---
title: "HvJ EU, C-240/99, arrest van 8 maart 2001 · Vrijstellingen"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 maart 2001, C-240/99: vrijstellingen, handelingen ter zake van verzekering en herverzekering."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-240-99-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-240-99-arret"
---

# Arrest van het Hof van 8 maart 2001, C-240/99 · Vrijstellingen, handelingen ter zake van verzekering en herverzekering

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Eerste kamer

**Zaak**

C-240/99

**ECLI**

ECLI:EU:C:2001:140

**Datum**

8 maart 2001

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Regeringsrätten (Zweden) beslissing van 10 juni 1999 Mål nr 3998-1997

**Zaak ingediend op**

25 juni 1999

**Advocaat-generaal**

[Saggio conclusie van 26 september 2000](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-240-99-conclusie)

**Opmerkingen**

Zweedse regering Commissie

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Zweeds

**Jurisprudentie**

Jurispr. 2001, blz. I-1951

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Wathelet

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Fiscale bepalingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10%2C578-4.10) [Harmonisatie van de belastingwetgevingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02%2C578-4.10.02) [Belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01%2C578-4.10.02.01) [Vrijstellingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01.07%2C578-4.10.02.01.07) [Vrijstellingen ten gunste van andere activiteiten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01.07.02%2C578-4.10.02.01.07.02) [Handelingen ter zake van verzekering en herverzekering](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01.07.02.01%2C578-4.10.02.01.07.02.01) 14 beslissingen

## Tekst

48 paragrafen

### Arrest

1. Bij beschikking van 10 juni 1999, ingekomen bij het Hof op 25 juni daaraanvolgend, heeft het Regeringsrätt (hoogste rechterlijke instantie in bestuurszaken) krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).

2. Die vraag is gerezen naar aanleiding van een verzoek van de verzekeringsmaatschappij Skandia (publ) (hierna: „Skandia”) om herziening van een arrest van het Regeringsrätt, waarbij deze rechterlijke instantie had beslist, dat de verbintenis van Skandia om de activiteit op zich te nemen van een andere verzekeringsmaatschappij waarvan zij alle aandelen in handen heeft, geen verzekeringsdienst was die krachtens de Zweedse wetgeving is vrijgesteld van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „BTW”).

### Het gemeenschapsrecht

3.

[Artikel 13 van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13), dat de vrijstellingen in het binnenland betreft, bepaalt:

> „\[...\]
>
> B.Overige vrijstellingen
>
> Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:
>
> a) handelingen ter zake van verzekering en herverzekering met inbegrip van daarmee samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringsagenten;
>
> \[...\]”

### De Zweedse wetgeving

4.

[Artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) is in de Zweedse wetgeving omgezet bij hoofdstuk 3, § 10, van de Mervärdesskattelag (1994:200) (BTW-wet), welke bepaling in de versie zoals gepubliceerd in de *Svensk Författningssamling* 1998, nr. 300, luidt:

> „Van omzetbelasting is vrijgesteld het verrichten van verzekeringsdiensten.
>
> Onder *verzekeringsdiensten* wordt verstaan:
>
> 1.diensten die tot het verzekeringsbedrijf behoren als bedoeld in de Försäkringsrörelselag (1982:713) \[wet op het verzekeringsbedrijf\], de Lag (1989:1079) om livförsäkringar med anknytning till värdepappersfonder \[wet inzake levensverzekering in samenhang met beleggingsfondsen\], dan wel de Lag (1998:293) om utländska försäkringsgivares verksamhet i Sverige \[wet op de activiteiten van buitenlandse verzekeraars in Zweden\], en
>
> 2.diensten die worden verricht door assurantiemakelaars of andere assurantiebemiddelaars en betrekking hebben op verzekeringen.”

5. Volgens de verwijzingsbeschikking kent de Zweedse wetgeving, met inbegrip van de bepalingen waarnaar de hierboven aangehaalde bepaling van de Mervärdesskattelag verwijst, geen definitie van het begrip verzekeringsbedrijf.

