Arrest van het Hof van 6 maart 2018, C-284/16, Achmea BV · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Unie Grote kamer C-284/16 ECLI:EU:C:2018:158 6 maart 2018

Zoeken

Arrest van het Hof van 6 maart 2018, C-284/16, Achmea BVBilaterale investeringsovereenkomst die in 1991 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek is gesloten en nog altijd van toepassing is tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Slowaakse Republiek, bepaling op grond waarvan een investeerder van een overeenkomstsluitende partij zich in geval van een geschil met de andere overeenkomstsluitende partij tot een scheidsgerecht kan wenden, verenigbaarheid met de artikelen 18, 267 en 344 VWEU, begrip ‚rechterlijke instantie’, autonomie van het Unierecht

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-284-16-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Unie
Samenstelling
Grote kamer
Zaak
C-284/16
ECLI
ECLI:EU:C:2018:158
Datum
6 maart 2018

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Bundesgerichtshof (Duitsland) beslissing van 3 maart 2016 I ZB 2/15
Zaak ingediend op
23 mei 2016
Advocaat-generaal
Wathelet
Nationale beslissing na het arrest
Bundesgerichtshof, I. Zivilsenat beslissing van 31 oktober 2018 I ZB 2/15 ; Bundesverfassungsgericht beslissing van 23 juli 2024 ECLI:DE:BVerfG:2024:rk20240723.2bvr055719

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Duits
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Tizzano
Repertorium van het Hof

Tekst

63 paragrafen

Arrest

1.

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 18, 267 en 344 VWEU.

2.

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Slowakische Republik (Slowaakse Republiek) en Achmea BV betreffende een arbitraal vonnis van 7 december 2012 van het scheidsgerecht bedoeld in de Overeenkomst inzake de bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek (hierna: „BIT”).

Rechtskader

BIT

3.

De in de loop van 1991 gesloten BIT is op 1 januari 1992 in werking getreden. Volgens artikel 3, lid 1, ervan zijn de overeenkomstsluitende partijen gehouden om een eerlijke en rechtvaardige behandeling van de investeringen van investeerders van de andere overeenkomstsluitende partij te waarborgen en niet door onredelijke of discriminatoire maatregelen het beheer, de instandhouding, het gebruik, het genot of de beschikking van deze investeringen te belemmeren. Krachtens artikel 4 van de BIT waarborgt elke overeenkomstsluitende partij dat betalingen die verband houden met een investering, in het bijzonder winsten, rentes en dividenden, kunnen worden overgemaakt in vrij inwisselbare valuta, zonder onredelijke beperking of vertraging.

4.

In artikel 8 van dezelfde overeenkomst is bepaald:

„1 Geschillen tussen de ene overeenkomstsluitende partij en een investeerder van de andere overeenkomstsluitende partij betreffende een investering van laatstgenoemde worden zo mogelijk in der minne geschikt.

2 Elke overeenkomstsluitende partij stemt er hierbij mee in een geschil bedoeld in het eerste lid van dit artikel voor te leggen aan een scheidsgerecht, als het geschil niet in der minne is geschikt binnen een termijn van zes maanden na de datum waarop één van de partijen bij het geschil om een minnelijke schikking heeft verzocht.

3 Het in het tweede lid van dit artikel bedoelde scheidsgerecht zal in elk afzonderlijk geval als volgt worden samengesteld: elke partij bij het geschil benoemt één lid van het scheidsgerecht en de twee aldus benoemde leden kiezen een onderdaan van een derde staat als voorzitter van het scheidsgerecht. Elke partij bij het geschil benoemt haar lid van het scheidsgerecht binnen twee maanden en de voorzitter wordt benoemd binnen drie maanden na de datum waarop de investeerder de andere overeenkomstsluitende partij in kennis heeft gesteld van zijn beslissing het geschil voor te leggen aan het scheidsgerecht.

4 Indien de benoemingen niet zijn verricht binnen de bovengenoemde termijnen, kan elk der partijen bij het geschil de President van het Instituut voor Arbitrage van de Kamer van Koophandel te Stockholm verzoeken de noodzakelijke benoemingen te verrichten. Indien de President onderdaan van een der overeenkomstsluitende partijen is of indien hij anderszins verhinderd is deze functie uit te oefenen, wordt de vicepresident verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten. Indien de vicepresident onderdaan is van een der overeenkomstsluitende partijen of indien ook hij verhinderd is deze functie uit te oefenen, wordt het lid van het Instituut voor Arbitrage dat het hoogst in anciënniteit is en geen onderdaan is van een der overeenkomstsluitende partijen, verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten.

5 Het scheidsgerecht stelt zijn eigen procedure vast, waarbij het de arbitragevoorschriften van de V.N.-Commissie voor Internationaal Handelsrecht (UNCITRAL) toepast.

6 Het scheidsgerecht beslist op basis van het recht, waarbij het met name doch niet uitsluitend rekening houdt met:

–de vigerende wetgeving van de betrokken overeenkomstsluitende partij;

–de bepalingen van deze Overeenkomst en andere van belang zijnde overeenkomsten tussen de overeenkomstsluitende partijen;

–de bepalingen van bijzondere overeenkomsten betreffende de investering;

–de algemene beginselen van het internationale recht.

7 Het scheidsgerecht neemt zijn beslissing met een meerderheid van stemmen; deze beslissing is onherroepelijk en bindend voor de partijen bij het geschil.”

Duits recht

5.

Volgens § 1059, lid 2, van de Zivilprozessordnung (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) kan een arbitraal vonnis slechts worden vernietigd indien één van de in deze bepaling bedoelde vernietigingsgronden is vastgesteld. Tot deze bedoelde gronden behoren nietigheid van de arbitrageovereenkomst krachtens het recht waaraan de partijen deze overeenkomst hebben onderworpen en de vaststelling dat de erkenning en de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis in strijd zijn met de openbare orde.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

6.

De Slowaakse Republiek is als rechtsopvolgster van de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek op 1 januari 1993 in de uit de BIT voortvloeiende rechten en plichten van laatstgenoemde getreden en is op 1 mei 2004 lid van de Europese Unie geworden.

7.

In het kader van een hervorming van haar zorgstelsel heeft de Slowaakse Republiek in 2004 de Slowaakse markt opengesteld voor aanbieders van particuliere zorgverzekeringen uit het binnenland en andere lidstaten. Achmea, een onderneming die deel uitmaakt van een Nederlandse verzekeringsgroep, heeft na als zorgverzekeringsorgaan te zijn goedgekeurd, in Slowakije een dochteronderneming opgericht, waaraan zij kapitaal heeft verschaft en via welke onderneming zij op de Slowaakse markt particuliere zorgverzekeringen aanbood.

8.

In 2006 heeft de Slowaakse Republiek de liberalisering van de zorgverzekeringsmarkt gedeeltelijk ongedaan gemaakt. In het bijzonder heeft zij bij wet van 25 oktober 2007 verboden winsten uit het aanbieden van particuliere zorgverzekeringen uit te keren. Na het oordeel van de Ústavný súd Slovenskej republiky (grondwettelijk hof van de Slowaakse Republiek) bij arrest van 26 januari 2011 dat dit verbod in strijd met de Slowaakse grondwet was, heeft de Slowaakse Republiek vervolgens met een op 1 augustus 2011 in werking getreden wet de uitkering van de desbetreffende winsten weer goedgekeurd.

9.

Omdat Achmea van mening was dat zij door de wettelijke maatregelen van de Slowaakse Republiek schade had geleden, heeft zij in oktober 2008 op grond van artikel 8 van de BIT een arbitrageprocedure tegen deze staat ingeleid.

10.

Frankfurt am Main (Duitsland) werd als plaats van geding aangewezen, zodat het Duitse recht op de onderhavige arbitrageprocedure van toepassing was.

11.

