---
title: "HvJ EU, C-223/98, Adidas AG, arrest van 14 oktober 1999 · Vrij verkeer van goederen"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 oktober 1999, C-223/98, Adidas AG: vrij verkeer van goederen."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-223-98-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-223-98-arret"
---

# Arrest van het Hof van 14 oktober 1999, C-223/98, Adidas AG · Vrij verkeer van goederen, verbod op het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen, nationale bepaling inzake de geheimhouding van de namen van de geadresseerden van zendingen die op basis van de verordening door de douaneautoriteiten zijn tegengehouden, verenigbaarheid van de nationale bepaling met verordening (EG) nr. 3295/94

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Vijfde kamer

**Zaak**

C-223/98

**ECLI**

ECLI:EU:C:1999:500

**Datum**

14 oktober 1999

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Kammarrätten i Stockholm (Zweden) beslissing van 16 juni 1998 2333-1998

**Zaak ingediend op**

18 juni 1998

**Advocaat-generaal**

Cosmas

**Opmerkingen**

Belgische, Italiaanse regering Commissie

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Zweeds

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1999, blz. I-7081

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Wathelet

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Handelspolitiek](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-14) [Communautaire regeling voor handel met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-14.01) [Maatregelen ter bestrijding van namaak in het handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-14.01.04) 2 beslissingen

## Tekst

37 paragrafen

### Arrest

1. Bij beschikking van 16 juni 1998, binnengekomen bij het Hof op 18 juni daaraanvolgend, heeft Kammarrätten i Stockholm krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden (PB L 341, blz. 8; hierna: „verordening”).

2. Die vraag is gerezen in een beroep dat Adidas AG, die in Zweden merkhouder is van verschillende sportartikelen en sport- en vrijetij dskleding, heeft ingesteld tegen de weigering van het Zweedse douanekantoor Arlanda om haar de identiteit te onthullen van de geadresseerde van door dit kantoor onderschepte goederen waarvan werd vermoed, dat het om namaakproducten van het merk Adidas ging.

### De verordening

3. Volgens de tweede overweging van de considerans van de verordening heeft deze laatste tot doel, het in de handel brengen van nagemaakte en van door piraterij verkregen goederen zo veel mogelijk te verhinderen en daartoe maatregelen te nemen waarmee de illegale handel in dergelijke goederen doeltreffend kan worden bestreden.

4. Daartoe stelt de verordening vast, in de eerste plaats, onder welke voorwaarden de douaneautoriteiten optreden wanneer goederen waarvan wordt vermoed dat zij zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen, voor het vrije verkeer, voor uitvoer of wederuitvoer worden aangegeven of worden aangetroffen bij een controle op goederen die geplaatst zijn onder een schorsingsregeling (artikel 1, lid 1, sub a, van de verordening) en, in de tweede plaats, welke maatregelen de bevoegde autoriteiten ten aanzien van deze goederen dienen te nemen wanneer wordt vastgesteld dat zij inderdaad zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen (artikel 1, lid 1, sub b, van de verordening).

5. Volgens artikel 3 van de verordening kan de houder van een fabrieks- of handelsmerk, een auteursrecht, naburige rechten of een recht op een tekening of model (hierna: „houder van het recht”), de onder de douaneautoriteit ressorterende dienst schriftelijk verzoeken ervoor te zorgen dat de douaneautoriteiten optreden wanneer de goederen worden vermoed te zijn nagemaakt of door piraterij te zijn verkregen. Dit verzoek moet een beschrijving van de goederen en een bewijs van het recht van de indiener bevatten. Voorts moet in het verzoek worden aangegeven gedurende welke periode om optreden van de douaneautoriteiten wordt verzocht. De houder van het recht dient bovendien alle andere dienstige inlichtingen te verstrekken om de douanedienst in staat te stellen met kennis van zaken op het verzoek te beschikken, met dien verstande dat verstrekking van deze gegevens geen voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het verzoek vormt. De bevoegde douanedienst neemt het verzoek vervolgens in behandeling en stelt de verzoeker onverwijld schriftelijk in kennis van zijn beschikking.

