---
title: "HvJ EU, 24/74, arrest van 9 oktober 1974 · Verordening 1408/71 art. 4, EEG-Verdrag art. 177"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 oktober 1974, 24/74: verordening 1408/71 art. 4, EEG-Verdrag art. 177."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-24-74-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-24-74-arret"
---

# Arrest van het Hof van 9 oktober 1974, 24/74 · Verordening 1408/71 art. 4, EEG-Verdrag art. 177

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

24/74

**ECLI**

ECLI:EU:C:1974:99

**Datum**

9 oktober 1974

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Cour d'appel de Paris, 18e chambre B (Frankrijk) beslissing van 2 maart 1974 789/73

**Zaak ingediend op**

20 maart 1974

**Advocaat-generaal**

Reischl

**Nationale beslissing na het arrest**

Cour d'appel de Paris, 18e chambre B beslissing van 7 juni 1975 789/73

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Frans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1974, blz. 999

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Monaco

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Prejudiciële verwijzing](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04) [Bevoegdheid van Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04.02) 167 beslissingen
  - [Vrij verkeer van personen en diensten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04%2C578-4.04) [Sociale Zekerheid van werknemers](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.06) [Bepalingen die gelijkelijk gelden voor de verschillende categorieën uitkeringen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.06.01)

    - [Materiële werkingssfeer van de verordeningen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.06.01.04) 6 beslissingen
    - [Ontheffing van de bepalingen inzake de woonplaats · terugbetaling van bijdragen of premies](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.06.01.07) 3 beslissingen

## Tekst

61 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de verwijzingsbeschikking en de krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — Feiten en procesverloop

1.

Mejuffrouw Giuseppina Biason, van Italiaanse nationaliteit, is sedert 15 juni 1971 rechthebbende op invaliditeitspensioen onder de Franse wetgeving. Ook is zij sedert deze datum in het genot van een „aanvullende uitkering” van het — bij wet van 30 juni 1956 in Frankrijk opgerichte — Fonds national de solidarité.

De voorwaarden voor de toekenning van deze uitkering staan vermeld in artikel L 685 van de Code de la sécurité sociale (Journal officiel de la République francaise 1956, nr. 294). Volgens deze bepaling kan een aanvullende uitkering worden toegekend aan rechthebbenden op lijfrente ter zake van een invaliditeit welke de „arbeids- of verdienstcapaciteit” met 2/3 vermindert. Artikel 707 van genoemde Code bepaalt voorts dat de uitkering aan buitenlanders slechts verschuldigd is ingeval van een internationale wederkerigheidsovereenkomst, doch ingevolge wet van 2 augustus 1957 komen hiervoor tevens in aanmerking personen die recht hebben op invaliditeitspensioen krachtens een regeling van de Franse sociale zekerheid of die onder een internationale wederkerigheidsovereenkomst vallen.

Op 15 mei 1972 deelde mejuffrouw Biason de Caisse régionale d'assurance maladie de Paris (hierna te noemen „Caisse”) mede dat zij haar woonstede van Frankrijk naar Italië had verplaatst. De Caisse liet haar daarop weten dat haar aanvullende uitkering per 1 april 1972 ambtshalve werd ingetrokken.

Van dit besluit ging mejuffrouw Biason in beroep bij de Commission de première instance du contentieux de la sécurité sociale de Paris, die bij beschikking van 21 maart 1973 het geding schorste en het Hof van Justitie de vraag voorlegde of „iemand van Italiaanse nationaliteit die, als begunstigde in Frankrijk van de aanvullende uitkering van het Fonds national de solidarité, deze uitkering zag ingetrokken, na vertrek uit Frankrijk daarvoor wederom in aanmerking kan komen, met name krachtens de Frans-Italiaanse overeenkomst (inzonderheid artikel 16) en de op 19 januari 1951 gesloten overeenkomst tussen België, Frankrijk en Italië”.

De Caisse ging van deze beschikking in beroep bij het Cour d'appel de Paris, stellende dat het beroep van mejuffrouw Biason ongegrond was. Mejuffrouw Biason bleef echter bij haar mening dat zij ondanks haar woonplaats in Italië haar recht kon behouden krachtens artikel 16 van de Frans-Italiaanse overeenkomst inzake sociale zekerheid van 31 maart 1948, de artikelen 7 en 10 (a) van de Belgisch-Frans-Italiaanse overeenkomst van 19 januari 1951 en de artikelen 4 en 10 van verordening nr. 1408/71 van de Raad der Europese Gemeenschappen.