In het kader van deze arbitrageprocedure heeft de Slowaakse Republiek een exceptie van onbevoegdheid van het scheidsgerecht opgeworpen. Zij heeft dienaangaande betoogd dat het beroep op een scheidsgerecht volgens artikel 8, lid 2, van de BIT door haar toetreding tot de Unie onverenigbaar was met het Unierecht. Bij arbitraal tussenvonnis van 26 oktober 2010 heeft het scheidsgerecht deze exceptie afgewezen. De door de Slowaakse Republiek bij de Duitse rechter in eerste aanleg en in hoger beroep ingestelde beroepen tot vernietiging van dit vonnis zijn verworpen.

12.

Bij arbitraal vonnis van 7 december 2012 heeft het scheidsgerecht de Slowaakse Republiek ertoe veroordeeld Achmea schadevergoeding en rente ter hoogte van 22,1 miljoen EUR te betalen. De Slowaakse Republiek heeft beroep tot vernietiging van dit arbitrale vonnis ingesteld bij het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (hoogste deelstaatrechter Frankfurt am Main, Duitsland). Nadat deze rechter dit beroep had verworpen, heeft de Slowaakse Republiek een hogere voorziening tegen die beslissing ingesteld bij het Bundesgerichtshof.

13.

De verwijzende rechterlijke instantie brengt in herinnering dat de BIT sinds de toetreding van de Slowaakse Republiek tot de Unie op 1 mei 2004 een overeenkomst tussen lidstaten vormt, zodat op gebieden waarop bepalingen van Unierecht van toepassing zijn, deze bepalingen in geval van een geschil voorrang hebben boven de bepalingen van de BIT.

14.

In dit verband heeft de Slowaakse Republiek betwijfeld of het arbitragebeding van artikel 8 van de BIT verenigbaar is met de artikelen 18, 267 en 344 VWEU. De verwijzende rechterlijke instantie deelt deze twijfels weliswaar niet, maar aangezien het Hof nog geen uitspraak heeft gedaan over deze vragen en deze van bijzonder belang zijn omdat er tussen de lidstaten nog vele bilaterale investeringsovereenkomsten van kracht zijn waarin een vergelijkbaar arbitragebeding is opgenomen, heeft deze verwijzende rechterlijke instantie niettemin geoordeeld dat het noodzakelijk was de huidige verwijzing bij het Hof in te dienen teneinde het bij haar aanhangig gemaakte geschil te beslechten.

15.

In de eerste plaats betwijfelt de verwijzende rechterlijke instantie of artikel 344 VWEU zelfs maar toepasselijk is. Zelfs indien dat niet duidelijk blijkt uit de bewoordingen van deze bepaling, volgt om te beginnen uit de strekking en het doel ervan dat deze bepaling geen betrekking heeft op geschillen tussen een particulier en een lidstaat.

16.

Voorts heeft artikel 344 VWEU uitsluitend betrekking op geschillen betreffende de uitlegging en toepassing van de Verdragen. Daarover gaat het hoofdgeding echter niet, aangezien het arbitrale vonnis van 7 december 2012 enkel op grond van de BIT is gewezen.

17.

Ten slotte heeft artikel 344 VWEU tot doel een waarborg te bieden voor de bevoegdheidsverdeling zoals deze is vastgelegd in de Verdragen en derhalve voor de autonomie van de rechtsorde van de Unie waarvan het Hof de eerbiediging verzekert, en is het tegelijkertijd een specifieke uitdrukking van de loyaliteitsverplichting van de lidstaten tegenover het Hof in de zin van artikel 4, lid 3, VEU. Hieruit kan evenwel niet worden afgeleid dat artikel 344 VWEU bij elk geschil waarin het Unierecht mogelijk moet worden toegepast of uitgelegd, de bevoegdheid van het Hof beschermt. Deze bepaling beschermt in werkelijkheid de exclusieve bevoegdheid van het Hof slechts voor zover de lidstaten een beroep moeten doen op in de Verdragen voorziene procedures bij het Hof. Een geschil zoals dat in het hoofdgeding kan evenwel niet worden beslecht in het kader van een procedure voor de rechterlijke instanties van de Unie. De Verdragen voorzien immers niet in een gerechtelijke procedure op grond waarvan een investeerder zoals Achmea tegenover een lidstaat het recht op een vergoeding die haar in een bilaterale investeringsovereenkomst zoals de BIT wordt toegekend, bij de rechterlijke instanties van de Unie geldend kan maken.

18.

In de tweede plaats wenst de verwijzende rechterlijke instantie te vernemen of artikel 267 VWEU zich verzet tegen een arbitragebeding zoals dat in het hoofdgeding.

19.

In dit verband onderstreept zij allereerst dat de arbitrageprocedure niet van dien aard is dat deze procedure op zich de uniforme toepassing kan verzekeren van het Unierecht die artikel 267 VWEU beoogt te waarborgen. Ook al moet het scheidsgerecht krachtens artikel 8, lid 6, van de BIT het Unierecht eerbiedigen en moet in geval van strijdigheid de toepassing van dit recht voorrang krijgen, dit scheidsgerecht kan immers geen prejudiciële vraag aan het Hof voorleggen, aangezien het niet kan worden beschouwd als een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU.

20.

De verwijzende rechterlijke instantie is vervolgens van oordeel dat de eenvormige uitlegging van het Unierecht in dit geval niettemin kan worden geacht te zijn gewaarborgd, aangezien een overheidsrechter vóór de uitvoering van het arbitrale vonnis mogelijkerwijs zal moeten toetsen of het arbitrale vonnis verenigbaar is met het Unierecht en deze rechter indien nodig het Hof een prejudiciële vraag kan stellen. Bovendien vormt volgens § 1059, lid 2, punt 2, onder b), van de Zivilprozessordnung de onverzoenbaarheid van de erkenning en tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis met de openbare orde een van de gronden waarop een dergelijk vonnis vernietigd kan worden. In navolging van wat het Hof heeft geoordeeld over arbitrale vonnissen waarbij geschillen tussen particulieren werden beslecht, kan de toetsingsbevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties inzake een arbitraal vonnis met betrekking tot een geschil tussen een particulier en een lidstaat rechtsgeldig worden beperkt tot enkel schendingen van fundamentele bepalingen van Unierecht. Deze omstandigheid hoeft niet tot gevolg te hebben dat een arbitragebeding zoals dat in het hoofdgeding onverenigbaar is met artikel 267 VWEU.

21.

De verwijzende rechterlijke instantie voegt ten slotte hieraan toe dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat een internationale overeenkomst waarbij buiten het institutionele en juridische kader van de Unie een bijzondere rechterlijke instantie wordt opgericht die met de uitlegging en de toepassing van de bepalingen van deze overeenkomst is belast, verenigbaar is met het Unierecht wanneer deze overeenkomst geen inbreuk maakt op de autonomie van de rechtsorde van de Unie. Het Hof heeft geen voorbehoud gemaakt bij de oprichting van een rechterlijk systeem dat in wezen was bedoeld om geschillen over de uitlegging of toepassing van bepalingen van de desbetreffende internationale overeenkomst als zodanig op te lossen en dat niet raakte aan de bevoegdheden van de rechterlijke instanties van de lidstaten inzake de uitlegging en toepassing van het Unierecht noch aan de mogelijkheid, of zelfs de verplichting, van deze laatste instanties om het Hof een prejudiciële verwijzing voor te leggen. Het scheidsgerecht in het hoofdgeding had nu juist tot taak uitspraak te doen over schending van de bepalingen van de BIT, die het moest uitleggen in het licht van het Unierecht en in het bijzonder van de bepalingen over het vrij verkeer van kapitaal.

22.

