Arrest van het Hof van 3 oktober 1978, 27/78 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 27/78 ECLI:EU:C:1978:170 3 oktober 1978

Zoeken

Arrest van het Hof van 3 oktober 1978, 27/78EEG-Verdrag art. 115 en art. 8

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-27-78-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
27/78
ECLI
ECLI:EU:C:1978:170
Datum
3 oktober 1978

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Corte suprema di cassazione, Sezione I civile (Italië) beslissing van 2 december 1977 1879 - RG 5571/75 E RG 6227/75
Zaak ingediend op
3 maart 1978
Advocaat-generaal
Warner
Opmerkingen
Italiaanse regering Commissie
Nationale beslissing na het arrest
Corte suprema di cassazione, Sezione I civile 936 - RG 5571/75 E RG 6227/75

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Italiaans
Jurisprudentie
Jurispr. 1978, blz. 1761
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Donner
Repertorium van het Hof

Tekst

54 paragrafen

ARREST

Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — De feiten en de schriftelijke behandeling

Bij beschikking van 24 februari 1971 sommeerde de douane te Domodossola de firma Rasham een bedrag van LIT 601215 met kosten te betalen ter zake van invoerrechten en heffingen, welke op het moment van de inklaring op 9 juli 1968 van 5000 bandrecorders van Japans fabrikaat uit België nog niet waren voldaan. Daarbij werd medegedeeld dat het Ministerie van Financiën bij circulaire nr. 292 van 17 juni 1968 met toepassing van de vrijwaringsclausule van artikel 115, tweede alinea, EEG-Verdrag, bandrecorders van oorsprong uit derde landen had uitgesloten van de in het Verdrag voorziene behandeling van produkten welke zich in een der Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden.

De firma Rasham, van mening dat de overgangsperiode waarin het volgens artikel 115 EEG-Verdrag was toegestaan vrijwaringsmaatregelen te nemen, op 1 juli 1968 was afgelopen ingevolge de versnellingsbeschikking van de Raad van 26 juli 1966 (PB 1966, blz. 2971), wendde zich tot de rechter met een verzoek tot terugbetaling. Bij vonnis van 24 februari 1973 heeft het Tribunale te Turijn dit verzoek toegewezen. Op 13 februari 1975 heeft het Hof van Beroep te Turijn het door de Administratie van de Staatsfinanciën ingestelde beroep verworpen.

Op 19 september 1975 heeft de Administratie van de Staatsfinanciën tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld, waartegen de firma Rasham op 23 oktober 1975 haar verweerschrift indiende en daarbij tevens harerzijds incidenteel beroep in cassatie (ricorso incidentale condizionato) instelde.

De Administratie der Staatsfinanciën betoogde dat beschikking nr. 66/532 van 26 juli 1966 de overgangsperiode niet had verkort, doch uitsluitend de tussen de Lid-Staten nog bestaande douanerechten per 1 juli 1968 had afgeschaft. Derhalve hadden de Lid-Staten ook na genoemde datum nog de mogelijkheid vrijwaringsmaatregelen te nemen overeenkomstig artikel 115, tweede alinea, EEG-Verdrag.

Rasham betoogde dat, zelfs gesteld dat de Italiaanse staat de mogelijkheid had vrijwaringsmaatregelen te nemen, de in casu genomen maatregel onwettig moest worden geacht, nu daarvan geen kennis was gegeven aan de andere Lid-Staten en de Commissie, hetgeen op grond van het voorschrift van artikel 115, tweede alinea, EEG-Verdrag, als een voorwaarde voor de geldigheid en de toepassing van de betrokken maatregel moet worden beschouwd.

Bij beschikking van 2 december 1977 heeft het Hof van Cassatie de procedure geschorst en de volgende prejudiciële vragen gesteld:

Moet beschikking nr. 66/532/EEG van de Raad, waarbij de Lid-Staten met een beroep op artikel 235 van het Verdrag hebben besloten tot de volledige afschaffing van de nog tussen hen bestaande douanerechten voor de niet in bijlage II van het Verdrag genoemde produkten (artikel 1) en tegelijkertijd tot de volledige toepassing van het gemeenschappelijke douanetarief op de invoer uit derde landen van deze produkten (artikel 2) met ingang van 1 juli 1968, dat wil zeggen vóór de in het Verdrag voorgeschreven datum, aldus worden uitgelegd dat zij de datum van het in artikel 8 van het Verdrag bedoelde einde van de overgangsperiode heeft vervroegd?

2. Zo ja, houdt dan de vervroeging van het einde van de overgangsperiode voor bovengenoemde doeleinden ook een overeenkomstige bekorting in van de periode binnen welke de Lid-Staten onder de in artikel 115, eerste alinea, vermelde voorwaarden, of in dringende gevallen zelf overeenkomstig artikel 115, tweede alinea, de noodzakelijke beschermende maatregelen kunnen nemen?

