Arrest
Bij vonnis van 29 juli 1987, ingekomen ten Hove op 3 augustus daaraanvolgend, heeft het tribunal de grande instance te Rijsel krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht inzake de terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geheven nationale belastingen.
Deze vraag is gerezen in een geschil tussen C. Deville en de administration des impôts over de terugbetaling van de vaste bijzondere belasting die Deville in 1982 voor zijn auto heeft betaald, en die vervolgens bij arrest van het Hof van 9 mei 1985 (zaak 112/84, Humblot, Jurispr. 1985, blz. 1367) in strijd met artikel 95 EEG-Verdrag is verklaard.
Ter uitvoering van dat arrest bepaalde de Franse wetgever in artikel 18 van wet nr. 85-695 van 11 juli 1985 houdende diverse economische en financiële bepalingen (JORF 12.7.1985, blz. 7855), dat de vaste bijzondere belasting werd afgeschaft en vervangen door een differentiële belasting die gerelateerd is aan het fiscale vermogen van het motorrijtuig. Op grond van dezelfde bepaling kunnen de belastingplichtigen terugbetaling verkrijgen van het verschil tussen het bedrag van de door hen betaalde bijzondere belasting en het bedrag van de nieuwe, met het fiscale vermogen van hun motorrijtuig overeenkomende differentiële belasting.
Artikel 18, lid V, tweede alinea, bepaalt ten aanzien van de termijn voor bezwaarschriften die na de datum van genoemd arrest worden ingediend, als volgt: „Belastingplichtigen die na 9 mei 1985 een bezwaarschrift indienen, kunnen terugbetaling van een onder dezelfde voorwaarden bepaald bedrag verkrijgen, indien het verzoek hiertoe wordt gedaan binnen de termijn bedoeld in artikel R 196, lid 1, sub b, van het Livre des procédures fiscales, welke termijn ingaat op de dag waarop de bijzondere belasting is betaald.”
Artikel R 196, lid 1, van het Livre des procédures fiscales luidt als volgt: „Bezwaarschriften... dienen, op straffe van niet-ontvankelijkheid, bij de administratie te worden ingediend uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar waarin: a) ...; b) de bestreden belasting is betaald ...; of c) het feit waarop het bezwaarschrift is gebaseerd, zich heeft voorgedaan.”
Deville is eigenaar van een motorrijtuig van Italiaanse makelij met een fiscaal vermogen van meer dan 16 pk, waarvoor hij op 10 december 1982 de vaste bijzondere belasting heeft betaald. Op 31 december 1985 — dus na het arrest waarbij de bijzondere belasting in strijd was verklaard met artikel 95 EEG-Verdrag — verzocht hij door middel van een bezwaarschrift om terugbetaling van het verschil tussen het bedrag van de door hem betaalde bijzondere belasting en het hoogste op in Frankrijk vervaardigde motorrijtuigen toepasselijke tarief van de differentiële belasting.
De administration des impôts wees het bezwaarschrift af op grond van termijnoverschrijding, omdat het krachtens artikel 18, lid V, tweede alinea, juncto artikel R 196, lid 1, sub b, van het Livre des procédures fiscales uiterlijk op 31 december 1984 had moeten zijn ingediend (dat wil zeggen op 31 december van het tweede jaar volgend op dat waarin de bestreden belasting was betaald).
Deville heeft tegen deze afwijzende beschikking beroep ingesteld bij het tribunal de grande instance te Rijsel. Hij voerde aan, dat zijn bezwaarschrift wel degelijk op tijd was ingediend, namelijk binnen de termijn bedoeld in artikel R 196, lid 1, sub c, te weten vóór 31 december van het tweede jaar volgend op dat waarin het feit waarop het bezwaarschrift is gebaseerd, zich heeft voorgedaan. Dit feit nu, aldus Deville, bestond in het arrest van 9 mei 1985 (Humblot, reeds aangehaald). Voorts stelde hij dat, zo zijn bezwaarschrift als te laat ingediend werd aangemerkt, hiermee afbreuk zou worden gedaan aan de gevolgen in de tijd van het tribunal, dat immers ook van toepassing was op situaties die vóór de uitspraak ervan zijn ontstaan.
Het tribunal de grande instance te Rijsel vond in een en ander aanleiding om het Hof de navolgende vraag te stellen :
„Is het in overeenstemming met de algemene beginselen van gemeenschapsrecht om, zoals in artikel 18, lid V, tweede alinea, van wet nr. 85-695 van 11 juli 1985, de gevolgen van de afschaffing met terugwerkende kracht van de bijzondere belasting op motorrijtuigen met een vermogen van meer dan 16 pk, die bij arrest van 9 mei 1985 in zaak 112/84 in strijd is verklaard met de bepalingen van artikel 95 EEG-Verdrag, in de tijd te beperken? ”
Voor de door Deville, de Franse regering en de Commissie ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting.