In de derde plaats stelt de verwijzende rechterlijke instantie vast dat investeerders uit andere lidstaten dan het Koninkrijk der Nederlanden dan wel de Slowaakse Republiek in tegenstelling tot Nederlandse of Slowaakse investeerders geen mogelijkheid hebben om zich in plaats van tot een overheidsrechter tot een scheidsgerecht te wenden, wat een aanzienlijk nadeel vormt dat een met artikel 18 VWEU strijdige discriminatie kan opleveren. Indien het genot van een voordeel dat uit een binnen de Unie gesloten bilaterale overeenkomst voortvloeit, beperkt blijft tot onderdanen van de overeenkomstsluitende lidstaten, dan levert dit evenwel alleen discriminatie op indien de onderdanen van andere lidstaten die niet van dit voordeel profiteren in een objectief gelijkwaardige situatie verkeren. Dat is in de onderhavige zaak niet het geval, aangezien het feit dat de wederzijdse rechten en plichten enkel voor de onderdanen van een van de beide overeenkomstsluitende lidstaten gelden, een inherent gevolg is van de tussen hen gesloten bilaterale overeenkomsten.

23.

Gelet op het voorgaande heeft het Bundesgerichtshof besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

1)„ Staat artikel 344 VWEU in de weg aan de toepassing van een beding in een bilaterale investeringsovereenkomst tussen de lidstaten van de Unie (een zogeheten ‚bilateraal investeringsverdrag binnen de Unie’) dat bepaalt dat een investeerder van een overeenkomstsluitende staat in geval van een geschil betreffende investeringen in de andere overeenkomstsluitende staat tegen laatstgenoemde staat een procedure voor een scheidsgerecht kan inleiden, wanneer die overeenkomst vóór de toetreding van een van de overeenkomstsluitende staten tot de Unie is gesloten maar de arbitrageprocedure pas daarna wordt ingeleid?

Indien de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord:

2)Staat artikel 267 VWEU in de weg aan de toepassing van een dergelijke regeling?

Indien de eerste en de tweede vraag ontkennend worden beantwoord:

3)Staat artikel 18, eerste alinea, VWEU in omstandigheden als beschreven in de eerste vraag in de weg aan de toepassing van een dergelijke regeling?”

De verzoeken om heropening van de mondelinge behandeling

24.

Nadat de advocaat-generaal op 19 september 2017 zijn conclusie had genomen, hebben de Tsjechische, de Hongaarse en de Poolse regering bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op respectievelijk 3 november, 19 oktober en 16 oktober 2017, verzocht om heropening van de mondelinge behandeling krachtens artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

25.

Ter ondersteuning van hun verzoeken hebben deze regeringen aangegeven de conclusie van de advocaat-generaal niet te delen.

26.

Om te beginnen zij evenwel in herinnering gebracht dat het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet voorzien in de mogelijkheid dat de in artikel 23 van dat Statuut bedoelde belanghebbenden in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal opmerkingen indienen (arrest van 22 juni 2017, Federatie Nederlandse Vakvereniging e.a., C‑126/16, EU:C:2017:489, punt 30).

27.

Verder heeft de advocaat-generaal op grond van artikel 252, tweede alinea, VWEU tot taak in het openbaar en in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is. Het Hof is in dit verband niet gebonden door deze conclusies of door de motivering op grond waarvan de advocaat-generaal daartoe komt. Bijgevolg kan het feit dat een betrokken partij het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal als zodanig geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren, ongeacht welke kwesties hij in die conclusie onderzoekt (arrest van 25 oktober 2017, Polbud – Wykonawstwo, C‑106/16, EU:C:2017:804, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28.

Het Hof kan echter overeenkomstig artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, met name wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer de zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover de partijen hun standpunten niet hebben uitgewisseld (arrest van 22 juni 2017, Federatie Nederlandse Vakvereniging e.a., C‑126/16, EU:C:2017:489, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29.

Aangezien in casu uit de betrokken verzoeken louter blijkt dat de Tsjechische, de Hongaarse en de Poolse regering het oneens zijn met de conclusie van de advocaat-generaal en daarin geen nieuw argument wordt aangevoerd op basis waarvan de onderhavige zaak dient te worden beslist, is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat het over alle gegevens beschikt die het nodig heeft om uitspraak te doen en dat de partijen hun standpunt over deze gegevens hebben uitgewisseld.

30.

Gelet op een en ander moeten de verzoeken om heropening van de mondelinge behandeling worden verworpen.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste en tweede vraag

31.

Met haar eerste en tweede vraag, die samen dienen te worden behandeld, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of de artikelen 267 en 344 VWEU aldus dienen te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een bepaling in een tussen lidstaten gesloten internationale overeenkomst zoals artikel 8 van de BIT krachtens welke een investeerder uit een van deze lidstaten, in geval van een geschil over investeringen in de andere lidstaat, tegen laatstgenoemde staat een procedure kan inleiden voor een scheidsgerecht en deze lidstaat zich ertoe heeft verbonden de bevoegdheid daarvan te aanvaarden.

32.

Ter beantwoording van deze vragen moet in herinnering worden gebracht dat een internationale overeenkomst volgens vaste rechtspraak van het Hof geen inbreuk mag maken op de in de Verdragen vastgestelde bevoegdheidsregeling en dus op de autonomie van het rechtsstelsel van de Unie waarvan het Hof de eerbiediging verzekert. Dit beginsel is met name vervat in artikel 344 VWEU, volgens hetwelk de lidstaten zich verbinden een geschil betreffende de uitlegging of de toepassing van de Verdragen niet op andere wijze te doen beslechten dan in de Verdragen is voorgeschreven [advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 201 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

33.

Volgens eveneens vaste rechtspraak van het Hof is de autonomie van het Unierecht ten aanzien van zowel het recht van de lidstaten als het internationaal recht gerechtvaardigd op grond van de essentiële kenmerken van de Unie, haar recht inzake met name de constitutionele structuur en de aard van het genoemde recht zelf. Het Unierecht wordt immers hierdoor gekenmerkt dat het zijn oorsprong vindt in een autonome rechtsbron, de Verdragen, dat het voorrang heeft boven het recht van de lidstaten en dat een hele reeks op de onderdanen van de lidstaten en op de lidstaten zelf toepasselijke bepalingen rechtstreekse werking heeft. Dergelijke kenmerken hebben geleid tot een gestructureerd netwerk van beginselen, regels en onderling samenhangende juridische betrekkingen tussen de Unie zelf en haar lidstaten en tussen de lidstaten onderling [zie in die zin advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punten 165‑167 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

34.

Het Unierecht berust dus op de fundamentele premisse dat elke lidstaat met alle andere lidstaten een reeks gemeenschappelijke waarden deelt waarop de Unie berust, en dat elke lidstaat erkent dat de andere lidstaten deze waarden met hem delen, zoals is bepaald in artikel 2 VEU. Deze premisse impliceert en rechtvaardigt dat de lidstaten er onderling op vertrouwen dat de andere lidstaten deze waarden erkennen en het Unierecht, dat deze waarden ten uitvoer brengt, dus in acht nemen. Juist in deze omstandigheden dienen de lidstaten onder meer krachtens het in artikel 4, lid 3, eerste alinea, VEU genoemde beginsel van loyale samenwerking op hun respectieve grondgebied de toepassing en de eerbiediging van het recht van de Unie te verzekeren en daartoe alle algemene en bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren [advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punten 168 en 173 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

35.

Om het behoud van de specifieke kenmerken en de autonomie van de rechtsorde van de Unie te waarborgen, hebben de Verdragen een rechterlijk systeem ingesteld dat de coherente en eenvormige uitlegging van het Unierecht dient te verzekeren [advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 174].

36.

In dat kader staat het overeenkomstig artikel 19 VEU aan de nationale rechterlijke instanties en aan het Hof om te waarborgen dat het recht van de Unie in alle lidstaten ten volle wordt toegepast en dat de justitiabelen rechterlijke bescherming genieten van de rechten die zij aan dat recht ontlenen [zie in die zin adviezen 1/09 (Overeenkomst over de invoering van een gemeenschappelijk stelsel voor octrooigeschillenbeslechting) van 8 maart 2011, EU:C:2011:123, punt 68, en 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 175, alsmede arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C‑64/16, EU:C:2018:117, punt 33].

37.