Het Cour d'appel de Paris maakte een onderscheid tussen het tijdvak na 1 oktober 1972, datum van inwerkingtreding van 's Raads verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971„betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen”, en het tijdvak vóór die datum, toen verordening nr. 3 van de Raad „inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers” gold.

Wat het tijdvak na 1 oktober 1972 betreft, oordeelde het Cour d'Appel, dat de Caisse sedert die datum de aanvullende uitkering verschuldigd is, daar ten deze geen vereffening in de vorm van een afkoopsom had plaatsgehad en ook niet mogelijk was.

Wat het tijdvak 1 april 1972 tot 1 oktober 1972 betreft, bevond het Cour d'appel dat, ingevolge bijlage D van verordening nr. 3, alleen de artikelen 17 en 24 van de Frans-Italiaanse overeenkomst van 31 maart 1948 nog van kracht bleven.

Van mening dat zich hier derhalve een vraag van uitlegging der verordening — met name van artikel 2, lid 1, sub b — voordeed, besloot het Cour d'appel bij arrest van 2 maart 1974 het geding te schorsen en het Hof van Justitie met toepassing van artikel 177 EEG-Verdrag de vraag voor te leggen:

> „of een verzekerde die gerechtigd is tot een invaliditeitspensioen onder de ziekteverzekering, door haar als werkneemster verworven in een enkele Lid-Staat waar zij Woonde, en die uit hoofde van dit pensioen in het genot is van een aanvullende uitkering, in Italië gebruik kan maken van met name de destijds geldende verordening nr. 3, artikel 2, lid 1, sub b, gedurende het tijdvak van 1 april 1972 tot 1 oktober 1972, waarin zij haar woonstede naar Italië had verplaatst, en aldaar behalve het invaliditeitspensioen ook de aanvullende uitkering kan blijven ontvangen.”

2.

Het verwijzingsarrest is ingekomen ter griffie van het Hof op 20 maart 1974. Overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Franse Regering, ten deze vertegenwoordigd door R. Luc, ambassadeur in Luxemburg, bijgestaan door G. de Lacharrière, directeur van de Juridische dienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken, voorts door de Regering van de Italiaanse Republiek, ten deze vertegenwoordigd door A. Maresca, ambassadeur, bijgestaan door I. M. Braguglia, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Larsen, als gemachtigde, bijgestaan door M. J. Jonczy, lid van haar juridische dienst.

Het Hof heeft, op rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut

##### A — Opmerkingen van de Franse Regering

De Franse Regering meent dat de regeling inzake de aanvullende uitkering van het Fonds national de solidarité (hierna te noemen „Fonds”) als bijstandsregeling buiten de werkingssfeer valt van de Gemeenschapsverordeningen betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.

Zij merkt hiertoe op dat de aanvullende uitkering in kwestie niet als „prestatie van sociale zekerheid” kan worden aangemerkt. Sociale zekerheid is een stelsel van bescherming, dat is gekoppeld aan het begrip beroepswerkzaamheid; deze werkzaamheid is derhalve bepalend voor de vraag of de betrokkene is aangesloten bij een stelsel van sociale zekerheid. Een en ander vindt bevestiging in tal van bepalingen van de Code de la sécurité sociale.

Het Fonds daarentegen houdt geen verband met het begrip beroepsactiviteit. De artikelen L 685 en L 711-1 van de Code de la sécurité sociale, betreffende de aanvullende uitkering, gelden immers voor een ieder, ongeacht enige werkzaamheid. Het doet in casu niet ter zake dat de bepalingen over het Fonds zijn opgenomen in genoemde Code, daar de Code niet enkel op het stelsel van sociale zekerheid betrekking heeft en omgekeerd een groot aantal bepalingen inzake de sociale zekerheid daarin niet voorkomen.

De aanvullende uitkering heeft een bij-standskarakter en steunt op een beginsel in de preambule van de Constitutie van 1946. De uitkering is dan ook onderworpen aan middelen-bepalingen en dient ter aanvulling van uiteenlopende prestaties, zoals die bij invaliditeit, bij ouderdom, voor sociale bijstand etcetera. Hoewel zij bij andere prestaties wordt gevoegd, beantwoordt zij aan eigen regels en heeft zij een eigen rechtskarakter.

