---
title: "HvJ EU, 218/82, arrest van 13 december 1983 · Verordening 1699/82 art. 4, EEG-Verdrag art. 30"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 december 1983, 218/82: verordening 1699/82 art. 4, EEG-Verdrag art. 30."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-218-82-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-218-82-arret"
---

# Arrest van het Hof van 13 december 1983, 218/82 · Verordening 1699/82 art. 4, EEG-Verdrag art. 30

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

218/82

**ECLI**

ECLI:EU:C:1983:369

**Datum**

13 december 1983

## De zaak

**Procedure**

Beroep tot nietigverklaring ongegrond

**Zaak ingediend op**

13 augustus 1982

**Advocaat-generaal**

Rozès

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Engels

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1983, blz. 4063

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

O'Keeffe

**Repertorium van het Hof**

- [Communautaire rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A) [Uitlegging van gemeenschapsrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-05) 37 beslissingen
- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Vrij verkeer van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02%2C578-4.02) [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04) [Tariefcontingenten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04.06) 2 beslissingen

## Tekst

93 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de conclusies, middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — Feiten en schriftelijke behandeling

Artikel 2, lid 1, van de op 31 oktober 1979 te Lomé ondertekende tweede ACS—EEG-Overeenkomst bepaalt dat „produkten van oorsprong uit de ACS-Staten ... met vrijdom van douanerechten en heffingen van gelijke werking in de Gemeenschap (mogen) worden ingevoerd.” Het als bijlage bij de Overeenkomst gevoegde Protocol nr. 5 voorziet in een uitzondering op deze regel voor rum.

Artikel 1 van Protocol nr. 5 luidt:

„Tot de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke marktordening voor alcohol worden de produkten van postonderverdeling 22.09 C I, van oorsprong uit de ACS-Staten, in de Gemeenschap met vrijdom van douanerechten toegelaten onder voorwaarden die de ontwikkeling van de traditionele handelsstromen tussen de ACS-Staten en de Gemeenschap enerzijds en tussen de Lid-Staten anderzijds mogelijk maken.”

Protocol nr. 5 heeft ten doel, de traditionele handelsstructuren voor rum in stand te houden en te ontwikkelen. In feite zijn er binnen de Gemeenschap twee belangrijke handelsstromen voor rum. Het Verenigd Koninkrijk voert gewoonlijk rum in vanuit de ACS-Staten die lid zijn van het Commonwealth, terwijl in de andere Lid-Staten, met name in België, de Bondsrepubliek Duitsland en Frankrijk, vooral binnen de Gemeenschap zelf, dat wil zeggen in de Franse overzeese departementen, geproduceerde rum wordt verbruikt.

Het doel van Protocol nr. 5 is, de traditionele handelsstromen voor rum te ontwikkelen, doch tegelijkertijd de hoeveelheid rum die vrij van douanerechten in de Gemeenschap kan worden ingevoerd, te beperken.

Artikel 2 luidt:

Voor de toepassing van artikel 1 stelt de Gemeenschap, in afwijking van artikel 2, lid 1, van de Overeenkomst, jaarlijks de hoeveelheden die met vrijdom van douanerechten mogen worden ingevoerd, vast op basis van de grootste jaarlijkse hoeveelheden die uit de ACS-Staten in de Gemeenschap zijn ingevoerd in de laatste drie jaren waarover statistieken beschikbaar zijn, vermeerderd met een jaarlijks groeipercentage van 40 op de markt van het Verenigd Koninkrijk en van 18 op de andere markten van de Gemeenschap.

b) Wanneer de toepassing van littera a) de ontwikkeling van een traditionele handelsstroom tussen de ACS-Staten en een Lid-Staat belemmert, treft de Gemeenschap de nodige maatregelen om deze situatie te ondervangen.

...”

Ter uitvoering van het Protocol stelt de Gemeenschap jaarlijks een verordening vast waarin enerzijds wordt bepaald, hoeveel rum van oorsprong uit de ACS-Staten vrij van douanerechten mag worden ingevoerd, en anderzijds hoe het contingent over de Lid-Staten wordt verdeeld.

Voor het tijdvak 1982/1983 werd het tariefcontingent voor de betrokken produkten vastgesteld bij verordening nr. 1699/82. In artikel 1 werd het communautair tariefcontingent bepaald op 193178 hectoliter zuivere alcohol. Ingevolge artikel 2 werd het tariefcontingent in twee gedeelten gesplitst: het eerste gedeelte, 125430 hectoliter, was bestemd voor de consumptie in het Verenigd Koninkrijk, het tweede gedeelte, 67748 hectoliter, werd over de overige Lid-Staten verdeeld. Artikel 4, lid 1, verplichtte de Lid-Staten de Commissie maandelijks op de hoogte te stellen van de invoer die ten laste van het tariefcontingent was gekomen. Artikel 4, lid 2, bepaalde:

„Het Verenigd Koninkrijk neemt de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat de hoeveelheden die onder de in de artikelen 1 en 2 vastgestelde voorwaarden uit de ACS-Staten worden ingevoerd, uitsluitend worden bestemd voor binnenlandse consumptie.”

