge Autoriteit gehecht; rechtens bestonden de beschikkingen dus.

Anderzijds volgt uit de beide aan de Bondsregering gerichte brieven van 12 februari 1958 duidelijk, dat deze geen beschikkingen vormden, doch alleen de formele mededeling van reeds genomen beschikkingen aan degenen tot wie zij gericht waren. Deze mededeling is een element van belang voor het van kracht worden der beschikkingen; doch de datum van deze formaliteit is niet van invloed op de vraag of een door het Verdrag verleende bevoegdheid tijdig is uitgeoefend.

Bijgevolg was de bevoegdheid voorzien in paragraaf 10, lid 7 van de Overeenkomst nog niet verstreken op het tijdstip waarop de bestreden beschikkingen werden genomen. De vraag of de Hoge Autoriteit, na het verstrijken van de overgangsperiode, artikel 70 lid 4 rechtstreeks op de bestaande tarieven had kunnen toepassen, is hier niet aan de orde.

In ieder geval is onjuist de opvatting van verzoeksters, dat de geldende bijzondere tarieven na het verstrijken van de overgangsperiode opnieuw tot de competentie van de regeringen zouden behoren. Zelfs indien de Hoge Autoriteit een voor deze periode voorziene bevoegdheid niet had uitgeoefend, behielden de van kracht zijnde ondersteuningstarieven — voorzover ze niet overeenkomstig het Verdrag waren goedgekeurd — hun onwettig karakter in de zin van artikel 70, lid 1, jo. artikel 4 sub b. Daarbij blijft de vraag van belang of deze tarieven niet hadden kunnen worden ingetrokken omdat zij aanleiding gaven tot een verboden discriminatie.

In elk geval is het middel onbevoegdheid om de bovengenoemde redenen ongegrond. Hetzelfde geldt voor het middel schending en klaarblijkelijke miskenning van het Verdrag, dat in dit verband is opgeworpen.

In enkele zaken stelt verweerster bovendien subsidiair, dat de haar volgens paragraaf 10 lid 7 van de Overgangsovereenkomst toekomende bevoegdheid nog niet was vervallen, toen de beslissing over de bestreden beschikkingen werd genomen. De bijzondere tarieven waren door haar aan een onderzoek onderworpen en de handhaving was derhalve rechtens opgeschort. Deze zwevende toestand kon noch door het verstrijken van de overgangsperiode, noch door stilzwijgen van de Hoge Autoriteit worden opgeheven. Hiertoe was een uitdrukkelijke wilsverklaring van de Hoge Autoriteit vereist.

Tegenover dit subsidiaire betoog van verweerster verdedigt verzoekster in de zaak 17-58 de stelling, dat in het belang van de rechtszekerheid een eind moet worden gemaakt aan de bestaande zwevende toestand en definitief klaarheid moet worden geschapen omtrent de kwestie van de bestaande bijzondere tarieven. Verweerster vergist zich echter wanneer zij meent, dat deze klaarheid alleen kan ontstaan door een wilsverklaring, die van haar afkomstig is. De onzekerheid kan ook ipso jure een einde nemen door het wegvallen der gestelde voorwaarden, met als gevolg dat voortaan geen verbod meer kan worden opgelegd.

Ter ondersteuning van haar mening zet verweerster in de zaak 17-58 uiteen, welk onderscheid er bestaat tussen de aanneming en de afkondiging van een beschikking. Zij verwijst hierbij ook naar de rechtssystemen van de Lid-Staten.

#### C. SCHENDING VAN HET VERDRAG

a) Verzoeksters stellen in de eerste plaats, dat de afschaffing of wijziging van de bijzondere tarieven reeds daarom tegen de bepalingen van het Verdrag indruist, omdat verweerster de overgangsperiode heeft laten verstrijken en daardoor verzoeksters de gelegenheid heeft ontnomen, overeenkomstig paragraaf 23 van de Overgangsovereenkomst recht te doen gelden op de daar genoemde ondersteuningsmaatregelen ter compensatie van de schade, welke haar door de afschaffing van de ondersteuningstarieven wordt toegebracht. Overigens moet verweerster bij de toepassing van het Verdrag het algemene rechtsbeginsel der eerbiediging van verkregen aanspraken in acht nemen, krachtens hetwelk de administratie bij de uitoefening van haar bevoegdheden alleen inbreuk mag maken op het bezit van een onderdaan, voorzover bepaalde hulpmaatregelen of een schadeloosstelling zekerheid bieden, dat hij geen schade lijdt. Verweerster antwoordt: Het onthouden van goedkeuring aan een ondersteuningstarief, dat volgens het Verdrag niet voor goedkeuring in aanmerking komt, is niet afhankelijk van de vraag, of ex paragraaf 23 ondersteuningstoelagen worden toegekend. Voorts hebben verzoeksters over het hoofd gezien, dat de geldigheidsduur van paragraaf 23 niet aan het einde van de overgangsperiode is verstreken, doch nog twee jaar doorloopt (paragraaf 23 sub 8 van de Overgahgsovereenkomst). Met betrekking tot het beginsel der eerbiediging van verkregen aanspraken, waarop verzoeksters zich hebben beroepen, moet in aanmerking worden genomen, dat de instelling van de gemeenschappelijke Europese markt voor kolen en staal — zoals in artikel 2, lid 2, tot uitdrukking komt — alleen mogelijk is door de toenemende verwerkelijking van marktvoorwaarden, die uit zichzelf de meest rationele verdeling van de produktie op een zo hoog mogelijk peil verzekeren. Dit gronddoel van de Gemeenschap kan zonder aanpassing van de structuur van de op supranationaal niveau verbonden industrieën niet worden bereikt (vgl. ook paragraaf 1, lid 1, van de Overgangsovereenkomst).