3. Ingeval de vragen 1 en 2 aldus worden beantwoord dat de mogelijkheid voor de Lid-Staten om vrijwaringsmaatregelen te nemen krachtens artikel 115, tweede alinea, EEG-Verdrag, blijft bestaan, stelt dan genoemde bepaling, waar deze voorschrijft dat de Lid-Staten van de zelf genomen noodzakelijke maatregelen kennis geven aan de overige Lid-Staten alsmede aan de Commissie, die kan besluiten dat de staten de maatregelen moeten wijzigen of opheffen, deze kennisgeving als voorwaarde voor de geldigheid of toepasbaarheid van het besluit waarbij de betrokken maatregelen worden genomen?”

De verwijzigingsbeschikking is op 3 maart 1978 ingeschreven ter griffie van het Hof.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Italiaanse regering en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door A. Prozzillo, lid van de juridische dienst der Commissie, als gemachtigde.

Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

II — Samenvatting van de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

De Italiaanse regering betoogt dat de versnellingsbeschikking van 26 juli 1966, zoals duidelijk uit haar overwegingen blijkt, slechts betrekking had op de verwezenlijking van de douane-unie en op de volledige en gelijktijdige toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief. Zij beïnvloedde op generlei wijze de in artikel 8 van het Verdrag vastgestelde duur van de overgangsperiode. Bij gevolg tastte zij evenmin het recht van de Lid-Staten aan om tot het definitieve einde van de overgangsperiode de hun in de overige bepalingen van het Verdrag toegekende bevoegdheden uit te oefenen ter verwezenlijking van andere doeleinden dan die van de versnellingsbeschikking.

Artikel 115, tweede alinea, EEG-Verdrag betreft de sector van de gemeenschappelijke handelspolitiek en bij gevolg een doel dat in feite zelf op 31 december 1969 nog niet was verwezenlijkt. Derhalve is er geen enkele reden om te twijfelen aan de toepasselijkheid van artikel 115, tweede alinea, EEG-Verdrag, in de periode van 1 juli 1968 tot en met 31 december 1969.

De juistheid van dit standpunt wordt overigens nog versterkt door de rechtspraak van het Hof van Justitie volgens welke vaststaat dat de overgangsperiode is geëindigd op 31 december 1969 en niet op 30 juni 1968 (arrest van 18 februari 1970 in zaak 38/69, Commissie t. Italië, Jurispr. 1970, blz. 47; arrest van 11 februari 1976 in zaak 37/70, Rewe t. Hauptzollamt Emmerich, Jurispr. 1976, blz. 23, arrest van 15 december 1976 in zaak 41/76, Donckerwolcke, Jurispr. 1976, blz. 1921).

Waar de strekking en het doel van beschikking nr. 66/532 van 26 juli 1966, alsmede de uit de rechtspraak van het Hof af te leiden beginselen uitsluiten dat de versnellingsbeschikking de in artikel 8 EEG-Verdrag voorziene einddatum van de overgangsperiode tot 30 juni 1968 heeft vervroegd, moet de eerste vraag van de verwijzingsbeschikking ontkennend worden beantwoord.

Bij deze bevinding vervalt de tweede vraag welke de nationale rechter had gesteld voor het geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag.

De derde vraag is volgens de Italiaanse regering feitelijk zonder voorwerp, omdat de onderhavige vrijwaringsmaatregel juist na overleg met de bevoegde diensten van de Commissie was genomen en deugdelijk ter kennis was gebracht. De wenselijkheid van een uitspraak op dit punt door het Hof van Justitie vermag zij niet in te zien.

Uitsluitend volledigheidshalve beklemtoont de Italiaanse regering dat de kennisgeving van de vrijwaringsmaatregel aan de Lid-Staten en de Commissie geen voorwaarde is of kan zijn voor de geldigheid of toepasbaarheid van de nationale maatregel. In wezen gaat het hier alleen om een voorlichting van de andere Lid-Staten en om een formaliteit waardoor de Commissie de haar toegekende controlebevoegdheden kan uitoefenen. De Commissie kon trouwens ook zonder de voorgeschreven kennisgeving de wijziging of opheffing van de maatregel gelasten.

Samenvattend stelt de Italiaanse regering voor te antwoorden dat:

„… 's Raads beschikking nr. 532/66 van 26 juli 1966 geen vervroeging van de in artikel 8 EEG-Verdrag voorziene afloopdatum van de overgangsperiode tot gevolg had, en voorts, voorzover ook een antwoord op de derde vraag van de nationale rechter nodig mocht worden geacht, dat de in artikel 115, tweede alinea, EEG-Verdrag voorgeschreven kennisgeving geen voorwaarde vormde voor de geldigheid of toepasbaarheid van door de nationale autoriteiten tijdens de overgangsperiode genomen vrijwaringsmaatregelen.”

