---
title: "HvJ EU, 218/86, SAR Schotte GmbH, arrest van 9 december 1987"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 december 1987, 218/86."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-218-86-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-218-86-arret"
---

# Arrest van het Hof van 9 december 1987, 218/86, SAR Schotte GmbH

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Zesde kamer

**Zaak**

218/86

**ECLI**

ECLI:EU:C:1987:536

**Datum**

9 december 1987

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Oberlandesgericht Düsseldorf (Duitsland) beslissing van 10 juli 1986 6 U 17/86

**Zaak ingediend op**

7 augustus 1986

**Advocaat-generaal**

Sir Gordon Slynn

**Opmerkingen**

Duitse regering Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

Oberlandesgericht Düsseldorf beslissing van 4 februari 1988

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1987, blz. 4905

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Koopmans

**Repertorium van het Hof**

- [Verdrag betreffende rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-E) [Bijzondere bevoegdheid](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-E-05) Bevoegdheid ten aanzien van geschillen betreffende exploitatie van filiaal

## Tekst

21 paragrafen

### Arrest

1. Bij beschikking van 10 juli 1986, ingekomen ten Hove op 7 augustus daaraanvolgend, heeft het Oberlandesgericht Düsseldorf krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Executieverdrag) een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 5, sub 5, Executieverdrag.

2. Deze vraag is gerezen in een geschil tussen de Duitse vennootschap SAR Schotte GmbH, te Hemer (verzoekster), en de Franse vennootschap Parfums Rothschild SARL (verweerster), te Parijs. Dit geschil betreft de uitvoering van een aantal orders voor de levering door Schotte aan verweerster van verstuiverpompen met toebehoren voor parfumerieartikelen. Verweerster klaagde erover, dat de verstuivers ongeschikt waren voor het gebruik. Na een vruchteloze correspondentie vorderde Schotte voor het Landgericht Düsseldorf betaling van een bedrag, overeenkomend met zes nog openstaande rekeningen.

3. Blijkens het dossier had Schotte de aan de bestellingen en leveringen voorafgegane onderhandelingen niet met verweerster gevoerd, doch met de vennootschap Rothschild GmbH, te Düsseldorf. Tussen deze laatste en Schotte was uitvoerig gecorrespondeerd over de klachten betreffende de geleverde verstuivers. Alle brieven die Rothschild GmbH verstuurde, zowel tijdens de voorafgaande onderhandelingen als naar aanleiding van de klachten, waren ondertekend door twee personen, waarvan de ene directeur van Rothschild GmbH én van Parfums Rothschild SARL was en de andere directeur van Parfums Rothschild SARL.

4. In eerste instantie had Schotte Rothschild GmbH voor het Landgericht gedaagd. Deze bestreed aldaar echter haar passieve legitimatie en betoogde, dat de betrokken vorderingen uitsluitend verweerster betroffen. Daarop dagvaardde Schotte de Franse vennootschap, hetgeen door het Landgericht als een wijziging van de oorspronkelijke vordering werd aanvaard.

5. Voor het Landgericht voerde verweerster aan, dat de Duitse gerechten onbevoegd waren om kennis te nemen van het geschil. Schotte daarentegen betoogde, dat de Duitse gerechten bevoegd waren op grond van artikel 5, sub 5, Executieverdrag, dat bepaalt, dat een verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, voor het gerecht van een andere verdragsluitende Staat kan worden opgeroepen dan die waarin hij woonplaats heeft, en wel „ten aanzien van een geschil betreffende de exploitatie van een filiaal, van een agentschap of enige andere vestiging: voor het gerecht van de plaats waar zij gelegen zijn”. Volgens Schotte was Rothschild GmbH een „vestiging” van verweerster in de zin van deze bepaling.

6. Van oordeel dat niet was voldaan aan de vereisten van artikel 5, sub 5, Executieverdrag, verklaarde het Landgericht zich onbevoegd. Meer in het bijzonder was zijns inziens Rothschild GmbH niet te beschouwen als een agentschap of een vestiging van verweerster; deze laatste was veeleer een dochteronderneming van Rothschild GmbH.

7.

