---
title: "HvJ EU, 283/83, arrest van 13 november 1984 · EEG-Verdrag art. 40, verordening 2842/76 art. 2"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 november 1984, 283/83: EEG-Verdrag art. 40, verordening 2842/76 art. 2."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-283-83-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-283-83-arret"
---

# Arrest van het Hof van 13 november 1984, 283/83 · EEG-Verdrag art. 40, verordening 2842/76 art. 2

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Eerste kamer

**Zaak**

283/83

**ECLI**

ECLI:EU:C:1984:344

**Datum**

13 november 1984

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Finanzgericht Rheinland-Pfalz (Duitsland) beslissing van 24 november 1983 3 K 42/83

**Zaak ingediend op**

20 december 1983

**Advocaat-generaal**

VerLoren van Themaat

**Opmerkingen**

Commissie, Raad

**Nationale beslissing na het arrest**

Finanzgericht Rheinland-Pfalz beslissing van 13 december 1984 3 K 42/83

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1984, blz. 3791

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Bosco

**Repertorium van het Hof**

- [Communautaire rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A) [Bronnen van het gemeenschapsrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01) [Algemene rechtsbeginselen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02) [Gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02.02) 25 beslissingen
- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [Gemeenschappelijke marktordeningen: beginselen en instrumenten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.03) [Discriminatieverbod](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.03.03) 23 beslissingen
  - [Vrij verkeer van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02%2C578-4.02) [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04) [Gemeenschappelijk douanetarief](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04.02) 29 beslissingen

## Tekst

61 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het procesverloop

In augustus en oktober 1976 deed de firma Racke aangifte, dat zij in juli respectievelijk september 1976 in totaal 217507 liter uit derde landen geïmporteerde Tokayer likeurwijn van post 22.05 C III b 2 van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT) uit het douane-entrepôt had uitgeslagen en in het vrije verkeer gebracht.

Bij de omrekening in DM van het op deze wijn toepasselijke douanerecht (12 r.e. per hl) paste het Hauptzollamt Mainz algemene bepaling C 3 van het GDT (in haar toenmalige versie) toe; volgens deze bepaling moest bij die omrekening worden uitgegaan van de voor de nationale munteenheden bij het Internationaal Monetair Fonds opgegeven en door dit Fonds goedgekeurde pariteiten.

Ingevolge de op 24 mei 1976 in werking getreden verordening nr. 1167/76 gold echter voor bepaalde andere wijnen, die onder dezelfde tariefpost als Tokayerwijn vallen, een omrekeningsregel die op de representatieve koersen was gebaseerd, dat wil zeggen de regel die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt toegepast.

Deze regeling werd eerst bij verordening nr. 2842/76 van de Raad van 23 november 1976 uitgebreid tot Tokayerwijn. Het volgens algemene bepaling C 3 berekende douanerecht bedroeg DM 43,92 per hl, terwijl toepassing van de op de representatieve koersen gebaseerde omrekeningsregel op de door Racke ingevoerde hoeveelheden een recht van DM 42,94 per hl zou hebben opgeleverd.

Racke heeft bij het Finanzgericht Rheinland-Pfalz beroep ingesteld tegen de toepassing van algemene bepaling C 3 van het GDT bij de omrekening van de betrokken douanerechten in nationale valuta. Tot staving van haar beroep voert zij aan:

verordening nr. 1167/76 is onvoldoende gemotiveerd;

zij is onverenigbaar met artikel 40, lid 3, tweede en derde alinea, EEG-Verdrag;

de onwettigheid van verordening nr. 1167/76 leidt automatisch tot onwettigheid van artikel 2 van verordening nr. 2842/76, daar dit artikel het tijdstip van inwerkingtreding van verordening nr. 2842/76 niet met terugwerkende kracht heeft gesteld op het tijdstip van inwerkingtreding van verordening nr. 1167/76.

Het Finanzgericht houdt het middel ontleend aan motiveringsgebrek voor ongegrond. Wat het tweede middel betreft, vraagt het zich evenwel af, of de discretionaire bevoegdheid waarover de gemeenschapsorganen bij de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid normaliter beschikken, niet aanzienlijk wordt beperkt wanneer van meet af aan duidelijk is, dat de toepassing van twee verschillende omrekeningskoersen onvermijdelijk tot mededingingsdistorsies tussen de ingevoerde wijnen zal leiden.