De hoeksteen van het aldus opgezette rechterlijke systeem wordt meer bepaald gevormd door de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU, die tot doel heeft de eenvormige uitlegging van het Unierecht te verzekeren door specifiek tussen het Hof en de rechterlijke instanties van de lidstaten een dialoog van rechter tot rechter tot stand te brengen, en die aldus de mogelijkheid biedt de coherentie, de volle werking en de autonomie van het Unierecht te verzekeren en, in laatste instantie, de eigenheid van het door de Verdragen geschapen recht in acht te nemen [zie in die zin advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 176 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

38.

In het licht van deze overwegingen moeten de eerste en de tweede prejudiciële vraag worden beantwoord.

39.

Daartoe moet in de eerste plaats worden getoetst of de geschillen waarvan het scheidsgerecht bedoeld in artikel 8 van de BIT geroepen is kennis te nemen, verband kunnen houden met de uitlegging of toepassing van het Unierecht.

40.

Gesteld al dat dienaangaande ervan wordt uitgegaan dat dit gerecht, zoals met name Achmea beweert, ondanks de zeer ruime formulering van artikel 8, lid 1, van de BIT, enkel uitspraak moet doen over een eventuele schending van deze overeenkomst, neemt dit niet weg dat daartoe overeenkomstig artikel 8, lid 6, van de BIT met name rekening moet worden gehouden met het van kracht zijnde recht van de betrokken overeenkomstsluitende partij alsmede met elke relevante overeenkomst tussen de overeenkomstsluitende partijen.

41.

Gelet op de in punt 33 van dit arrest genoemde aard en kenmerken van het Unierecht, moet dit recht worden geacht zowel deel uit te maken van het in alle lidstaten geldende recht als voort te vloeien uit een internationale overeenkomst tussen de lidstaten.

42.

Hieruit volgt dat het in artikel 8 van de BIT voorziene scheidsgerecht om die twee redenen gehouden is om in voorkomend geval het Unierecht uit te leggen en zelfs toe te passen, inzonderheid de bepalingen over de fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van kapitaal.

43.

Dientengevolge moet in de tweede plaats worden getoetst of een scheidsgerecht zoals dat bedoeld in artikel 8 van de BIT onderdeel uitmaakt van het rechterlijke systeem van de Unie en, in het bijzonder, of het kan worden beschouwd als een rechterlijke instantie van een der lidstaten in de zin van artikel 267 VWEU. De omstandigheid dat een door de lidstaten opgericht gerecht tot het gerechtelijk stelsel van de Unie behoort, heeft immers tot gevolg dat de beslissingen ervan onderworpen zijn aan mechanismen die de volle werking van de normen van de Unie verzekeren [zie in die zin advies 1/09 (Overeenkomst over de invoering van een gemeenschappelijk stelsel voor octrooigeschillenbeslechting) van 8 maart 2011, EU:C:2011:123, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

44.

In dit verband heeft het Hof in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 12 juni 2014, Ascendi Beiras Litoral e Alta, Auto Estradas das Beiras Litoral e Alta (C‑377/13, EU:C:2014:1754), het karakter van „rechterlijke instantie van een der lidstaten” van het betrokken gerecht afgeleid uit de omstandigheid dat dit gerecht, in zijn geheel bezien, een onderdeel was van het stelsel van geschillenbeslechting in belastingzaken waarin de Portugese grondwet als zodanig voorziet (zie in die zin arrest van 12 juni 2014, Ascendi Beiras Litoral e Alta, Auto Estradas das Beiras Litoral e Alta, C‑377/13, EU:C:2014:1754, punten 25 en 26).

45.

In de zaak in het hoofdgeding vormt het scheidsgerecht echter geen onderdeel van het rechterlijk systeem van Nederland en Slowakije. Het feit dat de jurisdictie van dit gerecht afwijkt van die van de rechterlijke instanties van deze twee lidstaten, vormt overigens juist één van de belangrijkste bestaansredenen van artikel 8 van de BIT.

46.

Dit kenmerk van het scheidsgerecht dat aan de orde is in het hoofdgeding betekent dat dit in geen geval kan worden gekwalificeerd als rechterlijke instantie „van een der lidstaten” in de zin van artikel 267 VWEU.

47.

Het is juist dat het Hof heeft geoordeeld dat er geen enkele reden is waarom een rechterlijke instantie die verschillende lidstaten gemeen hebben, zoals het Benelux-Gerechtshof, anders dan de rechterlijke instanties van elk van deze lidstaten, het Hof geen prejudiciële vragen zou kunnen voorleggen (zie in die zin arresten van 4 november 1997, Parfums Christian Dior, C‑337/95, EU:C:1997:517, punt 21, en van 14 juni 2011, Miles e.a., C‑196/09, EU:C:2011:388, punt 40).

48.

Het in het hoofdgeding aan de orde zijnde scheidsgerecht is echter geen dergelijke rechterlijke instantie die verschillende lidstaten gemeen hebben, vergelijkbaar met het Benelux-Gerechtshof. Terwijl het Benelux-Gerechtshof tot taak heeft de uniforme toepassing van de gemeenschappelijke rechtsregels van de drie Benelux-landen te verzekeren en de procedure voor het Benelux-Gerechtshof in de bij de nationale rechterlijke instanties aanhangig gemaakte procedures een incident vormt dat wordt beslecht met een definitieve uitspraak over de uitlegging van de gemeenschappelijke rechtsregels van de Benelux, heeft het scheidsgerecht in het hoofdgeding immers geen dergelijke banden met de rechterlijke stelsels van de lidstaten (zie in die zin arrest van 14 juni 2011, Miles e.a., C‑196/09, EU:C:2011:388, punt 41).

49.

Hieruit volgt dat een gerecht zoals dat in artikel 8 van de BIT niet kan worden beschouwd als een „rechterlijke instantie van een der lidstaten” in de zin van artikel 267 VWEU, en dus niet bevoegd is om het Hof een prejudiciële verwijzing voor te leggen.

50.

In die omstandigheden moet, in de derde plaats, nog worden getoetst of het door een dergelijk gerecht gewezen arbitrale vonnis volgens inzonderheid artikel 19 VEU onderworpen is aan het toezicht van een rechterlijke instantie van een lidstaat, waardoor wordt gegarandeerd dat de vragen over het Unierecht die mogelijk door dit gerecht moeten worden behandeld, eventueel in het kader van een prejudiciële verwijzing ter beoordeling kunnen worden overgelegd aan het Hof.

51.

Daartoe moet erop worden gewezen dat volgens artikel 8, lid 7, van de BIT de in dit artikel bedoelde beslissing van het scheidsgerecht onherroepelijk is. Bovendien stelt dit gerecht ter uitvoering van artikel 8, lid 5, van de BIT zijn eigen procedure vast waarbij het de arbitragevoorschriften van de UNCITRAL toepast. Tevens kiest het met name zelf de plaats van zijn zetel, en bijgevolg het recht dat van toepassing is op de rechterlijke toetsing van de geldigheid van het vonnis dat een einde maakt aan het bij hem aanhangig gemaakte geschil.

52.

In de onderhavige zaak heeft het door Achmea aangezochte scheidsgerecht als zetel Frankfurt am Main gekozen, waardoor het Duitse recht van toepassing is op de rechterlijke toetsing van de geldigheid van het arbitrale vonnis dat dit gerecht op 7 december 2012 heeft gewezen. Dankzij deze keuze kon de Slowaakse Republiek als partij bij het geschil overeenkomstig dit recht verzoeken om een rechterlijke toetsing van dit arbitrale vonnis door zich hiertoe tot de bevoegde Duitse rechterlijke instantie te wenden.

53.

Vastgesteld moet evenwel worden dat deze rechterlijke instantie die rechterlijke toetsing slechts kan uitvoeren voor zover het nationale recht dat toestaat. In § 1059, lid 2, van de Zivilprozessordnung is overigens slechts in een beperkte toetsing voorzien, die met name betrekking heeft op de vraag of de arbitrageovereenkomst, gezien het toepasselijke recht, geldig is en of de openbare orde door de erkenning en tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis wordt geëerbiedigd.