Het Oberlandesgericht, waarbij hoger beroep is ingesteld, heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

> „Is krachtens artikel 5, sub 5, Executieverdrag de rechter van de plaats waar een filiaal, een agentschap of een andere vestiging is gelegen ook dan bevoegd, wanneer een rechtspersoon naar Frans recht, een société à responsabilité limitée, gevestigd te Parijs, in een andere verdragsluitende Staat, in casu de Bondsrepubliek Duitsland, weliswaar organisatorisch geen vestiging in de zin van een onzelfstandig verlengstuk van een moederbedrijf heeft, maar wanneer zich in de andere verdragsluitende Staat een gelijknamige zelfstandige rechtspersoon naar Duits recht, een Gesellschaft mit beschränkter Haftung, met dezelfde directie, bevindt, die innaam van de rechtspersoon naar Frans recht handelt en zaken doet en waarvan de rechtspersoon naar Frans recht zich als van een verlengstuk bedient ?”

8. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hieronder slechts weergegeven voor zover dit noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

9. Artikel 5, sub 5, Executieverdrag regelt de rechterlijke bevoegdheid inzake geschillen betreffende de exploitatie van een filiaal, van een agentschap of enige andere vestiging. Deze bevoegdheid behoort tot de in de artikelen 5 en 6 Executieverdrag voorziene „bijzondere bevoegdheden”, die met name hun rechtvaardiging vinden in het bestaan van een nauwe band tussen de vordering en het gerecht dat er uitspraak over dient te doen.

10. In zijn arrest van 22 november 1978 (zaak 33/78, Somafer, Jurispr. 1978, blz. 2183) overwoog het Hof, dat het begrip filiaal, agentschap of enige andere vestiging een centrum van werkzaamheid impliceert, dat zich naar buiten duurzaam manifesteert als het verlengstuk van een moederbedrijf, met een eigen directie en materiële uitrusting, zodat het zaken met derden kan doen en wel dusdanig, dat dezen, ofschoon wetend dat eventueel een rechtsband met het in het buitenland gevestigde moederbedrijf zal ontstaan, zich niet rechtstreeks daartoe behoeven te wenden en zaken kunnen doen in bedoeld centrum, dat het verlengstuk ervan vormt.

11. De verwijzende rechter is van oordeel, dat deze voorwaarden ook zouden kunnen zijn vervuld in een geval als het onderhavige, waarin de vennootschap die als verlengstuk van een in een andere verdragsluitende Staat gevestigde vennootschap optreedt, niet haar dochtervennootschap, doch een zelfstandige vennootschap of zelfs de moedervennootschap is.

12. De Duitse regering en de Commissie zijn dezelfde mening toegedaan. In de eerste plaats verlangt huns inziens de rechtszekerheid, dat artikel 5, sub 5, Executieverdrag van toepassing is op alle gevallen waarin een vestiging, die zaken kan doen met derden, zich gemakkelijk herkenbaar manifesteert als daadwerkelijk verlengstuk van een in een andere verdragsluitende Staat gevestigde onderneming. Voorts zouden ook ondernemingen die juridisch zelfstandige vennootschappen zijn, toch alle kenmerken van een verlengstuk kunnen vertonen.

13. In de onderhavige vraag gaat het om het geval van twee gelijknamige vennootschappen met een gemeenschappelijke directie, waarvan er één, zonder een onzelfstandig filiaal of agentschap van de andere te zijn, zaken doet voor rekening van de andere en dus in het handelsverkeer als haar verlengstuk optreedt.

14. Voorts was in casu Rothschild GmbH niet alleen betrokken bij de onderhandelingen over en het sluiten van het contract, doch eveneens — in de uitvoeringsfase van het contract — bij de behoorlijke afwikkeling van de overeengekomen leveringen en bij de betaling van de facturen. Bovendien wekten de brieven die zij aan verzoekster richtte de indruk, dat zij als centrum van werkzaamheid van Rothschild SARL optrad.

15. In een dergelijk geval moeten derden, die zaken doen met een vestiging die optreedt als het verlengstuk van een andere vennootschap, op de aldus gewekte schijn kunnen afgaan en deze vestiging als een vestiging van de andere vennootschap kunnen beschouwen, zelfs indien beide vennootschappen vennootschapsrechtelijk onafhankelijk van elkaar zijn.

16. De nauwe band tussen de vordering en het gerecht dat geroepen is erover te beslissen, moet immers niet alleen op basis van de rechtsbetrekkingen tussen in verschillende verdragsluitende Staten gevestigde rechtspersonen worden beoordeeld, maar ook met inachtneming van de wijze waarop deze twee ondernemingen in het zakenleven optreden en zich in hun handelsrelaties voordoen ten opzichte van derden.

