---
title: "HvJ EU, 232/78, arrest van 25 september 1979 · EEG-Verdrag art. 30 en art. 12"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 september 1979, 232/78: EEG-Verdrag art. 30 en art. 12."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-232-78-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-232-78-arret"
---

# Arrest van het Hof van 25 september 1979, 232/78 · EEG-Verdrag art. 30 en art. 12

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

232/78

**ECLI**

ECLI:EU:C:1979:215

**Datum**

25 september 1979

## De zaak

**Procedure**

Beroep wegens niet-nakoming gegrond

**Zaak ingediend op**

25 oktober 1978

**Advocaat-generaal**

Reischl

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Frans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1979, blz. 2729

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Mackenzie Stuart

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [Gemeenschappelijke marktordeningen: beginselen en instrumenten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.03) [Nationale en gemeenschappelijke marktordeningen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.03.01) 3 beslissingen
  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19)

    - [Beroep wegens niet-nakoming](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.01) [Verweermiddelen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.01.03) 48 beslissingen
    - [Procedurevoorschriften](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.08) [Ontvankelijkheid en onderzoek van verzoekschriften, conclusies en middelen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.08.01) 13 beslissingen
  - [Toetreding van nieuwe lidstaten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-23) [Toetredingsakten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-23.02) [Toetredingsakte van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-23.02.01) [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-23.02.01.02) [Algemene bepalingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-23.02.01.02.01) 2 beslissingen

## Tekst

50 paragrafen

### ARREST

### De feiten

#### I — De feiten en het procesverloop

1.

Aangezien er geen gemeenschappelijke marktordening voor schapevlees bestaat, zijn in Frankrijk nationale maatregelen ter regulering van deze markt vastgesteld.

In de eerste plaats is krachtens „het plan tot rationalisatie van de schapenteelt” steun verleend aan groeperingen van schapenfokkers.

In de tweede plaats wordt, gelet op de aanmerkelijke invloed van de invoer op de vorming van de marktprijzen in Frankrijk, stabilisatie van de nationale prijzen nagestreefd door middel van een stelsel van invoerbeperkingen voor vlees zowel uit derde landen als uit de nieuwe Lid-Staten, waaronder het Verenigd Koninkrijk. Dit stelsel wordt beheerd door het „Office national interprofes sionnel du bétail et des viandes” („ONIBEV”).

Uit klachten van het betrokken Britse bedrijfsleven en uit twee nota's van de Permanente Vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk bij de Europese Gemeenschappen aan de Commissie van 10 januari en 28 februari 1978, (bijlagen I en II bij het verzoekschrift) blijkt dat Frankrijk deze nationale invoerregeling na het einde van 1977 is blijven toepassen ten aanzien van de invoer van schapevlees uit het Verenigd Koninkrijk.

2.

Bij brief nr. SG (78) D/1245 van 2 februari 1978, ingekomen bij de Permanente Vertegenwoordiging van Frankrijk bij de Europese Gemeenschappen op 3 februari 1978, verzocht de Commissie de Franse regering, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf ontvangst van deze brief, haar opmerkingen dienaangaande mee te delen.

Bij brief van 18 april 1978 van zijn Permanente Vertegenwoordiging bij de Europese Gemeenschappen, ingekomen bij de Commissie op 19 april 1978, beriep Frankrijk zich op de ernstige economische gevolgen waartoe de afschaffing van de betrokken nationale beschermingsmaatregelen zouden leiden bij het ontbreken van een communautaire regeling die gelijke waarborgen biedt.

In een met redenen omkleed advies van 22 mei 1978 stelde de Commissie dat de Franse Republiek, door haar nationale regeling bij de invoer van schapevlees uit het Verenigd Koninkrijk na 31 december 1977 te blijven toepassen, krachtens de artikelen 12 en 30 van het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen.

In haar antwoord van 12 juni 1978, ingekomen bij de Commissie op 15 juni 1978, voerde de Franse regering wederom de economische redenen aan die haar zouden nopen haar regeling integraal op de invoer uit het Verenigd Koninkrijk te blijven toepassen.

3.