54.

Stellig heeft het Hof met betrekking tot handelsarbitrage geoordeeld dat de vereisten die verband houden met de doeltreffendheid van de arbitrale rechtspleging, rechtvaardigen dat de toetsing van arbitrale vonnissen door rechterlijke instanties van de lidstaten een beperkt karakter draagt, mits de fundamentele bepalingen van het Unierecht in het kader van deze toetsing kunnen worden onderzocht en deze in voorkomend geval het onderwerp van een prejudiciële verwijzing bij het Hof kunnen vormen (zie in die zin arresten van 1 juni 1999, Eco Swiss, C‑126/97, EU:C:1999:269, punten 35, 36 en 40, en 26 oktober 2006, Mostaza Claro, C‑168/05, EU:C:2006:675, punten 34‑39).

55.

Een arbitrageprocedure zoals die welke in artikel 8 van de BIT is vastgesteld, verschilt evenwel van handelsarbitrage. Terwijl deze laatste soort arbitrage gegrond is op de autonomie van de betrokken partijen, volgt de eerste namelijk uit een verdrag waarin lidstaten overeenkomen af te zien van de bevoegdheid van hun eigen rechterlijke instanties, en derhalve van het gerechtelijke stelsel van rechtsmiddelen waarin zij volgens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU moeten voorzien op gebieden die onder het Unierecht vallen (zie in die zin arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C‑64/16, EU:C:2018:117, punt 34), voor geschillen die betrekking kunnen hebben op de uitlegging of toepassing van het Unierecht. In deze omstandigheden zijn de in het vorige punt weergegeven beschouwingen over handelsarbitrage niet van overeenkomstige toepassing op een arbitrageprocedure zoals bedoeld in artikel 8 van de BIT.

56.

Gelet op alle in artikel 8 van de BIT vastgestelde kenmerken van het scheidsgerecht zoals deze in de punten 39 tot en met 55 van dit arrest in herinnering zijn gebracht, moet bijgevolg worden geoordeeld dat de lidstaten die partij zijn bij de BIT door de sluiting hiervan een mechanisme voor beslechting van geschillen tussen een investeerder en een lidstaat hebben ingesteld dat mogelijkerwijs belet dat deze geschillen, hoewel zij betrekking kunnen hebben op de toepassing van het Unierecht, op zodanige wijze worden beslecht dat de volle werking van dit recht is gewaarborgd.

57.

Het is waar dat er volgens vaste rechtspraak van het Hof in beginsel geen onverenigbaarheid met het Unierecht is wanneer bij een internationale overeenkomst een rechterlijke instantie wordt opgericht die is belast met de uitlegging van de bepalingen van deze overeenkomst en waarvan de beslissingen bindend zijn voor de instellingen, waaronder het Hof. De bevoegdheid van de Unie om internationale betrekkingen aan te knopen en haar bekwaamheid om internationale overeenkomsten te sluiten, impliceren immers noodzakelijkerwijs dat het haar vrijstaat zich te onderwerpen aan de beslissingen van een bij dergelijke overeenkomsten ingesteld of aangewezen gerecht over de uitlegging en de toepassing van de bepalingen ervan, mits de autonomie van de Unie en haar rechtsorde worden geëerbiedigd [zie in die zin adviezen 1/91 (EER-Overeenkomst – I) van 14 december 1991, EU:C:1991:490, punten 40 en 70; 1/09 (Overeenkomst over de invoering van een gemeenschappelijk stelsel voor octrooigeschillenbeslechting) van 8 maart 2011, EU:C:2011:123, punten 74 en 76, alsmede 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punten 182 en 183].

58.

In het onderhavige geval echter, naast het feit dat de geschillen die onder de bevoegdheid van het in artikel 8 van de BIT voorziene scheidsgerecht vallen, betrekking kunnen hebben op de uitlegging van zowel deze overeenkomst als het Unierecht, vloeit de mogelijkheid om deze geschillen te onderwerpen aan een orgaan dat geen deel uitmaakt van het rechterlijk systeem van de Unie voort uit een overeenkomst die niet door de Unie maar door de lidstaten is gesloten. Voornoemd artikel 8 is daardoor van dien aard dat het niet alleen afbreuk doet aan het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, maar ook aan de handhaving van het eigen karakter van het door de Verdragen ingestelde recht dat wordt gewaarborgd door de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU, en bijgevolg is dat artikel niet verenigbaar met het in punt 34 van dit arrest in herinnering gebrachte beginsel van loyale samenwerking.

59.

In die omstandigheden doet artikel 8 van de BIT afbreuk aan de autonomie van het Unierecht.

60.

Bijgevolg moet op de eerste en tweede vraag worden geantwoord dat de artikelen 267 en 344 VWEU aldus dienen te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een bepaling in een tussen lidstaten gesloten internationale overeenkomst, zoals artikel 8 van de BIT, op grond waarvan een investeerder uit een van deze lidstaten, in geval van een geschil over investeringen in de andere lidstaat, tegen laatstgenoemde staat een procedure kan inleiden voor een scheidsgerecht waarvan deze lidstaat zich ertoe heeft verbonden de bevoegdheid te aanvaarden.

De derde prejudiciële vraag

61.

Gelet op het antwoord op de eerste twee vragen hoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

62.

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Dictum

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 267 en 344 VWEU dienen aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een bepaling in een tussen lidstaten gesloten internationale overeenkomst, zoals artikel 8 van de Overeenkomst inzake de bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek, op grond waarvan een investeerder uit een van deze lidstaten, in geval van een geschil over investeringen in de andere lidstaat, tegen laatstgenoemde staat een procedure kan inleiden voor een scheidsgerecht waarvan deze lidstaat zich ertoe heeft verbonden de bevoegdheid te aanvaarden.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

10
VWEU art. 26715 voorkomens
VWEU art. 34411 voorkomens
VWEU art. 184 voorkomens
VWEU art. 2521 voorkomen
VWEU art. 31 voorkomen

