Arrest van het Hof van 15 juli 1982, 245/81, Edeka Zentrale AG · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Derde kamer 245/81 ECLI:EU:C:1982:277 15 juli 1982

Zoeken

Arrest van het Hof van 15 juli 1982, 245/81, Edeka Zentrale AGEEG-Verdrag art. 39 en art. 40

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-245-81-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Derde kamer
Zaak
245/81
ECLI
ECLI:EU:C:1982:277
Datum
15 juli 1982

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Hessischer Verwaltungsgerichtshof (Duitsland) beslissing van 17 augustus 1981 VIII OE 78/80
Zaak ingediend op
9 september 1981
Advocaat-generaal
Sir Gordon Slynn
Nationale beslissing na het arrest
Hessischer Verwaltungsgerichtshof beslissing van 24 oktober 1983 VII OE 78/80 ; Bundesverwaltungsgericht beslissing van 2 oktober 1985 3 B 12.84

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Duits
Jurisprudentie
Jurispr. 1982, blz. 2745
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Everling
Repertorium van het Hof

Tekst

40 paragrafen

ARREST

De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — De feiten en het procesverloop

1.

Ingevolge artikel 10 van verordening nr. 516/77 van de Raad van 14 maart 1977 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (PB L 73 van 1977, blz. 1), moet voor alle invoer in de Gemeenschap van bepaalde produkten, waaronder champignonconserven, een invoercertificaat worden overgelegd. Artikel 14 van deze verordening bepaalt:

„1. Indien in de Gemeenschap de markt voor één of meer van de ... bedoelde produkten als gevolg van de invoer of uitvoer ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan, waardoor de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kunnen worden gebracht, kunnen voor het handelsverkeer met derde landen passende maatregelen worden toegepast tot deze verstoringen zijn opgeheven of het gevaar daarvoor geweken is.

Op voorstel van de Commissie en met gekwalificeerde meerderheid van stemmen stelt de Raad de uitvoeringsbepalingen van dit lid vast en bepaalt hij in welke gevallen en binnen welke grenzen de Lid-Staten conservatoire maatregelen kunnen treffen.

2. Indien de in lid 1 bedoelde situatie zich voordoet, beslist de Commissie op verzoek van een Lid-Staat of op eigen initiatief over de te nemen maatregelen, die aan de Lid-Staten worden medegedeeld en onmiddellijk van toepassing zijn.

...”

De in lid 1 van dit artikel bedoelde uitvoeringsbepalingen zijn vastgesteld bij verordening nr. 521/77 van de Raad van 14 maart 1977 (PB L 73 van 1977, blz. 28). Daarin worden de criteria gegeven om verstoringen te kunnen vaststellen en de mogelijke vrijwaringsmaatregelen genoemd. Voor produkten die aan het stelsel van invoercertificaten zijn onderworpen, kunnen deze maatregelen bestaan in de stopzetting van de afgifte van certificaten of de afwijzing van de in behandeling zijnde aanvragen van certificaten (artikel 2, lid 1, sub a). De vrijwaringsmaatregelen, die niet verder mogen gaan en niet langer mogen duren dan strikt noodzakelijk is, kunnen worden beperkt tot produkten met een bepaalde herkomst, oorsprong of bestemming (artikel 2, lid 2). Artikel 3 bepaalt uitdrukkelijk dat bij de toepassing van de verordening de verplichtingen die voortvloeien uit overeenkomsten die de Gemeenschap in internationaal verband binden, in acht worden genomen.

Op grond van artikel 14, lid 2, van verordening nr. 516/77 van de Raad vaardigde de Commissie op 25 mei 1978 verordening nr. 1102/78 uit tot vaststelling van vrijwaringsmaatregelen voor de invoer van champignonconserven (PB L 139 van 1978, biz. 26). Bij artikel 1 van deze verordening werd de afgifte van invoercertificaten voor champignonconserven met ingang van 26 mei 1978 geschorst. Volgens artikel 2, lid 1, gold de invoerstop echter niet voor „champignonconserven van oorsprong uit derde landen waarvan de Commissie aanneemt dat zij in staat zijn om te garanderen dat hun uitvoer naar de Gemeenschap een bepaalde door de Commissie aanvaarde hoeveelheid niet overschrijdt. ” Het bepaalde in artikel 2 geldt volgens artikel 3 voor de Volksrepubliek China.