Van mening dat de door de Franse Republiek gehandhaafde maatregelen niet in overeenstemming waren met de bepalingen van het EEG-Verdrag, heeft de Commissie op 23 oktober 1978 beroep ingesteld tegen de Franse Republiek ter zake van niet-nakoming van de krachtens de artikelen 12 en 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen.

Het beroep is op 25 oktober 1978 ter griffie van het Hof ingeschreven.

Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Conclusies van partijen

In haar verzoekschrift concludeert de Commissie dat het den Hove behage:

Te verklaren dat de Franse Republiek, door haar nationale regeling ter beperking van de invoer van schapevlees uit het Verenigd Koninkrijk na 1 januari 1978 te blijven toepassen, de krachtens artikel 12 en artikel 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2\. De Franse Republiek te verwijzen in de kosten van het geding.”

In haar verweerschrift verzoekt de regering van de Franse Republiek het Hof, het door de Commissie ingestelde beroep te verwerpen.

#### III — Middelen en argumenten van partijen

In haar verzoekschrift beschrijft de Commissie de door de Franse Republiek vastgestelde regeling ter beperking van de invoer van schapevlees als volgt:

De invoer van bevroren schapevlees is, enkele uitzonderingen daargelaten, in beginsel verboden.

2\. De regeling voor de invoer van levende dieren en van vers en gekoeld schapevlees is gebaseerd op een drempelprijs, die wordt beschermd door een stelsel van invoerverboden en specifieke heffingen (‚reversements’). Deze regeling wordt toegepast door afgifte of weigering van nationale invoervergunningen. Hoewel er geen maximumhoeveelheid is vastgesteld, geeft de ONIBEV aan de importeurs enkel invoercertificaten af, die worden afgeboekt op de hun toegekende, qua hoeveelheid en geldigheidsduur beperkte ‚algemene invoervergunning’. Dergelijke invoercertificaten worden door de ONIBEV slechts afgegeven wanneer een bepaalde referentienotering in Frankrijk het niveau van de drempelprijs bereikt of overschrijdt. Wanneer de nationale referentienotering gedurende een week lager is dan die prijs, wordt de afgifte van de invoercertificaten opgeschort totdat de drempelprijs gedurende de volgende week weer wordt bereikt. De invoer wordt stopgezet indien de drempelprijs gedurende twee opeenvolgende weken niet wordt bereikt, terwijl de grens pas opnieuw wordt opengesteld wanneer deze prijs gedurende twee opeenvolgende weken is overschreden.

3\. Bovendien past de ONIBEV bij de invoer van levend slachtvee en van vers of gekoeld schapevlees een specifieke heffing (‚reversement’) toe, waarvan het bedrag varieert naar gelang de referentienotering van schapevlees op de Franse markt. Afhankelijk van het wekelijkse niveau van deze notering wordt de heffing vastgesteld op zes verschillende forfaitaire bedragen.

4\. Zowel het niveau van de drempelprijs als de heffingsbedragen worden periodiek aangepast aan de ontwikkeling van de produktiekosten. De door de importeurs te betalen heffingen zijn sterker gestegen dan de drempelprijzen, omdat gedeeltelijk rekening is gehouden met de waardedaling van de valuta van de schapevlees exporterende landen ten opzichte van de Franse frank; op deze wijze wordt het ontbreken van een specifiek stelsel van monetaire compensatie in de Franse marktordening opgevangen.”

Volgens de Commissie is onverenigbaar met de bepalingen van het EEG-Verdrag inzake het vrije verkeer van goederen, te weten de artikelen 12 en 30, de toepassing door een Lid-Staat in het intracommunautaire verkeer.

van heffingen van gelijke werking als douanerechten zoals de Franse „reversements” bij de invoer van schapevlees;

van kwantitatieve invoerbeperkingen, zoals het sluiten van de Franse grens voor schapevlees uit de Gemeenschap;

van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen, zoals het nationale stelsel van invoervergunningen.

