ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
6 oktober 2022 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk vervoerbeleid – Richtlijn 2006/126/EG – Artikel 11, leden 2 en 4 – Schorsing van de bevoegdheid tot het besturen van een motorvoertuig – Door de lidstaat van de gewone verblijfplaats afgegeven rijbewijs na inwisseling van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs – Weigering van de eerste lidstaat om een door de tweede lidstaat genomen beslissing tot ontzegging van de rijbevoegdheid uit te voeren – Verplichting voor de tweede lidstaat om de geldigheid van het geschorste rijbewijs op zijn grondgebied niet te erkennen”
In zaak C‑266/21,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 26 april 2021, ingekomen bij het Hof op dezelfde datum, in de strafprocedure tegen
HV,
in tegenwoordigheid van:
Sofyiska gradska prokuratura
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, N. Jääskinen, M. Safjan, N. Piçarra (rapporteur) en M. Gavalec, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de schriftelijke procedure,
gelet op de opmerkingen van:
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, A. Hoesch en D. Klebs als gemachtigden,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door M. J. Ruiz Sánchez als gemachtigde,
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en R. Kissné Berta als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid, P. Messina en I. Zaloguin als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusies te berechten,
het navolgende
Arrest
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, punt 4, en artikel 4, lid 1, onder d), van kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (PB 2008, L 337, blz. 102), en van artikel 11, leden 2 en 4, van richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PB 2006, L 403, blz. 18).
Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure tot tenuitvoerlegging, in Spanje, van een in Bulgarije gegeven beslissing tot ontzegging van de rijbevoegdheid jegens een in Spanje wonende persoon die houder is van een door deze laatste lidstaat afgegeven rijbewijs na inwisseling van een rijbewijs dat door Bulgarije was afgegeven.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Kaderbesluit 2008/947
Artikel 1 van kaderbesluit 2008/947, met als opschrift „Doelen en toepassingsgebied”, bepaalt in lid 2:
„Dit kaderbesluit is uitsluitend van toepassing op:
a) de erkenning van vonnissen en, in voorkomend geval, proeftijdbeslissingen;
b) de overname van de verantwoordelijkheid voor het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen;
[…]
zoals beschreven en vastgesteld in dit kaderbesluit.”
Artikel 2 van dit kaderbesluit, „Definities”, luidt als volgt:
„In dit kaderbesluit wordt verstaan onder:
[…]
4. ‚alternatieve straf’: een andere straf dan een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel of een geldelijke sanctie, waarbij een verplichting of instructie wordt opgelegd;
[…]”
Artikel 4 van dat kaderbesluit, dat betrekking heeft op „[s]oorten proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen”, bepaalt in lid 1:
„Dit kaderbesluit is van toepassing op de volgende proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen:
[…]
d) instructies betreffende het gedrag, de woonplaats, de opleiding, de vrijetijdsbesteding, of houdende beperkingen op of voorwaarden inzake de beroepsuitoefening;
[…]”
Artikel 6 van dit kaderbesluit, „Procedure voor de toezending van een vonnis en, in voorkomend geval, een proeftijdbeslissing, […]”, bepaalt in lid 1:
„De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat die, op grond van artikel 5, lid 1 of lid 2, een vonnis en, in voorkomend geval, een proeftijdbeslissing aan een andere lidstaat toezendt, zorgt ervoor dat het vonnis vergezeld gaat van een certificaat volgens het modelformulier in bijlage I.”
Richtlijn 2006/126
Overweging 15 van richtlijn 2006/126 luidt:
„Het is passend dat de lidstaten, om redenen die verband houden met de veiligheid van het wegverkeer, hun nationale bepalingen inzake de intrekking, schorsing, verlenging en nietigverklaring van het rijbewijs, kunnen toepassen op iedere houder van een rijbewijs die zijn gewone verblijfplaats op hun grondgebied heeft verworven.”