In de considerans van verordening nr. 1102/78 werd overwogen, dat op basis van de afgegeven of aangevraagde invoercertificaten een hoeveelheid champignonconserven was ingevoerd, of tegen eind juli 1978 zou zijn ingevoerd, die reeds aanzienlijk groter was dan de in 1977 ingevoerde hoeveelheid; dat de ontwikkeling van de invoer uit derde landen, waarvan de produkten voor een belangrijk deel werden aangeboden tegen prijzen die onder de kostprijs van de champignonconservenindustrie in de Gemeenschap lagen, de door de producenten in de Gemeenschap ondervonden moeilijkheden bij de produktie en de afzet nog kon vergroten en dat de markt van de Gemeenschap als gevolg van de invoer ernstige verstoringen dreigde te ondergaan, welke de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar konden brengen. Ter verklaring van de uitzonderingsregeling ten gunste van de Volksrepubliek China werd opgemerkt, dat dit land in staat was om te garanderen dat haar uitvoer naar de Gemeenschap niet groter zou zijn dan een voor de Commissie aanvaardbare hoeveelheid.

2.

Verzoekster in het hoofdgeding, Edeka Zentrale AG, importeert onder meer champignonconserven uit Taiwan en Zuid-Korea. Op 25 September 1979 vroeg zij bij het Bundesamt für Ernährung und Forstwirtschaft invoercertificaten aan voor twee partijen champignons uit Taiwan en uit Zuid-Korea. Het Bundesamt für Ernährung und Forstwirtschaft wees de aanvraag af, op grond dat de afgifte van invoercertificaten voor champignonconserven uit Taiwan en Korea bij verordening nr. 1102/78 van de Commissie was geschorst.

Het tegen deze beschikking ingediende bezwaarschrift werd afgewezen, waarop Edeka Zentrale AG beroep instelde bij het bevoegde Verwaltungsgericht. Hier stelde zij, dat de bij de betrokken verordening uitgevaardigde invoerstop in Strijd was met het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag, met het beginsel van de vrije buitenlandse handel, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel inzake gelijke mededinging.

Het Hessische Verwaltungsgerichtshof, waarvoor de zaak in hoger beroep dient, was van mening dat zijn beslissing afhing van de vraag of verordening nr. 1102/78 al dan niet geldig was. Daarom heeft het de behandeling van de zaak geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof de volgende vraag voorgelegd:

„Was verordening (EEG) nr. 1102/78 van de Commissie van 25 mei 1978 tot vaststelling van vrijwaringsmaatregelen voor de invoer van champignonconserven (PB L 139 van 1978, blz. 26), geldig of was zij in strijd met het discriminatieverbod omdat zij, zoals verzoekster meent, bepaalde importeurs nagenoeg van de invoer uit derde landen uitsloot?”

Blijkens de motivering van de verwijzingsbeschikking meent de verwijzende rechter, dat vooral behoefte bestaat aan duidelijkheid over de vraag of de bij de litigieuze verordening ingestelde vrijwaringsmaatregel in zijn totaliteit passend en nodig was om het hoofd te kunnen bieden aan de verstoringen van de markt, dan wel in strijd was met het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag, omdat zij een algemene invoerstop voor champignonconserven instelde zonder rekening te houden met de traditionele handelsbetrekkingen van de afzonderlijke importeurs.

3.

De verwijzingsbeschikking is op 9 september 1982 ingeschreven ter griffie van het Hof.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Edeka Zentrale AG, vertegenwoordigd door D. Ehle, advocaat te Keulen, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Hilf, lid van haar juridische dienst.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, bij beschikking van 3 februari 1982 besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan en de zaak krachtens artikel 95 van het Reglement voor de procesvoering naar de Derde kamer te verwijzen. Op verzoek van het Hof heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen in aanvulling op haar opmerkingen verslag uitgebracht over de afloop van haar onderhandelingen met de betrokken derde landen over vrijwillige beperkingen van de export van deze landen naar de Gemeenschap.

II — Schriftelijke opmerkingen

1.