Na de in het EEG-Verdrag bedoelde overgangsperiode kan de toepassing, in het handelsverkeer met een andere Lid-Staat, van nationale maatregelen die afwijken van de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen, niet meer worden gerechtvaardigd door het ontbreken van een gemeenschappelijke marktordening (zie zaak 68/76, Commissie t. Franse Republiek, Jurispr. 1977, blz. 515) noch door het feit dat die maatregelen deel uitmaken van een nationale marktordening voor de betrokken produkten (zie zaak 48/74, Charmasson, Jurispr. 1974, blz. 1383).

Volgens de Commissie kunnen beperkingen van de invoer van schapevlees uit het Verenigd Koninkrijk na het jaar 1977 ook niet meer worden gerechtvaardigd krachtens artikel 60, lid 2, Toetredingsakte.

In haar verweerschrift betoogt de regering van de Franse Republiek dat, met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk, de bepalingen van het EEG-Verdrag moeten worden getoetst aan de bijzondere formuleringen van de Toetredingsakte.

Anders dan het EEG-Verdrag kent de Toetredingsakte niet het beginsel van een „overgangsperiode”. Bij de Toetredingsakte is geen „overgangsperiode” ingesteld: er is enkel sprake van „afwijkende bepalingen” of „overgangsmaatregelen”, waarvan de toepassing aan het einde van het jaar 1977 moet eindigen, onder voorbehoud van „data, termijnen en bijzondere bepalingen” (artikel 9, lid 2). Het arrest van het Hof van Justitie in de zaak-Charmasson kan derhalve niet worden toegepast op de volstrekt andere situatie die uit de Toetredingsakte voortvloeit.

Artikel 60, lid 2, Toetredingsakte is een van de voorbeelden van de in het voorbehoud van artikel 9 bedoelde „bijzondere bepalingen”. Gelet op de fundamentele structurele verschillen tussen de Britse landbouw en die van de oude Lid-Staten, hebben deze laatste bij de toetredingsonderhandelingen erkend dat het niet mogelijk was de regels van het vrije verkeer van het EEG-Verdrag integraal toe te passen op zo fundamenteel verschillende stelsels. Zij hebben dan ook een bijzondere overgangsformule vastgesteld, volgens welke de nationale marktordeningen konden blijven bestaan totdat de Gemeenschap ze door een gemeenschappelijke ordening zou hebben vervangen. Hierdoor werd niet het overgangskarakter van deze bepalingen prijsgegeven, doch werd de noodzaak erkend bijzondere oplossingen te zoeken voor bijzondere situaties.

Dat dit de juiste interpretatie is van artikel 60, lid 2, Toetredingsakte, blijkt uit de vergelijking van deze bepaling met de overeenkomstige bepaling van het EEG-Verdrag, artikel 45. Anders dan artikel 45 EEG-Verdrag geeft artikel 60, lid 2, Toetredingsakte geen overgangsregeling en spreekt het ook niet van een termijn. Het bepaalt letterlijk, dat de afwijkingen van de bepalingen van Titel I en de handhaving van de nationale marktordening mogelijk zijn „totdat de gemeenschappelijke ordening der markten voor deze produkten van toepassing wordt.” De vergelijking van de „bijzondere bepaling” van artikel 60, lid 2, met de andere in de Toetredingsakte genoemde bijzondere bepalingen, en met name de artikelen 54 en 64 alsmede Protocol nr. 18 betreffende de invoer van boter en kaas uit Nieuw-Zeeland, bevestigt de juistheid van hetgeen hiervoor is opgemerkt. Er blijkt immers uit dat, terwijl de bijzondere bepaling moet blijven werken op geen andere voorwaarde dan die welke erin wordt genoemd, over de toepassingstermijn volstrekt wordt gezwegen. A contrario, wanneer ondanks de bijzondere bepaling de termijn van eind 1977 als onherroepelijke termijn is vastgesteld, is deze bepaling formeel na de bijzondere bepaling geschreven.