Rechtspraak

10

Europese Unie

10

Bekijk alle 10

Bekijk de 10 documenten

Rechtsleer

108
konrad, Christain W.: Quo vadis, intra-EU BIT?, Ecolex 2018 p.140-142 (DE)
Klages, Roland: Autonomie sticht Schiedsklausel, Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht 2018 p.217-218 (DE)
Scholtka, Boris: Investitionsschutzrecht: Schiedsklausel in unionsinternem Investitionsschutzabkommen, Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht 2018 p.243-244 (DE)
Nourissat, Cyril: La clause d'arbitrage contenue dans un traité bilatéral d'investissement n'est pas compatible avec le droit de l'Union européene, Procédures 2018 nº 5 p.18 (FR)
Simon, Denys: L'arbitrage en matière d'investissement remis en cause par la Cour de justice?, Europe 2018 mai nº 5 p.5-9 (FR)
Bekijk de 103 andere verwijzingen
Classen, Claus Dieter: Autonomie des Unionsrechts als Festungsring? – Anmerkung zum Urteil des EuGH (GK) v. 6.3.2018, Rs. C-284/16 (Slowakische Republik / Achmea BV), Europarecht 2018 p.361-370 (DE)
Lahouazi, Mehdi: Arrêt "Slowakische Republik c. Achmea BV" L' arrêt "Achmea" ou les dissonances entre l'arbitrage d'investissement et le droit de l'Union européenne, Revue du droit de l'Union européenne 2018 nº 2 p.217-224 (FR)
Müller, Matthias: Unzulässige Schiedsklausel in bilateralem Investitionsschutzabkommen zwischen EU-Staaten, Recht der internationalen Wirtschaft 2018 n° 04 p.204-206 (DE)
Gundel, Jörg: Unwirksame Schiedsklausel in unionsinternem Investitionsschutzabkommen, Neue Zeitschrift für Verwaltungsrecht 2018 p.727-728 (DE)
Lentner, Gabriel M.: Investitionsschiedsgericht als "Gericht eines Mitgliedstaats" ?, Ecolex 2018 p.381-384 (DE)
Wernicke, Stephan: Autonomie und Häresie – Investitionsschiedsgerichte in der Rechtsunion, Neue juristische Wochenschrift 2018 p.1644-1647 (DE)
Gundel, Jörg: Investitionsschutz-Schiedsgerichtsbarkeit und Unionsrecht nach dem Achmea-Urteil des EuGH, Europäisches Wirtschafts- & Steuerrecht - EWS 2018 n°03 p.124-131 (DE)
Miller, Robin Dominik: Autonomie des Unionsrechts versus Schiedsgerichtsbarkeit, Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht 2018 p.357-363 (DE)
Nacimiento, Patricia ; Bauer, Sascha: Das Achmea-Urteil des EuGH – und nun ?, Betriebs-Berater 2018 p.1347-1349 (DE)
Lübke, Julia: Unionsrechtliche Grenzen von Investitionsschiedsklauseln - Anmerkung zu EuGH, Urt. v. 6.3.2018 - Rs. C-284/16 - Slowakische Republik / Achmea BV, Zeitschrift für das Privatrecht der Europäischen Union - GPR 2018 p.149-153 (DE)
Basener, Nico: Schiedsklauseln in Intra-EU Investitionsschutzabkommen unzulässig, Deutsches Verwaltungsblatt 2018 p.576-579 (DE)
Slot, P.J.: Achmea, Ars aequi 2018 p.530-532 (NL)
Ciliberto, Julia: Intra-EU BITs' Arbitration Clause and EU Law: the Countdown for the CJEU's Final Say, Diritto del commercio internazionale 2018 p.217-238 (EN, IT)
Wilske, Stephan ; Bräuning, Laura: Signifikante Einschränkung des Investorenrechtsschutzes in der EU - Urteil vom 6.3.2018 - C-284/16 - Slowakische Republik / Achmea BV, IWRZ – Zeitschrift für internationales Wirtschaftsrecht 2018 p.126-128 (DE)
Skubic, Zoran: Kdaj je arbitražna klavzula v sporazumih BIT a priori v nasprotju s pravom EU, Pravna praksa 2018 nº 12-13 p.40-41 (SL)
Hojnik, Janja: Arbitražne klavzule v dvostranskih investicijskih sporazumih med državami članicami EU, Davčno-finančna praksa : davki, finance, zavarovalnistvo 2018 n° 3 p.22-26 (SL)
Hallberg, Jonas ; Östlund , Allison: Början på slutet för skiljeförfaranden i intemationella investeringsskyddsavtal? EU-domstolens avgörande i Achmea, Juridisk Tidskrift vid Stockholms universitet 2017-2018 nº 4 p.841-854 (SV)
Nouvel, Yves: Traité bilatéral d'investissement. - Droit de l'Union européenne. - Autonomie du droit de l'Union. - Compatibilité des TBI intra-européen au droit de l'Union., Journal du droit international 2018 N°3 p.907-922 (FR)
Melchionda, Lorenzo: The European Court of Justice ruling in Achmea v. Slovak Republic: more questions than answers, Diritto del commercio internazionale 2018 p.337-359 (EN)
Quardt, Gabriele: "Achmea" und das Ende der Paralleljustiz?, Zeitschrift für Beihilfenrecht 2018 p.95-100 (DE)
Hartkamp, A.S.: Gevolgen van het Achmea-arrest voor de praktijk van de investeringsarbitrage binnen de EU, Ars aequi 2018 p.732-738 (NL)
Wuschka, Sebastian: Investment protection and the EU after Achmea, Zeitschrift für Europarechtliche Studien - ZEuS 2018 p.25-46 (EN)
Krommendijk, Jasper: Uw rechtsstaat is de onze wél. Nationale rechters als beschermers van rechtsstatelijkheid in andere lidstaten, Nederlands tijdschrift voor de mensenrechten ; NJCM bulletin 2018 p.481-492 (NL)
Glinski, Carola: Achmea and its implications for investor dispute settlement, Zeitschrift für Europarechtliche Studien - ZEuS 2018 p.47-68 (EN)
Drijber, B.J.: Ondernemingsrecht 2018/89, HvJ EU 6 maart 2018, C-284/16, Slowaakse Republiek / Achmea B.V. - Commentaar, Ondernemingsrecht 2018 p.516-519 (NL)
De Brabandere, E.: De Achmea-zaak voor het Europees Hof van Justitie. Het einde van intra-EU-investeringsverdragen?, Nederlands tijdschrift voor Europees recht 2018 p.98-107 (NL)
Brauneck, Jens: Multilateraler Gerichtshof und EuGH-Achmea-Urteil : das Ende aller EU-mitgliedstaatlich vereinbarten Schiedsgerichte?, Europarecht 2018 Heft 4, p.429-455 (DE)
Särkänne, Katariina: Unionin tuomioistuimen tuomio asiassa Slovakian tasavalta v Achmea BV (C-284/16): Lopullinen ratkaisu EU:n jäsenmaiden välisten investointisuojasopimusten kohtalolle - vai sittenkin lisää kysymyksiä?, Defensor Legis 2018 nº 5 p.857-865 (FI)
Von Goldbeck, Andreas: The Enforcement of EU Law in Arbitration, Europarättslig tidskrift 2018 nº 3 p.435-451 (EN)
Olsthoorn, K.P.: More foes than friends: het Hof van Justitie van de Europese Unie en geschillenbeslechting tussen investeerders en staten op grond van bilaterale investeringsverdragen tussen EU-lidstaten, S.E.W. : Tijdschrift voor Europees en economisch recht 2018 p.377-381 (NL)
Lang, Andrej: Die Autonomie des Unionsrechts und die Zukunft der Investor-Staat-Streitbeilegung in Europa nach Achmea. Zugleich ein Beitrag zur Dogmatik des Art. 351 AEUV, Europarecht 2018 p.525-560 (DE)
Lanotte, Esther: Arrêt "Achmea" : une décision de principe ?, Journal de droit européen 2018 nº 251 p.266-269 (FR)
Cazala, Julien: L'incompatibilité avec le droit de l'Union européenne du système d'arbitrage investisseur-État contenu dans un traité bilatéral d'investissement intra-UE, Revue trimestrielle de droit européen 2018 N°3 p.597-616 (FR)
Wildemeersch, Jonathan: L’arrêt Achmea, la rigueur des principes au risque d’un certain isolationnisme juridictionnel ?, L'Observateur de Bruxelles 2018, n°113, p. 40-44 (FR)
Stella, Marcello: Cala il sipario sull'arbitrato degli investimenti "intra-UE": la Corte UE esige che le liti tra investitori e Stati membri siano decise da giudici togati, Giurisprudenza italiana 2018 p.1969-1975 (IT)
Consolo, Claudio: La foglia di fico del (negato, ma per gli arbitri ICSID ancor più insostenibilmente) rinvio pregiudiziale. Da Denuit ad Achmea, Giurisprudenza italiana 2018 p.1975-1977 (IT)