Er zij aan herinnerd, dat wanneer een nationale belasting die door de belastingplichtige niet op andere personen kan worden afgewenteld, geheven is in strijd met het Verdrag, de verplichting van de betrokken Lid-Staat om tot terugbetaling over te gaan, voortvloeit uit de rechtstreekse werking van de geschonden verdragsbepaling.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het, bij gebreke van een communautaire regeling inzake de terugbetaling van ten onrechte geheven nationale belastingen, een aangelegenheid van de rechtsorde van elke Lid-Staat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor de rechtsvorderingen met het oog op de bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen, met dien verstande dat die regels niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen en dat zij in geen geval dusdanig mogen zijn, dat de uitoefening van de rechten welke de nationale rechter heeft te handhaven, praktisch onmogelijk wordt gemaakt (arresten van 16 december 1976, zaak 33/76, Rewe, en zaak 45/76, Comet, Jurispr. 1976, blz. 1989 resp. 2043; 27 maart 1980, zaak 61/79, Denkavit, Jurispr. 1980, blz. 1205, en 9 november 1983, zaak 199/82, San Giorgio, Jurispr. 1983, blz. 3595).
Uit het voorgaande volgt, dat een nationale wetgever, na een arrest van het Hof waarbij een bepaalde wettelijke regeling onverenigbaar met het Verdrag is verklaard, geen procedureregels mag invoeren waardoor de mogelijkheden tot het vorderen van terugbetaling van belastingen die ten onrechte krachtens die wettelijke regeling zijn geheven, specifiek worden bekort.
In casu zijn Deville, verzoeker in het hoofdgeding, en de Franse regering verdeeld over de vraag of artikel 18, lid V, tweede alinea, van de wet van 11 juli 1985 de terugvorderingsmogelijkheden die anders zouden hebben bestaan, bekort.
Deville betoogt, dat de verwijzing in de omstreden bepaling naar de termijn bedoeld in artikel R 196, lid 1, sub b van het Livre des procédures fiscales („uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op dat ... waarin de bestreden belasting is betaald”), hem belet een beroep te doen op de termijn voorzien in artikel R 196, lid 1, sub c („uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op dat ... waarin het feit waarop het bezwaarschrift is gebaseerd, zich heeft voorgedaan”). In casu bestond dit feit naar zijn zeggen in het arrest van 9 mei 1985 (Humblot, reeds aangehaald).
De Franse regering heeft eerst betoogd, dat de in artikel R 196, lid 1, sub b, bedoelde bezwaartermijn, waarnaar in de omstreden bepaling wordt verwezen, ook zonder deze verwijzing van toepassing zou zijn geweest. Een rechterlijke beslissing zou immers geen feit in de zin van artikel R 196, lid 1, sub c, kunnen zijn, zodat de termijn genoemd in artikel R 196, lid 1, sub b in casu de enige was die voor toepassing in aanmerking zou zijn gekomen. In antwoord op een vraag van het Hof heeft de Franse regering evenwel erkend, dat zonder de litigieuze bepaling de termijn genoemd in artikel R 196, lid 1, sub c wel degelijk van toepassing zou zijn geweest, aangezien de bekendmaking van de wet van 11 juli 1985 een feit in de zin van die bepaling zou hebben opgeleverd.
Er zij aan herinnerd, dat het Hof niet bevoegd is tot uitlegging van nationaal recht. Het staat aan de nationale rechter te onderzoeken, of artikel 18, lid V, tweede alinea, van de wet van 11 juli 1985 de terugvorderingsmogelijkheden die anders zouden hebben bestaan, bekort.
Mitsdien moet op de vraag van het tribunal de grande instance te Rijsel worden geantwoord, dat een nationale wetgever, na een arrest van het Hof waarbij een bepaalde wettelijke regeling onverenigbaar met het Verdrag is verklaard, geen procedureregels mag invoeren waardoor de mogelijkheden tot het vorderen van terugbetaling van belastingen die ten onrechte krachtens die wettelijke regeling zijn geheven, specifiek worden bekort. Het staat aan de nationale rechter te onderzoeken, of de terugvorderingsmogelijkheden die anders zouden hebben bestaan, door de bestreden bepaling worden bekort.
Kosten
De kosten door de regering van de Franse Republiek, de regering van de Ierse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het tribunal de grande instance te Rijsel bij vonnis van 29 juli 1987 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Een nationale wetgever mag na een arrest van het Hof waarbij een bepaalde wettelijke regeling onverenigbaar met het Verdrag is verklaard, geen procedureregels invoeren waardoor de mogelijkheden tot het vorderen van terugbetaling van belastingen die ten onrechte krachtens die wettelijke regeling zijn geheven, specifiek worden bekort. Het staat aan de nationale rechter te onderzoeken, of de terugvorderingsmogelijkheden die anders zouden hebben bestaan, door de bestreden bepaling worden bekort.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
2Rechtspraak
1Europese Unie
1Conclusie van advocaat-generaal GeelhoedC-62/0024.01.2002