Derhalve heeft het Finanzgericht het Hof bij beschikking van 24 november 1983 verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

Is verordening (EEG) nr. 1167/76 van 17 mei 1976 (PB L 135 van 1976, blz. 42) in strijd met artikel 40, lid 3, tweede en derde alinea, EEG-Verdrag, voor zover zij Tokayerwijn van tariefpost 22.05 C III b 2 van het gemeenschappelijk douanetarief uitzondert van de toepassing van de representatieve wisselkoersen bij de omrekening van het in rekeneenheden uitgedrukte douanerecht in nationale valuta (in casu DM) en de regeling van algemene bepaling C 3 in deel I, titel I, van verordening (EEG) nr. 950/68 van 28 juni 1968 (PB L 172 van 1968, blz. 1) handhaaft?

2\. Zoja:

Welke rechtsgevolgen heeft dit voor de toepasselijkheid van artikel 2 van verordening (EEG) nr. 2842/76 van 23 november 1976 (PB L 327 van 1976, blz. 2), inzonderheid: kan de particulier in de Gemeenschap verlangen dat deze verordening met terugwerkende kracht wordt toegepast vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van verordening (EEG) nr. 1167/76?”

De verwijzingsbeschikking is op 20 december 1983 ter griffie van het Hof ingeschreven.

Krachtens artikel 20 van's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de firma Racke, vertegenwoordigd door M. Nehm, advocaat van het kantoor Ehle, Feldmann & Schiller, te Keulen; de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Bräutigam, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigde; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Sack, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft voorts krachtens artikel 95, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering besloten, de zaak naar de Eerste kamer te verwijzen.

#### II — De toepasselijke wettelijke regelingen

Verordening (EEG) nr. 816/70 van de Raad van 28 april 1970 houdende aanvullende bepalingen inzake de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 99 van 1970, blz. 1), bepaalt dat indien de wijn van de communautaire produktie na de heffing van de in het GDT voorziene douanerechten niet genoegzaam tegen uit derde landen geïmporteerde wijn is beschermd, een compenserende heffing kan worden opgelegd. Volgens artikel 9, lid 3, derde alinea, van deze verordening kan worden besloten de compenserende heffing niet of ten dele niet te leggen op de invoer van bepaalde in derde landen geproduceerde kwaliteitswijnen. Verordening (EEG) nr. 1019/70 van de Commissie van 29 mei 1970 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de berekening van de aanbiedingsprijzen franco-grens en de vaststelling van de compenserende heffing in de wijnsector (PB L 118 van 1970, blz. 13), verklaart de compenserende heffingen niet van toepassing op bepaalde kwaliteitswijnen, zoals Tokayerwijn. Blijkens de zesde overweging van de considerans van die verordening werd daartoe besloten omdat het wegens de hoge prijs van deze produkten niet nodig was de compenserende heffing op te leggen. Bij verordening (EEG) nr. 2506/75 van de Raad van 29 september 1975 tot vaststelling van bijzondere voorschriften inzake de invoer van produkten uit de wijnsector van oorsprong uit bepaalde derde landen (PB L 256 van 1975, blz. 2), zijn later regels vastgesteld voor de toepassing van het stelsel der referentieprijzen op de invoer van wijn uit bepaalde derde landen waarvoor tariefconcessies golden. Ingevolge deze verordening komt die wijn, wanneer de aanbiedingsprijs lager is dan de referentieprijs franco-grens, niet in aanmerking voor toepassing van de tariefconcessie en kan een compenserende heffing worden opgelegd. Deze regeling heeft bij de toepassing van verordening nr. 2506/75 tot moeilijkheden geleid, omdat de overeenkomstig verordening nr. 816/70 vastgestelde referentieprijs in de onderscheiden Lid-Staten werd omgerekend in nationale valuta op basis van de representatieve koersen, terwijl voor de omrekening van het douanerecht in nationale valuta moest worden uitgegaan van de pariteiten bedoeld in algemene bepaling C 3 van het GDT.