6. Voorts bestaat in Zweden sinds 1951 de mogelijkheid om met betrekking tot fiscale vraagstukken een prealabel advies in te winnen dat bindend is voor de belastingdienst. Verzoeken om een prealabel advies in belastingaangelegenheden worden behandeld door een speciale commissie, de Skatterättsnämnd (commissie voor fiscale vraagstukken). De ten tijde van de feiten toepasselijke bepalingen betreffende adviezen inzake de BTW waren opgenomen in hoofdstuk 21 van de Mervärdesskattelag en in de Lag (1951:442) om förhandsbesked i taxeringsfrågor (wet inzake prealabele adviezen op fiscaal gebied), welke bepalingen tot 1 juli 1998 van kracht zijn gebleven. Sinds 1 juli 1998 zijn de relevante bepalingen voor de BTW opgenomen in de Lag (1998:189) om förhandsbesked i skattefrågor (wet inzake prealabele adviezen op fiscaal gebied).

### De feiten en de prejudiciële vraag

7. Skandia is een verzekeringsmaatschappij met onder meer een dochtermaatschappij, Livförsäkringsaktiebolaget Skandia (pubi) (hierna: „Livbolaget”), waarvan zij het gehele kapitaal in handen heeft.

8. Livbolaget is actief op het gebied van de levensverzekeringen, in het bijzonder in de sector pensioen- en kapitaalverzekeringen. Livbolaget en Skandia hebben de mogelijkheid bestudeerd om hun verzekeringsbedrijf in één onderneming — in ruime zin — onder te brengen. Zo waren zij van plan, al het personeel en alle werkzaamheden van Livbolaget naar Skandia over te hevelen, zodat Skandia in feite alle activiteiten van Livbolaget zou verrichten: de verkoop van verzekeringsproducten, de afwikkeling van schadegevallen, de actuariële planning en het kapitaalbeheer. In ruil voor de verrichte werkzaamheden zou Skandia een vergoeding ontvangen, berekend op basis van de marktprijzen. Skandia zou geen risico's uit hoofde van bedoelde verzekeringsactiviteiten op zich nemen, want alle risico's zouden geheel bij Livbolaget berusten, die als verzekeraar in de zin van het Zweedse burgerlijk recht zou blijven optreden.

9. Op 28 juni 1995 vroeg Skandia aan de Skatterättsnämnd om een prealabel advies over de vraag, of een verbintenis om de activiteiten van Livbolaget op zich te nemen kon worden aangemerkt als een verzekeringsdienst in de zin van hoofdstuk 3, § 10, van de Mervärdesskattelag, zodat deze van BTW zou zijn vrijgesteld.

10. Bij beslissing van 15 januari 1996 antwoordde de Skatterättsnämnd dat een dienst alleen een verzekeringsdienst in de zin van de betrokken bepalingen van de Mervärdesskattelag is, wanneer zij door een verzekeraar wordt verricht en de verrichting ervan tot het verzekeringsbedrijf behoort. Zo bezien is de in het hoofdgeding bedoelde verbintenis van Skandia geen verzekeringsdienst, maar veeleer een dienst van beheer en bedrijfsvoering, die ten behoeve van Livbolaget zou worden verricht. In die omstandigheden valt de verbintenis volgens de Skatterättsnämnd niet onder de BTW-vrij stelling voor verzekeringsdiensten.

11. Skandia stelde tegen de beslissing van de Skatterättsnämnd beroep in bij het Regeringsrätt.

12. Bij arrest van 16 juni 1997 verwierp het Regeringsrätt het beroep, onder meer overwegende dat de vrijstelling van hoofdstuk 3, § 10, van de Mervärdesskattelag alleen voor „verzekeringsdiensten” geldt. Volgens het normale spraakgebruik sloeg deze uitdrukking op diensten die door een verzekeraar rechtstreeks aan een verzekeringnemer worden geleverd. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Mervärdesskattelag blijkt trouwens, dat de draagwijdte van het begrip „verzekeringsdiensten” diende te worden gepreciseerd en beperkt.