In een bijlage bij haar verweerschrift beschrijft de regering van de Franse Republiek in het kort de belangrijkste kenmerken van de markt van schapevlees in Frankrijk. Deze kenmerken die de handhaving van de door de Commissie gewraakte maatregelen rechtvaardigen, zijn de volgende:

a) de nationale produktie van schapevlees volstaat niet om aan de binnenlandse vraag te voldoen;

b) de Franse gebieden waarin schapenteelt voorkomt, zijn economische achtergebleven bergstreken;

c) het prijsniveau in Frankrijk, vergeleken met dat van andere producerende landen, vindt zijn verklaring in de hoge produktiekosten en een andere benadering bij de waarborgregeling voor de landbouwinkomens;

d) de stabiliteit van de binnenlandse produktie van schapevlees in Frankrijk contrasteert met de sterke seizoenver-schillen die op de andere producentenmarkten zijn vastgesteld.

Met de door de Franse overheid ingestelde regeling, die gebaseerd is op een drempelprijs, kan worden voorkomen dat de markt ernstig wordt verstoord door plotselinge seizoenschommelingen die nadelig zijn voor het inkomen van de producenten en voor de stabiliteit van de consumentenprijzen. Deze regeling is in alle opzichten vergelijkbaar met de voorzieningen die zijn opgenomen in de regelingen voor landbouwprodukten waarvan de gemeenschapsproduktie deficitair is.

In de regeling van de Franse marktordening voor schapevlees vormen de bestaande bepalingen betreffende de invoer het wezenlijke element, zonder hetwelk deze ordening elk nut voor de handhaving van de levensstandaard van de — voor het merendeel in economisch achtergebleven gebieden gevestigde — producenten zou verliezen. Indien deze marktordening plotseling zonder meer zou verdwijnen, zou dit voor de producenten onherstelbare gevolgen hebben en zouden talrijke bedrijven gedoemd zijn te verdwijnen.

In haar repliek ziet de Commissie ervan af, het door de Franse regering in haar verweerschrift voorgedragen betoog in detail te analyseren, en zij verwijst naar haar opmerkingen in de zaken 118/78 (Meijer) en 231/78 (Commissie t. Verenigd Koninkrijk), waarin de Franse Republiek heeft geïntervenieerd. Het kernprobleem van de onderhavige zaak, namelijk of de toepasselijkheid van artikel 60, lid 2, Toetredingsakte krachtens artikel 9 van die Akte is beperkt tot 31 december 1977 dan wel of de Lid-Staten ingevolge die bepaling de belemmeringen voor het vrije verkeer van een aantal landbouwprodukten onbeperkt mogen handhaven, stelt zich hier in precies dezelfde termen als in de twee voornoemde zaken.

De regering van de Franse Republiek heeft afgezien van dupliek.

#### IV — Mondelinge behandeling

De Commissie, te deze vertegenwoordigd door R.-C. Béraud, en de regering van de Franse Republiek, te deze vertegenwoordigd door N. Museux, hebben ter terechtzitting van 14 juni 1979 mondelinge opmerkingen gemaakt.

Ter terechtzitting heeft de Commissie inzonderheid haar conclusies gewijzigd en het Hof van Justitie verzocht om, gelet op de in artikel 35, 36 en 42 Toetredingsakte gestelde termijnen, te verklaren dat de Franse Republiek de krachtens de artikelen 12 en 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, in de eerste plaats, wat de kwantitatieve invoerbeperkingen betreft — zoals de sluiting van de Franse grens voor schapevlees uit de nieuwe Lid-Staten —, sinds de datum van toetreding; in de tweede plaats, wat betreft de maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen — zoals de nationale invoerregeling —, sinds 1 januari 1975; en tenslotte, wat de heffingen van gelijke werking als douanerechten betreft — zoals de specifieke heffingen („reversements”) bij de invoer van schapevlees —, sinds 1 juli 1977. Ter rechtvaardiging van deze wijziging van de conclusies van haar beroepschrift verklaarde de Commissie dat het beroep was gebaseerd op de veronderstelling dat niet alleen de nieuwe Lid-Staten, maar ook de oorspronkelijke Lid-Staten zich konden beroepen op artikel 60, lid 2, Toetredingsakte en dat deze bepaling het laatstbedoelde Staten derhalve mogelijk maakte, zich te verzetten tegen de invoer van produkten uit nieuwe Lid-Staten gedurende de periode vanaf de datum van toetreding tot 31 december 1977. Volgens de Commissie volgt echter uit het intussen op 29 maart 1979 gewezen arrest in zaak 231/78 (Commissie t. Verenigd Koninkrijk, nog niet gepubliceerd), dat het Hof de mogelijkheid heeft willen uitsluiten dat de oorspronkelijke Lid-Staten een beroep doen op artikel 60, lid 2, Toetredingsakte. Daarom meent de Commissie de data vanaf welke de verdragsschending heeft plaatsgehad, te moeten wijzigen.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 4 juli 1979 conclusie genomen.