In deze moeilijkheden moest worden voorzien door verordening (EEG) nr. 1167/76 van de Raad van 17 mei 1976 tot wijziging van bijlage IV van verordening (EEG) nr. 816/70 houdende aanvullende bepalingen inzake de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, en van het gemeenschappelijk douanetarief, ten aanzien van de voor de douanerechten op bepaalde wijnen toe te passen wisselkoersen (PB L 135 van 1976, blz. 42). In de considerans hiervan wordt overwogen dat het dienstig is op de referentieprijs en de douanerechten „dezelfde regel toe te passen wanneer zij worden omgerekend in nationale valuta”, waarna in de bijlage wordt bepaald, dat voor alle wijnen van post 22.05 C, met uitzondering van Portwijn, Madeirawijn, Sherrywijn en Moscatel de Setúbal, bij de omrekening van het in rekeneenheden vastgestelde douanerecht de representatieve koersen moeten worden toegepast.

Tenslotte werd vastgesteld verordening (EEG) nr. 2842/76 van de Raad van 23 november 1976 tot wijziging van bijlage IV van verordening (EEG) nr. 816/70 houdende aanvullende bepalingen inzake de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, en van het gemeenschappelijk douanetarief, ten aanzien van de voor de douanerechten op bepaalde wijnen toe te passen wisselkoers (PB L 327 van 1976, blz. 2); hiermee werd de op de representatieve koersen gebaseerde omrekeningsregel van toepassing verklaard voor alle wijnsoorten van post 22.05 C, met inbegrip van de kwaliteitswijnen.

#### III — Bij het Hof ingediende opmerkingen

##### De eerste vraag

De firma Racke is van mening, dat verordening nr. 1167/76 in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag, doordat zij vergelijkbare situaties zonder objectieve rechtvaardiging verschillend behandelt en daardoor een merkbare verstoring van de mededinging veroorzaakt.

Tokayerwijn concurreert rechtstreeks met andere likeurwijnen van post 22.05 C van het GDT, waarbij de representatieve koersen worden toegepast, en kan deze wijnen in de ogen van de consument vervangen of door deze wijnen worden vervangen. Ondanks verschillen in smaak hebben alle wijnen van deze tariefpost een zelfde functie, want voor zover zij droog zijn, worden zij tot de aperitieven gerekend, en voor zover zij zoet zijn, tot de dessertwijnen.

Voor het overige bestaat er geen objectieve reden om bij Tokayerwijn niet de representatieve koers toe te passen. De gemeenschapswetgever heeft met verordening nr. 1167/76 technische moeilijkheden bij de berekening van de referentieprijs in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt uit de weg willen ruimen. Daar Tokayerwijn ingevolge verordening nr. 1019/70 niet onder de gemeenschappelijke marktordening valt, had toepassing van de representatieve koersen bij deze wijn het doel van verordening nr. 1167/76 geenszins in gevaar kunnen brengen.

Er kan geen serieuze twijfel over bestaan, dat in de tijd waarin verordening nr. 1167/76 van toepassing was, de verschillende wisselkoersen tot distorsies van de mededinging ten nadele van Tokayerwijn hebben geleid. Dit wordt bevestigd door de omstandigheid dat verordening nr. 2842/76 nog geen half jaar na verordening nr. 1167/76 van kracht is geworden. De Raad zelf, aldus Racke, overwoog in de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 2842/76, „dat de toepassing van twee verschillende wisselkoersen voor wijnen van onderverdeling 22.05 C van het gemeenschappelijk douanetarief kan leiden tot vervalsing van de concurrentie”, en „dat aan deze situatie dringend een einde moet worden gemaakt”. Het is dus duidelijk dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord.

De Raad wijst er vooreerst op, dat er geen communautair rechtsbeginsel bestaat dat de Gemeenschap verplicht om ten gunste van de importeurs in de Gemeenschap importen uit derde landen steeds gelijk te behandelen. Artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag verbiedt elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap; importeurs echter behoren niet direct tot een van die groepen.

Hoe dit ook zij, het discriminatieverbod wordt slechts geschonden wanneer vergelijkbare situaties zonder objectieve rechtvaardiging verschillend worden behandeld. In casu moet dus eerst worden onderzocht of alle wijnen van post 22.05 C, wat de toepassing van het GDT betreft, zich in een vergelijkbare situatie bevinden, en zo ja, of er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in behandeling dat het gevolg is van verordening nr. 1167/76.