De uitkering is nimmer vermeld in bilaterale overeenkomsten inzake de sociale zekerheid. Toekenning aan buitenlanders is slechts geregeld in afzonderlijke protocollen, buiten de overeenkomsten. Daar zij is gekoppeld aan de bijstand voor elke Fransman in Frankrijk, wordt zij buiten Frankrijk noch aan Franse onderdanen noch aan vreemdelingen betaald.

Voorzover zij dient ter aanvulling van een prestatie bij invaliditeit, valt zij ter zake van de toekenning aan Italiaanse onderdanen onder het aanhangsel van 6 februari 1960 bij het Frans-Italiaanse protocol van 11 januari 1957.

Het is niet juist dat dit aanhangsel, nu het niet is vermeld in bijlage D van verordening nr. 3, door deze verordening is vervangen. Het is om een geheel andere reden dat de verordening op dit punt zwijgt: aangezien de uitkering als bijstandsprestatie niet onder de verordening valt, behoefde hierover ook niet te worden gesproken in het kader van de Gemeenschapsregels inzake de sociale zekerheid.

In de overtuiging dat de aanvullende uitkering niet is begrepen onder artikel 2, lid 1, sub b, van verordening nr. 3 en dat alleen lid 3 van dit artikel hier van toepassing is, verklaart de Franse Regering dat de Franse autoriteiten zich ook altijd op dit standpunt hebben gesteld. Als zij hadden vermoed dat dit standpunt niet voldoende duidelijk was, zouden zij het zeker hebben gepreciseerd door in de verordeningen de nodige beperkingen te doen aanbrengen.

##### B — Opmerkingen van de Italiaanse Regering

De Italiaanse Regering verenigt zich met de zienswijze van de verwijzende instantie die in haar uitspraak ten gronde over het tijdvak na 1 oktober 1972 oordeelt dat de aanvullende uitkering van het Fond is te beschouwen als een der prestaties, bedoeld in artikel 4, lid 1, sub b, van verordening nr. 1408/71, en eveneens valt onder artikel 10, lid 1, dier verordening.

Zij merkt hiertoe allereerst op dat de aanvullende uitkering luidens de Franse wet van 2 augustus 1967 is bestemd om deel uit te maken van het aan de begunstigde uitgekeerde invaliditeitspensioen. Aangezien het invaliditeitspensioen het karakter heeft van een prestatie van sociale zekerheid, krijgt de aanvullende uitkering op dit pensioen ditzelfde karakter.

Voorts meent de Italiaanse Regering dat de administratie de uitkering niet discretionair kan toekennen, daar de betrokkene hierop „recht” heeft, zodra hij aan de wettelijke toekenningseisen voldoet.

Waar de uitkering dus is gedekt door verordening nr. 1408/71, valt zij volgens de regering ten aanzien van het tijdvak vóór 1 oktober 1972 noodzakelijkerwijs onder verordening nr. 3, aangezien beide verordeningen op dit punt dezelfde strekking hebben.

Ook het beginsel van „export” der uitkering volgens verordening nr. 1408/71 geldt evenzeer in het kader van verorde ning nr. 3. Artikel 10, lid 1, van deze verordening is weliswaar niet volstrekt gelijkluidend aan artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1408/71, maar de verschillen zijn alleen van technische of redactionele aard en betreffen niet de inhoud. In elk van beide bepalingen is in feite het beginsel van artikel 51, sub b, van het Verdrag uitgewerkt.

Van oordeel dat de invaliditeitspensioenen met inbegrip van „… de bijslagen, de uitkeringen op grond van herziening of de aanvullende uitkeringen” (artikel 1, sub s, van verordening nr. 3) onder verordening nr. 3 vallen en in aanmerking komen voor toepassing van artikel 10, lid 1, dier verordening, vat de Italiaanse Regering haar opmerkingen samen in het voorstel de vraag aldus te beantwoorden:

„Overeenkomstig verordening nr. 3 en verordening nr. 1408/71 kunnen de uitkeringen bij invaliditeit, met inbegrip van die tot instandhouding of verbetering van de verdiencapaciteit, op genetlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard ov grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont dan die waar zich het orgaan bevindt, dat de uitkering verschuldigd is”.