13. Op 26 juni 1997 diende Skandia bij het Regeringsrätt een verzoek tot herziening van het arrest van 16 juni 1997 in, waarbij zij met name verwees naar het arrest van het Hof van 5 juni 1997, SDC ([C-2/95](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-2-95-arrest), Jurispr. blz. I-3017).

14. In het arrest SDC, reeds aangehaald, heeft het Hof de bepalingen in [artikel 13 B, sub d, punten 3 en 5, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) uitgelegd, die onder meer betrekking hebben op de vrijstelling voor handelingen betreffende onder meer overmakingen en betalingen, alsook handelingen inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren. Het Hof overwoog in punt 33 van het reeds aangehaalde arrest SDC onder meer, dat de identiteit van de ontvanger van de dienst niet relevant is voor de bepaling van de handelingen die krachtens deze bepaling zijn vrijgesteld, en in punt 57, dat een uitlegging die de toepassing van de vrijstelling van artikel 13 B, sub d, punt 3, beperkt tot diensten die rechtstreeks voor de cliënt van de bank worden verricht, ongegrond is. Het Hof oordeelde dan ook in punt 59, dat voor de vrijstelling van [artikel 13 B, sub d, punten 3 en 5, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) niet als voorwaarde geldt, dat de dienst wordt verricht door een instelling die een rechtsbetrekking onderhoudt met de uiteindelijke cliënt van de bank.

15. Skandia leidt daaruit af, dat in het algemeen een dienst niet rechtstreeks voor een uiteindelijke cliënt behoeft te worden verricht om krachtens [artikel 13 B van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) te zijn vrijgesteld. Het arrest van het Regeringsrätt van 16 juni 1997 week volgens haar dan ook af van de rechtspraak van het Hof betreffende de uitlegging van de Zesde richtlijn.

16. In de verwijzingsbeschikking wordt uiteengezet, dat de omstandigheden van de zaak in het hoofdgeding verschillen van die waarvan het Hof kennis heeft genomen in eerdere zaken. Met name wijst de nationale rechter erop, dat de door Skandia en Livbolaget beoogde samenwerking betrekking heeft op diensten waarbij degene die deze verricht geen verzekeraar is en de ontvanger geen verzekeringnemer of verzekerde, en die nochtans geen diensten zijn die door verzekeringsmakelaars of verzekeringsagenten worden verricht.

17.

Overwegende dat op basis van de rechtspraak van het Hof niet met zekerheid kon worden vastgesteld, of de verbintenis van Skandia waarom het in het hoofdgeding gaat, een handeling ter zake van verzekering als bedoeld in [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) is, heeft het Regeringsrätt besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:

> „Moet een verbintenis van een verzekeringsmaatschappij, zoals door Skandia in onderhavig geval wordt beschreven, om de activiteiten van een 100 %-dochtermaatschappij op zich te nemen, worden aangemerkt als een handeling ter zake van verzekering in de zin van [artikel 13 B van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag?”

### Ten gronde

18. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de verbintenis van een verzekeringsmaatschappij om als tegenprestatie voor een op basis van de marktprijzen berekende beloning de activiteiten uit te oefenen van een andere verzekeringsmaatschappij, een 100 %-dochtermaatschappij, die op eigen naam verzekeringsovereenkomsten zou blijven sluiten, een handeling ter zake van verzekering in de zin van [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) is.

19. [Artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) bevat een uitdrukkelijke vrijstelling voor handelingen ter zake van verzekering en herverzekering, met inbegrip van daarmee samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringsagenten.

20. Het staat vast dat Skandia van plan is de activiteiten van Livbolaget uit te oefenen zonder enig aan deze activiteiten verbonden risico op zich te nemen, zodat de door Skandia verrichte dienst geen herverzekering is. In het hoofdgeding heeft Skandia trouwens erkend, dat de prestatie die zij van plan was aan Livbolaget te leveren, geen dienst was die samenhangt met een handeling ter zake van verzekering of herverzekering, die door een assurantiemakelaar of verzekeringsagent zou worden verricht.