b) Voor het geval het Hof de onder a) vermelde stelling zou verwerpen, voeren verzoeksters aan, dat goedkeuring volgens artikel 70 van het Verdrag jo. paragraaf 10 van de Overgangsovereenkomst niet noodzakelijk was. Het Verdrag — waarin slechts een gedeeltelijke integratie wordt beoogd — raakt niet de bevoegdheden en de verplichtingen der Lid-Staten, hunnerzijds de gunstige ontwikkeling der gehele nationale economie te bevorderen. Dit blijkt ten eerste uit artikel 2, lid 1, van het Verdrag, ten tweede uit artikel 67, krachtens hetwelk verweerster slechts onder bepaalde voorwaarden zekere invloeden van een nationaal economisch beleid op de gemeenschappelijke markt mag compenseren. Dat geldt ook voor de maatregelen die de Lid-Staten op vervoersgebied treffen in het belang van hun totale economie. Wanneer een Lid-Staat maatregelen treft op het gebied van de tarieven, ter bereiking van doeleinden in het belang van zijn totale economie, behoeft hiervoor geen goedkeuring overeenkomstig artikel 70 te worden verleend. Verweerster antwoordt, dat het voor de vraag, of er sprake is van een ondersteuningstarief in de zin van artikel 70, lid 4, alleen op de bepalingen van het Verdrag aankomt en niet op het tariefstelsel van de Deutsche Bundesbahn. Doch ook in laatstgenoemd tariefstelsel onderscheiden algemeen tarief en bijzonder tarief zich van elkander naargelang van hun toepassingsgebied. Verzoeksters zullen niet willen ontkennen, dat de hier in het geding zijnde tarieven geen algemeen toepassingsgebied hebben, doch alleen worden toegepast op het verkeer tussen bepaalde, in de tarieven genoemde plaatsen van ontvangst en verzending. De principiële rechtsdwaling van verzoeksters vloeit daaruit voort, dat verzoeksters uitgaan van de doelstellingen ener overheidsmaatregel en niet van de maatregel zelf. Wat betreft de aanwezigheid van een vervoersdiscriminatie in de zin van artikel 4 sub b jo. artikel 70 lid 1, zijn verzoeksters van mening, dat de Hoge Autoriteit ten onrechte alleen rekening heeft gehouden met de vergelijkbaarheid van de omstandigheden „uit het oogpunt van het vervoer”, doch dat zij alle andere factoren, welke voor de individuele omstandigheden van een onderneming bepalend zijn, buiten beschouwing heeft gelaten. In het bijzonder heeft zij geen rekening gehouden met de invloed van geografische en technische factoren op de ondernemingen van verzoeksters. Verweerster antwoordt, dat het bij de in artikel 70, lid 4, voorziene mogelijkheid, ten gunste van een of meer ondernemingen van de Gemeenschap bijzondere binnenlandse vervoertarieven toe te passen, gaat om een door het Verdrag gewilde uitzonderingsregeling op het discriminatieverbod van artikel 4 sub b en artikel 70, lid 1. De bijzondere omstandigheden van bedrijfseconomische of sociale aard van ondernemingen van de Gemeenschap, welke niet rechtstreeks het vervoer betreffen, mogen derhalve niet geacht worden te zijn besloten in het algemene begrip discriminatie van artikel 70, lid 1. De doeleinden en grondslagen van het Verdrag zouden worden geschonden, indien het begrip vergelijkbare omstandigheden van vervoersverbruikers in het oneindige zou worden uitgerekt, doordat rekening zou worden gehouden met de ruimtelijke en plaatselijke factoren van een onderneming, zoals verzoeksters dat wensen. Volgens deze criteria zou geen enkele onderneming van de Gemeenschap meer met een andere kunnen worden vergeleken. Het als interveniënt optredende Land Hessen geeft een uiteenzetting van zijn eigen bezwaren tegen de wijze waarop de Hoge Autoriteit gebruik maakt van het criterium van de vergelijkbaarheid „uit het oogpunt van het vervoer”. Voor de uitleg van artikel 70 van het Verdrag wijst de interveniënt op het discriminatieverbod in de Interstate Commerce Act van de Verenigde Staten. De overeenstemming der bepalingen doet vermoeden, dat het Amerikaanse recht is geraadpleegd bij de opstelling van het Verdrag E.G.K.S.. Interveniënt beroept zich op artikel 60 sub 2, hetwelk de prijsvorming op vrachtbasis regelt, zoals die in de Lid-Staten reeds voor het sluiten van het E.G.K.S.-Verdrag gebruikelijk was, en ook in de Verenigde Staten bekend is onder de naam Basing Point Pricing. De door verweerster in het verkeerswezen zo scherp gelaakte „vervalsing van de geografie” wordt dus in het prijsvormingssysteem van het E.G.K.S.-Verdrag niet alleen op de koop toe genomen, doch krachtens positieve voorschriften opgelegd. Ook bij de toepassing van artikel 70 behoort met dit gezichtspunt rekening te worden gehouden. Het Verdrag heeft niet de gelijke behandeling uit het oogpunt van het vervoer ten doel, doch de gelijke behandeling van verbruikers die tot de gemeenschappelijke markt behoren en in vergelijkbare omstandigheden verkeren. Verweerster antwoordt hierop, dat deze poging tot rechtvaardiging der litigieuze tarieven zowel om formele als om materiële redenen moet falen. De „concretisering van het verbod der prijsdiscriminaties in artikel 60 paragraaf 2”, die de interveniënt ziet in de goedkeuring van de keuze van de vrachtbasis, veroorlooft de ondernemingen van de Gemeenschap als verkopers binnen bepaalde grenzen vrijelijk de eigen vrachtbasis te bepalen, en derhalve eventueel op voorwaarden, aan de eigen plaats van vestiging verbonden, in te werken. Gezien in het kader van artikel 70, kan deze vrijheid hoogstens betekenen, dat aanbieders van transportprestaties (transportondernemers) hun tarieven aan de eigen standplaats aanpassen; de interveniënt verlangt echter, dat de vervoerder — de Bundesbahn — bij de vaststelling harer tarieven rekening houdt met de moeilijkheden welke haar cliënten uit hoofde van hun plaats van vestiging ondervinden. Anderzijds verbiedt het economische beginsel van het Verdrag, zoals dit o.a. is vervat in artikel 60 — de woorden „teneinde het bovenstaande te bereiken” zien kennelijk op de verwijzing aan het begin van het eerste lid naar de artikelen 2, 3 en 4 van het Verdrag — geenszins, dat een onderneming in de concurrentiestrijd door maatregelen welke zij zelf neemt van de voor- of nadelen van haar eigen plaats van vestiging gebruik maakt. Concessies op het gebied van prijzen en vrachten, uitsluitend op grond van de ongunstige ligging van de vestigingsplaats van de cliënt, zijn echter zonder uitzondering verboden. Ditzelfde moet ook gelden voor artikel 70, lid 1: De vervoersondernemer heeft niet het recht, bijzondere tarieven toe te staan, uitsluitend omdat afzonderlijke vervoersverbruikers op een ongunstige plaats zijn gevestigd. In de zaak 9-58 stelt verzoekster, dat artikel 70, lid 1, van het Verdrag geen rechtstreeks toepasselijk recht bevat, doch dat met deze bepaling slechts het opstellen van een programma wordt beoogd. Het is a priori onwaarschijnlijk, dat in de korte zinsnede van artikel 70, lid 1, een uiterst gedetailleerd en praktisch toe te passen verbod zou zijn neergelegd voor een materie, waaraan de Interstate Commerce Act van de Verenigde Staten verschillende bladzijden wijdt. Verweerster antwoordt hierop, dat de stelling van verzoekster in de eerste plaats wordt weerlegd door de eenstemmige opvatting van de regeringen zelf, die het Verdrag hebben opgesteld en ondertekend. Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie heeft de regel van artikel 4, die voor de vervoerssector nader wordt uitgewerkt in artikel 70, rechtstreekse geldigheid. Wanneer het tweede lid van bedoeld artikel „met name” transportdiscriminaties volgens land van herkomst of bestemming verbiedt, gaat het daarmede uit van een algemeen verbod van vervoersdiscriminaties.