De Raad betwijfelt, of men in casu van een vergelijkbare situatie kan spreken. Post 22.05 C omvat courante wijnen (onderverdelingen C I en C II) met een alcoholgehalte van ten hoogste 13 respectievelijk 15 %, likeurwijnen (onderverdelingen C III en C IV) met een alcoholgehalte tussen 15 en 22 %, onderverdeeld in kwaliteitslikeurwijnen (port, madeira, sherry, tokayer en Moscatel de Setúbal) en andere likeurwijnen, en tenslotte wijnen met een alcoholgehalte van meer dan 22 % (onderverdeling C V). Het is zeer onwaarschijnlijk dat de gemiddelde verbruiker courante wijnen en wijnen met een alcoholgehalte van meer dan 22 % beschouwt als produkten met dezelfde kenmerken en eigenschappen als de kwaliteitslikeurwijnen port, sherry en tokayer.

De discussie dient derhalve te worden beperkt tot de likeurwijnen, dat wil zeggen de produkten die in de ogen van de verbruiker wellicht substitueerbaar zijn. Maar ook dan gaat het om geïmporteerde likeurwijnen, die wegens hun kwaliteits- en prijsverschillen veelal op andere deelmarkten worden afgezet en dus in de regel waarschijnlijk niet rechtstreeks met elkaar concurreren. De conclusie ligt dus voor de hand, dat de betrokken produkten niet in een werkelijk vergelijkbare situatie verkeren en dat er dus geen sprake is van discriminatie in de zin van het gemeenschapsrecht.

Afgezien daarvan moet worden vastgesteld dat de uit het GDT en de basisverordening voor wijn voortvloeiende beschermingsregeling tegenover de invoer van kwaliteitslikeurwijnen niet dezelfde is als tegenover de andere wijnen van post 22.05 C. De eventueel toe te passen compenserende heffing geldt immers niet voor kwaliteitslikeurwijnen als Tokayerwijn, doch wel voor alle andere produkten van genoemde post. Nog belangrijker is, dat het douanerecht voor kwaliteitslikeurwijnen steeds lager is dan dat voor andere likeurwijnen.

Concluderend stelt de Raad dan ook, dat de objectieve verschillen in de invoerregeling voor de betrokken produkten een objectieve rechtvaardiging leveren voor het litigieuze verschil in behandeling. In dit verband moet er inzonderheid aan worden herinnerd, dat de bij verordening nr. 1167/76 ingevoerde wijziging van de omrekeningsregels voor in rekeneenheden uitgedrukte douanerechten, enkel gerechtvaardigd werd door de omstandigheid dat anders de referentieprijsregeling niet meer juist zou functioneren ten opzichte van bepaalde uit derde landen geïmporteerde wijnen waarvoor tariefconcessies gelden. Deze situatie deed zich niet voor bij duurdere produkten zoals de kwaliteitslikeurwijnen, waarop de eventuele compenserende heffing in geen geval wordt toegepast.

De Commissie wijst erop, dat de eerste vraag uit twee zelfstandige onderdelen bestaat, die afzonderlijk moeten worden onderzocht: is verordening nr. 1167/76 in strijd met het non-discriminatiebeginsel (artikel 40, lid 3, tweede alinea), en is die verordening verenigbaar met de beginselen van een gemeenschappelijk prijsbeleid en eenvormige berekeningsmethoden (artikel 40, lid 3, derde alinea).

Met betrekking tot het eerste onderdeel van de vraag verschillen de opmerkingen van de Commissie niet wezenlijk van die van de Raad (zie hierboven). Ter aanvulling voert de Commissie nog aan, dat er geen sprake kan zijn van discriminatie wanneer, zoals in casu, het verschil tussen de twee omrekeningskoersen zeer klein is en de praktische gevolgen van de eventueel discriminerende maatregel nauwelijks bemerkbaar zijn. Bovendien was de toepassing van de „groene koers” slechts in landen met een sterke munt gunstiger voor de importeurs. Het is wel juist, dat de toepassing van twee verschillende wisselkoersen moeilijkheden en misschien ook mededingingsdistorsies heeft veroorzaakt, maar men kan niet zeggen dat zij in de Gemeenschap tot een benadeling van de betrokken wijnimporteurs heeft geleid. Het effect van de maatregel is niet altijd nadelig geweest voor de betrokkenen, en derhalve is de toepassing van twee koersen niet in alle gevallen als discriminerend te beschouwen.