Volgens artikel 2, lid 1, van deze richtlijn, „[worden] de door de lidstaten afgegeven rijbewijzen […] onderling erkend”.
Artikel 11 van deze richtlijn, met als opschrift „Diverse bepalingen betreffende de inwisseling, intrekking, vervanging en erkenning van rijbewijzen”, bepaalt in de leden 1, 2 en 4:
„1. Indien de houder van een door een lidstaat afgegeven geldig rijbewijs zijn gewone verblijfplaats naar een andere lidstaat heeft overgebracht, kan hij om inwisseling van zijn rijbewijs tegen een gelijkwaardig rijbewijs verzoeken. […]
2. Onder voorbehoud van de naleving van het territorialiteitsbeginsel van de strafrechtelijke en politiële bepalingen, kan de lidstaat van gewone verblijfplaats op de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs zijn nationale bepalingen toepassen die betrekking hebben op de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid en daartoe zo nodig overgaan tot inwisseling van dat rijbewijs.
[…]
4. Een lidstaat weigert een rijbewijs af te geven aan een aanvrager wiens rijbewijs in een andere lidstaat is beperkt, geschorst of ingetrokken.
Een lidstaat weigert de geldigheid te erkennen van een rijbewijs dat door een andere lidstaat aan een persoon is verstrekt, wanneer het rijbewijs van die persoon op het grondgebied van de eerstgenoemde staat is beperkt, geschorst of ingetrokken.
Een lidstaat kan eveneens weigeren een rijbewijs af te geven aan een aanvrager wiens rijbewijs in een andere lidstaat nietig is verklaard.”
Artikel 12 van dezelfde richtlijn, „Gewone verblijfplaats”, bepaalt in de eerste alinea:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder ‚gewone verblijfplaats’ verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont.”
In artikel 15 van richtlijn 2006/126, „Wederzijdse bijstand”, luidt de eerste volzin als volgt:
„De lidstaten verlenen elkaar bijstand bij de uitvoering van deze richtlijn en wisselen informatie uit over de rijbewijzen die zij hebben afgegeven, ingewisseld, vervangen, verlengd of ingetrokken.”
Bulgaars recht
Artikel 78a van de Nakazatelen kodeks (wetboek van strafrecht; hierna: „NK”) bepaalt:
„(1) De [bevoegde] rechter ontheft de meerderjarige van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid en legt hem een geldboete op van 1000 tot 5000 [Bulgaarse] lev [(BGN) (ongeveer 500 tot 2500 EUR)] indien cumulatief is voldaan aan de volgende voorwaarden:
a) het strafbare feit wordt bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of met enige andere minder zware straf, indien het opzettelijk is gepleegd, of met een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaar of enige andere, minder zware straf, in geval van onvoorzichtigheid;
b) de dader is niet veroordeeld voor een misdrijf van gemeen recht en is niet vrijgesteld van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid uit hoofde van dit hoofdstuk;
c) de uit de inbreuk voortvloeiende materiële schade is vergoed.
[…]
(4) De rechter die de in lid 1 bedoelde geldboete oplegt, kan ook een administratieve sanctie opleggen waarbij het recht om een beroep of een activiteit uit te oefenen wordt ontzegd voor een periode van ten hoogste drie jaar, indien dat strafbare feit met de tijdelijke ontzegging van dat recht kan worden bestraft.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
Bij vonnis van 26 juni 2018, dat op 20 november 2019 in kracht van gewijsde is gegaan, heeft de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije), te weten de verwijzende rechter in de onderhavige zaak, HV schuldig bevonden aan het besturen van een motorvoertuig op Bulgaars grondgebied in strijd met de verkeersregels en aan het, door nalatigheid, toebrengen van matig lichamelijk letsel aan meer dan één persoon. Op grond van artikel 78a, lid 1, NK heeft deze rechterlijke instantie HV vrijgesteld van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid voor dit strafbare feit en hem een administratie boete van 1000 BGN (ongeveer 500 EUR) opgelegd. Daarnaast heeft diezelfde rechterlijke instantie op grond van artikel 78a, lid 4, NK besloten om aan HV de bevoegdheid tot het besturen van een motorvoertuig te ontzeggen voor een periode van zes maanden te rekenen vanaf de dag waarop het vonnis definitief zou worden.