6. Wanneer het voor het douanekantoor, bij een controle in het kader van een van de in artikel 1, lid 1, sub a, van de verordening bedoelde douaneprocedures en voordat een verzoek van de houder van het recht is ingediend of ingewilligd, duidelijk is, dat het nagemaakte of door piraterij verkregen goederen betreft, kan het de goederen krachtens artikel 4 van de verordening ook ambtshalve tegenhouden. Volgens de in de betrokken lidstaat geldende voorschriften kan zij de houder van het recht, voor zover bekend, op de hoogte stellen van het gevaar van overtreding. In dat geval is de douaneautoriteit gemachtigd de vrijgave op te schorten of de betrokken goederen gedurende drie werkdagen tegen te houden, teneinde de houder van het recht in staat te stellen een verzoek om optreden overeenkomstig artikel 3 van de verordening in te dienen.

7. Artikel 5 van de verordening bepaalt, dat de beschikking tot inwilliging van het verzoek van de houder van het recht onverwijld wordt meegedeeld aan de douanekantoren van de lidstaat die betrokken kunnen zijn bij in het verzoek omschreven goederen waarvan wordt vermoed dat zij zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen.

8. Wanneer een douanekantoor waaraan de beschikking tot inwilliging van het verzoek van de houder van het recht overeenkomstig artikel 5 is doorgegeven, in voorkomend geval na raadpleging van de indiener van het verzoek, vaststelt dat bepaalde goederen overeenstemmen met de in de beschikking beschreven nagemaakte of door piraterij verkregen goederen, schort deze dienst volgens artikel 6, lid 1, eerste alinea, de vrijgave van de betrokken goederen op of houdt hij de goederen tegen.

9.

Artikel 6, lid 1, tweede alinea, van de verordening, de bepaling die in de onderhavige zaak centraal staat, luidt als volgt:

> „Het douanekantoor stelt de dienst die het verzoek overeenkomstig artikel 3 in behandeling heeft genomen onverwijld op de hoogte. Deze dienst of het kantoor stelt de aangever of de indiener van het verzoek om optreden onverwijld op de hoogte. Overeenkomstig de nationale bepalingen betreffende de bescherming van persoonsgegevens, het handels- en industrieel geheim alsmede het beroeps- en administratief geheim, stelt het douanekantoor of de dienst die het verzoek heeft behandeld, de houder van het recht op diens verzoek in kennis van naam en adres van de aangever en, voor zover bekend, van de geadresseerde, zodat hij de zaak kan voorleggen aan de bevoegde autoriteiten voor een beslissing ten principale. De indiener van het verzoek en de betrokkenen bij een optreden als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a, worden door het douanekantoor in de gelegenheid gesteld de goederen waarvan de vrijgave is opgeschort, respectievelijk de goederen die zijn tegengehouden, te onderzoeken.”

10. De opschorting van de vrijgave of het tegenhouden van de goederen is tijdelijk. Indien het douanekantoor dat tot de opschorting of de tegenhouding is overgegaan binnen tien werkdagen na de kennisgeving van de opschorting van de vrijgave of de tegenhouding niet van de inschakeling van de autoriteit die bevoegd is ten principale te beschikken, in kennis is gesteld, noch bericht heeft ontvangen dat de hiertoe bevoegde autoriteit conservatoire maatregelen heeft genomen, worden de goederen, indien alle douaneformaliteiten zijn vervuld en de tegenhouding is opgeheven, overeenkomstig artikel 7, lid 1, van de verordening vrijgegeven. In passende gevallen kan deze termijn met maximaal tien werkdagen worden verlengd.

11. Voorts bevat de verordening een aantal garanties ten gunste van de aangever en de geadresseerde van de goederen die aan een controle zijn onderworpen.

12.

Om te beginnen bepaalt artikel 3, lid 6, van de verordening:

> „Wanneer het verzoek van de houder van het recht ingewilligd is of wanneer er krachtens artikel 6, lid 1, is opgetreden overeenkomstig artikel 1, lid 1, onder a, kunnen de lidstaten eisen dat de houder van het recht een zekerheid stelt, die bestemd is om:
>
> —zijn eventuele aansprakelijkheid te dekken jegens de betrokkenen bij een in artikel 1, lid 1, onder a, bedoeld optreden indien de op grond van artikel 6, lid 1, ingeleide procedure geen gevolg heeft wegens het handelen of nalaten van de houder van het recht of indien naderhand mocht worden vastgesteld dat de betrokken goederen niet zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen;
>
> —de betaling te waarborgen van de kosten die overeenkomstig deze verordening zijn gemaakt om de goederen met toepassing van artikel 6 onder douanetoezicht te houden.”