Met betrekking tot de gestelde schending van artikel 40, lid 3, derde alinea, wijst de Commissie erop, dat deze bepaling evenals de andere bepalingen van artikel 40 slechts de bijzondere mechanismen van de landbouwmarktordeningen betreft. Voor de berekening en vaststelling van de douanerechten kan derhalve gebruik worden gemaakt van een methode die fundamenteel afwijkt van die welke voor de prijzen en heffingen in het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid wordt toegepast. Anders zou het fundamentele beginsel van het uniforme douanerecht worden doorbroken. Bovendien sluit artikel 40 de mogelijkheid van objectief gerechtvaardigde afwijkende regelingen voor bepaalde waren van een groep produkten niet uit. In dit verband wijst de Commissie op het verschil tussen de wettelijke regeling voor kwaliteitslikeurwijnen en die voor andere wijnen, waarnaar reeds werd verwezen om het bestaan van een krachtens artikel 40, lid 3, tweede alinea, verboden discriminatie uit te sluiten.

##### De tweede vraag

De firma Racke is van mening, dat deze vraag, zelfs indien op de eerste bevestigend wordt geantwoord, geen antwoord behoeft. Reeds uit de nietigheid van verordening nr. 1167/76 volgt dat zij er recht op heeft te worden gebracht in de positie waarin zij zou hebben verkeerd indien deze verordening had bepaald dat de representatieve koers ook bij Tokayerwijn moest worden toegepast. Indien deze zienswijze niet juist is, zou verzoekster in het hoofdgeding de toepassing van de representatieve wisselkoers niet kunnen verlangen indien de communautaire wetgever later verordening nr. 2842/76 niet had vastgesteld.

Wil men die vraag toch beantwoorden, dan komt het er in feite niet op aan, of een particulier kan verlangen dat verordening nr. 2842/76 met terugwerkende kracht wordt toegepast, maar of verordening nr. 2842/76 nietig is omdat zij geen terugwerkende kracht heeft. Ter verwezenlijking van het erin vermelde doel — onverwijld een einde maken aan de vervalsing van de mededinging waartoe verordening nr. 1167/76 aanleiding had gegeven — had verordening nr. 2842/76 juist met terugwerkende kracht moeten worden toegepast vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van verordening nr. 1167/76. In beginsel staan de rechtszekerheid en de vertrouwensbescherming weliswaar in de weg aan de terugwerkende kracht van gemeenschapsverordeningen, maar in het onderhavige geval zouden zij zich zeker niet verzet hebben tegen een retroactieve toepassing van de „groene koers”, waardoor de betrokken importeurs hun oorspronkelijke concurrentiepositie zouden kunnen herwinnen. Verordening nr. 2842/76 is derhalve ook zelf nietig wegens schending van het discriminatieverbod, nu de Raad vanaf het begin heeft verzuimd een einde te maken aan de mededingingsdistorsies waartoe verordening nr. 1167/76 aanleiding had gegeven.

De Raad is van mening dat, volgens de rechtspraak van het Hof, de materiële wijziging van de rechtssituatie van de likeurwijnen door verordening nr. 2842/76 slechts dan terug kan werken indien uit deze verordening duidelijk zou blijken dat dat de bedoeling was van de communautaire wetgever. Dit is echter niet het geval.

Afgezien daarvan is niet aangetoond, dat al bij de vaststelling van verordening nr. 1167/76 vaststond, dat de toepassing van twee verschillende wisselkoersen onvermijdelijk tot aanzienlijke en feitelijke mededingingsdistorsies in de handel met de betrokken ingevoerde wijnen zou leiden. Het verschil tussen de douanerechten bij toepassing van de ene of de andere koers is immers miniem, terwijl anderzijds voor de betrokken produkten verschillende douanerechten gelden, die met name voor kwaliteitswijnen zoals Tokayerwijn lager zijn. Omdat tenslotte het gevaar van mededingingsdistorsies pas bij de toepassing van verordening nr. 1167/76 zichtbaar is geworden en op het moment van vaststelling van die verordening volstrekt onvoorzienbaar was, was het niet noodzakelijk om verordening nr. 2842/76 terugwerkende kracht te geven.