Edeka Zentrale AG voert aan, dat verordening nr. 1102/78 in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag, dat een bijzondere uitwerking van het beginsel van gelijke behandeling bevat voor het terrein van de marktordeningen.

Voor zover de afgifte van invoercertificaten voor champignonconserven van oorsprong uit alle derde landen met uitzondering van China is geschorst, komt de verordening bovendien in strijd met het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag neergelegde gebod, dat de gemeenschappelijke ordening van de markten zich moet beperken tot het nastreven van de in artikel 39 EEG-Verdrag genoemde doeleinden. Uit dit gebod volgt, dat de Commissie in het kader van haar normatieve praktijk geen maatregelen kan treffen die uitsluitend op het terrein van het buitenlandsehandelsbeleid liggen.

De verboden discriminatie bestaat hierin, dat Edeka benadeeld is ten opzichte van andere importeurs, die in de betrokken periode handelsbetrekkingen met de Volksrepubliek China onderhielden en op grond van de verordening in staat waren rechtstreeks champignonconserven te importeren. Edeka moest daarentegen uit de tweede hand bij andere rechtstreekse importeurs inkopen, tegen een met de importmarge verhoogde prijs, hetgeen leidde tot een verstoring van het mededingingsevenwicht. De ongelijke behandeling van de in de Gemeenschap gevestigde handelaren volgt dus indirect uit de ongelijke behandeling van de derde landenleveranciers.

In het arrest van 2 juli 1974 (zaak 153/73, Holtz en Willemsen, Jurispr. 1974, blz. 675) heeft het Hof overwogen, dat er bij regelingen in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen, zoals beschermende maatregelen, subsidies e.d., alleen volgens objectieve maatstaven mag worden gedifferentieerd, zulks ter verzekering van een evenredige verdeling van de voor- en nadelen over de betrokkenen.

De door de betrokken verordening in het leven geroepen ongelijke behandeling kan in het licht van deze rechtspraak niet objectief gerechtvaardigd worden geacht. Waar de verordening bij de schorsing van de toekenning van certificaten enkel een uitzondering maakt voor de Volksrepubliek China en niet voor Zuid-Korea en Taiwan, differentieert zij niet aan de hand van objectieve uitgangspunten. Edeka betwist in dit verband, dat de Volksrepubliek China zou hebben toegezegd zich voor 1979 tot een bepaalde hoeveelheid te beperken, en stelt verder dat de Commissie Korea en Taiwan niet op dezelfde wijze heeft verzocht toezeggingen te doen over vrijwillige beperkingen.

In geen geval had men echter, voorbijziend aan de bestaande handels- en leveringsafspraken van in de Gemeenschap gevestigde ondernemingen met Zuid-Korea en Taiwan, deze landen volledig van de levering van champignonconserven mogen uitsluiten. Wel juist zou zijn geweest, deze landen autonoom een met hun vroegere leveringen overeenkomend quotum toe te kennen. Dit volgt zowel uit het beginsel van de vrije buitenlandse handel en het evenredigheidsbeginsel als uit het beginsel dat traditionele handelsbetrekkingen moeten worden gehandhaafd. Dit laatste beginsel heeft onder meer zijn neerslag gevonden in artikel 12, lid 2, van verordening nr. 926/79 van de Raad van 8 mei 1979 inzake de gemeenschappelijke regeling voor de invoer (PB L 131 van 1979, blz. 15), en in artikel XIII, sub 2, van de GATT.

Subsidiair stelt Edeka dat de Commissie, gezien het beginsel van de gelijke en voortdurende toegang tot tariefcontingenten, in de eerste plaats ervoor had moeten zorgen, dat de uit Taiwan en Zuid-Korea importerende handelaren een aandeel kregen in de overgebleven import uit de Volksrepubliek China. Het beginsel dat alle handelaren bij de verdeling van een communautair tariefcontingent gelijk moeten worden behandeld, is door het Hof erkend in.de arresten van 12 december 1973 (zaak 131/73, Grosoli, Jurispr. 1973, blz. 1555), 23 januari 1980 (zaak 35/79, Grosoli, Jurispr. 1980, blz. 177) en 13 maart 1980 (zaak 124/79, Van Walsum, Jurispr. 1980, blz. 813).