De Commissie merkt allereerst op dat de Raad en de Commissie geen gebruik hebben gemaakt van de in artikel 8, lid 5, EEG-Verdrag geboden mogelijkheid de tweede en derde etappe van de overgangsperiode te bekorten, 's Raads beschikking van 26 juli 1966 sorteerde geen effect buiten haar onderwerp en bekortte de overgangsperiode niet over de gehele linie (arrest van 18 juni 1975 in zaak 94/74, IGAV t. ENCC, overweging 25, Jurispr. 1975, blz. 712).

De Commissie stelt voor op de twee eerste vragen te antwoorden dat beschikking nr. 66/532/EEG de overgangsperiode niet heeft bekort en dat de Lid-Staten in juni 1968 nog de maatregelen mochten nemen die het Verdrag hun tijdens de overgangsperiode toestond te nemen.

Zij merkt echter op dat een Lid-Staat volgens artikel 115, tweede alinea, uitsluitend maatregelen mocht nemen die niet in strijd waren met de op dat moment geldende gemeenschapsbepalingen. Het van toepassing worden van het gemeenschappelijk douanetarief overeenkomstig voornoemde beschikking van de Raad beperkte derhalve de aan de Lid-Staten toegekende bevoegdheden op het gebied van de handelspolitiek, doordat het hun niet meer was toege staan de douanerechten te wijzigen en een produkt dat zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevindt aan een dergelijk recht te onderwerpen.

Deze conclusie wordt bevestigd door een aan de tekst van de derde alinea van artikel 115 ontleend argument. Zo de eenzijdig door de Lid-Staten genomen maatregelen recht moeten doen aan de noodzaak om de instelling van een gemeenschappelijk douanetarief te bespoedigen, dan behoren zij a fortiori dit tarief na te leven zodra het is ingesteld.

Met betrekking tot de derde vraag merkt de Gemeenschap op dat de kennisgeving van een maatregel in het algemeen geen invloed heeft op zijn geldigheid.

Samenvattend stelt de Commissie voor op de vragen 1 en 2 het volgende antwoord te geven, waarbij de derde vraag zonder voorwerp geraakt:

„Beschikking nr. 66/532/EEG heeft de in artikel 8 EEG-Verdrag voorziene overgangsperiode niet over de gehele linie bekort doch de in artikel 115, tweede alinea, EEG-Verdrag aan de Lid-Staten toegekende bevoegdheid beperkt tot het nemen van maatregelen die met voornoemde beschikking niet onverenigbaar zijn.”

III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 13 juli 1978 heeft de Commissie, ten deze vertegenwoordigd door A. Prozzillo, lid van de juridische dienst van de Commissie, mondelinge opmerkingen gemaakt.

Hierbij verklaarde de Commissie dat blijkens haar archieven van de vrijwaringsmaatregelen geen kennis was gegeven.

De advocaat-generaal heeft te zelfder terechtzitting conclusie genomen.

Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat de Corte Suprema di Cassazione bij beschikking van 2 december 1977, ingekomen ten Hove op 3 maart 1978, krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag aan het Hof van Justitie drie prejudiciële vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van artikel 115 van het Verdrag en van beschikking nr. 66/532 van de Raad van 26 juli 1966 betreffende de afschaffing van de douanerechten en het verbod van kwantitatieve beperkingen tussen de Lid-Staten en het van toepassing worden van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor de niet in bijlage II van het Verdrag genoemde produkten (PB 1966, blz. 2971);

2.

Overwegende dat deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de Italiaanse Administratie van de Staatsfinanciën en een onderneming die op 9 juli 1968 in Italië 5000 bandrecorders van Japans fabrikaat uit België had ingevoerd;

3.

dat de douane de importeur had gesommeerd een bedrag van LIT 601215 plus bijkomende kosten te betalen ter zake van invoerrechten en heffingen welke op het moment van inklaring nog niet waren geïnd, daarbij mededelend dat bij circulaire nr. 292 van 17 juni 1968 het Ministerie van Financiën met toepassing van de vrijwaringsclausule van artikel 115, tweede alinea, EEG-Verdrag goederen van de onderhavige soort had uitgesloten van het stelsel van het vrije verkeer;

4.

dat de importerende onderneming, van mening dat de overgangsperiode waarvoor artikel 115 van het Verdrag vrijwaringsmaatregelen toelaat, krachtens 's Raads beschikking van 26 juli 1966 was afgelopen op 1 juli 1968, om terugbetaling van het geïnde bedrag heeft verzocht;

5.