### In rechte

1. i Bij op 25 oktober 1978 ter griffie van het Hof ingekomen verzoekschrift heeft de Commissie krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld bij het Hof teneinde te doen vaststellen dat „de Franse Republiek, door haar nationale regeling ter beperking van de invoer van schapevlees uit het Verenigd Koninkrijk na 1 januari 1978 te blijven toepassen, de krachtens artikel 12 en artikel 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.” De Franse regering heeft te harer verdediging in wezen gesteld dat zij krachtens artikel 60, lid 2, Toetredingsakte gerechtigd is bedoelde invoerbeperkingen te handhaven zolang voor schapevlees geen gemeenschappelijke marktordening bestaat.

2. Onder verwijzing naar het arrest dat het Hof in de loop van het onderhavige geding op 29 maart 1979 heeft gewezen, (zaak 231/78, Commissie t. Verenigd Koninkrijk) heeft de Commissie ter terechtzitting haar conclusies gewijzigd en het Hof verzocht, gelet op de opvatting die aan genoemd arrest ten grondslag ligt, vast te stellen dat de door de Franse autoriteiten -gehandhaafde nationale regeling betreffende de invoer van schapevlees in bepaalde opzichten vanaf 1 januari 1977, in andere opzichten vanaf 1 januari 1975, en in nog andere tenslotte sedert de datum van toetreding onverenigbaar was met de artikelen 12 en 30 EEG-Verdrag. Volgens de Commissie volgt uit voornoemd arrest dat alleen de nieuwe Lid-Staten zich op artikel 60, lid 2, Toetredingsakte kunnen beroepen en dat mitsdien bij het onderzoek van de vraag of invoerbeperkingen die de oorspronkelijke Lid-Staten toepassen op de produkten uit een nieuwe Lid-Staat, in overeenstemming zijn met het Verdrag, mede moet worden gelet op de data die in de artikelen 35, 36, en 42 Toetredingsakte zijn bepaald.

3. De door de Commissie ter terechtzitting ingediende nieuwe conclusies zijn niet ontvankelijk, aangezien zij in strijd zijn met artikel 38 van het Reglement voor de procesvoering. Volgens dit artikel zijn partijen verplicht in het verzoekschrift het onderwerp van het geschil te omschrijven. Hoewel artikel 42 van het Reglement voor de procesvoering onder bepaalde voorwaarden toestaat nieuwe middelen voor te dragen, kan een partij niet in de loop van het geding het onderwerp zelf van het geschil wijzigen. Hieruit volgt dat de gegrondheid van het beroep uitsluitend dient te worden onderzocht gelet op de conclusies van het inleidend verzoekschrift, dat wil zeggen met betrekking tot het tijdvak na 1 januari 1978.

4. Uit de overwegingen van voornoemd arrest van 29 maart 1979 volgt dat artikel 60, lid 2, Toetredingsakte sedert het einde van 1977 geen rechtsgevolg meer heeft. Deze bepaling is derhalve niet van toepassing in het tijdvak waarvoor de Commissie heeft verzocht te verklaren dat de Franse Republiek in gebreke is gebleven. Voor de oplossing van het onderhavige geschil dient zij dus buiten beschouwing te blijven. Dit geschil dient enkel te worden beslist op grond van de artikelen 12 en 30 EEG-Verdrag. De door de Franse regering aan de Toetredingsakte ontleende argumenten moeten derhalve bij het onderzoek van het geschil buiten beschouwing worden gelaten.