13.

Voorts bepaalt artikel 7, lid 2, eerste alinea, van de verordening:

> „Voor zover het goederen betreft waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een recht met betrekking tot een tekening of model kan de eigenaar, de importeur of de geadresseerde van de goederen tegen zekerheidstelling vrijgave of opheffing van de tegenhouding van de betrokken goederen verkrijgen, op voorwaarde dat:
>
> —de in artikel 6, lid 1, bedoelde douanedienst of het aldaar bedoelde douanekantoor binnen de in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde termijn op de hoogte is gesteld van de inschakeling van de in artikel 6, lid 1, bedoelde, voor de beschikking ten principale bevoegde autoriteit;
>
> —bij het verstrijken van die termijn, de daartoe aangewezen autoriteit geen conservatoire maatregelen heeft uitgevaardigd, en
>
> —alle douaneformaliteiten zijn vervuld.”

14.

Ten slotte wordt in artikel 9, lid 3, van de verordening bepaald:

> „De eventuele wettelijke aansprakelijkheid van de houder van het recht wordt beheerst door het recht van de lidstaat waar de betrokken goederen in een situatie als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a, verkeren.”

### De Zweedse wettelijke regeling

15. Ingevolge artikel 2, eerste alinea, van hoofdstuk 9 van de sekretesslag (1980:100) (Zweedse wet van 1980 inzake de bescherming van gegevens) geldt voor in het kader van een douanecontrole verkregen inlichtingen over de persoonlijke of economische situatie van een particulier, behoudens een aantal voor de onderhavige zaak irrelevante uitzonderingen, een geheimhoudingsplicht. Artikel 2, tweede alinea, van de sekretesslag, die naar artikel 1 van deze wet verwijst, bepaalt echter, dat inlichtingen die in het kader van een douanecontrole zijn verkregen kunnen worden vrijgegeven, indien is vastgesteld, dat de betrokkene hierdoor geen schade zal lijden.

### Het hoofdgeding

16. Op 16 februari 1998 besloot het douanekantoor Arlanda (Stockholm) krachtens artikel 4 van de verordening, het in het vrije verkeer brengen van bepaalde goederen op te schorten, en stelde het Adidas AG ervan op de hoogte, dat het om namaakproducten van het gedeponeerd merk Adidas kon gaan.

17. Een vertegenwoordiger van Adidas Sverige AB, een dochtermaatschappij van Adidas AG, controleerde de goederen en stelde vast, dat het om namaakproducten ging. Adidas AG diende een verzoek om optreden in de zin van artikel 3 van de verordening in. Op 17 februari 1998 besloot de algemene douanedirectie dit verzoek in te willigen.

18. Op grond van de verordening konden de goederen tot en met 17 maart 1998 worden tegengehouden. Na die datum achtten de douaneautoriteiten zich niet meer gerechtigd de goederen tegen te houden, aangezien Adidas AG de zaak niet aan een gewone rechterlijke instantie had voorgelegd.

19. Daar Adidas AG noch de aangever noch de geadresseerde van de goederen kende, verzocht zij om inlichtingen over zijn identiteit, teneinde een actie tegen hem te kunnen instellen. Dit verzoek werd door het douanekantoor Arlanda krachtens artikel 2 van hoofdstuk 9 van de sekretesslag afgewezen.

20. Adidas AG ging van deze weigering in beroep bij Kammarrätten i Stockholm en betoogde dat zij, om het geding voor een gewone rechterlijke instantie te kunnen brengen, in de eerste plaats informatie over de geadresseerde van de goederen nodig had.

21. Kammarrätten overwoog, dat aangezien de bekendmaking van de door Adidas AG gevraagde inlichtingen de geadresseerde van de goederen schade kon berokkenen, de sekretesslag het douanekantoor Arlanda belette, de in zijn bezit zijnde inlichtingen openbaar te maken.

22.

Onder deze omstandigheden heeft Kammarrätten i Stockholm de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:

> „Verzet verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad zich tegen een nationale bepaling op grond waarvan de identiteit van de aangever of van de geadresseerde van ingevoerde goederen waarvan de merkhouder heeft vastgesteld dat zij zijn nagemaakt, niet aan de merkhouder kan worden meegedeeld?”

