---
title: "HvJ EU, 281/82, arrest van 12 april 1984 · Verordening 974/71 art. 3, EEG-Verdrag art. 178"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 april 1984, 281/82: verordening 974/71 art. 3, EEG-Verdrag art. 178."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-281-82-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-281-82-arret"
---

# Arrest van het Hof van 12 april 1984, 281/82 · Verordening 974/71 art. 3, EEG-Verdrag art. 178

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Vijfde kamer

**Zaak**

281/82

**ECLI**

ECLI:EU:C:1984:165

**Datum**

12 april 1984

## De zaak

**Procedure**

Beroep wegens aansprakelijkheid ongegrond

**Zaak ingediend op**

21 oktober 1982

**Advocaat-generaal**

Mancini

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Frans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1984, blz. 1969

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Everling

**Repertorium van het Hof**

- [Communautaire rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A) [Bronnen van het gemeenschapsrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01) [Algemene rechtsbeginselen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02) [Gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02.02) 25 beslissingen
- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03)

    - [Gemeenschappelijke marktordeningen: beginselen en instrumenten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.03) [Discriminatieverbod](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.03.03) 23 beslissingen
    - [Monetaire maatregelen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.05) [Monetair compenserende bedragen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.05.02) [Temporele werkingssfeer](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.05.02.04) 5 beslissingen
  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Beroep tot schadevergoeding](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.05) [Vordering tot vaststelling van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.05.01) [Zelfstandig karakter van het beroep tot schadevergoeding](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.05.01.01) 4 beslissingen

## Tekst

62 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de conclusies, middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — Feiten en schriftelijke behandeling

1. Verzoekster, de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Unifrex, is een Franse onderneming die landbouwprodukten, en wel met name granen, onder meer naar Italië exporteert. In met Italiaanse importeurs afgesloten contracten worden de bij invoer in Italië toe te kennen monetair compenserende bedragen (mcb's), die in feite door het bevoegde Franse bureau (ONIC) worden betaald, opgenomen in de — in lires luidende — verkoopsprijs der te leveren produkten; verzoekster komt er dus voor in aanmerking.

2.

In artikel 2, lid 1, van's Raads verordening nr. 974/71 van 12 mei 1971 betreffende bepaalde conjunctuurpolitieke maatregelen welke naar aanleiding van de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta's van sommige Lid-Staten dienen te worden genomen in de landbouwsector (PB L 106, blz. 1), zoals gewijzigd bij's Raads verordening nr. 1112/73 van 30 april 1973 (PB L 114, biz. 4), is het navolgende bepaald:

> „Voor de produkten waarvoor in interventiemaatregelen is voorzien, zijn de compenserende bedragen gelijk aan de bedragen die worden verkregen door op de prijzen het volgende toe te passen:
>
> a) voor wat de Lid-Staten betreft waarvan de munteenheid onderling wordt gehandhaafd binnen een maximummarge op een bepaald moment van 2,25 %, een percentage dat het verschil weergeeft tussen:
>
> —de omrekeningskoers die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt gebruikt, en
>
> —de uit de spilkoers voortvloeiende omrekeningskoers ;
>
> b) voor wat de andere dan de sub a) bedoelde Lid-Staten betreft, het gemiddelde van de percentages die het verschil weergeven tussen:
>
> —de verhouding tussen de omrekeningskoers die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de munteenheid van de betrokken Lid-Staat wordt gebruikt, en de officiële pariteit, of in geval deze pariteit niet wordt aangehouden, de spilkoers, van elk der munteenheden van de sub a) bedoelde Lid-Staten, en
>
> —de contante wisselkoers voor de munteenheid van de betrokken Lid-Staat ten opzichte van elk der munteenheden der sub a) bedoelde Lid-Staten, welke koers wordt geconstateerd gedurende een nader te bepalen periode.”

Artikel 3 der verordening luidt als volgt:

> „Wanneer het in artikel 2, lid 1, bedoelde verschil één punt of meer afwijkt van het bij de vorige vaststelling aangehouden percentage, worden de compenserende bedragen aan de hand van de verandering van het verschil door de Commissie gewijzigd.”

In artikel 6 is evenwel voorzien dat de uitvoeringsbepalingen der verordening door de Commissie volgens de zogenaamde beheerscomitéprocedure worden vastgesteld en dat die uitvoeringsbepalingen, behoudens het bepaalde in artikel 3, met name betrekking nebben op de vaststelling der compenserende bedragen.

De instelling van het Europees Monetair Systeem (EMS) liet het stelsel der mcb's in hoofdzaak ongewijzigd. Evenwel is bij's Raads verordening nr. 652/79 van 29 maart 1979 inzake de consequenties van het Europees Monetair Systeem voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 84, biz. 1) de rekeneenheid (re) onder meer voor de berekening der mcb's door de Ecu vervangen. In de verordening is voorts een stelsel van vrijstellingen overgenomen dat sedert 1974 in verschillende vorm was toegepast en inhield dat het ter vaststelling van de mcb's gebruikte monetaire verschil met een bepaald percentage werd verminderd.

Volgens bedoeld stelsel zijn de mcb's voor Lid-Staten die onderling een fluctuatiemarge van ten hoogste 2,25 % aanhouden, in beginsel invariabel, hetgeen wil zeggen dat ze alleen bij wijziging van de spilkoers (devaluatie of revaluatie) dan wel van de representatieve koers (groene koers) worden gewijzigd. Daarentegen worden de mcb's van Lid-Staten waar de valuta niet aan de marge van 2,25 % gebonden is, zoals de Italiaanse lire, gewijzigd naar gelang van de ontwikkeling der dagkoersen op de wisselmarkten.