Bij op 13 augustus 1982 ter griffie van het Hof ingekomen verzoekschrift verzocht de Commissie het Hof, verordening nr. 1699/82 nietig te verklaren, aangezien artikel 4, lid 2, van de verordening in strijd was met de artikelen 30 en 34, en derhalve ook met artikel 9 EEG-Verdrag.

Bij op 16 december 1982 ter griffie van het Hof ingekomen verzoekschrift verzocht de Franse regering om toestemming om in het geding te mogen interveniëren. Bij beschikking van 19 januari 1983 willigde het Hof het verzoek van de Franse regering in.

De procedure heeft een normaal verloop gehad. Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Conclusies van partijen

De Commissie concludeert dat het den Hove behage:

1. verordening nr. 1699/82 nietig te verklaren;

2. te verklaren dat de gevolgen van artikel 1 van de betrokken verordening als gehandhaafd moeten worden beschouwd;

3. de Raad in de kosten te verwijzen.

De Raad verzoekt het Hof:

het beroep te verwerpen;

verzoekster in de kosten te verwijzen.

#### III — Middelen en argumenten van partijen

Volgens de Commissie is artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1699/82 in strijd met de artikelen 30 en 34, en derhalve ook met artikel 9 EEG-Verdrag. Artikel 4 heeft ten doel te verhinderen dat het Verenigd Koninkrijk gedistilleerd uitvoert. De Commissie vestigt de aandacht van het Hof op de Franse tekst van de bepaling die luidt als volgt:

„Le Royaume-Uni prend les mesures nécessaires pour que les quantités importées des États ACP dans les conditions fixées aux articles 1 et 2 soient réservées aux besoins de sa consommation intérieure.”

Volgens de Commissie laat deze tekst geen enkele twijfel bestaan over het feit dat de betrokken bepaling ten doel heeft, te voorkomen dat het Verenigd Koninkrijk zijn aandeel gedistilleerd naar de andere Lid-Staten van de Gemeenschap uitvoert; dit artikel is dan ook in strijd met artikel 34 EEG-Verdrag.

Door de uitvoer van het Verenigd Koninkrijk te beperken, belet de verordening de andere Lid-Staten, het onderhavige gedistilleerd uit het Verenigd Koninkrijk in te voeren; de verordening is mitsdien in strijd met artikel 30 EEG-Verdrag.

De gewraakte bepaling is eveneens in strijd met artikel 9 EEG-Verdrag, aangezien de betrokken produkten zich binnen de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden. Volgens de Commissie kan artikel 4, lid 2, niet aldus worden uitgelegd, dat het Verenigd Koninkrijk verplicht zou zijn de invoer van gedistilleerd te beperken tot een hoeveelheid die lager is dan het voor hem bestemde gedeelte van het contingent, zulks om de volgende redenen:

i) het betrokken gedeelte is bestemd voor consumptie in het Verenigd Koninkrijk (artikel 2) en is berekend op basis van de grootste jaarlijkse hoeveelheid die gedurende de laatste drie jaren in het Verenigd Koninkrijk is ingevoerd en met inachtneming van het groeipercentage van 40 % op de Britse markt;

ii) dit gedeelte wordt dan ook niet geacht iets anders te zijn dan de werkelijke, voor consumptie bestemde invoer;

iii) mocht het Verenigd Koninkrijk weigeren zijn gedeelte te aanvaarden, dan zou, zo zulks al mogelijk is, deze weigering in strijd zijn met het voornaamste doel van de verordening en met de verplichting die het in het als bijlage bij de tweede ACS—EEG-Overeenkomst gevoegde Protocol nr. 5 op zich heeft genomen, namelijk het gehele contingent toe te laten:

iv) een weigering van het Verenigd Koninkrijk om zijn gedeelte te aanvaarden zou onwettig zijn, daar het openen van het contingent waarvan dit gedeelte een onderdeel is, een handeling is in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek van de Gemeenschap, die het Verenigd Koninkrijk niet bevoegdelijk kan wijzigen.

Ofschoon de verordening bedoeld is om uitvoering te geven aan de verbintenissen van de Gemeenschap uit de tweede ACS—EEG-Overeenkomst, kan dit feit geen inbreuk op het fundamentele beginsel van het vrije goederenverkeer rechtvaardigen.

Bij het uitoefenen van hun bevoegdheden dient de gemeenschapsinstellingen steeds de eenheid van de markt voor ogen te staan. Voor het invoeren van maatregelen die tegen dat beginsel indruisen, moet een verdragsbepaling worden gevonden die uitdrukkelijk dan wel bij noodzakelijke implicatie in het instellen van zulke maatregelen voorziet dan wel zulks toestaat (arrest van 20. 4. 1978, zaak 80-81/77, Ramel, Jurispr. 1978, blz. 927).