Het openbaar ministerie bij de verwijzende rechter heeft deze laatste meegedeeld dat deze ontzegging niet op Bulgaars grondgebied ten uitvoer zou kunnen worden gelegd, aangezien HV op permanente basis in Spanje verblijft en het hem door de Bulgaarse autoriteiten afgegeven rijbewijs is ingewisseld tegen een door de Spaanse autoriteiten afgegeven gelijkwaardig rijbewijs.
Op 27 oktober 2020 heeft de verwijzende rechter op gond van kaderbesluit 2008/947 een certificaat afgegeven dat is toegezonden aan de Juzgado Central de lo Penal (strafrechter op nationaal niveau, Spanje). In het certificaat was in afdeling j), punt 4, met als opschrift „Aard van de proeftijdmaatregel(en) of alternatieve straf(fen)”, het vakje „instructies betreffende het gedrag, de woonplaats, de opleiding, de vrijetijdsbesteding of houdende beperkingen op of voorwaarden inzake de beroepsuitoefening” aangekruist. Onder punt 5 van deze afdeling werd gepreciseerd dat de alternatieve straf bestond in een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorvoertuig voor een periode van zes maanden.
Bij beslissing van 17 februari 2021 heeft de Juzgado Central de lo Penal geweigerd het toegezonden vonnis te erkennen en de aan HV opgelegde straf ten uitvoer te leggen, omdat deze niet behoorde tot de straffen als bedoeld in Ley 23/2014 de reconocimiento mutuo de resoluciones penales en la Unión Europea (wet 23/2014 inzake de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken in strafzaken in de Europese Unie) van 20 november 2014 (BOE nr. 282 van 21 november 2014, blz. 1), en in de kaderbesluiten inzake de tenuitvoerlegging van straffen of proeftijdbeslissingen in de Europese Unie. Die rechter heeft zijn weigering ook gemotiveerd op grond van richtlijn 2006/126.
De verwijzende rechter is van oordeel dat deze weigering het onmogelijk maakt de aan HV opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid daadwerkelijk uit te voeren, hetgeen de facto resulteert in diens straffeloosheid. Een dergelijke beslissing zou nochtans binnen de werkingssfeer van kaderbesluit 2008/947 vallen, aangezien zij een „alternatieve sanctie” zou vormen, waarbij een „instructie betreffende het gedrag” wordt opgelegd, in de zin van artikel 2, punt 4, en artikel 4, lid 1, onder d), van dit kaderbesluit.
Deze rechter is tevens van oordeel dat het in artikel 11, lid 2, van richtlijn 2006/126 vastgelegde territorialiteitsbeginsel van de strafrechtelijke en politiële bepalingen in strijd is met het in kaderbesluit 2008/947 vervatte beginsel van de wederzijdse erkenning van strafvonnissen, zoals geconcretiseerd in kaderbesluit 2008/947. Volgens de verwijzende rechter rijst de vraag welke van deze twee handelingen van Unierecht van toepassing is teneinde te bepalen of aan de Juzgado Central de lo Penal een nieuw certificaat moet worden afgegeven uit hoofde van dat kaderbesluit.
In die omstandigheden heeft de Sofiyski gradski sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële voorgelegd:
„1) Vallen rechterlijke beslissingen in strafprocedures waarbij aan de dader wegens het overtreden van verkeersregels en het door nalatigheid veroorzaken van matig lichamelijk letsel, als administratieve sanctie een ontzegging van de rijbevoegdheid voor bepaalde tijd wordt opgelegd, binnen de werkingssfeer van artikel 2, punt 4, en artikel 4, lid 1, onder d), van kaderbesluit [2008/947]?