c) Voor het geval het Hof de opvatting zou verwerpen, dat de litigieuze tarieven niet onder artikel 70 vallen, voeren verzoeksters aan, dat de Hoge Autoriteit ten onrechte de goedkeuring op grond van artikel 70 van het Verdrag heeft geweigerd. In dit verband betogen zij, dat volgens artikel 2, lid 2, de Gemeenschap ten doel heeft, „in toenemende mate de omstandigheden te scheppen, die uit zichzelf de meest rationele verdeling van de produktie op een zo hoog mogelijk peil verzekeren”. Van de meest rationele verdeling van de produktie is dan sprake, wanneer het ter hand nemen en de handhaving der voortbrenging onder de gegeven omstandigheden door behoorlijke economische overwegingen worden gerechtvaardigd. Verweerster is daarentegen van mening, dat verzoeksters het doel van artikel 2, lid 2, miskennen. De meest rationele verdeling van de produktie moet volgens het Verdrag worden verzekerd doordat van de bestaande situatie op de gemeenschappelijke markt wordt uitgegaan. Dit „economische beginsel” van het Verdrag sluit ten enenmale uit, dat door manipulaties met de vervoertarieven de natuurlijke plaats van vestiging der ondernemingen wordt vervalst. Volgens verzoeksters mocht verweerster ook daarom niet weigeren, de bijzondere tarieven goed te keuren, omdat zij daardoor inbreuk maakte op artikel 2, lid 1, alsmede op artikel 3 sub a, b, e en f. Deze weigering zou er toe leiden, dat verzoeksters tengevolge van de grotere last welke het normale tarief haar oplegt spoedig, doch in ieder geval op den duur, de concurrentie niet meer zouden kunnen volhouden. Daar verschillende ondernemingen in dezelfde gebieden gezamenlijk op soortgelijke wijze zijn getroffen, zouden fundamentele en duurzame moeilijkheden worden veroorzaakt (artikel 2, lid 2, laatste gedeelte). Verweerster verklaart, dat zij bij het geven van de bestreden beschikkingen voldoende rekening heeft gehouden met alle doeleinden van artikel 2. Zij wijst er op, dat zij bij enige in de nabijheid van de zonegrens gelegen ondernemingen rekening heeft gehouden met hun bijzondere omstandigheden en tot dit doel ofwel termijnen heeft toegekend voor de afschaffing der tarieven, ofwel heeft aangekondigd, dat zij eventueel later een passend bijzonder tarief zou goedkeuren. Er worde hier nog op gewezen, dat verweerster uitdrukkelijk verklaart, dat haar beoordeling van de feiten niet aan de rechterlijke controle is onderworpen. De overtuigende kracht van de door verzoeksters gegeven „algemene waardering” der onderhavige materie komt verweerster reeds uit principiële overwegingen twijfelachtig voor. Volgens artikel 70, lid 4, is het oordeel over de overeenstemming met de beginselen van het Verdrag aan de Hoge Autoriteit opgedragen. De verlangde „overeenstemming met de beginselen van het Verdrag” is een onbepaald rechtsbegrip; in elk bijzonder geval beschikt de Hoge Autoriteit over de vrijheid van beoordeling, waarbij niet slechts één, doch talrijke beschikkingen rechtens denkbaar zijn. Verzoeksters betogen voorts, dat de Hoge Autoriteit zich op een onjuist standpunt stelt, wanneer zij er van uit gaat dat het begrip bijzondere tarieven reeds medebrengt, dat deze van discriminatoire aard zijn. Zij wijzen er op, dat in artikel 70 twee soorten bijzondere binnenlandse vervoertarieven worden onderscheiden, namelijk de in lid 2 en de in lid 4 genoemde tarieven. Krachtens eerstgenoemde bepaling zijn de daarin vermelde tarieven als discriminerend te beschouwen. De opstellers van het Verdrag waren het er over eens, dat verschillende tarieven over dezelfde afstand in ieder geval als discriminerend moeten worden beschouwd; daarentegen zijn de andere tarieven aan een regeling van geheel andere aard onderworpen. Deze verschillende behandeling kan in feite niets anders betekenen, dan dat het Verdrag volstrekt wilde vermijden vooruit te lopen op de vraag, of een „bijzonder binnenlands vervoertarief” al dan niet als discriminerend moet worden beschouwd. Volgens verzoeksters vergist verweerster zich wanneer zij a priori bijzondere tarieven gelijkstelt met ondersteuningstarieven; voorts voeren zij aan, dat artikel 70, lid 4, geen uitzonderingsbepaling vormt, inhoudende dat een bijzonder tarief rechtens alleen kan worden goedgekeurd bij het bestaan van bijzondere omstandigheden. Verweerster antwoordt, dat de ondersteuningstarieven ten gunste van ondernemingen van de industrie van de Gemeenschap naar de opvatting van de Hoge Autoriteit naar hun aard discriminerend zijn. Zij zijn in strijd met een aantal doeleinden en beginselen van het Verdrag (artikel 2, lid 2, artikel 4 sub b en eventueel ook sub c, artikel 70, lid 1). Daaronder bevinden zich enige verbodsbepalingen — in de eerste plaats het discriminatieverbod — welke van absolute gelding zijn. Dit absolute verbod van vervoersdiscriminatie geldt echter ingevolge artikel 4 alleen „overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag”. Een van de te dezer zake toepasselijke verdragsbepalingen is artikel 70, lid 4. Hierbij wordt de Hoge Autoriteit gemachtigd, bijzondere binnenlandse vervoertarieven in het belang van ondernemingen van de Gemeenschap goed te keuren, indien deze tarieven „overeenstemmen met de beginselen van het Verdrag”. Het principiële absolute discriminatieverbod wordt hier derhalve zo gerelativeerd, dat het in elk speciaal geval tegen de andere doeleinden en beginselen van het Verdrag moet worden afgewogen. Bij deze afweging zullen steeds bepalingen, welke een algemene bescherming ten doel hebben (het discriminatieverbod) gesteld zijn tegenover bepalingen, die een bijzondere bescherming ten doel hebben (de toelating van ondersteuningsmaatregelen bij wijze van uitzondering). Voor deze tegenstelling moet een zinvolle en juiste oplossing worden gevonden. Bij het gebruikmaken van de haar ter beschikking staande beoordelingsvrijheid meent verweerster de oplossing daarin te hebben gevonden, dat zij het discriminatieverbod (eventueel ook het subsidieverbod) steeds op de achtergrond stelt, wanneer het bereiken van andere, even gewichtige, doeleinden en beginselen van het Verdrag dit noodzakelijk maakt.

#### D. DÊTOURNEMENT DE POUVOIR

Naar de mening van verzoeksters heeft de Hoge Autoriteit de haar volgens artikel 70, lid 4, en volgens paragraaf 10 van de Overgangsovereenkomst toekomende bevoegdheden gebruikt ten dienste van doeleinden, welker verwerkelijking in het Verdrag niet of niet meer is voorzien; in dit verband dragen verzoeksters als grief voor dat de Hoge Autoriteit zich ten opzichte van de artikelen 2, 3, 4, 67 en 70 van het Verdrag en van de paragrafen 1, 10 en 23 van de Overgangsovereenkomst aan détournement de pouvoir heeft schuldig gemaakt.

Daar verzoeksters geen nieuwe feiten hebben gesteld, doch in werkelijkheid slechts haar grieven van schending van het Verdrag hebben herhaald, acht de Hoge Autoriteit zich niet verplicht, nader op dit punt in te gaan; zij concludeert dat de grief niet gegrond is.

#### E. SCHENDING VAN WEZENLIJKE VORMVOORSCHRIFTEN

Verzoeksters zijn van mening, dat de Hoge Autoriteit wezenlijke vormvoorschriften heeft geschonden, doordat zij in de bestreden beschikkingen niet de gronden heeft genoemd, waarom zij bij de beoordeling van de vergelijkbaarheid in de zin van artikel 70, lid 1, alleen is uitgegaan van de vergelijkbaarheid op het gebied van het vervoer (gebrekkige motivering).

Gelijke grief voeren zij aan op grond van het feit, dat de Hoge Autoriteit in deze beschikkingen geen definitie heeft gegeven van de bijzondere redenen, op grond waarvan naar haar mening de handhaving der bijzondere tarieven werd gerechtvaardigd.

Verweerster acht de eerste grief onvoldoende gemotiveerd; zij is voorts van mening, dat het zowel onnodig als onmogelijk was, een abstracte definitie te geven van de „bijzondere redenen” welke in ieder geval afzonderlijk tot de voor verzoeksters bestemde beschikkingen hebben geleid.

Overwegende dat het voorts gewenst voorkomt, een samenvatting te geven van enkele bijzondere vragen, die in de zaken 17-58, 18-58 en 26-58 zijn opgeworpen;

##### Zaken 17-58 (Maximilianshütte) en 26-58 (Luitpoldhütte)

In de beschikking betreffende het kolenvervoer stelt de Hoge Autoriteit het bijzondere tarief 6 B 31 (III, B) aan de orde. Zij is van mening, dat dit tarief, voorzover het de voorziening met steenkolen en steenkool-cokes betreft, ten dele is gerechtvaardigd op grond van het feit, dat de betrokken ondernemingen in de nabijheid van de zonegrens gelegen zijn. Daar intussen aan beide ondernemingen reeds voor de oorlog aanzienlijke tariefverlagingen waren toegekend — ten bedrage van 13 % van het algemene kolentarief 6 B 1 — moet dit gedeelte van de verlaging in het thans geldende tarief wegvallen; zij acht het daarom redelijk en noodzakelijk, de tariefverlaging vast te stellen op 8 % van het vorengenoemde algemene tarief.

Verzoeksters voeren tegen dit gedeelte van de beschikking de volgende grieven aan:

a) De Hoge Autoriteit heeft niet de gronden aangegeven, waarom zij de tariefverlaging tot 8 % van het vorengenoemde algemene tarief heeft verminderd.

b) De beschikking is ook in materieel opzicht onjuist; ten onrechte heeft de Hoge Autoriteit de beide percentages, die samen de tariefverlaging van 21 vormen, geschat op 13 respectievelijk 8, te weten a) 13 - ondersteuningsmaatregelen, b) 8 - compensatie van de nadelige gevolgen, die voortvloeien uit de ligging in de nabijheid van de zonegrens.

c) Nu de Hoge Autoriteit heeft erkend, dat een bijzonder tarief gerechtvaardigd was omdat de plaats van vestiging in de nabijheid van de zonegrens was gelegen, had zij overeenkomstig artikel 70, lid 5, aan de nationale autoriteiten, in de eerste plaats aan de Bundesbahn, de beoordeling moeten overlaten van de doelmatigheid en de noodzakelijkheid van een eventuele tariefverlaging.

Verweerster wijst op de tekst van de beschikking zelf, om aan te tonen, dat zij op alle in aanmerking komende omstandigheden heeft gelet, en dat haar motivering op dit punt geenszins zo gebrekkig is, als verzoeksters zouden willen doen voorkomen.