Bij artikel 2 van verordening nr. 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetair compenserende bedragen (PB L 139, biz. 37) is voor laatstbedoelde valuta's de referentieperiode vastgesteld gedurende welke fluctuaties ten opzichte van valuta's die aan de marge van 2,25 % zijn gebonden, worden vastgesteld:

> „De in ... artikel 2, lid 1, sub b, tweede streepje ... van verordening (EEG) nr. 974/71 bedoelde periode strekt zich uit van woensdag van de ene week tot en met dinsdag van de daarop volgende week.”

Op 22 maart 1981 besloten de ministers en de directeuren van de centrale banken der Lid-Staten tot een aanpassing van de spilkoersen binnen het EMS. Die aanpassing kwam voor de Italiaanse lire neer op een devaluatie — per 23 maart 1981 — met 6 % ten opzichte van de andere EMS-valuta's, terwijl de bilaterale spilkoersen der andere valuta's ongewijzigd bleven.

In haar op 30 maart 1981 in werking getreden verordening nr. 801/81 van 27 maart 1981 betreffende de monetair compenserende bedragen en de differentiële bedragen (PB L 82, blz. 17) heeft de Commissie voor de week van 30 maart tot 5 april 1981 de mcb's „bevroren”. Artikel 1 van deze verordening luidt als volgt:

> „Behoudens andersluidende bepalingen, vastgesteld naar aanleiding van eventuele beslissingen van de Raad, zijn voor de week van 30 maart tot 5 april 1981 de toe te passen monetair compenserende bedragen en differentiële bedragen gelijk aan de op 23 maart 1981 geldende bedragen.”

In de considerans der verordening heeft de Commissie uiteengezet dat de aanpassingen der spilkoersen in beginsel tot wijziging van de mcb's moesten leiden, maar dat het te verwachten besluit van de Raad tot wijziging van de representatieve koersen een „bevriezing”, bij wijze van conserverende maatregel, rechtvaardigde:

> „... dat, in verband met deze bepalingen en de aanpassingen van de spilkoersen in het kader van het Europees Monetair Stelsel, de monetair compenserende bedragen en de differentiële bedragen zouden moeten worden gewijzigd;
>
> overwegende evenwel dat, aangezien wordt verwacht dat de Raad met de grootste spoed een besluit zal nemen om de representatieve koersen te wijzigen en zodoende de verhoging of de instelling van monetair compenserende bedragen te voorkomen, de monetair compenserende bedragen en de differentiële bedragen voorlopig moeten worden gehandhaafd op het op 23 maart 1981 geldende niveau.”

Bij's Raads op 6 april 1981 in werking getreden verordening nr. 850/81 van 1 april 1981 houdende wijziging van verordening nr. 878/77 inzake de in de landbouwsector toe te passen wisselkoersen (PB L 90, blz. 1) zijn de representatieve koersen inderdaad gewijzigd, in dier voege dat de groene koersen aan de spilkoersen werden aangepast, en wel zulks geheel (voor de valuta's van de Benelux, Frankrijk, Denemarken en Ierland) dan wel gedeeltelijk (voor de Italiaanse lire). In verband met deze nieuwe representatieve koersen heeft de Commissie bij haar eveneens op 6 april 1981 in werking getreden verordening nr. 902/81 van 3 april 1981 (PB L 94, blz. 3) de mcb's berekend op grondslag van de koersen van de referentieperiode van 25 tot 31 maart 1981. Voor de Italiaanse lire zijn de mcb's vastgesteld op — 1, na aftrek der vrijstelling.

3.

Verzoekster meent nu dat men, door zonder billijke compensatie voor de week van 30 maart tot 5 april 1981 de toepasselijke mcb's vast te stellen op het niveau van de mcb's die op 23 maart 1981 hebben gegolden, ter bescherming van particulieren geschreven hogere rechtsregels heeft geschonden en hem schade heeft berokkend, waarvan zij bij op 21 oktober 1982 ter griffie van het Hof ingeschreven verzoekschrift krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, van het Verdrag vergoeding vordert.

Bij beschikking van 21 september 1983 heeft het Hof, op rapport van de rechterrapporteur en de advocaat-generaal gehoord, de zaak overeenkomstig artikel 95 van het Reglement voor de procesvoering naar de Vijfde kamer verwezen en verstaan dat zonder instructie tot de mondelinge behandeling zal worden overgegaan.

#### II — Conclusies van partijen

Verzoekster concludeert dat het den Hove behage:

haar een schadevergoeding toe te kennen van FF 2957276,77, behoudens vermeerdering of vermindering van de eis in de loop van het geding.

De Commissie concludeert dat het den Hove behage :

het beroep ongegrond te verklaren;

verzoekster in de kosten te verwijzen.

De Raad concludeert dat het den Hove behage :

verzoekster in haar beroep niet ontvankelijk te verklaren, voor zover het tegen de Raad gericht is;

verzoekster in de kosten te verwijzen.

#### III — Middelen en argumenten van partijen

##### 1. De ontvankelijkheid

a) Unifrex betoogt dat een schadeactie volgens constante rechtspraak van het Hof een zelfstandige beroepsweg is, die onafhankelijk van andere, in het nationale recht dan wel in het gemeenschapsrecht voorziene, beroepswegen kan worden bewandeld. Die zelfstandigheid van de schadeactie is door het Hof, onderscheidenlijk ten aanzien van een beroep wegens stilzitten en een beroep tot nietigverklaring, bevestigd bij de arresten, op 28 april 1971 en 2 december 1971 gewezen in de zaken 4/69 (Lütticke, Jurispr. 1971, blz. 325) en 5/71 (Schöppenstedt, Jurispr. 1971, blz. 975). De zelfstandigheid van een schadeactie ten opzichte van naar nationaal recht openstaande beroepswegen is erkend in het arrest, op 24 oktober 1973 gewezen in zaak 43/72 (Merkur, Jurispr. 1973, blz. 1055). Het is blijkens deze laatste uitspraak niet zo dat men zolang niet alle naar nationaal recht mogelijke beroepswegen zijn bewandeld, in een schadeactie niet kan worden ontvangen. Unifrex beschikt in casu over geen nationaal beroepsmiddel dat haar voldoening kan schenken, immers de rechter die van de gestelde overschrijding van rechtsmacht heeft kennis te nemen, is uitsluitend bevoegd het door ONIC ter afwikkeling der mcb's genomen besluit nietig te verklaren, maar kan zich niet voor de administratie in de plaats stellen door ONIC te veroordelen tot betaling van volgens een ander percentage berekende mcb's. Een en ander brengt mede dat er in casu beroep openstaat zonder dat er tevoren een onrechtmatig handelen of stilzitten van de communautaire instelling behoeft te zijn vastgesteld.