21. Derhalve wordt het Hof in deze zaak alleen om een uitlegging gevraagd over het begrip „handelingen ter zake van verzekering” in de zin van [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13).

22. Het begrip „handelingen ter zake van verzekering” wordt in de Zesde richtlijn niet gedefinieerd.

23. Volgens vaste rechtspraak zijn de vrijstellingen van [artikel 13 van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) autonome begrippen van gemeenschapsrecht, die tot doel hebben verschillen in de toepassing van het BTW-stelsel tussen de lidstaten te voorkomen (arresten van 15 juni 1989, Stichting Uitvoering Financiële Acties, 348/87, Jurispr. blz. 1737, punt 11, en 25 februari 1999, CPP, [C-349/96](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-349-96-arrest), Jurispr. blz. I-973, punt 15) en die in het algemene kader van het gemeenschappelijke stelsel van de BTW moeten worden geplaatst (zie, in deze zin, arrest van 26 maart 1987, Commissie/Nederland, 235/85, Jurispr. blz. 1471, punt 18).

24. Volgens Skandia zijn de diensten die zij aan Livbolaget wil leveren, handelingen ter zake van verzekering die krachtens [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) zijn vrijgesteld.

25. Zij wijst er in dit verband op, dat aan de term „verzekering” dezelfde uitlegging moet worden gegeven, ongeacht of deze voorkomt in de communautaire verzekeringsrichtlijnen of in de Zesde richtlijn (zie, in deze zin, arrest CPP, reeds aangehaald, punt 18).

26. Volgens Skandia is voor de uitlegging van [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) relevant de regeling in artikel 8, lid 1, van de Eerste richtlijn (73/239/EEG) van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PB L 228, blz. 3), zoals gewijzigd bij artikel 6 van richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn „schadeverzekering”) (PB L 228, blz. 1), en in artikel 8, lid 1, van de Eerste richtlijn (79/267/EEG) van de Raad van 5 maart 1979 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan (PB L 63, blz. 1), zoals gewijzigd bij artikel 5 van richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (Derde levensrichtlijn) (PB L 360, blz. 1). Volgens die bepalingen moet een verzekeringsmaatschappij haar doel beperken tot het verzekeringsbedrijf en de verrichtingen die daaruit rechtstreeks voortvloeien, met uitsluiting van elke andere handelsactiviteit.

27. Skandia concludeert hieruit, dat alle handelingen die een op verzekeringsgebied werkzame vennootschap zoals zijzelf kan verrichten, ingevolge de verzekeringsrichtlijnen naar hun aard van BTW zouden moeten zijn vrijgesteld krachtens [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13).

28. Ook stelt Skandia op basis van het arrest SDC, reeds aangehaald, dat voor de vrijstelling van [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) dezelfde uitleggingsbeginselen moeten worden gehanteerd als het Hof in dat arrest heeft geformuleerd ten aanzien van de vrijstelling van de in [artikel 13 B, sub d, punten 3 en 5](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13), van die richtlijn bedoelde handelingen. Volgens Skandia is het dus voor de vrijstelling van de handelingen ter zake van verzekering, bedoeld in [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13), niet nodig dat de handeling wordt verricht door een vennootschap die een rechtsbetrekking onderhoudt met de uiteindelijke cliënt van de verzekeraar. De diensten die door een verzekeringsmaatschappij aan een andere verzekeringsmaatschappij worden geleverd, zijn volgens haar dus vrijgesteld krachtens [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13), en de omstandigheid dat er geen rechtstreekse rechtsbetrekking bestaat tussen Skandia en de cliënten van Livbolaget is niet van belang om uit te maken of de diensten die Skandia aan Livbolaget wil leveren, van BTW moeten worden vrijgesteld.

29. Deze redenering kan om de volgende redenen niet worden aanvaard.

30. In de eerste plaats heeft het Hof in punt 18 van het arrest CPP wel geoordeeld, dat er geen reden is om de term „verzekering” anders uit te leggen naargelang hij in de verzekeringsrichtlij nen dan wel in de Zesde richtlijn wordt gebruikt.