2.

De Commissie stelt, dat de bij verordening nr. 1102/78 getroffen vrijwaringsmaatregel past binnen een reeks besluiten van de Raad en de Commissie, die er sinds 1974 naar streven om bij ernstige verstoringen van de markt voor champignonconserven, orde op de gemeenschappelijke markt te waarborgen in het kader van de bestaande basisverordeningen over de ordening der markten. Zij geeft een uitvoerig overzicht van de tussen 1978 en 1981 door de Raad en de Commissie getroffen regelingen en de daaraan ten grondslag liggende beweegredenen.

Over de verweten discriminatie merkt zij op, dat daarvan volgens de rechtspraak van het Hof slechts sprake is, wanneer vergelijkbare gevallen zonder objectieve rechtvaardiging verschillend worden behandeld. Dit is hier niet het geval, want de ongelijke verdeling van de leveringscontingenten over de verschillende traditionele leveranciers berust niet op een willekeurige beoordeling, doch vloeit voort uit de door de Raad vastgestelde buitenlandse politiek van de Gemeenschap, die rekening houdt met de bereidheid van de verschillende leveranciers om hun export naar de Gemeenschap te beperken.

Uit artikel 39, lid 2, sub c, EEG-Verdrag volgt, dat de Commissie bij de vaststelling van vrijwaringsmaatregelen rekening moet houden met het gehele handelspolitieke kader. Volgens de considerans van de relevante basisverordening nr. 516/77 van de Raad moet bij de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten, gelijkelijk rekening worden gehouden met de in de artikelen 39 en 110 EEG-Verdrag gestelde doeleinden. Tenslotte schrijft artikel 3 van verordening nr. 521/77 van de Raad, die bindend is voor de Commissie, uitdrukkelijk voor dat de verplichtingen die voortvloeien uit overeenkomsten die de Gemeenschap in internationaal verband binden, in acht moeten worden genomen. Duidelijk wordt uit deze bepalingen, dat op het gebied van de buitenlandse handel en met name op dat van de vrijwaringsmaatregelen — waarop de gemeenschapsorganen een grote beleidsvrijheid hebben — het gemeenschapsrecht niet alleen gebaseerd dient te zijn op overwegingen betreffende de ordening van de markten, maar ook op overwegingen van algemene handelspolitiek.

Door overeenkomstig artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1102/78 een toezegging van de Volksrepubliek China om zich tot een bepaalde jaarlijkse hoeveelheid te beperken, te honoreren, heeft de Commissie niet op willekeurige wijze gebruik gemaakt van haar handelspolitieke speelruimte. Zij heeft daarbij gehandeld in de geest van de door de Gemeenschap met de Volksrepubliek China op 3 april 1978 gesloten handelsovereenkomst, die beide partijen verplicht naar vermogen een harmonische uitbreiding van de onderlinge handel te bevorderen. Met Taiwan en Zuid-Korea bestonden dergelijke verdragen en daaruit voortvloeiende verplichtingen niet.

In het kader van de vrijheid van de Gemeenschap bij de uitwerking van haar handelspolitiek moeten eventuele verschuivingen in de traditionele handelsbetrekkingen als onvermijdelijk worden geaccepteerd. Individuele importeurs kunnen in dat verband geen beroep doen op het discriminatieverbod of op een onaantastbare aanspraak tegenover de overheid op het voortbestaan van de bestaande handelsbetrekkingen.

De Commissie komt daarom tot de conclusie, dat bij onderzoek van de gestelde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 1102/78 zouden kunnen aantasten.

III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 29 april 1982 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Hof beantwoord door Edeka Zentrale AG, vertegenwoordigd door D. Ehle, advocaat te Keulen, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Hilf, lid van haar juridische dienst.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 27 mei 1982 conclusie genomen.

In rechte

1.

Bij beschikking van 17 augustus 1981, ingekomen bij het Hof op 9 september daaropvolgende, heeft het Hessische Verwaltungsgerichtshof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de geldigheid van verordening nr. 1102/78 van de Commissie van 25 mei 1978 tot vaststelling van vrijwaringsmaatregelen voor de invoer van champignonconserven (PB L 139 van 1978, blz. 26).