b) De Commissie trekt, zonder zich in formele zin van een exceptie van niet-ontvankelijkheid te bedienen, de ontvankelijkheid van het beroep in twijfel, omdat naar nationaal recht openstaande beroepswegen niet zijn bewandeld. Volgens gevestigde jurisprudentie hebben betrokkenen tegen besluiten, door de interventiebureaus ter uitvoering van de communautaire regeling genomen, op te komen bij de nationale rechter, die zich eventueel met een prejudicieel verzoek tot het Hof kan wenden (arrest, op 5. 12. 1979 gewezen in zaken 116 en 124/77, Amylum, Jurispr. 1979, blz. 3497; arrest, op 12. 12. 1979 gewezen in zaak 12/79, Wagner, Jurispr. 1979, blz. 3657; arrest, op 10. 6. 1982 gewezen in zaak 217/81, Interagra, Jurispr. 1982, blz. 2233). Deze stelling zou met name steun vinden in het arrest, op 17 december 1981 gewezen in de zaken 197-200, 243, 245 en 247/80 (Ludwigshafener Walzmühle, Jurispr. 1981, blz. 3211), waarin het Hof zich had uit te spreken over het exceptieve verweer dat betrokkene in zijn vordering niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat de nationale beroepswegen niet waren bewandeld en waarin het, zonder de redengeving van het arrest-Merkur over te nemen, de exceptie verwierp omdat zulk een beroepsweg in die zaken niet openstond. Daarentegen had Unifrex volgens de Commissie in beroep bij de Franse administratieve rechter de nietigverklaring kunnen vorderen van het besluit waarbij ONIC de omstreden mcb's op haar heeft toegepast.

c) Zonder een formele exceptie als bedoeld in artikel 91 Reglement voor de procesvoering op te werpen, stelt de Raad het beroep niet ontvankelijk te achten. De Raad verwijst daartoe naar artikel 38, lid 1, van dat Reglement, volgens hetwelk „het onderwerp en een summiere uiteenzetting der aangevoerde middelen” in het inleidend verzoekschrift met voldoende duidelijkheid moeten zijn omschreven. De verzoeker heeft tot taak „nauwkeurig de feiten te noemen waarop hij zich ter ondersteuning van zijn vordering beroept, en zijn conclusies op ondubbelzinnige wijze te formuleren” (arrest, op 14. 12. 1962 gewezen in de gevoegde zaken 46 en 47/59, Meroni, Jurispr. 1962, blz. 783). Verzoekster had met name nader dienen te verklaren waarin de aan de instelling toegeschreven schending zou hebben bestaan. De Raad geeft in zoverre toe dat het Hof, wat dit vereiste betreft, in het arrest, op 15 mei 1975 gewezen in zaak 74/74 (CNTA, Jurispr. 1975, blz. 533), tot een engere uitlegging is gekomen. Volgens dat arrest leiden in het inleidend verzoekschrift begane onvolkomenheden niet tot niet-ontvankelijkheid van het inleidend verzoekschrift, zolang het de wederpartij niet onmogelijk wordt gemaakt daadwerkelijk voor zijn belangen op te komen en het Hof bij de uitoefening van zijn rechtscontrole niet wordt belemmerd. Maar die voorwaarden zouden in casu nu juist niet zijn vervuld, immers de Raad kan aan het verzoekschrift onmogelijk aflezen wat verzoekster hem verwijt.