Ciampi, Annalisa: Perché il diritto europeo rimanga com'è, la nozione autonoma di "giurisdizione nazionale" deve cambiare, Giurisprudenza italiana 2018 p.1977-1978 (IT)
Behrens, Peter: Die Zukunft des EU-internen Investititionsschutzes nach dem EuGH-Urteil in der Rs. Achmea, Recht der internationalen Wirtschaft 2018 p.701-712 (DE)
Gaillard, Emmanuel: L'affaire Achmea ou les conflits de logiques, Revue critique de droit international privé 2018 nº 3 p.616 - 630 (FR)
Bischoff, Jan Asmus: Ein Sturm im Wasserglas? Zur Zukunft der Investitionsschiedsgerichtsbarkeit nach Achmea v. Slovakia, Praxis des internationalen Privat- und Verfahrensrechts 2018 n°6 p.588-591 (DE)
Thieffry, Vanessa: L'arrêt Achmea : une étape supplémentaire dans la construction d'un ensemble de mécanismes de resolution des litiges internationaux ? Une analyse à la lumière du droit français de l'arbitrage, Revue de droit des affaires internationales 2018 N° 3 p.201-2016 (EN, FR)
Bodenheimer, F. ; Eller, Klaas Hendrik: Unionsrechtszentrismus und ISDS, Recht der internationalen Wirtschaft 2018 n°12 p.786-792 (DE)
Słok-Wódkowska, Magdalena ; Wiącek, Michał: Zgodność dwustronnych umów inwestycyjnych pomiędzy państwami członkowskimi z prawem UE – glosa do wyroku Trybunału Sprawiedliwości z 6.03.2018 r., C-284/16, Slowakische Republik przeciwko Achmea BV, Europejski Przegląd Sądowy 2018 Vol. 11 p.32-40 (PL)
Katona, János ; Kende, Tamás: Több kérdés, mint válasz: számvetés az Európai Bíróság Achmea döntése után, Európai jog 2018 4. szám p.27-35 (HU)
Briguglio, Antonio: Achmea and the Day after Achmea, Rivista dell'arbitrato 2018 p.504-516 (IT)
Barausova, Victoria: Slovak Republic v. Achmea from a Public International Law Perspective : Is State Consent to Arbitrate Under Intra-EU BITs Still Valid ?, European Investment Law and Arbitration Review (Queen Mary Universtity of London and EFILA - Loukas Mistelis, Nikos Lavranos) 2018 Vol.3 p.129 -153 (EN)
Rao, Giammarco: The Withdrawal of a European State from the ECT in Light of the Achmea Case, European Investment Law and Arbitration Review (Queen Mary Universtity of London and EFILA - Loukas Mistelis, Nikos Lavranos) 2018 Vol.3 p.154 - 182 (EN)
Verburg, Cees ; Lavranos, Nikos: Recent Awards in Spanish Renewable Energy Cases and the Potential Consequences of the Achmea Judgment for Intra-EU ECT Arbitrations, European Investment Law and Arbitration Review (Queen Mary Universtity of London and EFILA - Loukas Mistelis, Nikos Lavranos) 2018 Vol.3 p.197 - 222 (EN)
Cavedon, Antonia ; Weber, Simon: Digging Deeper : Summary of the Hearing before the CJEU in the Achmea Case, European Investment Law and Arbitration Review (Queen Mary Universtity of London and EFILA - Loukas Mistelis, Nikos Lavranos) 2018 Vol.3 p.225-241 (EN)
Overduin, Dorieke: Turning Tides : The Landmark Decision in the Achmea Case - The Ecosystem of EU Law Means the End of Intra-EU BITs, European Investment Law and Arbitration Review (Queen Mary Universtity of London and EFILA - Loukas Mistelis, Nikos Lavranos) 2018 Vol.3 p.242-260 (EN)
Bilanová, Anna ; Kudrna, Jaroslav: Achmea : The End of Investment Arbitration as We Know It ?, European Investment Law and Arbitration Review (Queen Mary Universtity of London and EFILA - Loukas Mistelis, Nikos Lavranos) 2018 Vol.3 p.261-281 (EN)
Gourgourinis, Anastasios: After Achmea : Maintaining the EU Law Compatibility of Intra-EU BITs Through Treaty Interpretation, European Investment Law and Arbitration Review (Queen Mary Universtity of London and EFILA - Loukas Mistelis, Nikos Lavranos) 2018 Vol.3 p.282-315 (EN)
Hillebrand Pohl, Jens: Intra-EU investment arbitration after the Achmea case : Legal autonomy bounded by mutual trust ?, European Constitutional Law Review 2018 Vol.14, Issue 4 p.767-791 (EN)
Von Goldbeck, Andreas: Achmea - The afternmath, Juridisk Tidskrift vid Stockholms universitet 2018-19 nº 4 p.929-936 (EN)
Pantaleo, Luca: La mancata esecuzione del lodo arbitrale nel casoAchmea: quale futuro per le controversie in materia di investimento intra-UE?, Il diritto dell'Unione Europea 2018 p.689-714 (IT)
Lasa López, Ainhoa: Autonomía del Derecho Constitucional de la Unión y mecanismo de resolución de controversias entre Inversores y Estados ¿maridaje o disonancia?: Reflexiones sobre el Asunto C-284/16 Slowakische Republik y Achmea BV, Revista Aranzadi de Unión Europea 2018 nº 11 p.67-80 (ES)
Fernández Pons, Xavier: La incompatibilidad con el Derecho de la Unión Europea del arbitraje inversor-Estado previsto en tratados bilaterales de inversión entre Estados miembros. Comentario a la sentencia del TJUE sobre el asunto Achmea, su contexto y sus implicaciones, Revista General de Derecho Europeo 2018, nº 46, p. 316-364 (ES)
Drijber, Berend Jan: Nous d'abord: investeringsarbitrage na 'Achmea', Nederlands juristenblad 2019 p.588-595 (NL)
Madner, Verena ; Mayr, Stefan: Die Zukunft der Investitionsschiedsgerichtsbarkeit im europäischen Mehrebenensystem, Österreichische Juristenzeitung 2019 N°5 p.207-216 (DE)
konrad, Christain W.: Achmea : Auswirkungen auf den Investitionsschutz in Europa, Ecolex 2019 N°3 p.227-230 (DE)
Segoin, Daniel: Les accords de protection des investissements conclus entre États membres saisis par le droit de l'Union. Achmea, C-284/16, Revue du droit de l'Union européenne 2019 nº 1 p.225-238 (FR)
Hindelang, Steffen: Conceptualisation and application of the principle of autonomy of EU law : the CJEU's judgment in Achmea put in perspective, European Law Review 2019 Vol.44 N°3 p.383-400 (EN)
Szabados, Tamás: Az Európai Unió Bíróságának Achmea-döntése, Jogesetek Magyarázata 2019 nº 1 p.29-36 (HU)
Blüher, Max: The final decision of the Bundesgerichtshof in the Achmea-saga, Rivista dell'arbitrato 2019 N°1 p.131-135 (EN)
Andolfi, Anna: L'arbitrato in materia di investimenti alla prova dell'effettività del diritto dell'Unione, Rivista dell'arbitrato 2019 N°1 p.136-159 (IT)
Fanou, Maria: Intra-European Union investor-State arbitration post-Achmea: RIP ?, Maastricht Journal of European and Comparative Law 2019 Vol.26 N°2 p.316-340 (EN)
Candelmo, Claudia: La sentenza Achmea, un anno dopo: l'impatto sull'ordinamento europeo e il futuro degli intra-EU BITs, Studi sull'integrazione europea 2019 Nº2 p.447-462 (IT)
Cappiello, Benedetta: Il mantenimento in vigore dei BITs intra europei e la legittimità della clausola compromissoria negli accordi bilaterali e multilaterali di investimento alla luce della sentenza Achmea., Giurisprudenza commerciale 2019 46.2 p.258-275 (IT)
Żmij, Grzegorz: Investitionsstreitigkeiten zwischen Deutschland und Polen aus der europaïschen Perspektive. Anmerkung zum Achmea-Urteil und seinen Folgen, Zeitschrift für europäisches Privatrecht 2019 N°3 p.535-553 (DE)
Luděk, Lisse: Sportovní arbitráž CAS v rozporu s judikaturou SDEU ?, Právní rozhledy : časopis pro všechna právní odvětví 2019 p.407-410 (CS)