2.

Deze vraag is gerezen in een procedure voor de administratieve rechter tussen Edeka Zentrale AG, te Hamburg, en de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door het Bundesamt für Ernährung und Forstwirtschaft. Op 25 september 1979 vroeg Edeka, die champignonconserven uit Taiwan en Zuid-Korea invoert, bij het Bundesamt invoercertificaten aan voor twee partijen champignons uit deze landen. De aanvragen werden afgewezen op grond dat de afgifte van invoercertificaten voor champignonconserven uit Taiwan en Zuid-Korea krachtens verordening nr. 1102/78 was geschorst.

3.

Genoemde verordening, vastgesteld nadat op 3 april 1978 een handelsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Volksrepubliek China was gesloten (PB L 123 van 1978, blz. 2), bepaalt in artikel 1 dat de afgifte van invoercertificaten voor champignonconserven met ingang van 26 mei 1978 wordt geschorst. In artikel 2, lid 1, worden echter produkten van oorsprong uit derde landen „waarvan de Commissie aanneemt dat zij in staat zijn om te garanderen dat hun uitvoer naar de Gemeenschap een bepaalde door de Commissie aanvaarde hoeveelheid niet overschrijdt”, van de toepassing van deze maatregel vrijgesteld. Luidens artikel 3 geldt het bepaalde in artikel 2 voor de Volksrepubliek China.

4.

Verordening nr. 1213/78 van de Commissie van 5 juni 1978 betreffende niet-toepassing van de vrijwaringsmaatregelen die gelden bij de invoer van champignonconserven (PB L 150 van 1978, blz. 5), breidde die vrijstelling uit tot produkten uit Taiwan, doch zij werd bij verordening 1449/78 van de Commissie van 28 juni 1978 (PB L 173 van 1978, blz. 25), weer ingetrokken.

5.

Verordening nr. 1102/78 berust op verordening nr. 516/77 van de Raad van 14 maart 1977 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (PB L 73 van 1977, blz. 1). In artikel 14 hiervan wordt de Commissie gemachtigd de nodige maatregelen te treffen wanneer in de Gemeenschap de markt voor een of meer van de produkten waarvoor de marktordening geldt, als gevolg van de invoer of uitvoer ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan, waardoor de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kunnen worden gebracht. Volgens artikel 2, lid 2, van verordening nr. 521/77 van de Raad van 14 maart 1977 houdende omschrijving van de wijze van toepassing van de vrijwaringsmaatregelen in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (PB L 73 van 1977, blz. 28), mogen deze maatregelen slechts worden getroffen in de mate en voor de tijdsduur die strikt noodzakelijk zijn.

6.

Van mening dat verordening nr. 1102/78 indruiste tegen beginselen van gemeenschapsrecht — inzonderheid het in artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod — en bijgevolg ongeldig was, verzocht Edeka het Verwaltungsgericht om een verklaring voor recht, dat het Bundesamt für Ernährung und Forstwirtschaft gehouden was tot afgifte van de door haar gevraagde invoercertificaten.

7.

Om deze stelling te kunnen beoordelen, heeft het Hessische Verwaltungsgerichtshof, waarvoor de zaak in hoger beroep dient, de volgende vraag gesteld:

„Was verordening (EEG) nr. 1102/78 van de Commissie van 25 mei 1978 tot vaststelling van vrijwaringsmaatregelen voor de invoer van champignonconserven (PB L 139 van 1978, blz. 26), geldig of was zij in strijd met het discriminatieverbod omdat zij, zoals verzoekster meent, bepaalde importeurs nagenoeg van de invoer uit derde landen uitsloot?”

8.

Blijkens het dossier betwist verzoekster in het hoofdgeding niet, dat in 1978 en 1979 de vaststelling en handhaving van vrijwaringsmaatregelen nodig was om het hoofd te kunnen bieden aan de dreiging van ernstige marktverstoringen waardoor de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar konden worden gebracht. Weliswaar heeft zij tijdens de schriftelijke behandeling daarnaast nog gesteld, dat de Commissie bij de vaststelling van maatregelen in het kader van het landbouwbeleid geen rekening mocht houden met handelspolitieke overwegingen, doch deze stelling heeft zij ter terechtzitting niet gehandhaafd.