Zij geeft toe dat de beoordeling van de beide bovengenoemde percentage-gedeelten tot verschillende opvattingen kan leiden. Zij is er harerzijds van uitgegaan, dat de geschiedenis van de vaststelling en de ontwikkeling van dit tarief de zekerste en meest geschikte grondslag voor de beoordeling vormde. Juist omdat zij rekening wilde houden met de mogelijkheid dat haar beoordeling in de toekomst door de feiten zou worden gelogenstraft, heeft zij de mogelijkheid geopend, dat de laatste tariefverhoging van 4 % eventueel zal worden uitgesteld (kolen-beschikking III, B, 3 lid 4).

Artikel 70 van het Verdrag levert overigens geen enkele grond voor de stelling van verzoeksters, dat de Bundesbahn zelf zou mogen oordelen over haar eigen tarief reducties.

Verzoeksters wijzen op het merkwaardige onderscheid tussen de alinea's 1 en 2 van het onderdeel III, sub B van de beschikking.

In de beschikking wordt verklaard, dat de voor het vervoer van bruinkoolbriketten toegestane tariefverlaging, wegens de politieke noodzakelijkheid van dit vervoer, met het Verdrag in overeenstemming is.

Voor de voorziening met steenkolen en steenkoolcokes is daarentegen in de beschikking de toegestane tariefverlaging verminderd tot 8 % van het algemene tarief.

Het is daarom naar de mening van verzoeksters volkomen duidelijk, dat verweerster de tariefverlaging die voor bruinkool volledig werd erkend, uitsluitend daarom voor steenkolen niet heeft erkend, omdat aan verzoeksters reeds een tariefverlaging was toegekend voordat de politieke moeilijkheden zich voordeden, welke de Hoge Autoriteit als grond voor het toekennen van een compensatie erkent. Ten bedrage van laatstgenoemde tariefverlaging heeft de Hoge Autoriteit geweigerd de „politieke schade” als zodanig te erkennen.

##### Zaak 18-58 (Ilsede-Peine)

###### A. SCHENDING VAN WEZENLIJKE VORMVOORSCHRIFTEN

Verzoekster stelt in de eerste plaats, dat de Hoge Autoriteit in deel II en deel III, C, sub 2 en 3 van de beschikking van 9 februari 1958 betreffende het vervoer van minerale brandstoffen, wezenlijke vormvoorschriften heeft geschonden.

Eerst wordt in deel III, C, sub 2 lid 1 een feitelijke uiteenzetting gegeven omtrent de tariefpost 71 b van het tarief voor kanaalrechten voor het Mittelland-kanaal, vervolgens wordt in lid 2, hetwelk een juridische beoordeling van deze feiten bevat, slechts gezegd, dat deze verlaging ten gunste van ondernemingen in Peine en Salzgitter discriminerend is tegenover ondernemingen, die met betrekking tot het vervoer in vergelijkbare omstandigheden verkeren. Derhalve heeft de Hoge Autoriteit niet anders gedaan, dan herhalen of in enigszins andere woorden omschrijven, hetgeen in artikel 4, sub b of 70, lid 1, van het Verdrag als discriminatie wordt aangeduid.

Verweerster stelt daartegenover, dat de motivering van de bestreden beschikkingen een logische gedachtengang vormt.

Wanneer verzoekster meent, dat het daar genoemde criterium „uit het oogpunt van het vervoer” juridisch onjuist is, kan zij de Hoge Autoriteit geen gebrekkige motivering, doch ten hoogste schending van het Verdrag verwijten. De grief van vormgebrek berust op een verwarring tussen formele motivering en materiële gegrondheid.

###### B. TEN AANZIEN VAN DE BEVOEGDHEID

Opgemerkt dient te worden, dat verzoekster niet de vraag opwerpt, of de Hoge Autoriteit op 9 februari 1958 nog bevoegd was, de bestreden beschikkingen te geven. Zij stelt echter:

a) De tariefpost 71 b van het tarief voor kanaalrechten voor het Mittelland-kanaal betreft van staatswege geheven rechten wegens gebruik van het kanaal; de Hoge Autoriteit heeft evenwel niet het recht in het belastingrecht van de Lid-Staten in te grijpen.

b) Zelfs wanneer zou worden aangenomen, dat deze rechten eveneens aan artikel 70 van het Verdrag zijn onderworpen, had de Hoge Autoriteit een onderzoek behoren in te stellen naar het geheel van de belastingstelsels der Lid-Staten, voorzover deze het vervoerswezen in de binnenscheepvaart betreffen.

c) Verzoekster verklaart voorts, dat artikel 70 in elk geval niet van toepassing is op dit tarief, omdat het betrekking heeft op alle in een bepaald gebied gelegen ondernemingen, zodat het onmogelijk discriminerend van aard kan zijn.

Verweerster antwoordt:

ad a) dat het hier niet gaat om belastingen, doch om een heffing voor het gebruik van vervoermiddelen. Artikel 70 omvat alle kosten voor het vervoer op kanalen, onverschillig of het vrachten in engere zin, sleeploon (voor het slepen van aken) of kanaalrechten voor het gebruik van kanalen betreft;

ad b) dat deze grief voor het onderhavige geding niet relevant is. De toetsing van bijzondere binnenlandse vervoertarieven van een Lid-Staat volgens artikel 70, lid 4, is rechtens niet afhankelijk van de vraag, of ter zelfder tijd in andere Lid-Staten dezelfde toetsingen plaatsvinden. De grief is echter ook feitelijk niet juist. Reeds in het jaar 1953 heeft de Commissie van deskundigen voor het vervoerwezen zich beziggehouden met alle op de kanalen van de Gemeenschap toegepaste tarieven, zulks met het oog op de uitschakeling van discriminaties ex artikel 70, lid 2;

ad c) dat uit de officiële tekst van de tarieven voor het Mittelland-kanaal en de Westduitse kanalen duidelijk blijkt, dat de bepaling van de tariefpost 71 b een beperkt geldingsgebied heeft, zowel wat de verzending als de ontvangst der goederen betreft.

###### C. SCHENDING VAN HET VERDRAG

Voor het geval het Hof van Justitie van oordeel zou zijn, dat het onderhavige tarief onder de bepalingen van artikel 70 valt, stelt verzoekster, dat de weigering van de goedkeuring in strijd is met het vierde lid van genoemd artikel.

In het bijzonder merkt zij het volgende op:

a) Het betreft hier een tarief, dat bestemd is met een ander middel van vervoer te kunnen concurreren. Het tarief is in het jaar 1950 ingevoerd, om de concurrentiepariteit met de spoorwegtarieven, welke door het tarief AT 6 B 33 waren verlaagd, te herstellen.

b) Daar de Hoge Autoriteit artikel 70, lid 4, heeft toegepast op enige Beierse ondernemingen in de nabijheid van de zonegrens, heeft zij niet meer het recht, de toepassing van deze artikelen te weigeren aan andere in de nabijheid van de zonegrens gelegen ondernemingen.

Verweerster antwoordt:

ad a) De tariefpost 71 b van het tarief voor kanaalrechten voor het Mittelland-kanaal en het bijzondere tarief 6 B 33 zijn beide bijzondere tarieven, in beide worden verlagingen toegekend ten opzichte van de desbetreffende algemene tarieven. Rechtens kunnen echter niet twee bijzondere tarieven over en weer worden gerechtvaardigd met gronden, welke aan concurrentie zijn ontleend.

ad b) Dat verzoekster op grond van artikel 70, lid 4, in beginsel voor ondersteuning in aanmerking zou kunnen komen, wordt niet ontkend. Echter kon de Hoge Autoriteit op grond van het ingestelde onderzoek niet tot de overtuiging geraken, dat verzoekster ook ondersteuning behoeft.

Wat betreft de onderscheiding tussen de vereiste hoedanigheid om voor ondersteuning in aanmerking te komen en de behoefte aan ondersteuning, meent verzoekster, dat verweerster door deze onderscheiding het toepassingsgebied van artikel 70, lid 4, op onaanvaardbare wijze beperkt.

Zij beweert, dat zij ernstig wordt benadeeld door haar ligging in de nabijheid van de zonegrens. Op grond van dit feit is de rentabiliteit van haar onderneming gereduceerd en haar gevoeligheid voor crises verhoogd. Ook zonder ondersteuning te behoeven, mag zij derhalve rekenen op een schadevergoeding door middel van economisch-politieke maatregelen van de staat, ten gevolge waarvan haar plaats in de concurrentie weer zal worden versterkt.