### De prejudiciële vraag

23. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet bij de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar eveneens met haar context en met de doeleinden die worden beoogd door de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie, onder meer, arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, Jurispr. blz. 3781, punt 12, en 21 februari 1984, St. Nikolaus Brennerei, 337/82, Jurispr. biz. 1051, punt 10).

24. Voorts moet worden opgemerkt, dat wanneer een gemeenschapsrechtelijke bepaling voor verschillende uitleggingen vatbaar is, waarvan er slechts één de nuttige werking van de bepaling kan verzekeren, aan die uitlegging de voorkeur moet worden gegeven (zie, in die zin, arrest van 22 september 1988, Saarland e.a., 187/87, Jurispr. blz. 5013, punt 19).

25. Wanneer de nationale instanties een communautaire verordening ten uitvoer moeten leggen, zoals dat het geval is met verordening nr. 3295/94, kan ten slotte slechts een beroep op nationale bepalingen worden gedaan voor zover dit noodzakelijk is voor de juiste toepassing van die verordening en de draagwijdte en de doeltreffendheid van deze laatste hierdoor niet worden geschaad (zie, in die zin, arrest van 6 mei 1982, BayWa e.a., 146/81, 192/81 en 193/81, Jurispr. blz. 1503, punt 29). Die nationale maatregelen moeten algemeen, op grond van de in artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG) vastgelegde verplichtingen, de toepassing van de gemeenschapsverordening vergemakkelijken en de uitvoering ervan niet belemmeren (zie, in die zin, arrest van 17 december 1970, Scheer, 30/70, Jurispr. blz. 1197, punt 8).

26. Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat de verordening de houder van het recht een essentiële rol toebedeelt om het op de markt brengen van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen zo veel mogelijk te verhinderen. Uit de artikelen 3 en 4 van de verordening blijkt immers, dat het tegenhouden van goederen door de douaneautoriteiten in beginsel afhangt van een verzoek van die houder. Voorts is de definitieve veroordeling van dergelijke praktijken door de nationale autoriteit die bevoegd is ten principale te beschikken, slechts mogelijk nadat deze door de houder van het recht is ingeschakeld. Laat de houder van het recht dit achterwege, dan verliest de opschorting van de vrijgave of de tegenhouding van de goederen overeenkomstig artikel 7, lid 1, van de verordening op korte termijn haar gevolgen.

27. Een doeltreffende toepassing van de verordening is dus rechtstreeks afhankelijk van de informatie die aan de houder van het intellectuele-eigendomsrecht wordt verstrekt. Kan de identiteit van de aangever en/of de geadresseerde van de goederen hem niet worden meegedeeld, dan kan hij in de praktijk immers niet de bevoegde nationale autoriteit inschakelen.

28. De verwijzing in artikel 6, lid 1, tweede alinea, van de verordening naar de nationale bepalingen betreffende de bescherming van persoonsgegevens, het handels- en industrieel geheim alsmede het beroeps- en administratief geheim, kan onder deze omstandigheden niet aldus worden opgevat, dat op grond daarvan kan worden verhinderd, dat aan de houder van het recht de ter bescherming van zijn belangen noodzakelijke informatie wordt meegedeeld.

29. Voor het overige zij erop gewezen, dat verschillende bepalingen van de verordening de aangever en de geadresseerde van de aan de controle onderworpen goederen beogen te beschermen, teneinde te vermijden dat de bekendmaking van hun naam en adres aan de houder van het recht hun schade berokkent.

30. In de eerste plaats dient een douanekantoor dat vaststelt dat de gecontroleerde goederen overeenstemmen met de omschrijving van de nagemaakte of door piraterij verkregen goederen, de aangever van die goederen krachtens artikel 6, lid 1, tweede alinea, van de verordening daarvan onverwijld op de hoogte te brengen. Volgens artikel 7, lid 2, van de verordening kan de eigenaar, de importeur of de geadresseerde van de goederen tegen zekerheidstelling vrijgave of opheffing van de tegenhouding van de betrokken goederen verkrijgen.