Ook de Commissie meent dat het eigenlijk niet nodig is om op de tweede vraag in te gaan. Geheel subsidiair merkt zij evenwel op, dat, indien verordening nr. 1167/76 in haar oorspronkelijke versie ongeldig zou zijn, enkel de bevoegde gemeenschapsorganen de daardoor ontstane situatie kunnen regelen. Door de groene koers eenvoudig met terugwerkende kracht toe te passen, zouden de bestaande mededingingsdistorsies niet ongedaan worden gemaakt.

#### IV — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 21 juni 1984 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de firma Racke, vertegenwoordigd door M. Nehm, advocaat te Keulen, de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Bräutigam, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Sack.

De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 27 september 1984 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij beschikking van 24 november 1983, ingekomen ten Hove op 20 december daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Rheinland-Pfalz krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over respectievelijk de geldigheid van verordening nr. 1167/76 van de Raad van 17 mei 1976 (PB L 135 van 1976, blz. 42) en de mogelijkheid om verordening nr. 2842/76 van de Raad van 23 november 1976 (PB L 327 van 1976, blz. 2) met terugwerkende kracht toe te passen.

2. Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de firma A. Racke, te Bingen, en het Hauptzollamt Mainz, dat betrekking heeft op de hoogte van het douanerecht dat van toepassing is bij de invoer van Tokayer likeurwijn van post 22.05 C III b 2 van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT).

3. In de procedure voor het Finanzgericht heeft de firma Racke betoogd, dat verordening nr. 1167/76 ongeldig is, voor zover zij de regel dat de douanerechten aan de hand van de representatieve koersen moeten worden omgerekend — welke regel wel geldt voor andere wijnen van tariefpost 22.05 —, niet voor Tokayerwijn van toepassing heeft verklaard.

4. Het Finanzgericht motiveert zijn verwijzingsbeschikking met de overweging, dat het twijfelachtig is of de instellingen van de Gemeenschap over een discretionaire bevoegdheid beschikken, wanneer van meet af aan duidelijk is dat de toepassing van twee verschillende omrekeningskoersen onvermijdelijk tot mededingingsdistorsies zal leiden.

#### De eerste vraag

5.

De eerste vraag luidt:

> „Is verordening (EEG) nr. 1167/76 van 17 mei 1976 (PB L 135 van 1976, blz. 42) in strijd met artikel 40, lid 3, tweede en derde alinea, EEG-Verdrag, voor zover zij Tokayerwijn van tariefpost 22.05 C III b 2 van het gemeenschappelijk douanetarief uitzondert van de toepassing van de representatieve wisselkoersen bij de omrekening van het in rekeneenheden uitgedrukte douanerecht in nationale valuta (in casu DM) en de regeling van algemene bepaling C 3 in deel I, titel I, van verordening (EEG) nr. 950/68 van 28 juni 1968 (PB L 172 van 1968, blz. 1) handhaaft?”

6. Volgens artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag moet de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten „zich beperken tot het nastreven van de in artikel 39 genoemde doeleinden en elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap uitsluiten”, terwijl ingevolge de derde alinea „een eventueel gemeenschappelijk prijsbeleid moet berusten op gemeenschappelijke criteria en op eenvormige berekeningswijzen”. De vraag kan derhalve worden gesplitst in twee deelvragen betreffende respectievelijk de draagwijdte van de tweede en van de derde alinea van artikel 40, lid 3.

7. Met betrekking tot de eerste deelvraag moet worden onderzocht, of de situatie van Tokayerwijn vergelijkbaar is met die van wijnen waarvoor bij de omrekening van het in Ecu uitgedrukte douanerecht in nationale valuta de representatieve wisselkoers wordt toegepast; volgens vaste rechtspraak van het Hof kan immers slechts sprake zijn van discriminatie wanneer vergelijkbare situaties verschillend of verschillende situaties gelijk worden behandeld. In casu rijst dan de vraag, of de toepassing van verschillende wisselkoersen bij de omrekening van het douanerecht gerechtvaardigd wordt door verschillen in de situaties.