17. Mitsdien moet worden geconludeerd, dat artikel 5, sub 5, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het van toepassing is op een geval waarin een in een verdragsluitende Staat gevestigde rechtspersoon in een andere verdragsluitende Staat weliswaar geen onzelfstandig filiaal, agentschap of andere vestiging heeft, maar er wel activiteiten ontplooit door middel van een zelfstandige vennootschap met dezelfde naam en dezelfde directie, die in haar naam handelt en zaken doet en waarvan zij zich als van een verlengstuk bedient.

### Kosten

18. De kosten door de Duitse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door het Oberlandesgericht Düsseldorf bij beschikking van 10 juli 1986 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Artikel 5, sub 5, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd, dat het van toepassing is op een geval waarin een in een verdragsluitende Staat gevestigde rechtspersoon in een andere verdragsluitende Staat weliswaar geen onzelfstandig filiaal, agentschap of andere vestiging heeft, maar er wel activiteiten ontplooit door middel van een zelfstandige vennootschap met dezelfde naam en dezelfde directie, die in haar naam handelt en zaken doet en waarvan zij zich als van een verlengstuk bedient.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Fennelly C-167/95 28.11.1996

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 9](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-167-95-conclusie)

## Rechtsleer

18

Gill, A.V.: Two Recent Decisions of the European Court on the 'Brussels Convention', Irish Law Times and Solicitors' Journal 1988 p.164-166 (EN)

Álvarez Rodríguez, Aurelia: El lugar de situación de las sucursales, agencias o cualesquiera otros establecimientos como criterio determinante de la competencia judicial internacional, La ley - Comunidades Europeas 1988 nº 1 p.89-100 (ES)

Geimer, Reinhold: Begriff der Zweigniederlassung nach dem EuGÜbk, Recht der internationalen Wirtschaft 1988 p.220 (DE)

Allwood, Wendy: Article 5(5): Meaning of "Branch, Agency or Other Establishment", European Law Review 1988 p.213-216 (EN)

Bischoff, Jean-Marc: Chronique de jurisprudence de la Cour de justice des Communautés européennes. V.- Convention de Bruxelles du 27 septembre 1968, Journal du droit international 1988 p.544-548 (FR)

**Bekijk de 13 andere verwijzingen**

Droz, Georges A.L.: Revue critique de droit international privé 1988 p.737-742 (FR)

Mauro, Jacques: Gazette du Palais 1988 II Som. p.424-425 (FR)

Van Crombrugge, Stefaan: Vereenzelviging van groepsvennootschappen voor processuele doeleinden - Begrip filiaal in artikel 5 Europees Executieverdrag, Tijdschrift voor rechtspersoon en vennootschap 1988 p.351-352 (NL)

Borrás Rodríguez, Alegría: Jurisprudencia del Tribunal de Justicia de las Comunidades Europeas, Revista Jurídica de Catalunya 1988 p.822-823 (ES)

Ekelmans, Marc: La fraude et l'apparence dans la notion de succursale au sens de l'article 5,5 de la Convention de Bruxelles, Revue de droit commercial belge 1989 p.144-148 (FR)

Del Río Pascual, Amparo: Noción de sucursal, agencia o cualesquiera otro establecimiento en el artículo 5.5 del Convenio de Bruselas de 27 de septiembre de 1968, Noticias CEE 1989 nº 49 p.135-138 (ES)

Kronke, Herbert: Der Gerichtsstand nach Art.5 Nr.5 EuGVÜ - Ansätze einer Zuständigkeitsordnung für grenzüberschreitende Unternehmensverbindungen, Praxis des internationalen Privat- und Verfahrensrechts 1989 p.81-84 (DE)

Vlas, P.: TVVS ondernemingsrecht en rechtspersonen 1989 p.182-183 (NL)

Van der Wal, G.: Moeder- en dochteronderneming in geding, TVVS ondernemingsrecht en rechtspersonen 1989 p.320 (NL)

Vlas, P.: TVVS ondernemingsrecht en rechtspersonen 1989 p.320 (NL)

Schultsz, J.C.: Nederlandse jurisprudentie ; Uitspraken in burgerlijke en strafzaken 1989 nº 750 (NL)

Anton, A.E. ; Beaumont, P.R.: The Scots Law Times 1990 p.a12 (EN)

Vlas, P.: The EEC Convention on Jurisdiction and Judgments of 27 September 1968, Netherlands International Law Review 1992 p.395-398 (EN)