Hierop antwoordt verweerster dat, wanneer de Hoge Autoriteit in dit verband, afgezien van het ook door verzoekster erkende vereiste van het in aanmerking komen voor ondersteuning, ook de eis stelt van een individuele behoefte aan ondersteuning, zij daardoor geenszins „op onaanvaardbare wijze het toepassingsgebied van het vierde lid (van artikel 70)” beperkt. Want de noodzaak van een ondersteuningsmaatregel kan bezwaarlijk daar bestaan, waar ondernemingen zoals verzoekster, wat hun economische en financiële positie betreft, een materiële ondersteuning in de vorm van tariefverlagingen in het geheel niet nodig hebben. De 7/10-verlaging van de tariefpost 71 b kan ten hoogste de financiële positie van verzoekster verder verbeteren; deze verlaging is echter niet nodig om de verwerkelijking van de doeleinden en beginselen van het Verdrag te waarborgen.

### IV. Procedure

Overwegende dat de verzoekschriften tijdig zijn ingediend en dat partijen de vormvoorschriften in acht hebben genomen;

dat verzoeksters in de zaken 3-58, 4-58, 12-58, 14-58 en 18-58 bij repliek haar conclusies hebben ingetrokken voorzover betrekking hebbend op de bepalingen in de bestreden beschikkingen betreffende de bijzondere tarieven 7 U 6, 7 B 35, 7 U 4, 7 B 3 en 6 B 33;

Overwegende dat het Hof bij beschikkingen van 17 maart, 17 april, 21 april, 23 april, 5 mei en 11 mei 1959 de verzoeken tot tussenkomst heeft toegewezen van de volgende rechtspersonen:

Land Neder-Saksen

Land Beieren

Land Rijnland-Palts

Land Noordrijn-Westfalen

Land Baden-Württemberg

Land Hessen;

Overwegende dat het Hof ter zitting van 2 december 1959, op verzoek van requestranten, de Hoge Autoriteit heeft bevolen, een voor eensluidend getekend afschrift over te leggen van de notulen van de zitting van de Hoge Autoriteit van 9 februari 1958 alsmede de bijlagen tot de bestreden beschikkingen;

dat de Hoge Autoriteit op 3 december 1959 aan dit verzoek gevolg heeft gegeven;

Overwegende dat verzoekster in de zaak 18-58 toestemming heeft gevraagd haar conclusies zodanig te wijzigen, dat deze geacht worden eveneens betrekking te hebben op tariefpost 65 van het tarief voor kanaalrechten voor het Mittelland-kanaal, zulks gezien het feit dat na de nederlegging van het verzoekschrift de tariefpost 71 b van het tarief is opgenomen in de nieuwe tekst van artikel 65;

dat verweerster heeft verklaard zich niet tegen dit verzoek te verzetten;

Overwegende dat het Hof bij beschikking van 8 december 1959 verzoeksters akte heeft verleend van haar vordering van 4 december 1959, strekkende tot het bevelen van instructiemaatregelen, en heeft besloten dat er geen aanleiding bestond, tot deze maatregelen over te gaan;

Overwegende dat ter zitting van 9 december 1959 de raadsman van verzoekster in de zaak 17-58 het Hof heeft verzocht, verweerster te gelasten over te leggen de door de deskundigen van de Afdeling Vervoer van de Hoge Autoriteit opgestelde rapporten omtrent de economische toestand van verzoekster en omtrent de gevolgen ener eventuele verhoging van het bijzondere tarief waarvan zij tevoren profiteerde;

dat verweerster tijdens dezelfde zitting tot de verwerping van dit verzoek heeft geconcludeerd;

Overwegende dat, afgezien van de hierboven weergegeven incidenten, de procedure normaal is verlopen;

### TEN AANZIEN VAN HET RECHT

#### TEN AANZIEN VAN DE BEVOEGDHEID

1.

Overwegende dat verzoeksters, erop wijzend dat de bevoegdheid van de Hoge Autoriteit bedoeld in paragraaf 10, lid 7, van de Overeenkomst op 9 februari 1958 eindigde, ontkennen dat de Hoge Autoriteit bevoegd was tot het uitvaardigen van de beschikkingen, die bij brief van 12 februari 1958 zijn medegedeeld;

dat uit de pleidooien en de ter zitting verstrekte inlichtingen is gebleken, dat de bij brief van 12 februari medegedeelde beschikkingen op 9 februari 1958 des avonds zijn genomen en dat haar inhoud op dat tijdstip tot in alle bijzonderheden vaststond, hetgeen voorts wordt bewezen door de overlegging van de ter zitting besproken ontwerpen en door de notulen van de zitting;

dat uit de door partijen geproduceerde gegevens mede volgt, dat de omstandigheid dat de beschikkingen eerst op 9 februari, derhalve op de laatst mogelijke datum, zijn genomen daardoor wordt verklaard, dat de Bondsregering te elfder ure de Hoge Autoriteit heeft verzocht, haar standpunt, dat reeds lang bekend was, opnieuw in overweging te willen nemen, alsmede dat de Hoge Autoriteit, in het streven ieder verzuim jegens de wederpartij te vermijden, het nemen der formele beschikkingen uitstelde teneinde zich hierover opnieuw te kunnen beraden;

dat de beschikkingen, alvorens in werking te kunnen treden, aan de Bondsregering moesten worden betekend en wel, volgens de regels van behoorlijk bestuur, binnen de kortst mogelijke termijn — hetgeen ook is geschied — doch dat zulks niet wegneemt, dat de beschikkingen nog gedurende de overgangsperiode zijn genomen;

dat er derhalve geen twijfel aan kan bestaan, dat de bestreden beschikkingen binnen de gestelde termijn zijn genomen;

2.

Overwegende dat verzoekster in de zaak 18-58 nog heeft aangevoerd, dat de Hoge Autoriteit niet bevoegd was, een beschikking uit te vaardigen betreffende artikel 71 b van het tarief voor kanaalrechten voor het Mittelland-kanaal, daar dit tarief een regeling vormt inzake een publiekrechtelijke heffing wegens het gebruik van die waterweg en derhalve een materie raakt welke tot de fiscale competentie der Lid-Staten behoort;

dat deze stelling moet worden verworpen, daar het hier een vergoeding voor het gebruik van openbare vervoermiddelen betreft, die een van de elementen vormt waaruit de prijs van het vervoer te water is samengesteld; dat de Hoge Autoriteit haar bevoegdheid dus niet heeft overschreden door de reductie van deze heffing te beschouwen als de instelling van een bijzonder vervoertarief in de zin van artikel 70, lid 4;

dat dezelfde verzoekster nog heeft aangevoerd, dat de Hoge Autoriteit zich ten onrechte in een beschikking welke overigens slechts handelt over spoorwegtarieven, terloops heeft uitgesproken over een vraag van vervoer te water en dat zij, alvorens terzake enige beslissing te nemen, de belastingstelsels van de Lid-Staten had behoren te onderzoeken voorzover deze betrekking hebben op de binnenscheepvaart;

dat deze stelling eveneens behoort te worden verworpen;

dat, daar vorengenoemde tariefpost 71 b rechtstreeks van invloed is op het bijzondere tarief 6 B 33, de Hoge Autoriteit terecht heeft onderzocht of deze tariefpost toelaatbaar was, zulks te meer nu uit haar onderzoek op dit punt was gebleken dat er geen ander soortgelijk geval bestond;

dat ten slotte, wat betreft het door verzoekster gestelde vereiste van een voorafgaand onderzoek, moet worden opgemerkt dat deze voorwaarde geen grondslag vindt in het Verdrag;

#### TEN AANZIEN VAN HET MIDDEL SCHENDING VAN HET VERDRAG

1.

Overwegende dat verzoeksters aanvoeren, dat de afschaffing van de bijzondere binnenlandse vervoertarieven, wegens de daaraan verbonden economische en sociale gevolgen, voor belanghebbenden het recht medebrengt, hulpverlening te vragen als bedoeld in paragraaf 23 van de Overeenkomst met betrekking tot de Overgangsbepalingen;

dat, door na, of ten hoogste kort vóór het verstrijken van de overgangsperiode tot afschaffing van de litigieuze tarieven te besluiten, de Hoge Autoriteit verzoeksters zou hebben beroofd van de mogelijkheid om deze hulpverlening in te roepen;

dat deze grief niet kan slagen aangezien verzoeksters, toen tot bedoelde afschaffing werd besloten, nog geenszins het recht en de mogelijkheid om die hulpverlening te vragen, hadden verloren;

dat toch in het laatste lid van paragraaf 23 van de Overeenkomst is bepaald dat hulp kan worden verleend op grond van een beschikking van de Hoge Autoriteit, genomen met instemming van de Raad, gedurende twee jaren na afloop van de overgangsperiode;

dat, indien gedurende deze twee jaren geen schade is ontstaan, dit ten dele daaraan is te wijten dat de Bondsregering geen uitvoering heeft gegeven aan de bestreden beschikkingen;

dat bijgevolg de Hoge Autoriteit bezwaarlijk het verwijt kan treffen, dat deze niet-uitvoering de ondernemingen heeft belet binnen de gestelde termijnen de in paragraaf 23 van de Overeenkomst bedoelde hulpverlening te verzoeken;

2.