#### Ten gronde

5. Het staat vast dat voor de invoer van schapevlees in Frankrijk een beperkende regeling geldt, die is gebaseerd op een „drempelprijs”, welke wordt beschermd door een stelsel van invoerverboden en specifieke heffingen („re-versements”). De invoer van schapevlees in Frankrijk is slechts toegestaan wanneer een bepaalde referentienotering in Frankrijk het niveau van de drempelprijs bereikt of overschrijdt. Bovendien wordt op de invoer van levende, voor de slacht bestemde schapen en van vers of gekoeld schapevlees een „reversement” geheven waarvan het bedrag varieert naargelang de nationale referentienotering van schapevlees op de Franse markt.

6. De Franse regering betwist niet dat deze regeling in strijd is met de verdragsbepalingen betreffende de afschaffing van beperkingen van het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap. Maar om de handhaving van deze regeling en de toepassing ervan op de invoer van schapevlees uit het Verenigd Koninkrijk te rechtvaardigen, voert zij in hoofdzaak drie argumenten aan. In de eerste plaats wijst zij op de ernstige economische en sociale gevolgen die ontmanteling van de nationale marktordening zou hebben voor de economie van bepaalde economisch achtergebleven gebieden, waar de schapenteelt een belangrijke bron van inkomsten vormt. In de tweede plaats vestigt zij de aandacht op de stand van de werkzaamheden ter invoering van een gemeenschappelijke marktordening voor schapevlees, en wijst zij op de rampzalige gevolgen wanneer tussen de afschaffing van de nationale marktorganisatie en haar vervanging door een gemeenschappelijke ordening een periode van vrij handelsverkeer zou vallen. Tenslotte wijst zij op de mededingingsongelijkheid die zou ontstaan wanneer zij verplicht werd haar marktordening af te schaffen, terwijl in Groot-Brittannië in de betrokken sector een nationale marktordening zou blijven bestaan, gebaseerd op het stelsel van „deficiency payments”, waardoor de uitvoer van schapevlees naar Frankrijk zou worden gesubsidieerd.

7. Het Hof miskent niet de realiteit van de problemen waarvoor de Franse overheid in de betrokken sector een oplossing moet vinden, noch het belang om op zo kort mogelijke termijn een gemeenschappelijke marktordening voor schapevlees tot stand te brengen. Doch zoals het reeds heeft beklemtoond in zijn arresten van 2 december 1974 (zaak 48/74, Charmasson, Jurispr. 1974, blz. 1383) en 29 maart 1979 (voornoemd), moet het erop wijzen dat na afloop van de overgangsperiode van het EEG-Verdrag en, wat de nieuwe Lid-Staten betreft, na afloop van de in de Toetredingsakte vastgestelde bijzondere overgangstermijnen, de werking van een nationale marktordening niet meer in de weg kan staan aan de volledige gelding van de verdragsbepalingen betreffende de afschaffing van beperkingen in het intracommunautaire handelsverkeer, daar de behoeften van de betrokken markten voortaan onder de verantwoordelijkheid van de gemeenschapsinstellingen vallen. Het verstrijken van de overgangstermijnen houdt derhalve in, dat de aan de Gemeenschap uitdrukkelijk toegewezen materies en gebieden onder haar bevoegdheid vallen, zodat, wanneer nog bijzondere maatregelen noodzakelijk zijn, deze niet meer eenzijdig door de betrokken Lid-Staten kunnen worden genomen, doch moeten worden vastgesteld in het kader van de communautaire orde, die de bescherming van het algemeen belang van de Gemeenschap moet waarborgen.

8. Het staat derhalve enkel aan de bevoegde instellingen, binnen passende termijnen de noodzakelijke maatregelen te nemen om in een gemeenschappelijk kader een globale oplossing te vinden voor het probleem van de markt van schapevlees en voor de bijzondere moeilijkheden die zich dienaangaande in bepaalde streken voordoen. Het feit dat de desbetreffende werkzaamheden nog niet tot resultaat hebben geleid, vormt echter voor een Lid-Staat onvoldoende grond om een nationale marktordening te handhaven die kenmerken vertoont welke onverenigbaar zijn met de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen, zoals invoerbeperkingen en de toepassing van heffingen, hoe ook genaamd, op ingevoerde produkten.