##### 2. Ten principale

###### De aansprakelijkheid van de Gemeenschap

a) Unifrex wijst erop dat de Gemeenschap volgens gevestigde rechtspraak van het Hof, zoals die met name in voormeld arrest-Schöppenstedt besloten ligt, voor het normatief handelen van haar instellingen aansprakelijk kan worden gesteld wanneer er sprake is van een „voldoende gekwalificeerde schending ener ter bescherming van particulieren geschreven hogere rechtsregel.” In casu zou de Gemeenschap zowel wegens onrechtmatigheid van verordening nr. 801/81 aansprakelijk kunnen worden gesteld als wegens schending van het vertrouwensbeginsel en van het non-discriminatiebeginsel. In de eerste plaats acht Unifrex verordening nr. 801/81 onrechtmatig, omdat de Commissie de mcb's terstond had dienen aan te passen aan de monetaire situatie die met de devaluatie van de spilkoers van de Italiaanse lire — op 23 maart 1981 — is ingetreden. Door pas op 27 maart 1981 in te grijpen en de mcb's voor de week van 30 maart tot 5 april 1981 vast te stellen op het niveau van de mcb's die op 23 maart 1981 hadden gegolden, zou de Commissie basisverordening nr. 974/71 hebben geschonden. Verzoekster geeft in zoverre toe dat in de communautaire regeling niet is voorzien op welke datum de door de Commissie krachtens artikel 3 van verordening nr. 974/71 in te stellen of te wijzigen mcb's in werking moeten treden. Zij meent evenwel dat de Commissie tot die invoering of wijziging heeft over te gaan zodra het in die bepaling bedoelde monetaire verschil geen gevolg van fluctuatie, maar van devaluatie van een valuta is. In de tweede plaats blijkt bij lezing van voormeld arrest-CNTA dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Weliswaar heeft het Hof in dat arrest ontkend dat de mcb's als een garantie tegen het risico van wijziging van de wisselkoers zijn te beschouwen; nochtans heeft het erkend dat door toepassing van de mcb's het koersrisico praktisch wordt uitgesloten, zodat een onderneming mag vertrouwen dat er, wanneer transacties niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, geen wijziging zal plaatsvinden die hem op onvoorzienbare verliezen komt te staan. Het normaliter door de ondernemer aanvaarde risico is het aan de fluctuatiemarge der valuta's binnen het EMS inherente risico. Daarentegen wordt het gewettigd vertrouwen geschonden — en moeten de ondernemers worden schadeloos gesteld —, wanneer zij een risico hebben gelopen dat die marge te buiten gaat en er geen compensatiemaatregelen zijn getroffen. In de derde plaats zou het non-discriminatiebeginsel van artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag zijn geschonden, nu verzoekster zich noch op een „billijkheidsclausule”, noch op geprefixeerde mcb's kan beroepen. De „billijkheidsclausule” is ingesteld bij verordening nr. 926/80 van de Commissie van 15 april 1980 inzake de vrijstelling, in bepaalde gevallen, van toepassing van de monetair compenserende bedragen (PB L 99, blz. 15). Volgens die verordening mag de Lid-Staat waar de waarde van de valuta zich heeft gewijzigd, op verzoek van betrokkenen de heffing van de mcb's of van het met de verhoging overeenkomend gedeelte der mcb's achterwege laten voor zover het gaat om importen of exporten krachtens vóór de monetaire maatregel vast afgesloten contracten. De discriminatie zou daarin zijn gelegen dat er in de communautaire regeling geen vergelijkbare clausule is voorzien voor het geval dat de mcb's wegens devaluatie van de spilkoers van de valuta van betaling worden ingetrokken of verlaagd. Dezelfde redenering zou opgaan voor de prefixatie der mcb's die, in strijd met het beginsel der gemeenschapspreferentie, alleen — krachtens verordening nr. 243/78 van 1 februari 1978 (PB L 37, blz. 5) — in het handelsverkeer met derde landen, doch niet in het handelsverkeer tussen Lid-Staten zou zijn toegestaan.

b) De Commissie brengt hiertegen allereerst in dat verordening nr. 801/80 rechtsgeldig is, immers in de communautaire regeling is niet aangegeven op welk tijdstip door de Commissie krachtens artikel 3 van verordening nr. 974/71 in te voeren of te wijzigen mcb's in werking moeten treden. In de praktijk stelt de Commissie de mcb's meestal vast met ingang van de maandag van de week volgende op die waarin het verschil werd vastgesteld, waarbij de oorzaak der wijziging niet terzake doet. Die termijn zou haar rechtvaardiging vinden in de omstandigheid dat zij de Commissie in staat stelt om, met behulp van het beheerscomité, de meest betrouwbare gegevens in te winnen. Staan er evenwel, met name door wijziging van de spilkoersen, speculatieve bewegingen te duchten, dan kan de Commissie besluiten de mcb's in werking te doen treden zonder de volgende maandag af te wachten. Bij de devaluatie van de Italiaanse lire op 23 maart 1981 zou dit evenwel niet het geval zijn geweest. Zelfs al zou de Commissie de mcb's niet hebben bevroren, dan nog zouden zij pas op 30 maart 1981 zijn verhoogd. Voorts heeft het Hof binnen bepaalde grenzen een „bevriezing” der mcb's door de Commissie aanvaard, en wel in de arresten die het op 13 juni 1978 respectievelijk 14 december 1978 heeft gewezen in de zaken 146/77 (British Beef Company, Jurispr. 1978, blz. 1347) en 35/78 (Schouten, Jurispr. 1978, blz. 2543). In laatstbedoeld arrest heeft het Hof een verordening bekrachtigd waarin de Commissie de mcb's ondanks daling van de koersen van het Engelse en het Ierse pond had bevroren; het erkende dat artikel 3 van verordening nr. 974/71 „aldus kan worden uitgelegd, dat de ter vaststelling van het bedoelde verschil in aanmerking genomen wisselkoersen aan de hand van economisch gerechtvaardigde criteria moeten worden beoordeeld en dat het de Commissie derhalve geoorloofd was geen rekening te houden met koersen welke zij niet representatief achtte” (r.o. 36). Het Hof laat dus een vrij ruime uitlegging van de bepalingen betreffende de vaststelling der mcb's toe, wanneer bij het nemen van de gewraakte maatregel de bedoeling heeft voorgezeten om, de wezenlijke doelstellingen der regeling zoveel mogelijk eerbiedigend, de toepassing van economisch niet gerechtvaardigde mcb's te voorkomen. Bezien in het licht van deze uitspraken en getoetst aan de doelstelling van verordening nr. 974/71, is de omstreden bevriezingsmaatregel gerechtvaardigd en noodzakelijk te achten. Blijkens de considerans dienen „de compenserende bedragen niet hoger ... te zijn dan strikt noodzakelijk is om de invloed te compenseren van de monetaire maatregelen op de prijzen” en dienen zij „slechts van toepassing ... te zijn in die gevallen waarin deze invloed moeilijkheden zou veroorzaken.” En in casu mag worden betwijfeld of een tijdelijk verschil, dat enkele dagen later wordt gecorrigeerd, leidt tot moeilijkheden die een verhoging der mcb's voor slechts enkele dagen kunnen rechtvaardigen. Zulk een verhoging zou niet alleen het handelsverkeer niet in stand houden, doch juist verstoringen in de hand kunnen werken. De Commissie wijst er in dit verband op dat het niveau der in Italië bij invoer geheven mcb's van — 1,7 (op 23 maart) op — 7,2 (op 30 maart) is komen te liggen, hetgeen met een verhoging van 324 % overeenkomt. Na een partiële aanpassing van de Italiaanse groene koers aan de spilkoers zijn de mcb's op 6 april op — 1, komen te liggen, ofwel een verlaging met 86 %. Een „mechanische” werking van artikel 3 van verordening nr. 974/71 zou in die omstandigheden in een tijdsruimte van twee weken tot twee aanpassingen — in tegengestelde richting — hebben geleid. Dit zou enerzijds gevaar voor speculatieve manoeuvres en verleggingen van het verkeer hebben opgeleverd en anderzijds geleid hebben tot een onzekerheid in het handelsverkeer welke de ondernemers meer nadeel zou hebben berokkend en de goede werking van de gemeenschappelijke ordeningen meer zou hebben belemmerd dan een ongewijzigde handhaving der mcb's. Ook zij opgemerkt dat de bevriezing heeft plaatsgevonden in het kader van een beleid dat op geleidelijke ontmanteling, althans op strikte beperking, der mcb's gericht was. Dit beleid zou ten nauwste samenhangen met de invoering van het EMS, met de aanpassing van de groene koersen aan de spilkoersen en met uitbreiding van de vrijstellingen ter beperking van de monetaire verschillen. In de tweede plaats betoogt de Commissie dat verzoekster niet een „voldoende gekwalificeerde schending” van het vertrouwensbeginsel en het non-discriminatiebeginsel heeft bewezen, noch ook een „duidelijke en ernstige” miskenning van de grenzen die aan de uitoefening van de bevoegdheden der Gemeenschap gesteld zijn (arrest, op 25. 5. 1978 gewezen in de gevoegde zaken 83 en 94/76, 4, 15 en 40/77, Bayerische HNL, Jurispr. 1978, blz. 1209; arrest, op 5. 12. 1979 gewezen in voormelde zaak Amylum). De Commissie heeft, met betrekking tot bescherming van het gewettigd vertrouwen, betoogd dat verzoekster op onmiddellijke aanpassing der mcb's in het geheel geen aanspraak kon maken en dat de omstreden maatregel, gezien de gedragslijn die door de Commissie bij een op handen zijnde wijziging der representatieve koersen werd gevolgd, ook niet onvoorzienbaar was. In voormeld arrest-CNTA heeft het Hof erkend dat het stelsel der mcb's de handelaren geen continue toepassing van het stelsel verzekert en ook niet met een koersgarantie mag worden gelijkgesteld. Voorts bracht de dwingende reden van algemeen belang die in een goede werking van de voorzieningen der gemeenschappelijke marktordeningen is gelegen, mede dat er in casu van rechten of gewettigde verwachtingen geen sprake kon zijn. Ook het non-discriminatiebeginsel zou niet zijn geschonden. De om billijkheidsredenen vastgestelde verordening nr. 926/80 betreft slechts ondernemers die door de monetaire ontwikkeling bij invoer of uitvoer voor grotere lasten zijn komen te staan en geldt dus niet wanneer er alleen maar winst gederfd is als gevolg van het feit dat de hoop op hogere mcb's niet in vervulling is gegaan. Anderzijds mag het in het ruilverkeer met derde landen toepasselijke stelsel van prefixatie der mcb's (verordening nr. 243/78) niet worden uitgebreid tot het intracommunautaire handelsverkeer, want als er alleen op de monetaire factor acht wordt geslagen, wordt misbruik van prefixatie voor de ondernemers al te verleidelijk.