2) Vormen de bepalingen van artikel 11, lid 2, en artikel 11, lid 4, eerste tot en met derde alinea, van richtlijn [2006/126] voor de lidstaat waar de houder van een door deze lidstaat afgegeven rijbewijs gewoonlijk verblijft, een grond voor de weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging van een administratieve sanctie in de vorm van een tijdelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorvoertuig, die in een andere lidstaat is opgelegd voor een overtreding van de verkeersregels en het door nalatigheid veroorzaken van matig lichamelijk letsel aan derden, welk strafbaar feit is begaan op een tijdstip waarop de overtreder in het bezit was van een rijbewijs dat door de staat van zijn verblijf is afgegeven na inwisseling van het oorspronkelijk door de staat van veroordeling afgegeven rijbewijs?”
Ontvankelijkheid
De Duitse regering heeft twijfels over de ontvankelijkheid van het verzoek om de prejudiciële beslissing. Zij voert aan dat bij de verwijzende rechter geen procedure aanhangig is en dat deze rechter lijkt te trachten de bevestiging te verkrijgen dat de Spaanse autoriteiten het Unierecht hebben geschonden, hetgeen niet het voorwerp kan zijn van een verzoek om een prejudiciële beslissing.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het uitsluitend de taak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Bijgevolg geldt voor vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen [zie in die zin arrest van 23 november 2021, IS (Onwettigheid van de verwijzingsbeslissing), C‑564/19, EU:C:2021:949, punten 60 en 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
In dit opzicht blijkt uit de bewoordingen van artikel 267 VWEU, dat de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie „noodzakelijk” moet zijn „voor het wijzen van haar vonnis” in de bij haar aanhangige zaak (zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
In het onderhavige geval blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter, die door het openbaar ministerie is aangezocht, zich dient uit te spreken over de wijze van tenuitvoerlegging van de in het kader van een bij hem aanhangige procedure jegens HV gegeven beslissing tot tijdelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorvoertuig. Zoals in punt 18 van dit arrest is aangegeven, stelt deze rechter zich in dit verband de vraag of hij zich moet baseren op richtlijn 2006/126 dan wel op kaderbesluit 2008/947 voor de vaststelling of er een nieuw certificaat aan de Juzgado Central de lo Penal moet worden toegezonden krachtens datzelfde kaderbesluit.
De gevraagde uitlegging van het Unierecht lijkt bijgevolg noodzakelijk opdat de verwijzende rechter uitspraak kan doen.
In die omstandigheden is het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Tweede vraag
Met deze vraag, die als eerste moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het bepaalde in artikel 11, lid 2, juncto lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2006/126 aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaat waar de houder van een door deze lidstaat afgegeven rijbewijs zijn gewone verblijfplaats heeft, toestaat om een beslissing tot tijdelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorvoertuig, die door een andere lidstaat jegens die houder is genomen wegens een op diens grondgebied begane verkeersovertreding, niet te erkennen en niet ten uitvoer te leggen op zijn grondgebied, ook wanneer dat rijbewijs is afgegeven na inwisseling van een rijbewijs dat eerder was afgegeven door de lidstaat waar deze verkeersovertreding is begaan.
In de eerste plaats blijkt uit artikel 11, lid 2, van richtlijn 2006/126, gelezen in het licht van overweging 15 ervan, dat de lidstaat waar de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs zijn gewone verblijfplaats heeft in de zin van artikel 12 van deze richtlijn, om redenen van verkeersveiligheid en onder voorbehoud van de naleving van het territorialiteitsbeginsel van de strafrechtelijke en politiële bepalingen, op deze persoon zijn eigen nationale bepalingen kan toepassen die betrekking hebben op de beperking, de schorsing, de intrekking of de nietigverklaring van de rijbevoegdheid en daartoe zo nodig kan overgaan tot inwisseling van dat rijbewijs. Deze bepaling heeft dus betrekking op de situatie waarin de houder van een rijbewijs zijn gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat van afgifte van dat rijbewijs (zie naar analogie het arrest van 23 april 2015, Aykul, C‑260/13, EU:C:2015:257, punt 52).