31. Vervolgens blijkt uit artikel 6, lid 1, tweede alinea, van de verordening, dat de houder van het recht de door het douanekantoor verstrekte gegevens alleen kan gebruiken om de zaak voor te leggen aan de nationale autoriteit die bevoegd is ten principale te beschikken. Worden die gegevens voor andere doeleinden gebruikt, dan kan de houder van het recht overeenkomstig artikel 9, lid 3, van de verordening aansprakelijk worden gesteld op basis van het recht van de lidstaat waar de goederen zich bevinden.

32. Ten slotte wordt de vergoeding van schade als gevolg van onrechtmatig gebruik van de gegevens of van elke andere schade die de aangever of de geadresseerde van de goederen eventueel heeft geleden, vergemakkelijkt doordat de lidstaten op grond van artikel 3, lid 6, van de verordening van de houder van het recht een zekerheidstelling kunnen verlangen.

33. Gelet op bovenstaande overwegingen moet aan de verwijzende rechter worden geantwoord, dat de verordening aldus moet worden uitgelegd, dat zij zich verzet tegen een nationale bepaling op grond waarvan de identiteit van de aangever of van de geadresseerde van ingevoerde goederen waarvan de merkhouder heeft vastgesteld dat het namaakproducten zijn, aan laatstgenoemde niet kan worden meegedeeld.

### Kosten

34. De kosten door de Belgische en de Italiaanse regering alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door Kammarrätten i Stockholm bij beschikking van 16 juni 1998 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden, moet aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzet tegen een nationale bepaling op grond waarvan de identiteit van de aangever of van de geadresseerde van ingevoerde goederen waarvan de merkhouder heeft vastgesteld dat het namaakproducten zijn, aan laatstgenoemde niet kan worden meegedeeld.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

4

EG-Verdrag art. 177 1 voorkomen

EG-Verdrag art. 5 1 voorkomen

EG-Verdrag art. 10 1 voorkomen

EG-Verdrag art. 234 1 voorkomen

## Rechtspraak

10

### België

1

Rechtbank van eerste aanleg te Leuven 13.01.2006

#### [Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, 13 januari 2006](https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-leuven-2006-01-13-a629)

### Europese Unie

9

Hof van Justitie C-518/08 15.04.2010

#### [Onderlinge aanpassing van wetgevingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-518-08-arrest)

Hof van Justitie C-199/08 10.09.2009

#### [Rechtsbijstandverzekering](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-199-08-arrest)

Hof van Justitie C-268/06 15.04.2008

#### [Clausules 4 en 5 van raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-268-06-arrest)

## Rechtsleer

10

Giele, J.F.M.: Europees Hof in strijd tegen namaak, Nederlandse staatscourant 1999 nº 201 p.2 (NL)

Verkade, D.W.F.: HvJEG: Anti-piraterij-verordening gaat boven privacywet, Bijblad bij de industriële eigendom 1999 p.436-437 (NL)

Rigaux, Anne: Europe 1999 Décembre Comm. nº 412 p.11-12 (FR)

Goesseringer, Wilhelm: Nationale Datenschutzbestimmungen und Schutz vor Markenpiraten, European Law Reporter 1999 p.453-454 (DE)

Evrard, Sébastien: Revue de droit intellectuel : l'ingénieur-conseil 1999 p.553-554 (FR)

**Bekijk de 5 andere verwijzingen**

Speyart, H.M.H.: Piraterijbestrijding prevaleert boven gegevensbescherming, Nederlands tijdschrift voor Europees recht 2000 p.57-58 (NL)

Berr, Claude J.: Chronique de jurisprudence du Tribunal et de la Cour de justice des Communautés européennes. Circulation des marchandises, Journal du droit international 2000 p.463-464 (FR)

Nicotra Guerrera, Ida: Trattamento dei dati personali ed effettività del diritto di difesa: un non facile contemperamento realizzato dal giudice comunitario per la tutela del marchio, Diritto pubblico comparato ed europeo 2000 p.298-302 (IT)

Martín Jiménez, Adolfo J.: Jurisprudencia del Tribunal de Justicia de las Comunidades Europeas, Revista española de Derecho Financiero 2000 p.658-661 (ES)

Fiumara, Oscar: Comunicazione dei dati personali per far valere o difendere un diritto: il titolare del diritto di marchio e l'importazione di merci contraffatte o usurpative, Rassegna dell'avvocatura dello Stato 2000 I Sez. II p.98-100 (IT)