Overwegende dat verzoeksters aanvoeren dat de Hoge Autoriteit bij de toepassing van paragraaf 10, lid 7, van de Overeenkomst artikel 70 van het Verdrag, waarnaar in die paragraaf wordt verwezen, onjuist heeft geïnterpreteerd;

a) Overwegende dat het Hof in dit verband allereerst een stelling zal onderzoeken, welke afzonderlijk is opgeworpen door verzoekster in de zaak 9-58;

dat deze heeft aangevoerd, dat artikel 70, lid 1, geen rechtstreeks toepasselijk recht bevat, doch uitsluitend de opstelling van een programma beoogt;

dat deze uitleg in strijd is met de in dit artikel gebezigde uitdrukkingen, daar in het tweede lid is bepaald: „zijn … verboden discriminaties” enz., in het derde lid: „de schalen enz. worden openbaar gemaakt of ter kennis gebracht van de Hoge Autoriteit” en in het bijzonder in het vierde lid: „de toepassing van bijzondere binnenlandse vervoertarieven … is onderworpen aan voorafgaande goedkeuring van de Hoge Autoriteit, die zich ervan overtuigt” enz., waarbij deze goedkeuring tijdelijk of voorwaardelijk kan worden verleend;

dat uit de geciteerde woorden blijkt, dat het eerste lid ten doel heeft, zowel de Staten als de Hoge Autoriteit voor de toepassing van artikel 70 een concrete en verbindende regel op te leggen;

dat deze regel ten overvloede rechtstreeks voortvloeit uit artikel 4, waarin uitdrukkelijk is bepaald, dat „worden afgeschaft en zijn verboden … b) maatregelen of praktijken, die een discriminatie … inhouden, met name die, welke betrekking hebben op … vervoertarieven”;

b) dat verzoeksters in de tweede plaats de door de Hoge Autoriteit gegeven interpretatie van het eerste lid van artikel 70 bestrijden, hetwelk voorschrijft dat aan verbruikers, die in vergelijkbare omstandigheden verkeren, overeenkomstige tarieven worden berekend, daartoe aanvoerende dat in tegenstelling met het standpunt van de Hoge Autoriteit, die slechts het criterium van de vergelijkbaarheid „uit het oogpunt van het vervoer” heeft aangelegd, bij een vergelijking tussen de ondernemingen rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden waarin deze zich bevinden, in het bijzonder de plaats van vestiging, de rijkdom van geëxploiteerde ertslagen, en de vraag of de onderneming in een ongunstige streek is gelegen;

dat deze stelling evenwel behoort te worden verworpen;

dat toch, in de eerste plaats, bovengenoemde bepaling voorkomt in het hoofdstuk „vervoer”, zodat de woorden „vergelijkbare omstandigheden” geacht moeten worden, althans in beginsel, te doelen op de vergelijkbaarheid uit het oogpunt van het vervoer;

dat voorts de opvatting, dat bij elke vergelijking tussen verschillende ondernemingen rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden waarin deze zich bevinden, tot resultaat heeft dat elke onderneming alleen met zichzelf kan worden vergeleken, daar het begrip „vergelijkbare omstandigheden” en bijgevolg het begrip „discriminatie” op deze wijze elke inhoud verliest;

dat uit artikel 4 van het Verdrag kan worden afgeleid, dat de opstellers van het Verdrag door middel van de nadere bepalingen van artikel 70 een einde hebben willen maken aan de stoornissen welke op de gemeenschappelijke markt optraden ten gevolge van de regeling der transporttarieven, zulks teneinde de werking van de gemeenschappelijke markt volgens de in het Verdrag neergelegde beginselen te verzekeren;

dat zij hierbij tot het inzicht moesten komen, dat het vervoer een van de kolen- en staalindustrie onafhankelijke tak van industrie is, die zijn eigen problemen, behoeften en gewoonten kent, alsmede dat, zolang deze niet in de gemeenschappelijke markt is geïntegreerd, het eigen karakter van die industrie moet worden geëerbiedigd met dien verstande, dat alleen die maatregelen mogen worden getroffen, welke noodzakelijk zijn om te voorkomen, dat de werking van deze industrie de doeleinden van het Verdrag in gevaar brengt;

dat aldus, wat het internationale vervoer betreft, artikel 70, alhoewel doelend op een uiteindelijke harmonisatie der nationale tarieven, het tariefbeleid vrij laat en zich beperkt tot het vereiste dat binnen de verschillende nationale stelsels elke discriminatie naargelang van plaats van herkomst of bestemming wordt vermeden;

dat, wat het binnenlandse vervoer betreft, de Lid-Staten, binnen de grenzen van de verdragsbepalingen, evenzo vrij zijn in hun handelsbeleid,

dat stellig het gevaar bestaat, dat de Staten of vervoersondernemingen deze bepalingen schenden indien zij bij hun tarieven rekening houden met de voor- en nadelen van de vestigingsplaats van producenten van kolen en staal of met de kwaliteit der geëxploiteerde ertslagen;

dat het Verdrag integendeel verlangt, dat de Staten bij de vaststelling van de tarief bepalingen uitsluitend rekening houden met de omstandigheden van het vervoer en derhalve de vergelijkbaarheid tussen de verschillende lijnen en vestigingsplaatsen uit het oogpunt van het vervoer beoordelen;

c) Overwegende dat het als interveniënt optredende Land Hessen nog de stelling heeft verdedigd, dat artikel 70, waar het van vergelijkbare omstandigheden spreekt, niet doelt op een vergelijkbaarheid uit het oogpunt van vervoer, doch op het bereiken van een toestand waarbij de ondernemingen van de gemeenschappelijke markt zich in vergelijkbare posities bevinden, met dit gevolg dat de verschillen tussen de ondernemingen door middel van het tariefbeleid behoren te worden genivelleerd;

dat deze interpretatie reeds daarom behoort te worden verworpen, omdat het Verdrag slechts voorziet in een zeer gedeeltelijke integratie van het vervoer;

dat toch deze stelling alleen dan zou kunnen opgaan, indien het vervoer in de verschillende Lid-Staten in beduidend grotere mate was geïntegreerd en de bemoeiingen van de Hoge Autoriteit aanzienlijk uitgebreider waren dan in de leden 4 en 5 van artikel 70 is voorzien;

dat om deze zelfde redenen iedere poging om de toepassing van artikel 70 gelijk te stellen met de uitvoering van de „Interstate Commerce Act” in de Verenigde Staten tot mislukking gedoemd is, daar de „Interstate Commerce Act” enerzijds een totale en veel grondiger controle der vervoertarieven en anderzijds een werkelijk federaal vervoerbeleid beoogt, doch zodanige bevoegdheden geenszins toekomen aan de Hoge Autoriteit, wier taak is beperkt tot de bescherming van de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal tegen ongeoorloofde inmenging van de zijde van de staten of van het vervoerwezen;

3.

Overwegende dat verzoeksters voorts hebben aangevoerd, dat de Hoge Autoriteit een vergissing begaat wanneer zij elk bijzonder tarief een discriminerend karakter toekent; dat slechts die bijzondere tarieven discriminerend zouden zijn, welker toepassing aan derden rechtstreeks schade toebrengt;

Overwegende dat het begrip discriminatie niet noodzakelijkerwijs impliceert, dat een rechtstreekse schade is veroorzaakt, doch veeleer betekent dat vergelijkbare gevallen ongelijk worden geregeld;

dat weliswaar uit de toepassing van zodanige ongelijke regeling een schade kan voortvloeien, welke dan tot het bewijs kan leiden, dat discriminatie aanwezig is;

dat het echter willekeurig ware, het begrip discriminatie te beperken tot die gevallen van ongelijke behandeling, waarin de belanghebbenden inderdaad schade lijden;

dat bijgevolg het bewijs dat een bijzonder binnenlands tarief oorzaak is, dat andere ondernemingen schade lijden, niet beslissend kan zijn, daar een juiste vergelijking alleen mogelijk is tussen de verschillende middelen van vervoer op het grondgebied van een en dezelfde Staat;

dat bijgevolg moet worden verworpen de stelling van verzoeksters, dat genoemde tarieven alleen dan onder artikel 70, lid 4, vallen, indien is bewezen dat daardoor aan derden een onmiddellijke en rechtstreekse schade wordt toegebracht;

4.