9.

Verzoekster in het hoofdgeding verwijt de Commissie evenwel, bij verordening nr. 1102/78 een door artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag verboden discriminatie te hebben ingevoerd en het evenredigheids- en vertrouwensbeginsel te hebben geschonden. De onverhoedse beleidswijziging die in de verordening tot uiting komt, zou haar namelijk beletten champignonconserven uit Taiwan en Zuid-Korea te betrekken, en haar aldus in een ongunstige positie brengen ten opzichte van haar concurrenten die champignonconserven uit de Volksrepubliek China importeren.

10.

Te onderzoeken is derhalve of het door de Commissie gevoerde importbeleid inzake de betrokken produkten met voornoemde beginselen strookt.

Het non-discriminatiebeginsel

11.

Gelijk het Hof reeds overwoog in zijn arresten van 19 oktober 1977 (gevoegde zaken 117/76 en 16/77, Ruckdeschel, en gevoegde zaken 124/76 en 20/77, Moulins et Huileries de Pont-à-Mousson, Jurispr. 1977, blz. 1753 en 1795), is het in artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag vervatte discriminatieverbod slechts een bijzondere uitdrukking van het algemene gelijkheidsbeginsel, dat een der grondprincipes van het gemeenschapsrecht is. Volgens dit beginsel mogen vergelijkbare omstandigheden niet verschillend worden behandeld, tenzij een verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd is.

12.

Nu de gestelde verschillende behandeling van de importeurs voortvoeit uit de verschillende behandeling van de betrokken exportlanden in verordening nr. 1102/78, welke daarop berust, dat in tegenstelling tot Taiwan en Zuid-Korea de Volksrepubliek China zich bereid heeft verklaard haar export naar de Gemeenschap te beperken, betreft het met betrekking tot de litigieuze verordening gemaakte verwijt in feite het beleid van de Commissie bij de onderhandelingen met deze landen om hen tot een vrijwillige beperking te bewegen.

13.

Daarom moet worden onderzocht of dit beleid willekeurig was, en met name of het invoervolume dat de Commissie de betrokken derde landen bood als basis voor een overeenkomst inzake vrijwillige beperking, in een redelijke verhouding stond tot de behoeften van de gemeenschappelijke markt.

14.

Wat vooreerst het jaar 1978 betreft, blijkt uit de gegevens van de Commissie dat zowel het aan elk van de drie betrokken landen geboden importvolume voor champignonconserven als de werkelijk door elk van hen naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden gerelateerd waren aan hun gemiddelde export gedurende de voorafgaande jaren, zonder dat een dezer landen een voorkeursbehandeling kreeg. Wat 1978 betreft, kan verordening nr. 1102/78 voor verzoekster in het hoofdgeding dan ook niet bezwarend zijn.

15.

Het feit dat de litigieuze verordening enkel ziet op de invoer uit Taiwan en Zuid-Korea en niet op die uit de Volksrepubliek China, doet hieraan niets af. De Commissie heeft immers enkel de Volksrepubliek China buiten de werkingssfeer van deze verordening gehouden omdat alleen dit land zijn export naar de Gemeenschap werkelijk had beperkt op basis van de geboden hoeveelheden.

16.

Wat Taiwan betreft, kan de Commissie niet worden verweten dat zij bij de vaststelling van de verordening op 25 mei 1978 geen rekening heeft gehouden met een telexbericht van de Taiwanese instanties van 23 mei 1978, waarin deze zich bereid verklaarden de export te beperken tot een hoeveelheid die min of meer met het bod overeenkwam. Gezien de spoedeisendheid van de te nemen maatregelen, mocht de Commissie de lopende procedure afsluiten om daarna binnen een redelijke termijn de nodige verificaties te verrichten, alvorens bij verordening nr. 1213/78 van 5 juni 1978 de vrijwaringsmaatregelen ook ten aanzien van Taiwan buiten werking te stellen. Toen zij vervolgens bemerkte dat Taiwan reeds meer dan de overeengekomen hoeveelheden champignonconserven had verkocht en nog steeds doorging te verkopen, was zij gerechtigd die uitzonderingsregeling bij verordening nr. 1449/78 van 28 juni 1978 weer in te trekken.