9. De Franse Republiek kan ter rechtvaardiging van het bestaan van een dergelijke regeling niet aanvoeren dat ook het Verenigd Koninkrijk een nationale marktordening voor de betrokken sector heeft gehandhaafd. Zo zij zou menen dat deze regeling elementen bevat die onverenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, kan zij daartegen opkomen, hetzij binnen de Raad, hetzij via de Commissie, hetzij tenslotte door een beroep in rechte teneinde deze onverenigbaarheden te doen opheffen. In geen geval mag een Lid-Staat zich het recht aanmeten om eenzijdig corrigerende of beschermingsmaatregelen vast te stellen, teneinde het hoofd te bieden aan een eventuele miskenning door een andere Lid-Staat van de regels van het Verdrag.

10. Derhalve dient te worden geconcludeerd dat de door de Franse overheid gehandhaafde nationale marktordening voor schapevlees onverenigbaar is met het Verdrag, voor zover zij voorziet in vaststelling van een drempelprijs welke wordt beschermd door een stelsel van invoerverboden en het toepassen van een heffing bij de invoer van schapevlees uit een andere Lid-Staat. Er moet op worden gewezen, dat deze vaststelling de Franse overheid niet belet, in afwachting van de totstandbrenging van een gemeenschappelijke marktordening ten behoeve van de betrokken sector elke steunmaatregel te nemen, waarvan de kenmerken verenigbaar zijn met de bepalingen van het Verdrag.

11. Mitsdien is de Franse Republiek, door haar nationale regeling ter beperking van de invoer van schapevlees uit het Verenigd Koninkrijk na 1 januari 1978 te blijven toepassen, de krachtens de artikelen 12 en 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

#### Kosten

12. Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verweerster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende, verklaart:

1\. Door haar nationale regeling ter beperking van de invoer van schapevlees uit het Verenigd Koninkrijk na 1 januari 1979 te blijven toepassen, is de Franse Republiek de krachtens de artikelen 12 en 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2\. Verweerster wordt verwezen in de kosten van het geding.

### Voetnoten

- 1 Zie Verweerschrift, bijlage, blz. 25.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

4

EEG-Verdrag art. 30 9 voorkomens

EEG-Verdrag art. 12 7 voorkomens

EEG-Verdrag art. 169 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 45 1 voorkomen

## Rechtspraak

2

### Europese Unie

2

Hof van Justitie C-131/01 13.02.2003

#### [EG-Verdrag art. 49 en art. 50](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-131-01-arrest)

Conclusie van advocaat-generaal Alber C-83/99 28.09.2000

#### [Toepassing van verlaagt tarief op tolgenden autosnelwegen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-83-99-conclusie)

## Rechtsleer

7

Hall, D.F.: Plus ça change..., The Law Society's Gazette 1979 p.1089 (EN)

Meier, Gert: Die europäische Rechtsgemeinschaft am Scheideweg - Ein Epilog zum Schaffleischstreit - Zugleich eine Anmerkung zum Beschluß des EuGH vom 28/03/1980 in den verbundenen Rechtssachen 24 und 97/80 R, Recht der Internationalen Wirtschaft / Außenwirtschaftsdienst des Betriebs-Beraters 1980 p.246-250 (DE)

Megret, Jean: Gazette du Palais 1980 II Som. p.208-209 (FR)

Megret, Jean: Verso una organizzazione comune di mercato per la carne ovina?, Rivista di diritto agrario 1980 II p.309-312 (IT)

Meier, Gert: Integrationskraft und Rechtsgemeinschaft, Recht der Internationalen Wirtschaft / Außenwirtschaftsdienst des Betriebs-Beraters 1980 p.39-41 (DE)

**Bekijk de 2 andere verwijzingen**

Kovar, Robert: Journal du droit international 1981 p.108-110 (FR)

Simon, Denys: Journal du droit international 1981 p.145-149 (FR)