##### C — Opmerkingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen

Naar de mening der Commissie komen bij de vraag van de verwijzende rechter drie fundamentele problemen aan de orde.

Ten eerste, of verordening nr. 3 van toepassing is op een werknemer die slechts in één enkele Lid-Staat in loondienst werkzaam is geweest. Ten tweede, of de aanvullende uitkering van het Fonds een sociale uitkering in de zin van verordening nr. 3 is. En ten derde, of het feit dat een uitkering onder verordening nr. 3 valt, op zichzelf meebrengt dat zij naar het buitenland kan worden betaald (geëxporteerd).

Voor de eerste vraag moet de oplossing worden gezocht in de jurisprudentie van het Hof. Daaruit blijkt dat verordening nr. 3 van toepassing is op werknemers die aan de wetgeving van één Lid-Staat onderworpen zijn geweest.

Wat de tweede en derde vraag betreft, maakt het Cour d'appel ten onrechte onderscheid tussen het tijdvak waarin verordening nr. 3 gold en het tijdvak dat onder de toepassing van verordening nr. 1408/71 viel, daar de beide verordeningen op het punt in geschil zowel ten gronde als ten aanzien van de betrokken prestaties hetzelfde inhouden.

Daarom is het juister de twee vragen in het licht van beide verordeningen en niet alleen van verordening nr. 3 te bezien.

Met betrekking tot de aard van de aanvullende uitkering meent de Commissie dat de Fondsregeling in vele opzichten overeenkomt met de Belgische regeling van het gewaarborgd minimum-inkomen, waarmee het Hof zich heeft beziggehouden in zijn arrest van 22 juni 1972 in de zaak Frilli (zaak 1-72, Jurispr. 1972, blz. 457). De Fondsregeling kent de begunstigde immers „een wettelijk omschreven positie toe, die recht geeft op een uitkering welke analoog is aan een uitkering bij ouderdom” en overigens ertoe strekt „een aanvullend inkomen te verzekeren aan diegenen die een ontoereikende uitkering van sociale zekerheid genieten”. Bovendien staan de bepalingen inzake de invoering en werking van het stelsel in de Franse Code de la sécurité sociale en valt het stelsel onder de regelingen van sociale zekerheid, waarop de Europese interimovereenkomsten en het Europees Verdrag inzake de sociale zekerheid van toepassing zijn.

Op grond van een en ander kan worden geconcludeerd dat voor de in de verordeningen nrs. 3 en 1408/71 bedoelde loontrekkenden of daarmede gelijkgestelden die in Frankrijk een vergoeding bij invaliditeit of ouderdom genieten, de onderhavige aanvullende uitkering is te beschouwen als een prestatie bij invaliditeit of ouderdom in de zin van artikel 2, lid 1, sub c of b, van verordening nr. 3 en van artikel 4, lid 1, sub c of b, van verordening nr. 1408/71. Een wederkerigheidsvoorwaarde kan aan onderdanen van de Lid-Staten niet worden tegengeworpen.

Wat de betaling naar het buitenland (export) van een dergelijke prestatie betreft, zijn volgens de Commissie twee stelsels van sociale zekerheid te onderscheiden. In het eerste — klassieke — stelsel heeft de sociale zekerheid ten doel een op het vroegere salaris afgestemd inkomen te garanderen; de uitkeringen van sociale zekerheid en speciaal de pensioenen worden daarbij gezien als een uitgesteld salaris. Dit stelsel, dat vooral in de oorspronkelijke Lid -Staten gold, bracht noodzakelijkerwijs het beginsel mee van export van de, krachtens de wetgeving van het land van tewerkstelling toegekende uitkeringen in geld.

Na de toetreding van de nieuwe Lid-Staten en bij de ontwikkeling van de wetgeving der oorspronkelijke Lid-Staten ziet men echter thans in de klassieke opvattingen over de sociale zekerheid een geleidelijke verschuiving plaatsvinden naar de zienswijze dat de sociale zekerheid ten doel heeft alle leden van een nationale gemeenschap of — onder sommige wetgevingen — alle ingezetenen een bepaald basisinkomen te verschaffen. In een dergelijk systeem, waarbij de vorderingen op het land van tewerkstelling worden voldaan door het land van verblijf, is het beginsel van export van de uitkeringen niet zo'n noodzakelijk element.