In casu werd het rijbewijs waarover HV beschikt, aan hem afgegeven door de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats, na inwisseling van het rijbewijs dat aan hem was afgegeven door de lidstaat waar jegens HV een beslissing tot tijdelijke ontzegging van zijn rijbevoegdheid is genomen wegens een verkeersovertreding die op het grondgebied van deze laatste lidstaat is begaan, welke beslissing in het hoofdgeding aan de orde is. Deze situatie valt dus niet onder artikel 11, lid 2, van richtlijn 2006/126. Zodra een persoon zijn rijbewijs, dat in een eerste lidstaat was verkregen, heeft laten inwisselen voor een door de lidstaat van gewone verblijfplaats afgegeven rijbewijs, moet hij immers niet meer worden beschouwd als „houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs” in de zin van die bepaling.
Wat in de tweede plaats de bewoordingen van artikel 11, lid 4, van richtlijn 2006/126 betreft, moet worden opgemerkt dat volgens de tweede alinea van die bepaling een lidstaat weigert de geldigheid te erkennen van een rijbewijs dat door een andere lidstaat aan een persoon is verstrekt, wanneer het rijbewijs van die persoon op het grondgebied van de eerstgenoemde staat is beperkt, geschorst of ingetrokken. Uit de bewoordingen „weigert te erkennen” blijkt dat deze bepaling niet voorziet in een mogelijkheid maar in een verplichting voor de betrokken lidstaat (zie in die zin arresten van 26 april 2012, Hofmann, C‑419/10, EU:C:2012:240, punt 53, en 28 oktober 2020, Kreis Heinsberg, C‑112/19, EU:C:2020:864, punt 37).
Artikel 11, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2006/126 betreft maatregelen die krachtens de strafrechtelijke en politiële bepalingen van een lidstaat worden getroffen en die een beperking inhouden, op het grondgebied van deze lidstaat, van de geldigheid van een rijbewijs dat door een andere lidstaat is afgegeven (arrest van 23 april 2015, Aykul, C‑260/13, EU:C:2015:257, punt 61). De in deze bepaling vervatte verplichting beoogt dus de daadwerkelijke tenuitvoerlegging te waarborgen van een beslissing tot ontzegging van de rijbevoegdheid die is uitgesproken op het grondgebied van de lidstaat die deze beslissing heeft genomen, overeenkomstig het in artikel 11, lid 2, van richtlijn 2006/126 verankerde territorialiteitsbeginsel van de strafrechtelijke en politiële bepalingen. Krachtens dit beginsel is de lidstaat op het grondgebied waarvan een verkeersovertreding plaatsvindt immers als enige bevoegd om die overtreding te bestraffen, in voorkomend geval door een beslissing tot ontzegging van de rijbevoegdheid te nemen (zie naar analogie arresten van 20 november 2008, Weber, C‑1/07, EU:C:2008:640, punt 38, en 23 april 2015, Aykul, C‑260/13, EU:C:2015:257, punt 62).
Hieruit volgt dat artikel 11, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2006/126, gelezen in het licht van het territorialiteitsbeginsel van de strafrechtelijke en politiële bepalingen, niet impliceert dat de op het grondgebied van een lidstaat uitgesproken beslissing tot ontzegging van de rijbevoegdheid moet worden erkend en ten uitvoer gelegd in andere lidstaten, met name die van de gewone verblijfplaats, in de zin van artikel 12, eerste alinea, van deze richtlijn, van de houder van het rijbewijs ten aanzien van wie een dergelijke beslissing is genomen. Alleen de lidstaat die de beslissing tot ontzegging van de rijbevoegdheid heeft genomen, is immers bevoegd om op zijn grondgebied de uitvoering van een dergelijke beslissing te verzekeren, zelfs in de situatie waarin de betrokkene zijn gewone verblijfplaats in een andere lidstaat heeft.