c) De Raad stelt dat de onvolledigheid van het verzoekschrift hem niet in staat stelt ten gronde te concluderen, zodat hij met enkele aanvullende opmerkingen zal volstaan. Voor zover hem wordt verweten geen billijke compensatiemaatregelen te hebben genomen, kan worden gezegd dat het op de weg der Commissie zou hebben gelegen om, ter uitvoering van verordening nr. 974/71, maatregelen ad hoc te nemen. Verzoekster zegt ook niet waarom de Raad jegens haar tot het nemen van maatregelen van algemene aard verplicht zou zijn. Evenmin zijn er redenen van recht of billijkheid die de Raad verplichten de representatieve percentages voor de landbouw van uur tot uur bij te werken; de spilkoersen worden in het kader van de EMS gewijzigd. Zelfs al zou's Raads handelen met het gemeenschapsrecht in strijd zijn, dan zou aan die omstandigheid op zichzelf nog geen recht op schadevergoeding kunnen worden ontleend. Integendeel, blijkens voormeld arrest-Bayerische HNL moet een particulier, zelfs wanneer een normatieve handeling niet rechtsgeldig mocht zijn bevonden, voor bepaalde nadelige gevolgen opkomen, namelijk wanneer de betrokken instelling de aan haar bevoegdheden gestelde grenzen niet ten duidelijkste ernstig heeft miskend.

###### De schade

a) Unifrex stelt dat haar door het gewraakte handelen van de communautaire overheid een schade is opgekomen ten bedrage van FF 2957276,77. Dit totaalbedrag zou overeenkomen met de verliezen, geleden wegens contracten die voor de devaluatie van de lire zijn aangegaan en in de twee maanden na bedoelde devaluatie (23 maart — eind mei 1981) zijn uitgevoerd. Het zou gelijk zijn aan het met koersrisico verminderde verschil tussen de theoretische mcb's — die hadden moeten zijn toegekend als niet tot bevriezing zou zijn besloten en als er een billijkheidsclausule zou zijn opgenomen — en de in feite toegekende mcb's. Het koersrisico is gelegen in de omstandigheid dat de mcb's slechts worden gewijzigd wanneer het in artikel 3 van verordening nr. 974/71 bedoelde monetaire verschil ten minste 1 punt afwijkt van het percentage dat voor de voorafgegane week werd aangehouden. De schadevordering is tot twee maanden beperkt, omdat de Commissie voor de toepassing van de „billijkheidsclausule” perioden van meer dan twee maanden niet in aanmerking pleegt te nemen.

b) De Commissie betwist allereerst de „specialiteit” der schade. Voorts stelt zij dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de ingeroepen schade met het gedrag der Commissie in causaal verband staat, terwijl de gevolgen van de „bevriezing” der mcb's zich in ieder geval slechts in de periode van die bevriezing, 30 maart— 5 april 1981, hebben kunnen doen gelden.