Dit is nu juist het geval met regelingen als die van het Fonds national de solidarité. Want uit het feit dat de behoefte als voornaamste toepassingsmaatstaf wordt gehanteerd voor de daarin genoemde uitkeringen die aldus tot de sociale bijstand gaan behoren, blijkt dat in deze regelingen een vorm van solidariteit binnen de nationale gemeenschap tot uiting komt, waarvan men zich kan afvragen of zij zich moet uitstrekken tot die — nationale of buitenlandse — leden die na vestiging in een ander land niet meer deel uitmaken van het leven dier gemeenschap. Bovendien zou het beginsel van export der prestaties in dergelijke regelingen stellig technische uitvoeringsproblemen meebrengen met betrekking tot de raming van de bestaansbronnen van de betrokkene die zich in een andere Lid-Staat vestigt, de mogelijkheid van verhaal op onderhoudsplichtige familieleden of op de nalatenschap van de betrokkene, en de splitsing van de prestaties ingeval van een soortgelijke regeling in de Lid-Staat van vestiging.

De Commissie constateert dat de jurisprudentie van het Hof hier geen vaste aanknopingspunten biedt. Hoewel het algemene probleem van de export van prestaties als de onderhavige aanvullende uitkering niet is op te lossen in het kader van de verordeningen nrs. 3 en 1408/71, is het niettemin mogelijk om, ingeval een uitkering ter verhoging van een invaliditeitspensioen is verschuldigd door een en dezelfde Lid-Staat en de rechthebbende woonachtig is in die Staat op het moment dat het risico zich realiseert, deze uitkering ten opzichte van de personen waarop de verordeningen nrs. 3 en 1408/71 van toepassing zijn, te beschouwen als een prestatie bij invaliditeit in de zin dier verordeningen, waarvoor derhalve de regels van artikel 10, lid 1, dier verordeningen gelden. Haar opmerkingen samenvattend, stelt de Commissie voor als volgt te antwoorden op de gestelde vraag:

„De aanvullende uitkering, toegekend ingevolge de wetgeving van een Lid-Staat, welke een recht op minimum invaliditeitspensioen verschaft aan in deze Staat woonachtige invaliden, is ten aanzien van loontrekkenden of daarmede gelijkgestelden in de zin der verordeningen nrs. 3 en 1408/71, die in bedoelde Staat recht op invaliditeitspensioen onder de ziekteverzekering hebben, te beschouwen als een prestatie bij invaliditeit in de zin van artikel 2, lid 1, sub b, respectievelijk artikel 4, lid 1, sub b, dier verordeningen.

Deze prestatie kan derhalve bij woonachtigheid van de rechthebbende in de bevoegde Lid-Staat op het moment dat het risico zich realiseert, overeenkomstig artikel 10, lid 1, van verordening nr. 3 en van verordening nr. 1408/71 op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de begunstigde op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont dan die waar zich het orgaan bevindt dat de uitkering verschuldigd is.”

#### III — Mondelinge behandeling

Overwegende dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 9 juli 1974 in haar mondelinge opmerkingen is gehoord;

dat deze opmerkingen geen nieuwe elementen bevatten ten opzichte van haar tijdens de schriftelijke behandeling ingediende opmerkingen;

dat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van 17 september 1974 conclusie heeft genomen;

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat het Cour d'appel te Parijs bij arrest van 2 maart 1974, ingekomen ter griffie van het Hof op 20 maart daaropvolgend, krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag de vraag heeft gesteld of een rechthebbende op invaliditeitspensioen onder de ziekteverzekering, door hem als werknemer verworven in een enkele Lid-Staat waar hij woonde, en ter zake van dit pensioen in het genot verkerende van een aanvullende uitkering, in een andere Lid-Staat het genot hiervan kan behouden krachtens de destijds geldende verordening nr. 3, artikel 2, lid 1, sub b, gedurende het tijdvak van 1 april 1972 tot 1 oktober 1972, waarin hij zijn woonstede naar de andere Lid-Staat had verplaatst, en aldaar behalve het invaliditeitspensioen ook de aanvullende uitkering kan blijven ontvangen ;