17.

Voor 1979 daarentegen blijkt uit een vergelijking van de aan elk van de drie betrokken landen geboden, respectievelijk daaruit ingevoerde hoeveelheden dat de Volksrepubliek China een voorkeursbehandeling kreeg die ten lastè van Taiwan en Zuid-Korea ging en die verzoekster in het hoofdgeding mogelijk heeft kunnen bezwaren.

18.

Uit de toelichtingen van de Commissie blijkt echter dat zij verordening nr. 1102/78 voor 1979 ongewijzigd heeft gehandhaafd, en dus uitsluitend de Volksrepubliek China en niet Taiwan en Zuid-Korea van de werkingssfeer ervan heeft uitgesloten, omdat aanvankelijk alleen de Volksrepubliek China tot een overeenkomst inzake vrijwillige beperking bereid was geweest, terwijl Zuid-Korea zich pas in september 1979 bereid verklaarde zijn uitvoer naar de Gemeenschap te beperken, doch feitelijk geen gebruik maakte van het toegewezen contingent, en de onderhandelingen met Taiwan eerst in februari 1980 tot een overeenkomst inzake vrijwillige beperking leidden. Rekening houdend met de stand van de onderhandelingen met deze drie landen, heeft de Commissie, die had vastgesteld dat de gemeenschappelijke markt extra hoeveelheden kon opnemen, in juli en augustus 1979 het aanvankelijk voor de Volksrepubliek China vastgestelde contingent vergroot.

19.

Waar de gemeenschapsinstellingen op het gebied van de handelspolitiek een discretionaire bevoegdheid hebben en het Verdrag geen algemeen beginsel ten gunste van de handelaren bevat, dat de Gemeenschap zou verplichten om in haar buitenlandse betrekkingen derde landen in elk opzicht gelijk te behandelen (zie 's Hofs arrest van 22 januari 1976, zaak 55/75, Balkan-Im-port-Export, Jurispr. 1976, blz. 19), treft het verwijt dat de door de Commissie getroffen regeling heeft geleid tot een verlegging van de invoerstromen van Taiwan en Zuid-Korea naar de Volksrepubliek China, geen doel.

20.

Op grond hiervan en gelet op de eerder genoemde omstandigheden, moet worden vastgesteld dat verordening nr. 1102/78 zowel voor 1978 als 1979 aan de behoeften van de gemeenschappelijke markt beantwoordde en dat de daarvoor bewerkte differentiatie tussen de betrokken uitvoerlanden en, als gevolg daarvan, tussen de handelaren die uit die landen importeren, objectief gerechtvaardigd was. Bijgevolg dient het middel ontleend aan schending van artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag, te worden verworpen.

Het evenredigheidsbeginsel

21.

Verzoekster in het hoofdgeding stelt voorts dat, aangenomen al dat het verschil in behandeling gerechtvaardigd zou zijn, de litigieuze verordening het tot de communautaire rechtsorde, behorende evenredigheidsbeginsel schendt, daar zij op een nagenoeg volledig verbod van invoer uit Taiwan en Zuid-Korea uitloopt en de gevolgen hiervan de importeurs onevenredig zwaar belasten.

22.

Zoals het Hof heeft erkend in het arrest van 5 mei 1981 (zaak 112/80, Dürbeck, Jurispr. 1981, blz. 1095), kan de poging van de Commissie om, alvorens dwangmaatregelen te nemen, met de uitvoerlanden tot een overeenkomst inzake vrijwillige beperking van hun export naar de Gemeenschap te komen, niet met het gemeenschapsrecht onverenigbaar worden geacht, aangezien daarin het streven van de Gemeenschap tot uitdrukking komt om slechts in laatste instantie tot dwangmaatregelen over te gaan. Een dergelijke poging ontmoet in casu nog minder bezwaar nu zowel 's Raads basisverordening nr. 516/77 van 14 maart 1977 als de toepassingsverordening nr. 521/77 van dezelfde datum bepaalt, dat de vrijwaringsmaatregelen tot het strikt noodzakelijke beperkt moeten blijven.

23.