#### IV — Mondelinge behandeling

De zaak is door partijen ter terechtzitting van 1 februari 1984 bepleit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 14 maart 1984 zijn conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij op 21 oktober 1982 ter griffie van het Hof ingediend verzoekschrift heeft de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Unifrex te Marsannay-la-Côte (Frankrijk) krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag, tegen Raad en Commissie beroep ingesteld ter bekoming van vergoeding van de schade, beweerdelijk geleden als gevolg van het feit dat de monetair compenserende bedragen (mcb's) in het tijdvak 23 maart—5 april 1981 niet aan de wijzigingen der monetaire verhoudingen zijn aangepast, terwijl iedere billijke compensatie zou zijn uitgebleven.

2. Verzoekster exporteert landbouwprodukten, en wel met name granen, naar Italië. In haar contracten met Italiaanse ondernemers worden de prijzen van bedoelde waren, met inaanmerkingneming van de bij invoer in Italië toe te kennen mcb's, in lires uitgedrukt.

3. Op 23 maart 1981 is de lire, in het kader van een aanpassing der spilkoersen in het Europees Monetair Stelsel, ten opzichte van de andere tot het stelsel behorende munteenheden met 6 % gedevalueerd. Evenwel heeft de Raad de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid gebezigde representatieve koersen eerst met ingang van 6 april 1981, te weten bij verordening nr. 850/81 van 1 april 1981 houdende wijziging van verordening nr. 878/77 inzake de in de landbouwsector toe te passen wisselkoersen (PB L 90, blz. 1), aangepast.

4. Tussen partijen staat als onbetwist vast dat de monetaire situatie welke aldus tussen 23 maart en 6 april 1981 in het leven werd geroepen, krachtens artikel 3 van's Raads verordening nr. 974/71 van 12 mei 1971 betreffende bepaalde conjunctuurpolitieke maatregelen welke naar aanleiding van de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta's van sommige Lid-Staten dienen te worden genomen in de landbouwsector (PB L 106, blz. 1), normaliter tot wijziging der mcb's had moeten leiden. Volgens die bepaling worden, wanneer het verschil waarvan volgens artikel 2, lid 1, dier verordening bij de berekening van de mcb's wordt uitgegaan, 1 punt of meer van het bij de vorige vaststelling aangehaalde percentage afwijkt, de mcb's door de Commissie aan de hand van de verandering van het verschil gewijzigd.

5. De Commissie heeft de mcb's in bedoeld tijdvak evenwel ongewijzigd gelaten. In haar verordening nr. 801/81 van 27 maart 1981 betreffende de monetair compenserende bedragen en de differentiële bedragen (PB L 82, blz. 17) heeft zij zelfs met zoveel woorden bepaald dat de mcb's voor de week van 30 maart tot 5 april 1981 dezelfde zouden zijn als die welke op 23 maart 1981 hadden gegolden. Volgens de overwegingen van de considerans der verordening zou de hierbedoelde bevriezing, als bewarende maatregel, een rechtvaardiging vinden in de verwachting „dat de Raad met de grootste spoed een besluit zal nemen om de representatieve koersen te wijzigen.”

6. Pas met ingang van 6 april, datum van aanpassing der representatieve koersen, heeft de Commissie in haar verordening nr. 902/81 van 3 april 1981 (PB L 94, blz. 3) de mcb's opnieuw berekend, met inaanmerkingneming van de wijzigingen welke zich, in voege als hiervoor vermeld, met betrekking tot spilkoersen en representatieve koersen hadden voorgedaan. Voor Italië werden de mcb's op —1 vastgesteld.

7. Aan verzoekster zou door deze, haars inziens met het gemeenschapsrecht strijdige, handelwijze schade zijn berokkend, zodat zij in beroep een vergoeding van FF 2957276,77 vordert.

#### De ontvankelijkheid

8. Zowel de Commissie als de Raad hebben de ontvankelijkheid van het beroep aangevochten.

9. De Commissie betoogt dat verzoekster in haar beroep niet kan worden ontvangen, omdat zij zich ter bekoming van schadevergoeding tot de nationale rechter had kunnen wenden: bij de Franse administratieve rechter had zij nietigverklaring kunnen vorderen van het besluit waarbij ONIC de omstreden mcb's op haar heeft toegepast, en een deswege aanhangig gemaakt geding had kunnen leiden tot een prejudiciële procedure krachtens artikel 177 van het Verdrag, waarin het Hof een onderzoek naar de rechtsgeldigheid van de hierbedoelde verordeningen had kunnen instellen.

10. Verzoekster stelt harerzijds dat een schadeactie is te beschouwen als een beroepsweg welke onafhankelijk van de in het nationale recht geopende beroepswegen kan worden bewandeld. Voorts zou zij met een beroep naar nationaal recht niet gebaat zijn geweest, immers een beroep tot nietigverklaring kan niet tot toekenning van hogere mcb's leiden.

11. Volgens constante jurisprudentie van het Hof is een krachtens de artikelen 178 en 215 van het Verdrag aanhangig te maken schadevordering voorzien als een zelfstandige beroepsweg, waaraan binnen het stelsel der voorzieningsmogelijkheden een bijzondere functie toekomt en aan welks aanwending in verband met zijn bijzondere doel bepaalde voorwaarden worden gesteld. Het middel dient evenwel te worden beoordeeld in verband met de systematiek der in het Verdrag aan particulieren verleende rechtsbescherming. Acht een particulier zich door de toepassing van een door hem onrechtmatig geachte normatieve handeling der Gemeenschap gelaedeerd, dan beschikt hij, wanneer de uitvoering der handeling aan de nationale overheid is toevertrouwd, over de mogelijkheid om, ter gelegenheid van die uitvoering, de rechtsgeldigheid der handeling in een tegen de nationale overheid gevoerd geding voor de nationale rechter aan te vechten. De nationale rechter kan casu quo moet zich dan, in voege als in artikel 177 voorzien, met een vraag betreffende de geldigheid van de omstreden handeling der Gemeenschap tot het Hof van Justitie wenden. Zulk een beroepsmogelijkheid kan de betrokken particulieren evenwel slechts daadwerkelijke bescherming bieden wanneer er vergoeding der gestelde schade mee kan worden bereikt.