31. Niet kan echter worden gesteld dat, aangezien de lidstaten ingevolge de verzekeringsrichtlijnen van de verzekeringsmaatschappijen moeten eisen dat zij hun doel beperken tot het verzekeringsbedrijf en tot de verrichtingen die daaruit rechtstreeks voortvloeien, met uitsluiting van elke andere handelsactiviteit, dergelijke vennootschappen alleen handelingen ter zake van verzekering verrichten die krachtens [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) van BTW zouden zijn vrijgesteld.

32. Volgens vaste rechtspraak immers moeten de bewoordingen waarin de in [artikel 13 van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) bedoelde vrijstellingen zijn omschreven, strikt worden uitgelegd, daar die vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemene beginsel, dat omzetbelasting wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht (zie, in deze zin, arrest Stichting Uitvoering Financiële Acties, reeds aangehaald, punt 13; arresten van 11 augustus 1995, Bulthuis-Griffioen, [C-453/93](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-453-93-arrest), Jurispr. blz. I-2341, punt 19; 12 februari 1998, Blasi, [C-346/95](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-346-95-arrest), Jurispr. blz. I-481, punt 18, en 12 november 1998, Institute of the Motor Industry, [C-149/97](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-149-97-arrest), Jurispr. blz. I-7053, punt 17).

33. Voorts staan de verzekeringsrichtlijnen de verzekeringsmaatschappijen toe om naast handelingen ter zake van verzekering in eigenlijke zin ook „verrichtingen die daaruit rechtstreeks voortvloeien” te verrichten.

34. Het feit dat een verzekeringsmaatschappij geen andere handelsactiviteiten mag uitoefenen dan het verzekeringsbedrijf of verrichtingen die daaruit rechtstreeks voortvloeien, betekent dus niet dat alle handelingen die zij verricht, in fiscaal opzicht handelingen ter zake van verzekering in engere zin zijn, als bedoeld in [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13).

35. In de tweede plaats moet het argument worden afgewezen, dat het naar analogie van het arrest SDC, reeds aangehaald, voor de in [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) geregelde vrijstelling van handelingen ter zake van verzekering niet nodig zou zijn, dat de handeling wordt verricht door een vennootschap die een rechtsbetrekking onderhoudt met de uiteindelijke cliënt, dat wil zeggen de verzekerde.

36. Dienaangaande is om te beginnen van belang dat, anders dan in de zaak waarin het arrest SDC, reeds aangehaald, werd gewezen en waarin het Hof [artikel 13 B, sub d, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) moest uitleggen, welke bepaling in de punten 3 en 5 in algemene zin betrekking heeft op handelingen „betreffende” of „inzake” bepaalde bankverrichtingen, zonder zich tot bankverrichtingen in eigenlijke zin te beperken, de vrijstelling van artikel 13 B, sub a, geldt voor handelingen ter zake van verzekering in eigenlijke zin.

37. Gevraagd om het begrip „handelingen ter zake van verzekering” in [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) uit te leggen, overwoog het Hof in punt 17 van het arrest CPP, reeds aangehaald, dat bij een handeling ter zake van verzekering algemeen als kenmerkend wordt aangenomen, dat de verzekeraar zich tegen voorafgaande betaling van een premie ertoe verbindt, de verzekerde bij het intreden van het verzekerde risico de dienst te verlenen die bij het sluiten van de overeenkomst is overeengekomen.

38. In hetzelfde arrest CPP, reeds aangehaald, heeft het Hof, na in punt 19 te hebben geconstateerd dat de term „handelingen ter zake van verzekering” in [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) hoe dan ook het geval omvat waarin de betrokken handeling wordt verricht door de verzekeraar, die de dekking van het verzekerde risico op zich heeft genomen, in punt 22 geoordeeld, dat deze uitdrukking niet alleen ziet op de door de verzekeraars zelf verrichte handelingen, maar in beginsel ruim genoeg is om ook de dekking van een verzekering te omvatten welke wordt geboden door een belastingplichtige die zelf geen verzekeraar is, maar die in het kader van een collectieve verzekering zijn klanten een dergelijke dekking verschaft door gebruik te maken van de diensten van een verzekeraar die het verzekerde risico op zich neemt.