2. Overwegende dat blijkens de stukken mejuffrouw Biason, sedert 15 juni 1971 rechthebbende op invaliditeitspensioen onder de Franse sociale wetgeving, sedert deze zelfde datum in het genot is van een aanvullende uitkering die uit het bij wet van 30 juni 1956 in Frankrijk opgerichte Fonds national de solidarité wordt toegekend aan in Frankrijk gevestigde rechthebbenden op lijfrente wegens een invaliditeit welke de arbeidscapaciteit met twee derden vermindert;

3. dat betrokkene na verplaatsing van haar woonstede naar Italië zich deze uitkering zag ontnomen ingevolge de Franse bepalingen en het aanhangsel van het Frans-Italiaanse protocol van 11 januari 1957;

4. dat met de gestelde vraag in wezen wordt beoogd te vernemen of ingevolge verordening nr. 3 van de Raad deze uitkering kan worden verkregen door een belanghebbende die in een andere Lid-Staat is gevestigd;

5. dat het voor de beantwoording van deze vraag allereerst van belang is te weten of de betrokken uitkering onder de werkingssfeer van verordening nr. 3 valt;

6. dat het Hof in het kader van de onderhavige procedure de kwalificatie van bedoelde uitkering in de Franse wettelijke regeling niet kan bepalen, maar wel aan het nationale rechtscollege de gemeenschapsrechtelijke interpretatiegegevens kan verschaffen, waardoor het zich bij de beoordeling van de uitwerking dier regeling kan laten leiden;

7. Overwegende dat verordening nr. 3, luidens artikel 1, sub b, van toepassing is op alle wettelijke besluiten van de Lid-Staten met betrekking tot de in artikel 2, leden 1 en 2, vermelde „regelingen en takken van sociale zekerheid”;

8. dat echter de verordening luidens artikel 2, lid 3, niet van toepassing is op de „sociale en medische bijstand”;

9. Overwegende dat het weliswaar voor de toepassing der verordening wenselijk kan zijn een duidelijk onderscheid te maken tussen de wettelijke regelingen die respectievelijk onder sociale zekerheid en onder bijstand vallen, maar dat toch de mogelijkheid niet mag worden uitgesloten dat een wettelijke regeling uit hoofde van haar personele werkingssfeer, haar doeleinden en de wijze van toepassing gelijktijdig verwant is met elk van beide categorieën en zich derhalve niet globaal laat indelen;

10. dat ingeval een dergelijke wettelijke regeling, waarin is afgezien van een individuele beoordeling van behoeften — kenmerk van bijstand —, de begunstigden een wettelijk omschreven positie verschaft, zij onder de sociale zekerheid in de zin der Gemeenschapsverordeningen valt;

11. dat zulks het geval is met een wettelijke regeling welke voorziet in aanvullende prestaties die zich naar de graad van invaliditeit richten en dienen ter verhoging van het pensioenbedrag bij invaliditeit;

12. dat het feit dat een zelfde wet tevens ziet op begunstigden ter zake van voordelen welke verwant kunnen zijn aan het begrip bijstand, uit het oogpunt der Gemeenschapsverordeningen geen verandering vermag te brengen in het eigenlijke sociale-zekerheidskarakter van een uitkering die is gekoppeld aan een invaliditeitspensioen, waarvan zij van rechtswege een bijkomend onderdeel vormt;

13. Overwegende dat verordening nr. 3 luidens artikel 2, lid 1, sub b, van toepassing is op alle „uitkeringen ingeval van invaliditeit, met inbegrip van die welke ten doel hebben de arbeidsgeschiktheid te handhaven of te verbeteren”;

14. dat volgens artikel 1, sub s, dier verordening de term „uitkeringen” in de meets ruime zin moet worden verstaan, als te omvatten alle uitkeringen, „met inbegrip van alle bedragen ten laste van de openbare middelen, de bijslagen, de uitkeringen op grond van herziening of de aanvullende uitkeringen”;

15. dat bijgevolg een wettelijke regeling welke een werknemer in loondienst of daarmede gelijkgestelde die in een Lid-Staat invaliditeitspensioen geniet, ter zake van dit pensioen een wettelijk beschermd recht op een aanvullende uitkering toekent, voor deze werknemer deel uitmaakt van de sociale zekerheid in de zin van artikel 51 van het Verdrag en de regeling ter uitvoering van deze bepaling;