8. Dienaangaande zij erop gewezen, dat krachtens artikel 9, lid 3, van verordening nr. 816/70 van de Raad (PB L 99 van 1970, blz. 1) een compenserende heffing wordt gelegd op de invoer van wijn uit derde landen, indien de aanbiedingsprijs franco-grens van deze wijnen, verhoogd met de douanerechten, lager is dan de referentieprijs voor wijn van oorsprong uit de Gemeenschap. Verordening nr. 1019/70 van de Commissie van 29 mei 1970 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de berekening van de aanbiedingsprijzen franco-grens en vaststelling van de compenserende heffing in de wijnsector (PB L 118 van 1970, blz. 13), bepaalt evenwel in artikel 4, lid 4, dat deze heffing niet wordt toegepast voor likeurwijnen als daar zijn Portwijn, Madeirawijn, Sherrywijn, Tokayerwijn, Samos-muskaatwijn en Moscatel de Setúbal, wanneer die met een certificaat van oorsprong worden aangeboden. Blijkens de zesde overweging van de considerans van deze verordening werd ervan uitgegaan, dat wegens de in de regel zeer hoge prijs van deze wijnen de toepassing van een compenserende heffing niet gerechtvaardigd was.

9. Bij verordening nr. 2506/75 van 29 september 1975 (PB L 256 van 1975, blz. 2) bepaalde de Raad, dat de referentieprijs franco-grens gelijk is aan de communautaire referentieprijs, verminderd met de werkelijk geheven douanerechten. Voor wijnen waarop een compenserende heffing werd toegepast, leidde deze definitie evenwel tot problemen bij de berekening van die heffing, daar de communautaire referentieprijs overeenkomstig verordening nr. 475/75 van de Raad van 28 februari 1975 (PB L 52 van 1975, blz. 28) op basis van de representatieve wisselkoersen, en de douanerechten op basis van de goudpariteit in nationale valuta werden omgerekend. Het gevaar van distorsies als gevolg van een berekening volgens heterogene criteria lag derhalve voor de hand. Om dit te vermijden bepaalde verordening nr. 1167/76, dat ook de douanerechten op basis van de representatieve koersen zouden worden omgerekend.

10. Een soortgelijk probleem bestaat evenwel niet voor wijnen die niet aan een compenserende heffing zijn onderworpen, zodat de twee situaties hoegenaamd niet op een lijn kunnen worden gesteld.

11. Hieruit volgt, dat de verschillende behandeling van de twee genoemde situaties geen schending van het non-discriminatiebeginsel oplevert.

12. Op het eerste onderdeel van de vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat bij onderzoek van het dossier niets aan het licht is gekomen op grond waarvan verordening nr. 1167/76 in strijd zou zijn met artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag.

13. In verband met de tweede deelvraag moet erop worden gewezen, dat in artikel 40, lid 3, eerste alinea, uitdrukkelijk wordt gesproken van maatregelen welke in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen „noodzakelijk zijn om de in artikel 39 omschreven doelstellingen te bereiken”. Tot deze maatregelen behoren in de eerste plaats prijsregelingen. Bijgevolg kan het „eventueel gemeenschappelijk prijsbeleid”, genoemd in lid 3, derde alinea, slechts betrekking hebben op de gemeenschappelijke marktordeningen. De vaststelling van douanerechten vindt niet in het kader van deze marktordeningen plaats, zodat de bij de landbouwprijzen toegepaste criteria en berekeningsmethoden daarvoor niet gelden.

14. Op grond van het voorgaande moet worden vastgesteld, dat verordening nr. 1167/76 ook niet in strijd is met artikel 40, lid 3, derde alinea, EEG-Verdrag.

15. Mitsdien moet worden geconcludeerd, dat bij onderzoek van het dossier niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 1167/76 zouden kunnen aantasten.

#### De tweede vraag

16. Daar de tweede vraag slechts is gesteld voor het geval de eerste bevestigend zou worden beantwoord, behoeft zij geen antwoord meer.

#### Kosten

De kosten door de Raad en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

uitspraak doende op de door het Finanzgericht Rheinland-Pfalz bij beschikking van 24 november 1983 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Bij onderzoek van het dossier is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 1167/76 zouden kunnen aantasten.

Bosco

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

4

EEG-Verdrag art. 40 5 voorkomens

verordening 2842/76 art. 2 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 1 voorkomen

verordening 816/70 art. 9 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Geelhoed C-381/01 27.11.2003

#### [Maatstaf van heffing](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-381-01-conclusie)