12. Dit is in casu niet het. geval. Blijkens de door verzoekster gegeven en door de Commissie niet weersproken toelichting zou een voor de nationale administratieve rechter ingesteld beroep tot nietigverklaring haar geen daadwerkelijke bescherming kunnen bieden. Zelfs al zou de omstreden regeling van de Gemeenschap bij een door het Hof in zulk een procedure te wijzen prejudicieel arrest ongeldig worden verklaard — met nietigverklaring van het nationale besluit —, dan nog zou zulk een nietigverklaring, zolang de wetgever der Gemeenschap niet heeft ingegrepen, de nationale overheid niet verplichten ten aanzien van verzoekster hogere mcb's toe te passen.

13. Op grond van een en ander kan het door de Commissie gemaakte bezwaar niet worden aanvaard.

14. Van zijn kant acht de Raad het beroep niet ontvankelijk omdat in het introductief request, anders dan in artikel 38, lid 1, c, van het Reglement voor de procesvoering is voorgeschreven, het onderwerp van de eis niet voldoende duidelijk zou zijn omschreven, terwijl er, wat de beweerdelijk door de Raad begane schending betreft, zelfs geen summiere uiteenzetting der aangevoerde middelen in zou voorkomen.

15. Uit het overzicht van de feiten dat in het verzoekschrift voorkomt en uit de ter terechtzitting verstrekte nadere gegevens blijkt evenwel ten duidelijkste dat verzoekster de Raad verwijt niet terstond passende maatregelen te hebben genomen om, wat de op 23 maart 1981 ingetreden monetaire wijzigingen betreft, compensatie te bieden. De Raad heeft dan ook zeer wel zijn standpunt ten principale kunnen bepalen — en dit in zijn opmerkingen ook gedaan —, terwijl het Hof tot controle in staat gesteld is.

16. Ook het door de Raad gemaakte bezwaar moet derhalve worden verworpen.

#### Ten principale

17. Volgens verzoekster is de Gemeenschap niet contractueel aansprakelijk te stellen ter zake van het feit dat de Commissie de mcb's voor het tijdvak 23 maart—5 april 1981 niet heeft gewijzigd, terwijl de Raad de representatieve koersen pas met ingang van 6 april 1981 heeft aangepast. Deze handelwijze der instellingen zou zich met voormelde basisverordening nr. 974/71 niet verdragen en het vertrouwensbeginsel en het non-discriminatiebeginsel schenden.

18. Verzoekster betoogt in de eerste plaats dat het achterwege laten van een onmiddellijke aanpassing der mcb's aan de monetaire situatie die met de aanpassing der spilkoersen, op 23 maart 1981, is ingetreden, een schending inhoudt van artikel 3 van verordening nr. 974/71, volgens hetwelk de mcb's „aan de hand van de verandering van het verschil” waarvan bij de berekening der mcb's wordt uitgegaan, worden aangepast wanneer dat verschil één punt of meer afwijkt van het bij de vorige vaststelling aangehouden percentage.

19. In zoverre zij vastgesteld dat de Commissie volgens deze bepaling weliswaar verplicht is tot wijziging der mcb's over te gaan zodra de voorwaarden daartoe vervuld zijn, maar dat haar anderzijds een marge wordt gelaten, binnen welke zij het tijdstip van ingang der wijzigingen vrijelijk mag bepalen.

20. Dit blijkt ook uit de bewoordingen en doelstellingen van verordening nr. 974/71. Wordt in artikel 3 der verordening voor de wijziging der mcb's geen termijn genoemd, dan wil dat zeggen dat de wijziging niet terstond behoeft in te gaan, doch dat de Commissie een redelijke termijn is gelaten binnen welke zij op grond van de meest betrouwbare gegevens kan beslissen. In de praktijk doet de Commissie, blijkens haar opmerkingen, een nieuwe vaststelling van mcb's ingaan op de maandag van de week, volgende op die waarin de monetaire feiten zich hebben voorgedaan. Die datum zou in casu 30 maart 1983 zijn geweest.

21. Daarbij komt in casu dat een besluit van de Raad tot aanpassing van de representatieve koersen op handen was: een daartoe strekkende verordening is op 6 april 1981, twee weken na de wijziging der spilkoersen, in werking getreden.

22. Blijkens's Hofs constante rechtspraak, zoals die voor het eerst is neergelegd in het arrest, op 24 oktober 1973 gewezen in zaak 5/73 (Balkan, Jurispr. 1973, blz. 1091), werd met de invoering van de compenserende bedragen de handhaving van eenheidsprijzen, grondslag van de bestaande marktordeningen, beoogd teneinde een ontwrichting van het systeem van interventieprijzen te voorkomen en de normale handelsstromen van landbouwprodukten zowel tussen de Lid-Staten als met derde landen in stand te houden. Er mogen dan ook slechts mcb's worden toegepast voor zover de hierbedoelde monetaire maatregelen tot verstoring van de handel in landbouwprodukten zouden leiden.