Overwegende dat in het vierde lid van artikel 70 is bepaald, dat de bijzondere binnenlandse vervoertarieven, in het belang van een of meer producenten van kolen en staal voorzien, aan voorafgaande goedkeuring van de Hoge Autoriteit moeten worden onderworpen;

dat in afwijking van verschillende opvattingen welke tijdens het geding naar voren zijn gebracht moet worden opgemerkt, dat bedoelde bepaling, naar uit haar bewoordingen blijkt, niet slechts doelt op tarieven die speciaal in het belang der ondernemingen zijn ingesteld (subjectief criterium), doch op alle tarieven die, ongeacht hun motief, voor een of meer ondernemingen voordeel opleveren (objectief criterium), zodat de omstandigheid dat een bijzonder tarief is ingesteld om redenen die met het belang van de begunstigde onderneming niet van doen hebben, de toepassing van het vierde lid geenszins uitsluit of beperkt;

dat de Hoge Autoriteit verplicht is haar goedkeuring te verlenen, indien deze bijzondere tarieven met de beginselen van het Verdrag in overeenstemming zijn;

dat, zoals de Hoge Autoriteit terecht heeft gesteld, deze overeenstemming alleen dan moet worden aangenomen, wanneer zodanig tarief door bijzondere omstandigheden op de vervoersmarkt wordt gerechtvaardigd;

5.

Overwegende dat verzoeksters de Hoge Autoriteit verwijten, dat zij niet mede rekening heeft gehouden met overwegingen van algemeen economisch beleid zoals de wenselijkheid van ondersteuningsmaatregelen, ten gunste van benadeelde en bijzonder conjunctuur-gevoelige gebieden, welke grief zij mede doen steunen op de artikelen 2, lid 2, en 3 sub a, d, e en g;

dat in het vijfde lid van artikel 70 weliswaar is bepaald, dat het algemene vervoerbeleid aan de Lid-Staten blijft voorbehouden, doch dat zowel artikel 4 als de overige leden van artikel 70 zich er kennelijk tegen verzetten, dat de Lid-Staten vrij zouden zijn gebleven, de kolen- en staalindustrie te betrekken bij een beleid bestaande in het vestigen van industrieën, of subsidies te verlenen in de vorm van het toekennen van bijzondere tarieven aan producenten van kolen en staal, daar, indien deze bevoegdheid in handen van de zes Lid-Staten zou zijn gebleven, de instelling van de gemeenschappelijke markt zou kunnen mislukken, in het bijzonder doordat de beginselen van algemeen vervoerbeleid, die in de zes landen worden gehuldigd, verschillen;

Overwegende dat verzoeksters voorts een beroep hebben gedaan op artikel 2 van het Verdrag, welks tweede lid als volgt luidt: „De Gemeenschap moet in toenemende mate de omstandigheden scheppen, die uit zichzelf de meest rationele verdeling van de produktie op een zo hoog mogelijk peil verzekeren en daarbij zowel de continuïteit van de werkgelegenheid waarborgen als vermijden, dat in de economie van de deelnemende Staten fundamentele en duurzame moeilijkheden worden veroorzaakt”;

dat deze bepaling, zij het onder een dubbel voorbehoud, duidelijk het belangrijkste doel van de gemeenschappelijke markt op de voorgrond stelt, zodat het algemene beleid van de Hoge Autoriteit erop gericht moet zijn — zulks eveneens bij de toepassing van artikel 70 — in toenemende mate de omstandigheden te scheppen, die uit zichzelf de meest rationele verdeling van de produktie verzekeren;

dat de opstellers van het Verdrag hebben voorzien, dat sommige ondernemingen zich ten gevolge van dit beleid genoopt zouden kunnen zien haar werkzaamheid te staken of te wijzigen; dat zulks in het bijzonder blijkt uit de Overeenkomst betreffende de overgangsbepalingen, welker paragraaf 10, lid 7, in het onderhavige geval is toegepast;

dat deze Overeenkomst in de eerste plaats ten doel heeft, de gemeenschappelijke markt in te stellen en tevens een einde te maken aan toestanden die met de beginselen daarvan in strijd zijn en afbreuk kunnen doen aan de verwerkelijking van de met name in de artikelen 2 en 3 omschreven doeleinden, en in de tweede plaats, de nadelige gevolgen die de instelling van de gemeenschappelijke markt in bepaalde gevallen kan hebben, tegen te gaan;

dat in het bijzonder in paragraaf 23 zowel wederaanpassingsmaatregelen zijn voorgeschreven — welke zelfs de oprichting van nieuwe ondernemingen die niet aan het Verdrag zijn onderworpen met zich kunnen brengen — als hulpmaatregelen voor ondernemingen en werknemers beide;

dat de bestreden beschikkingen niet onwettig worden wegens schending van de artikelen 2 en 3, nu zij kunnen leiden tot een tijdelijke vermindering van de werkgelegenheid en tot de sluiting van sommige ondernemingen; dat integendeel gegrond voorkomt de stelling, dat deze maatregelen moeten worden genomen in het belang van de met de gemeenschappelijke markt beoogde doeleinden, daar toch de weerstand van de markt tegen crises wordt verhoogd, wanneer bepaalde ondernemingen verdwijnen, welke niet uit eigen middelen doch slechts met behulp van voortdurende en omvangrijke hulpverlening kunnen bestaan;

dat intussen de aan het Hof overgelegde getallen en berekeningen geen voldoende bewijs leveren voor de stelling, dat de volledige werkgelegenheid in de ondernemingen alsmede haar rentabiliteit door de bestreden beschikkingen ernstig zouden worden bedreigd; dat bedoelde beschikkingen overigens geenszins beletten, dat een nieuw, rechtstreeks op artikel 70, lid 4, gebaseerd, verzoek wordt gedaan, indien, alvorens de toegestane termijnen verstrijken, de omstandigheden een nieuw bijzonder tarief rechtvaardigen;

dat het in elk geval in strijd zou zijn met de zin van het Verdrag, bijzondere reeds bestaande tarieven goed te keuren alleen omdat de betrokken ondernemingen zich onmogelijk of moeilijk aan de gemeenschappelijke markt kunnen aanpassen;

dat de Hoge Autoriteit in zodanig geval ten hoogste langere termijnen had kunnen verlenen, doch dat verzoekster zelfs niet heeft gesteld, dat de in de bestreden beschikkingen verleende termijnen te kort zouden zijn;

dat bijgevolg noch op artikel 2 noch op artikel 3 van het Verdrag een beroep kan worden gedaan ter ondersteuning van de stelling dat de Hoge Autoriteit bij de toepassing van artikel 70, lid 4, in het algemeen gehouden zou zijn bijzondere tarieven goed te keuren, indien de afwezigheid van zodanige tarieven de rentabiliteit van een onderneming ongunstig zou beïnvloeden;

6.

Overwegende dat integendeel, wanneer de bijzondere tarieven niet uit de aard van het vervoer voortvloeien (hetgeen met name het geval is indien aan de concurrentie van een ander middel van vervoer het hoofd moet worden geboden), een dergelijk tarief alleen in uitzonderlijke gevallen geacht kan worden in overeenstemming te zijn met de beginselen van het Verdrag;

dat de Hoge Autoriteit het bestaan van een dergelijk bijzonder geval heeft erkend ten opzichte van bepaalde, in de nabijheid der zonegrens gelegen ondernemingen;

dat het in dit geval de nadelen betreft, welke het gevolg zijn van factoren van niet-economische aard, in het bijzonder van politieke omstandigheden waardoor deze ondernemingen van haar natuurlijk afzetgebied zijn gescheiden, zodat zij ondersteuning behoeven, hetzij om zich aan de nieuwe omstandigheden te kunnen aanpassen, hetzij om deze, door haar niet toe te rekenen omstandigheden ontstane, nadelen te boven te kunnen komen;

dat de Hoge Autoriteit evenwel in overeenstemming met het uitzonderlijke karakter van deze subsidie heeft gehandeld door, alvorens de bijzondere tarieven toe te staan, terdege te onderzoeken of de betrokken ondernemingen in casu al dan niet ondersteuning behoefden en door haar beschikkingen op het resultaat van dat onderzoek te baseren;

dat bijgevolg moet worden voorbijgegaan aan het bewijsaanbod van verzoeksters, daartoe strekkende dat de schade die in het bijzonder de ondernemingen Maximilianshütte en Luitpoldhütte hebben geleden ten gevolge van de instelling van de zonegrens, het voordeel van de tot dusver toegekende tariefvërlagingen en bijgevolg in nog grotere mate het voordeel dat deze ondernemingen ten gegevolge van de bestreden beschikking genieten, verre zou overtreffen;

dat toch dit bewijsaanbod is gebaseerd op de opvatting, dat de schade die door de instelling van de zonegrens is veroorzaakt volledig behoort te worden gecompenseerd;

dat, gelijk hierboven uiteengezet, deze opvatting onjuist is, daar zij het uitzonderlijke karakter van een ondersteuning volgens artikel 70, lid 4, miskent;

Overwegende dat verzoekster nog stelt, dat de beschikkingen ten opzichte van beide vorengenoemde ondernemingen op willekeur berusten doordat de Hoge Autoriteit van de oorspronkelijk verleende reductie ad 21 % de reeds voor de laatste wereldoorlog bestaande 13 %, die ongetwijfeld een ondersteuningsmaatregel vormden, heeft afgetrokken;

dat het Hof deze handelwijze niet onrechtmatig oordeelt, daar, enerzijds, andere ondernemingen, welke in dezelfde gebieden zijn gelegen, een verlaging van ongeveer 8 % genieten en, anderzijds, de Hoge Autoriteit voor dit gedeelte van haar beschikkingen een correctiemarge van 4 % heeft voorzien;

dat voorts moet worden verworpen de stelling van de verzoekster Ilsede Peine (zaak 18-58), dat een bijzonder vervoertarief kan worden goedgekeurd wanneer vaststaat dat de betrokken onderneming zich in omstandigheden bevindt die een subsidie rechtvaardigen;

dat, aangezien de Hoge Autoriteit heeft erkend dat de zonegrens een dergelijke omstandigheid oplevert, verzoekster volgens deze stelling gerechtigd zou zijn het verlenen van een ondersteuningstarief te verlangen, zelfs onafhankelijk van de vraag of zij al dan niet een subsidie van node heeft;

dat, aangezien volgens de grondregels van het Verdrag in beginsel elke subsidie en elk ondersteuningstarief is verboden, aan een onderneming die in de nabijheid van vorengenoemde zone is gelegen een bijzonder vervoertarief slechts kan worden toegekend voorzover dit voor het voortbestaan van de onderneming noodzakelijk is;

dat verzoekster niet heeft gesteld, dat zij zich in die toestand bevindt;

#### TEN AANZIEN VAN HET MIDDEL SCHENDING VAN WEZENLIJKE VORMVOORSCHRIFTEN

1.

Overwegende dat verzoeksters aanvoeren dat de beschikkingen niet behoorlijk met redenen zijn omkleed, nu daarin niet de redenen worden medegedeeld waarom, bij de toepassing van het beginsel der vergelijkbaarheid in de zin van artikel 70, alleen het criterium van de vergelijkbaarheid „uit het oogpunt van het vervoer” is aangelegd en in de tweede plaats omdat de beschikkingen niet nauwkeurig aangeven, op welke gronden naar de mening van de Hoge Autoriteit de bijzondere tarieven gehandhaafd hadden kunnen blijven;

dat het Hof met verweerster van oordeel is, dat de Hoge Autoriteit kon volstaan met een positieve uiteenzetting van haar interpretatie van artikel 70, lid 1, en dat zij geenszins was gehouden, andere mogelijke interpretaties te weerleggen of af te wijzen;

dat het Hof verwerpt de stelling van verzoeksters, dat de Hoge Autoriteit verplicht was een uitputtende opsomming te geven van de gronden waarop, ter toepassing van het vierde lid van artikel 70, de bijzondere tarieven gehandhaafd hadden kunnen blijven; dat integendeel moet worden erkend, dat de Hoge Autoriteit kon volstaan met de beoordeling van de concrete gevallen die haar werden voorgelegd;

dat buitendien moet worden opgemerkt, dat het niet op de weg lag van de Hoge Autoriteit, een algemene theorie te ontwikkelen omtrent de materie die het onderwerp van het vierde lid van artikel 70 uitmaakt;

2.

Overwegende dat verzoeksters in de zaken 17-58 en 26-58 aanvoeren, dat de Hoge Autoriteit het gedeelte van de bestreden beschikking, waarin het tarief 6 B 31 — voorzover dit betrekking heeft op het vervoer van steenkool en van steenkoolcokes — wordt verhoogd, niet voldoende met redenen heeft omkleed door de vroeger op 21 % bepaalde verlaging terug te brengen tot 8 %;

dat het Hof van oordeel is, dat de beschikking op dit punt voldoende is gemotiveerd door de verwijzing naar de vergelijking tussen de tarieven die voor en na de oorlog golden;

3.

Overwegende dat verzoekster in de zaak 18-58 de Hoge Autoriteit nog verwijt, dat zij niet de gronden heeft vermeld waarom zij de tariefpost 71 b van het tarief voor kanaalrechten voor het Mittelland-kanaal als discriminerend heeft beschouwd;

dat deze grief in feite neerkomt op de reeds eerder onderzochte stelling, dat het begrip „bijzondere vervoertarieven” niet noodzakelijkerwijs medebrengt dat deze tarieven discriminerend zijn;

dat, zoals boven reeds is beslist, deze grief, voorzover voorgedragen ter ondersteuning van het middel schending van het Verdrag, moet worden verworpen;

dat deze grief in wezen niet betrekking heeft op het middel schending van wezenlijke vormvoorschriften en derhalve niet als zodanig kan worden onderzocht;

#### TEN AANZIEN VAN HET MIDDEL DÉTOURNEMENT DE POUVOIR

Overwegende dat verzoeksters ten slotte aanvoeren, dat de Hoge Autoriteit zich aan détournement de pouvoir heeft schuldig gemaakt door de bevoegdheden, welke zij aan artikel 70, lid 4, en aan paragraaf 10 van de Overeenkomst met betrekking tot de Overgangsbepalingen ontleent, te gebruiken voor doeleinden welke niet in het Verdrag zijn voorzien;

dat verzoeksters te dien einde dezelfde feiten aanvoeren waarop ook het middel schending van het Verdrag is gebaseerd;

dat, nu dit middel op een zo vage en onnauwkeurige wijze is voorgedragen, het Hof moet volstaan met de vaststelling dat uit de gestelde feiten niet blijkt van een détournement de pouvoir ten opzichte van verzoeksters begaan;

dat het middel détournement de pouvoir derhalve moet worden verworpen;

### Kosten

Overwegende dat zowel verzoeksters als interveniënten op alle punten in het ongelijk zijn gesteld en bijgevolg in de kosten moeten worden veroordeeld;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE

Recht doende,

Verwerpt de beroepen;

Veroordeelt verzoeksters en interveniënten in de kosten;

Ontzegt het meer of anders gevorderde.

### Voetnoten

- 1 Frans: comparable; in de Nederlandse vertaling van artikel 70 van het Verdrag „overeenkomstig”. Evenals in de beschikkingen van de Hoge Autoriteit, welke het voorwerp der onderhavige beroepen vormen, wordt in de Nederlandse tekst van dit arrest de juistere term „vergelijkbaar” gebezigd. (Noot van de vertaler.)

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Roemer 9/70 17.09.1970

#### [EEG-Verdrag art. 74 en art. 80](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-9-70-conclusie)

## Rechtsleer

3

Verbeek: Unzulässige Ausnahmetarife für Montan-Erzeugnisse, Deutsche Außenwirtschafts-Rundschau 1960 p.144-146

Ule, Carl Hermann: Zur Beschränkung des Verwaltungshandelns durch befristete Ermächtigungen, Deutsches Verwaltungsblatt 1961 p.871-874

Булюи, Жан ; Шевалие, Роже-Мишел: Иск за отмяна на незаконосъобразни актове - основания - общи положения - липса на компетентност, Най-важни решения на Cьда на Eвропейските общности (Ed. Институт по Европейско право - Sofia) 2007 р.226-228