Hieruit volgt dat de Commissie bij het nemen van vrijwaringsmaatregelen rekening mag houden met de bereidheid van een derde land om zijn export naar de Gemeenschap vrijwillig te beperken. Men kan dus niet zeggen dat zij de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid heeft overschreden door de import uit Taiwan en Zuid-Korea, die niet met een dergelijke vrijwillige beperking hadden ingestemd, nagenoeg geheel te verbieden ten gunste van de import uit de Volksrepubliek China, die wel een overeenkomst inzake vrijwillige beperking had gesloten, zelfs wanneer een dergelijk verbod een verlegging van de invoerstromen van Taiwan en Zuid-Korea naar de Volksrepubliek China tot gevolg heeft.

24.

Verzoekster in het hoofdgeding verwijst in dit verband naar artikel 110 EEG-Verdrag, dat zich eveneens tegen een totaal verbod van invoer uit Taiwan en Zuid-Korea zou verzetten. Te dezen kan echter worden volstaan met te herinneren aan wat het Hof heeft overwogen in het arrest van 5 mei 1981 (Dürbeck, reeds aangehaald), namelijk dat artikel 110 van het Verdrag niet in die zin is te verstaan, dat het de Gemeenschap op straffe van verdragsschending ook dan verboden zou zijn, maatregelen te treffen welke het handelsverkeer met derde landen kunnen raken, wanneer zulk een maatregel, zoals in casu, noodzakelijk is geworden wegens de dreiging van een ernstige verstoring van de markt van de Gemeenschap, waardoor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kan komen, en zijn rechtvaardiging vindt in bepalingen van het gemeenschapsrecht.

25.

Bijgevolg moet ook het middel ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel worden verworpen.

Het vertrouwensbeginsel

26.

Tenslotte stelt verzoekster, dat het nagenoeg geheel verbieden van invoer uit Taiwan en Zuid-Korea in strijd was met het vertrouwensbeginsel, dat in casu de instandhouding van de traditionele handelsbetrekkingen zou verlangen. Dit vereiste zou zijn neergelegd in artikel 12, lid 2, van verordening nr. 926/79 van de Raad van 8 mei 1979 inzake de gemeenschappelijke regeling voor de invoer (PB L 131 van 1979, blz. 15), en in artikel XIII, lid 2, van de GATT.

27.

Ook deze stelling moet worden verworpen. Aangezien de gemeenschapsinstellingen over een zekere beoordelingsvrijheid beschikken bij de keuze der middelen die voor de verwezenlijking van hun politiek noodzakelijk zijn, kunnen handelaren niet aanvoeren dat zij mogen vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door besluiten van die instellingen, genomen krachtens hun discretionaire bevoegdheid, kan worden gewijzigd. In casu valt een schending van het vertrouwensbeginsel te minder aan te nemen, nu de handelaren in verband met de op 3 april 1978 gesloten en in het Publikatieblad van 11 mei 1978 (PB L 123, blz. 2) bekendgemaakte handelsovereenkomst tussen de Gemeenschap en de Volksrepubliek China bedacht hadden moeten zijn op een spoedige heroriëntering van de communautaire handelspolitiek.

28.

Om al deze redenen moet aan het Hessische Verwaltungsgerichtshof worden geantwoord, dat bij onderzoek van de gestelde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 1102/78 van de Commissie van 25 mei 1978 kunnen aantasten.

Kosten

29.

De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

uitspraak doende op de door het Hessische Verwaltungsgerichtshof bij beschikking van 17 augustus 1981 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 1102/78 van de Commissie van 25 mei 1978 kunnen aantasten.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

10
EEG-Verdrag art. 398 voorkomens
EEG-Verdrag art. 408 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1103 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1772 voorkomens
verordening 926/79 art. 122 voorkomens
verordening 516/77 art. 101 voorkomen
verordening 516/77 art. 141 voorkomen
verordening 521/77 art. 21 voorkomen
verordening 521/77 art. 31 voorkomen
verordening 1102/78 art. 21 voorkomen

Rechtspraak

1

Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal GeelhoedC-62/0024.01.2002

Zesde richtlijn 77/388 art. 11, EG-Verdrag art. 95

Bekijk het document