23. Evenwel zou de verwezenlijking van die doelstelling in gevaar zijn geraakt — en zou de goede werking van's Raads regeling zijn verstoord —, indien de Commissie de mcb's in de korte periode tussen de wijziging der spilkoersen en de aanpassing der representatieve koersen had aangepast. Naar de Commissie in haar opmerkingen heeft betoogd, zou het niveau der bij invoer in Italië berekende mcb's door gedeeltelijke aanpassing van de representatieve koersen van de lire aan de spilkoers op 23 maart van —1,7 op —7,2 en, met ingang van 6 april 1981, op —1 zijn komen te liggen. Door zulk een ontwikkeling zouden de handelsstromen niet zijn gehandhaafd, integendeel, er hadden speculatieve bewegingen — en daardoor ontwrichtingen van het handelsverkeer — door kunnen worden teweeggebracht, waarmede gevaar voor een kunstmatige verstoring van dat verkeer zou zijn geschapen.

24. Het middel volgens hetwelk verordening nr. 974/71 is geschonden, moet derhalve worden verworpen.

25. Verzoekster beroept zich voorts op schending van het als algemeen communautair rechtsbeginsel te beschouwen vertrouwensprincipe. Het zou in casu zijn geschonden omdat de mcb's, in afwijking van een gevestigde praktijk, niet tijdig aan de gewijzigde pariteiten van de lire werden aangepast.

26. In verband hiermede zij er allereerst op gewezen dat het stelsel der mcb's, naar het Hof in voormeld arrest van 15 mei 1975 reeds heeft vastgesteld, de handelaren geen waarborgen biedt tegen het risico van wijziging der wisselkoersen. Daarbij komt dat er in casu, naar de betrokken ondernemers niet onbekend kon zijn, op het niveau van de Raad onderhandelingen over een aanpassing der representatieve koersen, ter voorkoming van een stijging der mcb's, werden gevoerd en dat men blijkens de considerans van verordening nr. 801/81 van de Commissie, waarbij de mcb's voor de week van 30 maart tot 5 april 1981 werden bevroren, die verordening juist in afwachting van een desbetreffend besluit van de Raad heeft vastgesteld.

27. Verzoekster mocht dan ook niet verwachten dat de mcb's zouden worden gewijzigd voordat de Raad de representatieve koersen had aangepast. Ook dit middel moet derhalve worden verworpen.

28. Tenslotte beroept verzoekster zich op schending van het in artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag omschreven non-discriminatiebeginsel, welke schending daarin zou zijn gelegen dat de wetgever van de Gemeenschap voor gevallen als het onderhavige geen „billijkheidsclausule” heeft vastgesteld, noch ook de mogelijkheid van prefixatie der mcb's in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap heeft voorzien.

29. Zij wijst er in dit verband op dat het de betrokken Lid-Staat in geval vart een monetaire maatregel die tot verhoging der mcb's leidt, volgens verordening nr. 926/80 van de Commissie van 15 april 1980 inzake de vrijstelling, in bepaalde gevallen, van toepassing van de monetair compenserende bedragen (PB L 99, blz. 15), vrijstaat de mcb's casu quo het gedeelte der mcb's dat met de verhoging overeenkomt, niet te heffen bij invoer of uitvoer krachtens contracten die vóór de monetaire maatregel vast werden afgesloten. Zulk een billijkheidsclausule is evenwel niet voorzien wanneer de mcb's door waardevermindering van de betalingsvaluta worden verlaagd of ingetrokken. Anderzijds is de mogelijkheid tot prefixatie der mcb's volgens verordening nr. 243/78 van de Commissie van 1 februari 1978 houdende invoering van de vaststelling vooraf van de monetair compenserende bedragen (PB L 37, biz. 5) wel voor het handelsverkeer met derde landen, maar niet voor het handelsverkeer tussen de Lid-Staten voorzien.

30. Er zij in zoverre allereerst op gewezen dat, naar het Hof reeds vele malen heeft overwogen, laatstelijk in het arrest, op 15 juli 1982 gewezen in zaak 245/81 (Edeka, Jurispr. 1982, blz. 2745), het in artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag vervatte discriminatieverbod slechts een bijzondere uitdrukking is van het algemene gelijkheidsbeginsel, dat tot de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht behoort. Volgens dat beginsel mogen vergelijkbare omstandigheden niet verschillend worden behandeld, tenzij een verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd is.

31. De Commissie heeft in dit verband betoogd dat de billijkheidsclausule, bij wijze van uitzondering, was opgenomen om de zwaardere financiële lasten te verzachten die de ondernemers bij invoer of uitvoer te dragen hadden. Daarmede mogen gevallen waarin de winstderving alleen maar een gevolg is van het feit dat een verhoogde stijging der mcb's achterwege bleef, niet worden gelijkgesteld. Anderzijds mag het voor de handel met derde landen geldende stelsel van prefixatie der mcb's, dat prefixatie der restituties impliceert, tot het handelsverkeer binnen de Gemeenschap niet worden uitgebreid, wil men misbruik door ondernemers die alleen op de monetaire factor letten, voorkomen.

32. Op grond van een en ander kan aan de Commissie niet worden verweten arbitrair te hebben gehandeld, toen zij de hierbedoelde situaties verschillend behandelde.

33. Ook dit middel moet derhalve worden verworpen.

34. Aangezien verzoekster met al haar middelen in het ongelijk is gesteld, moet het beroep als ongegrond worden verworpen.

#### Kosten

35. Ingevolge artikel 69, lid 2, Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd in de kosten worden verwezen.

36. Aangezien verzoekster in het ongelijk gesteld is, moet zij in de kosten worden verwezen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

rechtdoende:

1\. Verwerpt het beroep;

2\. Verwijst verzoekster in de kosten.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

6

verordening 974/71 art. 3 6 voorkomens

EEG-Verdrag art. 178 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 215 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 40 1 voorkomen

verordening 1380/75 art. 2 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van de advocaat-generaal C-33/11 26.04.2012

#### [Vrijstellingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-33-11-conclusie)

## Rechtsleer

2

X: European Court of Justice Reporter 1984 p.77-78 (PM)

Cartou, Louis: Recueil Dalloz Sirey 1985 IR. p.23 (PM)