Overwegende dat de eerste vraag erop neerkomt of 's Raads beschikking van 26 juli 1966 aldus moet worden uitgelegd, dat zij de datum van het in artikel 8 van het EEG-Verdrag bedoelde einde van de overgangsperiode heeft vervroegd;

6.

dat bij een bevestigend antwoord op deze vraag, de tweede vraag wordt gesteld of deze vervroeging van het einde van de overgangsperiode een overeenkomstige bekorting inhoudt van de in de tweede alinea van artikel 115 bedoelde termijn;

7.

Overwegende, dat 's Raads beschikking van 26 juli 1966, vastgesteld krachtens de artikelen 14 en 235 van het Verdrag, ten doel heeft „het tempo van de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag (te) versnellen met name op het gebied van de douane-unie en de afschaffing van kwantitatieve beperkingen” (eerste overweging);

8.

dat zij daartoe in artikel 1 bepaalt:

„De Lid-Staten schaffen de nog tussen hen bestaande douanerechten voor de niet in bijlage II van het Verdrag genoemde produkten af; daartoe passen zij per 1 juli 1967 een verlaging toe, waardoor het recht voor elk produkt op 15 % van het basisrecht wordt gebracht, en laten zij deze rechten per 1 juli 1968 vervallen”.

en in artikel 2:

„De Lid-Staten passen met ingang van 1 juli 1968 het gemeenschappelijk douanetarief toe op de invoer uit derde landen van de niet in bijlage II van het Verdrag genoemde produkten”;

9.

dat deze beschikking dus berust op de gedachte van een selectieve versnelling van acties die tezamen uiterlijk bij het einde van de overgangsperiode moesten worden voltooid, en slechts van toepassing is op de uitdrukkelijk genoemde maatregelen;

10.

dat op de eerste vraag derhalve moet worden geantwoord dat 's Raads beschikking van 26 juli 1966 de datum van het einde van de overgangsperiode in de zin van artikel 8 van het Verdrag niet heeft vervroegd;

11.

dat derhalve de tweede vraag niet behoeft te worden beantwoord;

12.

Overwegende, dat de derde vraag luidt of het voorschrift van artikel 115, tweede alinea, van het Verdrag, volgens hetwelk de Lid-Staten van de eenzijdig genomen vrijwaringsmaatregelen kennis moeten geven aan de overige Lid-Staten alsmede aan de Commissie, aldus moet worden uitgelegd, dat het deze kennisgeving als voorwaarde stelt voor de geldigheid of toepasbaarheid van het besluit waarbij de betrokken maatregelen worden genomen;

13.

Overwegende dat de bedoelde bepaling impliceert dat het eenzijdig nemen van vrijwaringsmaatregelen en de kennisgeving aan de Commissie en de Lid-Staten gelijktijdig of onmiddellijk na elkaar geschieden;

14.

dat men echter uit de tekst niet mag afleiden dat de kennisgeving een voorafgaande voorwaarde voor de inwerkingtreding der genomen maatregelen is;

15.

dat daaruit volgt dat, zo de verplichting tot kennisgeving in artikel 115, tweede alinea, van het Verdrag dwingend is voorgeschreven, de nakoming ervan echter geen voorafgaande voorwaarde voor de inwerkingtreding van de genomen vrijwaringsmaatregelen kan vormen;

16.

dat aldus dient te worden geantwoord;

Ten aanzien van de kosten

17.

Overwegende dat de kosten, door de Commissie en de Italiaanse regering wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking komen;

18.

dat de procedure van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Corte Suprema di Cassazione bij beschikking van 2 december 1977 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1. 's Raads beschikking nr. 66/532 van 26 juli 1966 betreffende de afschaffing van de douanerechten en het verbod van kwantitatieve beperkingen tussen de Lid-Staten en het van toepassing worden van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor de niet in bijlage II van het Verdrag genoemde produkten (PB 1966, blz. 2971) heeft de datum van het einde van de overgangsperiode in de zin van artikel 8 van het Verdrag niet vervroegd.

2. Zo de verplichting tot kennisgeving in artikel 15, tweede alinea, van het Verdrag dwingend is voorgeschreven, kan de nakoming ervan echter geen voorafgaande voorwaarde voor de inwerkingtreding van de genomen vrijwaringsmaatregelen vormen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

6
EEG-Verdrag art. 115uitgelegd14 voorkomens
EEG-Verdrag art. 8uitgelegd9 voorkomens
EEG-Verdrag art. 2352 voorkomens
EEG-Verdrag art. 141 voorkomen
EEG-Verdrag art. 151 voorkomen
EEG-Verdrag art. 1771 voorkomen

Rechtspraak

1

Europese Unie

1

Bekijk het document