16. dat derhalve kan worden geconcludeerd dat, indien een uit een nationaal solidariteitsfonds betaalde aanvullende uitkering krachtens een nationale regeling ter zake van een invaliditeitspensioen wordt toegekend aan de rechthebbenden op dit pensioen, wier arbeidscapaciteit met twee derden is verminderd, en voorzover de belanghebbenden een wettelijk beschermde aanspraak op een dergelijk voordeel hebben, deze uitkering een „uitkering” in de zin van artikel 1, sub s, van verordening nr. 3 is en deswege onder de materiële werkingssfeer dezer verordening valt;

17. Overwegende dat thans dient te worden geantwoord op de vraag of een dergelijke uitkering, welke ingevolge de nationale wettelijke regeling slechts ten goede komt aan degenen die op het nationale grondgebied zijn gevestigd, kan worden ingetrokken op grond dat de begunstigde zijn woonstede heeft verplaatst naar het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die waar de uitkering was verworven;

18. Overwegende dat naar luid van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 3 de pensioenen of renten en de uitkeringen bij overlijden verkregen op grond van de wettelijke regelingen van een of meer van de Lid-Staten, niet kunnen worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende woonachtig is op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die waar zich het orgaan bevindt, dat de uitkering verschuldigd is;

19. dat volgens lid 2 van dit artikel deze bepaling niet van toepassing is op bepaalde uitkeringen, „voorzover deze zijn vermeld in bijlage E van deze verordening”;

20. dat deze bijlage onder de „uitkeringen welke niet in het buitenland worden uitbetaald” bij Frankrijk slechts melding maakt van „de uitkering aan bejaarde werknemers”;

21. dat de door de nationale rechter bedoelde uitkering niet onder deze categorie valt;

22. Overwegende bijgevolg dat een verzekerde, die rechthebbende is op een invaliditeitspensioen onder de ziekteverzekering, door hem als werknemer verworven in een enkele Lid-Staat waar hij woonde, en die uit hoofde van dit pensioen in het genot is van een aanvullende uitkering, het genot hiervan behoudt bij verplaatsing van zijn woonstede naar het grondgebied van een andere Lid-Staat, voorzover deze uitkering onder het toepassingsgebied van verordening nr. 3 valt, en zulks zelfs wanneer deze aanvullende uitkering volgens de nationale wettelijke regeling uitsluitend is voorbehouden aan degenen die op het nationale grondgebied zijn gevestigd;

#### Ten aanzien van de kosten

23. Overwegende dat de kosten, door de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;

24. dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Cour d'appel te Parijs bij arrest van 2 maart 1974 gestelde vraag, verklaart voor recht:

een verzekerde, die rechthebbende is op een invaliditeitspensioen onder de ziekteverzekering, door hem als werknemer verworven in een enkele Lid-Staat waar hij woonde, en die uit hoofde van dit pensioen in het genot is van een aanvullende uitkering, behoudt het genot hiervan bij verplaatsing van zijn woonstede naar het grondgebied van een andere Lid-Staat, voorzover deze uitkering onder het toepassingsgebied van verordening nr. 3 valt, en zulks zelfs wanneer deze aanvullende uitkering volgens de nationale wettelijke regeling uitsluitend is voorbehouden aan degenen die op het nationale grondgebied zijn gevestigd.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

4

verordening 1408/71 art. 4 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 2 voorkomens

verordening 1408/71 art. 10 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 51 1 voorkomen

## Rechtspraak

2

### België

1

Hof van beroep te Bergen 04.09.2019

#### [Belastingplichtige, Vrijstelling, Sociale dienstverlening, Maatschappelijk werk, Assistentiewoningen, Verzorgingstehuis](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplichtige-vrijstelling-sociale-dienstverlening-hof-van-beroep-bergen-2019-09-04-bd77)

### Europese Unie

1

Conclusie van de advocaat-generaal C-335/14 09.07.2015

#### [Vrijstellingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-335-14-conclusie)

## Rechtsleer

1

Sedivy, Gérard: A propos de la distinction entre prestation de sécurité sociale et prestation d'assistance, Droit social 1980 p.563-565