39. In punt 21 van het arrest CPP, reeds aangehaald, oordeelde het Hof dat een vennootschap als Card Protection Plan Ltd, verzoekster in het hoofdgeding in die zaak, kon worden geacht vrijgestelde handelingen ter zake van verzekering te verrichten, aangezien zij de nemer was van een collectieve verzekering waarvan haar klanten de verzekerden waren. Aldus verschafte zij deze laatsten tegen betaling, op eigen naam en voor eigen rekening een dekking, waartoe zij een beroep deed op een verzekeraar, de Continental Assurance Company of London. Vanuit BTW-oogpunt werden dus diensten uitgewisseld, enerzijds tussen de verzekeraar Continental Assurance Company of London en Card Protection Plan Ltd en anderzijds tussen Card Protection Plan Ltd en haar klanten, zodat er een rechtsbetrekking bestond tussen laatstgenoemde vennootschap, die de dekking voor een risico bood, en de verzekerden, dat wil zeggen degenen wier risico's door de verzekering waren gedekt.

40. Vastgesteld moet worden, dat er in het kader van de in casu door Skandia en Livbolaget beoogde samenwerking niet een dergelijke rechtsbetrekking tussen Skandia en de cliënten van Livbolaget zou bestaan. Skandia zou immers geen contractuele verhouding met de verzekerden van Livbolaget onderhouden en geen enkel risico uit de verzekeringsactiviteiten op zich nemen, omdat alle risico's geheel zouden blijven berusten bij Livbolaget, die als verzekeraar zou blijven optreden in de zin van het Zweedse burgerlijk recht.

41. Gelet op de definitie van handeling ter zake van verzekering in punt 17 van het arrest CPP, reeds aangehaald, die in punt 37 van dit arrest in herinnering is gebracht, blijkt dat de identiteit van de ontvanger van de dienst van belang is voor de afbakening van het soort diensten waarop [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) doelt, en dat een handeling ter zake van verzekering naar haar aard impliceert dat er een rechtsbetrekking bestaat tussen de verrichter van de verzekeringsdienst en degene wiens risico's door de verzekering zijn gedekt, dat wil zeggen de verzekerde.

42. Het feit dat [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) ook ziet op andere handelingen dan handelingen ter zake van verzekering, namelijk „daarmee samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringsagenten”, bevestigt overigens dat de handeling ter zake van verzekering niet ruim mag worden uitgelegd als alle diensten omvattende die tussen verzekeringsmaatschappijen onderling worden geleverd, zoals Skandia bepleit. Zou „handelingen ter zake van verzekering” in die zin moeten worden uitgelegd, dan zouden „met \[handelingen ter zake van verzekering\] samenhangende diensten” besloten liggen in het begrip handeling ter zake van verzekering, zodat deze nadere precisering in artikel 13 B, sub a, overbodig zou zijn.

43. Uit het voorgaande volgt, dat een vorm van samenwerking waarbij een verzekeringsmaatschappij tegen een op basis van de marktprijzen berekende beloning de activiteiten van een andere verzekeringsmaatschappij overneemt zonder de risico's daarvan op zich te nemen, waarbij die andere maatschappij op eigen naam verzekeringsovereenkomsten blijft sluiten, geen handeling ter zake van verzekering als bedoeld in [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) is. Een dergelijke op basis van de marktprijzen beloonde activiteit is een dienst onder bezwarende titel in de zin van [artikel 2, punt 1, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2) die uit dien hoofde aan de BTW is onderworpen.

44. Gezien het voorgaande moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat de verbintenis van een verzekeringsmaatschappij om als tegenprestatie voor een op basis van de marktprijzen berekende beloning de activiteiten uit te oefenen van een andere verzekeringsmaatschappij, een 100 %-dochtermaatschappij, die op eigen naam verzekeringsovereenkomsten zou blijven sluiten, niet een handeling ter zake van verzekering in de zin van [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) is.

### Kosten

45. De kosten door de Zweedse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

uitspraak doende op de door het Regeringsrätt bij beschikking van 10 juni 1999 gestelde vraag, verklaart voor recht:

De verbintenis van een verzekeringsmaatschappij om als tegenprestatie voor een op basis van de marktprijzen berekende beloning de activiteiten uit te oefenen van een andere verzekeringsmaatschappij, een 100 %-dochtermaatschappij, die op eigen naam verzekeringsovereenkomsten zou blijven sluiten, is niet een handeling ter zake van verzekering in de zin van [artikel 13 B, sub a, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

14

[Zesde richtlijn 77/388 art. 13](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) uitgelegd 31 voorkomens

EG-Verdrag art. 234 1 voorkomen

richtlijn 73/239 art. 8 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 2](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2) 1 voorkomen

richtlijn 79/267 art. 8 1 voorkomen

richtlijn 92/49 art. 6 1 voorkomen

richtlijn 92/96 art. 5 1 voorkomen

[C-149/97, arrest van 12 november 1998](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-149-97-arrest) 1 voorkomen

[C-2/95, arrest van 5 juni 1997](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-2-95-arrest) 1 voorkomen

[C-346/95, arrest van 12 februari 1998](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-346-95-arrest) 1 voorkomen

[C-349/96, arrest van 25 februari 1999](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-349-96-arrest) 1 voorkomen

[C-453/93, arrest van 11 augustus 1995](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-453-93-arrest) 1 voorkomen

[235/85, arrest van 26 maart 1987](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-235-85-arrest) 1 voorkomen

[348/87, arrest van 15 juni 1989](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-348-87-arrest) 1 voorkomen

## Rechtspraak

38

### België

4

Hof van Cassatie 06.06.2013

#### [Onroerende verhuring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/onroerende-verhuring-overdracht-recht-beroepswerkzaamheid-cassatie-brussel-2013-06-73ec)

Grondwettelijk Hof 25.04.2013

#### [Vrijstelling, Gerechtsdeurwaarder, Collectief schuldbemiddelaar, Barema van het ereloon, Emolumenten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-gerechtsdeurwaarder-collectief-grondwettelijk-hof-all-2013-04-25-811c)

Hof van beroep te Bergen 04.09.2019

#### [Belastingplichtige, Vrijstelling, Sociale dienstverlening, Maatschappelijk werk, Assistentiewoningen, Verzorgingstehuis](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplichtige-vrijstelling-sociale-dienstverlening-hof-van-beroep-bergen-2019-09-04-bd77)

### Europese Unie

34

Hof van Justitie C-42/22 09.03.2023

#### [Vrijstelling van btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-42-22-arrest)

Hof van Justitie C-235/19 08.10.2020

#### [Vrijstelling voor handelingen ter zake van verzekering](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-235-19-arrest)

Hof van Justitie C-584/13 16.07.2015

#### [Werkingssfeer, vrijstelling](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-584-13-arrest)

## Administratieve doctrine

1

[Voorafgaande beslissingen 1](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-240-99-arrest/documenten?type=voorafgaande-beslissingen)

[Bekijk de 39 documenten](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-240-99-arrest/documenten)

## Rechtsleer

5

Heinrich, Johannes: Versicherungsumsatz im Sinne von Art. 13 der 6. Mehrwehrsteuerrichtlinie, European Law Reporter 2001 p.90-91

X: Revue de jurisprudence fiscale 2001 p.600

Wolf, R.A.: Verzekeringen en BTW, Weekblad voor fiscaal recht 2001 p.1143-1151

Menner, Stefan ; Herrmann, Harald: Outsourcing bei Versicherungen, Umsatzsteuer-Rundschau 2001 p.229-234

Braakman, T. ; Metzemaekers, E.W.L.: Skandia: niet verzekerd van een BTW-vrijstelling, Weekblad voor fiscaal recht 2001 p.1774-1781