Bijgevolg is de door de verwijzende rechter genoemde omstandigheid dat HV houder is geweest van een door de Bulgaarse autoriteiten afgegeven rijbewijs voordat de lidstaat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft gevestigd, hem na een inwisseling krachtens artikel 11, lid 1, van richtlijn 2006/126, een rijbewijs heeft afgegeven, waarover hij beschikte op het tijdstip van de feiten in het hoofdgeding, niet relevant om te bepalen of het jegens HV genomen besluit tot ontzegging van de rijbevoegdheid wegens een op Bulgaars grondgebied begane overtreding, op Spaans grondgebied ten uitvoer kan worden gelegd.
Hieraan moet echter worden toegevoegd dat artikel 15, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2006/126 de lidstaten verplicht elkaar wederzijds bij te staan bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en informatie uit te wisselen over de rijbewijzen die zij hebben afgegeven, ingewisseld, vervangen, verlengd of ingetrokken.
Deze bepaling kan bijdragen tot de daadwerkelijke uitvoering van een beslissing tot ontzegging van de rijbevoegdheid die is uitgesproken in een andere lidstaat dan die van de gewone verblijfplaats van de betrokkene. Op verzoek van die lidstaat en overeenkomstig bijlage I, punt 3, derde volzin, onder a), rubrieken 13 en 14, alsook punt 4, onder a), bij richtlijn 2006/126, kan de lidstaat van de gewone verblijfplaats immers eventueel melding maken op het rijbewijs van een verbod om een voertuig te besturen op het grondgebied van die lidstaat [zie in die zin arrest van 29 april 2021, Stadt Pforzheim (Vermeldingen op het rijbewijs), C‑56/20, EU:C:2021:333, punten 45 en 46].
Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat het bepaalde in artikel 11, lid 2, juncto lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2006/126 aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaat van de gewone verblijfplaats van de houder van een door deze lidstaat afgegeven rijbewijs toestaat om een beslissing tot tijdelijke ontzegging van de bevoegdheid om een motorvoertuig te besturen, die door een andere lidstaat jegens die houder is genomen wegens een op diens grondgebied begane verkeersovertreding, niet te erkennen en niet ten uitvoer te leggen op zijn grondgebied, ook wanneer dat rijbewijs is afgegeven na inwisseling van een rijbewijs dat eerder was afgegeven door de lidstaat waar deze verkeersovertreding is begaan.
Eerste vraag
Gelet op het antwoord op de tweede vraag en op het feit dat alleen richtlijn 2006/126 de situatie regelt waarin een lidstaat op grond van zijn nationale wetgeving en wegens een op zijn grondgebied gepleegd strafbaar feit de rijbevoegdheid ontzegt aan de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs, door te bepalen dat de rechtsgevolgen van een dergelijke ontzegging beperkt zijn tot uitsluitend dat grondgebied, behoeft de eerste vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten dient te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Dictum
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Het bepaalde in artikel 11, lid 2, juncto lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs,
moet aldus worden uitgelegd dat:
het de lidstaat van de gewone verblijfplaats van de houder van een door deze lidstaat afgegeven rijbewijs toestaat om een beslissing tot tijdelijke ontzegging van de bevoegdheid om een motorvoertuig te besturen, die door een andere lidstaat jegens die houder is genomen wegens een op diens grondgebied begane verkeersovertreding, niet te erkennen en niet ten uitvoer te leggen op zijn grondgebied, ook wanneer dat rijbewijs is afgegeven na inwisseling van een rijbewijs dat eerder was afgegeven door de lidstaat waar deze verkeersovertreding is begaan.
ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt