---
title: "HvJ EU, 286/85, arrest van 24 maart 1987 · Richtlijn 79/7 art. 4, EEG-Verdrag art. 177"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 1987, 286/85: richtlijn 79/7 art. 4, EEG-Verdrag art. 177."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-286-85-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-286-85-arret"
---

# Arrest van het Hof van 24 maart 1987, 286/85 · Richtlijn 79/7 art. 4, EEG-Verdrag art. 177

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

286/85

**ECLI**

ECLI:EU:C:1987:154

**Datum**

24 maart 1987

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

High Court - Civil matters - Dublin (Ierland) beslissing van 13 mei 1985 67SS/1985 68SS/1985

**Zaak ingediend op**

23 september 1985

**Advocaat-generaal**

Mancini

**Opmerkingen**

Nederlandse regering Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

High Court beslissing van 10 juni 1988 61/1987 ; Supreme Court beslissing van 27 juli 1989 1987 61 J.R. - 1987 62 J.R.

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Engels

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1987, blz. 1453

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

O'Higgins

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Handelingen van de instellingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20) [Richtlijnen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20.02) [Rechtstreekse werking](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20.02.01) 41 beslissingen
  - [Sociale politiek](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-15%2C578-4.14) [Gelijkheid van mannelijke en vrouwelijke werknemers](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-15.01) 35 beslissingen

## Tekst

24 paragrafen

### Arrest

1. Bij beschikking van 13 mei 1985, ten Hove ingekomen op 23 september daaraanvolgend, heeft de High Court te Dublin krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 4 van richtlijn nr. 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24), teneinde te vernemen of deze bepaling vanaf 23 december 1984, de datum waarop de Lid-Staten de nodige uitvoeringsmaatregelen hadden moeten vaststellen, kon worden geacht in Ierland rechtstreekse werking te hebben.

2. Die vragen zijn gerezen in twee procedures die N. Mc Dermott en A. Cotter bij de High Court hebben ingeleid tegen de minister van Sociale voorzorg en de Attorney-General. Daarin verzoeken zij om nietigverklaring van de door of namens de minister van Sociale voorzorg vastgestelde beschikkingen tot stopzetting van de uitbetaling van verzoeksters' werkloosheidsuitkering na 312 dagen, en derhalve, wat Cotter betreft, om wedertoekenning van de naar het loon berekende uitkering, die automatisch was vervallen. Verzoeksters in het hoofdgeding stelden dat, waren zij mannen of ongehuwde vrouwen geweest, zij nog 78 dagen langer recht op werkloosheidsuitkering zouden hebben gehad. Zij wezen er ook op, dat zij, als gehuwde vrouwen, voor elk tijdvak van premiebetaling minder werkloosheidsuitkering ontvingen dan mannen.

3. Op 4 februari 1985 verzochten verzoeksters de High Court om nietigverklaring van genoemde beschikkingen tot stopzetting van hun uitkering, op grond dat deze beschikkingen in strijd waren met de rechten die verzoeksters ontlenen aan artikel 4, lid 1, van richtlijn nr. 79/7 van de Raad (hierna: de richtlijn).

4. Vaststaat dat ingevolge de hoofdstukken 4 en 6 van deel 2 van de Social Welfare (Consolidation) Act 1981 gehuwde vrouwen een lagere werkloosheidsuitkering krijgen dan gehuwde mannen en ongehuwde personen en dit bovendien gedurende een kortere periode.

5. Wel hebben verweerders blijkens het dossier voor de nationale rechter betoogd dat artikel 4 van de richtlijn geen duidelijke en nauwkeurige verplichting inhield, en dat Ierland derhalve bij het bepalen van de wijze van uitvoering van de richtlijn over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikte. Volgens hen kan artikel 4 dan ook niet voor de Ierse rechterlijke instanties worden ingeroepen.

6.

Omdat zij twijfels had over de werking van de richtlijn, heeft de High Court te Dublin, bij welke het geding aanhangig was gemaakt, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de twee volgende vragen :

> 1)„ Hebben de bepalingen van richtlijn nr. 79/7/EEG, inzonderheid artikel 4 daarvan, sedert 23 december 1984 in Ierland rechtstreekse werking, zodat gehuwde vrouwen gelijk verzoeksters daaraan in de omstandigheden van de onderhavige zaken afdwingbare communautaire rechten kunnen ontlenen ?
>
> 2) Zo ja, betekent dit dat nationale bepalingen, als die van de hoofdstukken 4 en 6 van deel 2 van de Social Welfare (Consolidation) Act 1981, zoals gewijzigd, niet voor de rechter kunnen worden ingeroepen en dat verzoeksters, als gehuwde vrouwen wonend in een Lid-Staat die dergelijke bepalingen niet heeft ingetrokken of aangepast, sedert 23 december 1984, wat de onderhavige sociale-zekerheidsuitkeringen betreft, recht hebben op gelijke behandeling en dit ten aanzien van dergelijke Lid-Staten in rechte kunnen afdwingen ?”

7. Uit de stukken blijkt dat section 34, lid 6, van de Social Welfare (Consolidation) Act 1981 is ingetrokken bij section 6, sub c, van de Social Welfare (N o 2) Act van 14 juli 1985, krachtens welke gehuwde vrouwen even lang werkloosheidsuitkeringen en naar het loon berekende uitkeringen ontvangen als andere rechthebbenden. Section 6 van laatstgenoemde wet is op 15 mei 1986 in werking getreden en gaf aan die intrekking beperkte terugwerkende kracht, voor zover enkel gehuwde vrouwen die werkloosheidsuitkering hadden ontvangen in de periode van 78 dagen voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van de betrokken bepaling, daarvan konden profiteren. Bijgevolg kwamen de twee verzoeksters in het hoofdgeding, die sinds januari 1985 geen werkloosheidsuitkering meer ontvingen, niet daarvoor in aanmerking.

8. Verder blijkt dat door section 2 van de Social Welfare Act 1985 met name de hoofdstukken 4 en 6 van de wet van 1981 zijn gewijzigd, doordat thans is bepaald dat mannen en vrouwen eenzelfde bedrag aan werkloosheidsuitkering ontvangen. Deze bepaling is, wat de werkloosheidsuitkeringen betreft, eveneens op 15 mei 1986 in werking getreden.

9. Voor de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen uit het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dit noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

### De eerste vraag

10. Met de eerste vraag wenst de High Court in wezen te vernemen, of particulieren in een Lid-Staat na afloop van de termijn waarbinnen de Lid-Staten richtlijn nr. 79/7 ten uitvoer moesten leggen, rechten kunnen ontlenen aan artikel 4, lid 1, ervan.

11. Volgens vaste rechtspraak van het Hof — zie met name het arrest van 19 januari 1982 (zaak 8/81, Becker, Jurispr. 1982, blz. 53) — kunnen particulieren steeds wanneer de bepalingen van een richtlijn naar hun inhoud onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig blijken te zijn en uitvoeringsmaatregelen niet tijdig zijn getroffen, zich op die bepalingen beroepen tegenover elk nationaal voorschrift dat niet met de richtlijn in overeenstemming is, of ook wanneer die bepalingen rechten vastleggen die de particulieren tegenover de staat kunnen doen gelden.

12. Deze rechtspraak is gebaseerd op de voor de Lid-Staten dwingende werking van richtlijnen en op de overweging dat een Lid-Staat die de door een richtlijn voorgeschreven maatregelen niet tijdig heeft getroffen, het feit dat hij zijn uit die richtlijn voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen, niet aan particulieren kan tegenwerpen.

13. Zoals het Hof overwoog in zijn arrest van 24 juni 1986 (zaak 150/85, Drake, Jurispr. 1986, blz. 1995), wordt aan het in artikel 1 van richtlijn nr. 79/7 neergelegde doel concrete vorm gegeven in artikel 4, lid 1, volgens hetwelk op het gebied van de sociale zekerheid iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten, in het bijzonder met betrekking tot de werkingssfeer van de socialezekerheidsregelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot die regelingen.

14. Verder overwoog het Hof in zijn arrest van 4 december 1986 (zaak 71/85, FNV, Jurispr. 1986, blz. 3855), dat artikel 4, lid 1, zowel op zichzelf beschouwd als gezien in verband met het doel en de inhoud van de richtlijn, voldoende nauwkeurig is om door een justitiabele te kunnen worden ingeroepen en door de rechter te kunnen worden toegepast. Bovendien geeft dit artikel de Lid-Staten geenszins de bevoegdheid om de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling binnen zijn eigen werkingssfeer aan voorwaarden of beperkingen te binden.

15. Met betrekking tot het argument dat de veelheid van alternatieven om de gelijke behandeling te realiseren, eraan in de weg staat dat particulieren rechten zouden kunnen ontlenen aan de richtlijn, kan worden volstaan met te verwijzen naar wat het Hof reeds overwoog in zijn arrest van 19 januari 1982 (zaak 8/81, Becker, reeds aangehaald), te weten dat men het feit dat de richtlijnen de keuze van vorm en middelen ter bereiking van het beoogde resultaat vrijlaten, niet kan aanvoeren om iedere werking te ontzeggen aan die bepalingen ervan die zich ertoe lenen in rechte te worden ingeroepen.

16. Uit het voorafgaande volgt dat artikel 4, lid 1, voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is om, ook zonder uitvoeringsmaatregelen, vanaf 23 december 1984 door particulieren voor de nationale rechter te kunnen worden ingeroepen teneinde de toepassing van iedere met dat artikel strijdige nationale bepaling te beletten.

17. Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat zolang aan de richtlijn geen uitvoering was gegeven, artikel 4, lid 1, van richtlijn nr. 79/7 van de Raad van 19 december 1978, dat iedere discriminatie op grond van geslacht op het gebied van de sociale zekerheid verbiedt, vanaf 23 december 1984 kon worden ingeroepen om de toepassing van iedere met artikel 4, lid 1, strijdige nationale bepaling te beletten.

### De tweede vraag

18. Met betrekking tot de tweede vraag van de High Court, die in wezen ertoe strekt te vernemen of bij ontbreken van maatregelen ter uitvoering van artikel 4, lid 1, van de richtlijn, de door de nationale wettelijke regeling uitgezonderde gehuwde vrouwen vanaf 23 december 1984 onder dezelfde voorwaarden als mannen aanspraak op uitkering hebben, kan worden volstaan met te verwijzen naar wat het Hof reeds overwoog in zijn arrest van 4 december 1986 (reeds aangehaald), te weten dat tot het tijdstip waarop de nationale regering de nodige uitvoeringsmaatregelen treft, vrouwen recht hebben op toepassing van dezelfde regeling als mannen die in een gelijke situatie verkeren, waarbij die regeling, zolang aan genoemde richtlijn geen uitvoering is gegeven, het enig bruikbare referentiekader blijft.

19. Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord dat bij ontbreken van maatregelen ter uitvoering van artikel 4, lid 1, van de richtlijn vrouwen recht hebben op toepassing van dezelfde regeling als mannen die in een gelijke situatie verkeren, waarbij die regeling, zolang aan genoemde richtlijn geen uitvoering is gegeven, het enig bruikbare referentiekader blijft.

### Kosten

20. De kosten door de Nederlandse regering en de Commissie wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de High Court te Dublin bij beschikking van 13 mei 1985 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Zolang aan de richtlijn geen uitvoering was gegeven, kon artikel 4, lid 1, van richtlijn nr. 79/7 van de Raad van 19 december 1978, dat iedere discriminatie op grond van geslacht op het gebied van de sociale zekerheid verbiedt, vanaf 23 december 1984 worden ingeroepen om de toepassing van iedere met artikel 4, lid 1, strijdige nationale bepaling te beletten.

2) Bij ontbreken van maatregelen ter uitvoering van artikel 4, lid 1, van de richtlijn hebben vrouwen recht op toepassing van dezelfde regeling als mannen die in een gelijke situatie verkeren, waarbij die regeling, zolang aan genoemde richtlijn geen uitvoering is gegeven, het enig bruikbare referentiekader blijft.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

3

richtlijn 79/7 art. 4 uitgelegd 10 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 1 voorkomen

richtlijn 79/7 art. 1 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Fennelly C-286/94 20.03.1997

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 18, KB nr. 4 art. 81](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-286-94-conclusie)

## Rechtsleer

4

Vilà Costa, Blanca: Jurisprudencia del Tribunal de Justicia de las Comunidades Europeas, Revista Jurídica de Catalunya 1987 p.794-797 (PM) (ES)

Keunen, F.W.M.: Rechtspraak sociale verzekering 1988 nº 183, p. 526-529 (NL)

Baratta, Roberto: In tema di "effetti diretti" (o di "diretta applicabilità") delle direttive comunitarie, Giustizia civile 1988 I p.2173-2176 (IT)

Cousins, Mel: Equal Treatment, Married Women and Social Welfare Rights, Gazette of the Incorporated Law Society of Ireland 1991 p.391-396 (EN)