Snijders, H.J.: Nederlandse jurisprudentie ; Uitspraken in burgerlijke en strafzaken 2019 nº41 p.5733-5739 (NL)
Cellerino, Chiara: More on the constitutional justification of the Achmea ruling and "less" on ... its impact on the Investment Court System, The European Legal Forum 2019 p.85-92 (EN)
Sadeleer, Nicolas: Le contentieux du droit des investissements dans tous ses états - De la disparition des tribunaux d'investissement intra-UE à l'avènement d'une Cour multilatérale d'investissement, Revue de droit commercial belge 2019 p.742-769 (FR)
Coutron, Laurent: IV. Recours - Cour de justice, gde ch., 6 mars 2018, Slovaquie c/ Achmea, aff. C-284/16, ECLI:EU:C:2018:158, Jurisprudence de la CJUE 2018. Décisions et commentaires (Ed. Bruylant - Bruxelles) 2019, p. 158-165 (FR)
Pigeon, Nicolas: Autonomie de l'ordre juridique de l'Union européenne : confiance mutuelle entre États membres et arbitrage d'investissement : commentaire de l'arrêt de la Cour de justice du 6 mars 2018, Achmea, aff. C-284/16, Annuaire français de droit international LXIV/2018 (2019), p. 471-481 (FR)
Coutron, Laurent: Contentieux de l'UE - Haro sur les tribunaux arbitraux établis par un traité bilatéral d'investissement conclu entre États membres de l'Union? (CJUE, gr. ch., 6 mars 2018, aff. C-284/16, Slovaquie / Achmea), Revue trimestrielle de droit européen 2019, n° 2, p. 464-468 (FR)
Fermeglia, Matteo ; Mistura, Alessandra: The Fate of EU Environmental and Investment Law after the Achmea Decision, Journal for European Environmental & Planning Law 2020 Vol. 17 p.29-46 (EN)
Tattersall, Luke: Challenges to international investment law within the European Union, European yearbook of international economic law 2019 p. 315-338 (EN)
Basedow, Robert J.: The Achmea Judgment and the Applicability of the Energy Charter Treaty in Intra-EU Investment Arbitration, Journal of International Economic Law 2020 Vol. 23/1 p. 271-292 (EN)
Kodek, Georg: Commercial Arbitration after Achmea: Business as Usual?, Privatizing dispute resolution : trends and limits 2020 p. 187-208 (EN)
Trittmann, Rolf ; Tsolakidis, Nikolaos: Looking into the Crystal Ball: The Future of Commercial Arbitration and European Union Law, National, international, transnational : harmonischer Dreiklang im Recht : Festschrift für Herbert Kronke zum 70. Geburtstag am 24. Juli 2020 2020 p. 00 (EN)
A., I.: AZ UNIÓS JOG MINDENEKELŐTT? : AZ EURÓPAI UNIÓ BÍRÓSÁGA NAGYTANÁCSÁNAK A C-284/16. SZ. SZLOVÁK KÖZTÁRASÁG KONTRA ACHMEA BV ÜGYBEN 2018. MÁRCIUS 6-ÁN HOZOTT ÍTÉLETE, Európai jog 2020 3. szám p. 35-39 (HU)
Cazala, Julien: Fin de partie pour les traités bilatéraux d’investissement intra-européens ? : À propos de l’accord du 5 mai 2020, Journal du droit international 2020 p. 855-873 (FR)
Bartlett Castellá, Enric R.: Intra EU investor-state arbitration. The Achmea judgment: another interpretation is possible, International Trade Law & Regulation 2020, n° 3, p. 1-16 (EN)
Lameira Dos Santos, Marina: El principio del fin del arbitraje internacional de inversiones: especial mención a la STJUE de 6 de marzo de 2018 Asunto C284/16 República Eslovaca v. Achmea, Revista Aranzadi de Unión Europea 2020, nº 3, p. 1-14 (ES)
Dashwood, Alan: Article 26 ECT and intra-EU disputes - the case against an expansive reading of Achmea, European Law Review 2021, vol. 46, n. 4, p. 415-434 (EN)
Maxian-Rusche, Tim: Abwehr rechtsmissbräuchlicher innereuropäischer Investoren-Staaten-Schiedsverfahren durch Verfahren vor deutschen Gerichten : C-284/16, Praxis des internationalen Privat- und Verfahrensrechts 2021 p. 494-502 (DE)
Georgiades, Agis Chr.: Energy dispute settlement after Achmea and opinion 1/17, Energy arbitration and judicial dispute settlement 2021 p. 81-93 (EN)
Mohr, Jochen ; Bourazeri, Konstantina: The impact of Achmea and CETA on investment arbitration, Energy arbitration and judicial dispute settlement 2021 p. 15-30 (EN)
Beck, Maximilian van der: Das intra-unionale Investitionsschutzrecht in den Händen des Bundesverfassungsgerichts : die Achmea-Entscheidung des EuGH im Licht deutschen Verfassungsrechts, IWRZ – Zeitschrift für internationales Wirtschaftsrecht 2021 p. 249-254 (DE)
Steinbrück, Ben ; Krahé, Justin Friedrich: Declaratory relief against post-Achmea ICSID arbitration? : German arbitral law’s international reach : Achmea [C-284/16], Republic of Moldova [C-741/19], Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht 2022 p. 357-365 (EN)
Langenfeld, Charlotte: Unionsrechtswidrige Umgehung der Achmea-Rechtsprechung durch den Rückgriff auf eine ad hoc-Schiedsvereinbarung : Anmerkung zum Urteil des EuGH v. 26.10.2021, Rs. C-109/20 (PL Holdings), Europarecht 2022 p. 399-407 (DE)
Wolfrum, Rüdiger: Achmea : neglecting of international public law : some afterthoughts : [C-284/16], Praxis des internationalen Privat- und Verfahrensrechts 2022 p. 321-326 (EN)
Georgaki, Konstantina: Conflict resolution between EU law and bilateral investment treaties of the EU Member States in the aftermath of Achmea, Yearbook of European Law 2022, Volume 41, p. 374-400 (EN)
Boersma, B.J.B.: Death Sentence for EU Investment Treaties, European Company Law 2022, Volume 19, Issue 2, p. 30-32 (EN)
Steinbrück, Ben ; Krahé, Justin Friedrich: § 1032 Abs. 2 ZPO, das ICSID-Übereinkommen und Achmea : eine Kollision oder zwei Kollisionen? : Rs. C-284/16, Slowakische Republik ./. Achmea BV, Praxis des internationalen Privat- und Verfahrensrechts 2023 p. 36-42 (DE)
Rapoport, Cécile: Moderniser ou quitter le Traité sur la Charte de l’énergie : quels enjeux pour l’Union européenne et son ordre juridique ?, Revue des affaires européennes 2023, n° 1, p. 145-158 (FR)
Andriantsimbazovina, Joël: 53. Accord international conclu par les États membres - TBI/RDIE - Coopération loyale - Autonomie – Confiance mutuelle. CJUE, gr. ch., 6 mars 2018, n° C-284/16, Slowakische Republik c/ Achmea BV, Les grands arrêts de la Cour de justice de l'Union européenne. Droit constitutionnel et institutionnel de l'Union européenne (Dalloz, 2e édition) 2023, p. 861-871 (FR)
Karayigit, Mustafa T.: The Compatibility of the ISDS Mechanism under the Energy Charter Treaty with the Autonomy of the EU Legal Order, European Foreign Affairs Review 2024, Volume 29, Issue 1, p. 85-114 (EN)
Granier, Thomas: Die Strabag- und Slot-Entscheidungen des Pariser Berufungsgerichts : erwartete, aber insgesamt weitreichendere Entscheidungen als in der Rechtssache Achmea : C-284/16, Praxis des internationalen Privat- und Verfahrensrechts 2024 p. 155-159 (DE)
Hess, Burkhard: Implementing Achmea, Praxis des internationalen Privat- und Verfahrensrechts 2024 p. 193-196 (DE)
Nicolaides, Phedon: Investor-state disputes in the context of EU state aid law, European Competition Law Review 2024, Volume 45, Issue 10, p. 444-452 (EN)
Requena Casanova, Millán: La ejecución de los laudos arbitrales en materia de renovables contra España ante los Tribunales de terceros Estados no miembros de la UE: el rechazo a la doctrina Achmea/Komstroy del TJUE, Revista General de Derecho Europeo 2024, n° 64, p. 155-199 (ES)