De Commissie is van mening dat het mogelijk is de in de tweede ACS-Overeenkomst neergelegde verbintenissen van de Gemeenschap na te komen op een wijze die is te verenigen met de instandhouding van het vrije goederenverkeer binnen de Gemeenschap; zij zet dit uiteen in haar voorstellen aan de Raad. Daarin wordt voorzien in regelingen voor de verdeling ervan en het weer opnemen van het ongebruikte deel van de quota in de reserve.

Door de haar bij artikel 115 EEG-Verdrag toegekende bevoegdheden te gebruiken kan de Commissie echter met succes elke bedreiging van de rechtmatige belangen van een Lid-Staat afweren.

De Commissie betwist niet dat de Raad ertoe gehouden is de verbintenissen van de Gemeenschap bij verordening ten uitvoer te leggen. Daarom verzoekt zij het Hof om krachtens artikel 174 EEG-Verdrag te verklaren, dat het recht om van 1 juli 1982 tot 30 juni 1983 de in artikel 1 van de verordening bedoelde hoeveelheden goederen vrij van douanerechten in te voeren, als gehandhaafd moet worden beschouwd.

De Raad verwerpt in zijn verweerschrift de stelling van de Commissie dat artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1699/82 een belemmering vormt voor het vrije goederenverkeer binnen de Gemeenschap. De precieze strekking van artikel 4, lid 2, valt enkel uit de achtergrond van verordening nr. 1699/82 af te leiden.

Verordening nr. 1699/82 is bedoeld om Protocol nr. 5 bij de tweede ACS— EEG-Overeenkomst ten uitvoer te leggen. Volgens de Raad is de wijze van berekening van de in de Gemeenschap in te voeren hoeveelheden verenigbaar met de tekst van het Protocol. Soortgelijke regelingen waarbij het totale tariefcontingent werd verdeeld, zijn aan het Hof voorgelegd in de zaken 131/72, Grosoli, Jurispr. 1973, blz. 1555, 35/79, Grosoli, Jurispr. 1980, blz. 177 en 124/79, Van Walsum, Jurispr. 1980, blz. 813); deze regelingen zijn niet in strijd met het gemeenschapsrecht verklaard. De door de Commissie voorgestelde vorming van een reserve zou het stelsel meer flexibel maken, doch was volgens de Raad niet nodig wegens de gevoeligheid van de betrokken produkten op de markten van de Gemeenschap.

Was er een reserve geweest dan hadden de Lid-Staten daaruit kunnen putten, hetgeen zou hebben geleid tot een overschrijding van hun quota in het tariefcontingent en van het jaarlijks groeipercentage.

Met een verwijzing naar de omstandigheden waarin verordening nr. 1699/82 werd vastgesteld, betoogt de Raad dat artikel 4, lid 2, niet moet worden opgevat als een verbod om rum vanuit het Verenigd Koninkrijk te reëxporteren, doch veeleer als een verplichting voor het Verenigd Koninkrijk om de ingevoerde hoeveelheden voor de binnenlandse consumptie voor te behouden.

Deze uitlegging van artikel 4, lid 2, is gebaseerd op de Engelse tekst. De Raad erkent dat de Franse tekst kan worden uitgelegd als een verbod van wederuitvoer. Hij geeft evenwel in overweging, in casu een bijzonder gewicht toe te kennen aan de Engelse tekst, omdat het de taal van de betrokken Lid-Staat betreft en hij voor bedoelde Lid-Staat een minder zware verplichting inhoudt.

De Raad wijst het Hof op de maatregelen die door het Verenigd Koninkrijk zijn genomen om zijn uit de verordening voortvloeiende verplichtingen na te komen. Het beheer van het Britse quotum van het tariefcontingent is geregeld bij de Customs Duties (Quota Relief) Order 1982, Statutory Instrument 1982, nr. 884. Ingevolge deze Order worden de goederen geacht tot het Britse quotum te behoren na aanvaarding van een verklaring dat zij bestemd zijn voor binnenlands verbruik; deze verklaring moet vergezeld gaan van de desbetreffende documenten.

Volgens de Raad heeft deze Order in de praktijk tot gevolg dat de goederen enkel uit hoofde van het tariefcontingent worden toegelaten indien een accijns wordt betaald bij de aanvaarding van de verklaring betreffende het binnenlands verbruik. Wederuitvoer is niet verboden doch de goederen blijven aangemerkt als tot binnenlands verbruik toegelaten goederen, en de accijns wordt niet terugbetaald. Economisch gezien biedt wederuitvoer geen enkel voordeel, omdat voormelde accijns vervallen blijft. Dat er in feite geen wederuitvoer plaatsvindt, heeft waarschijnlijk te maken met economische overwegingen of met het feit dat binnen het voor binnenlands verbruik bestemde contingent slechts zoveel wordt ingevoerd als nodig is voor de binnenlandse consumptie, zodat er geen overschot voor export beschikbaar is.

De Raad erkent dat de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen eveneens gelden voor de gemeenschapsinstellingen, met inbegrip van de Raad. Toch is hij van mening dat de gemeenschapswetgever voor het afgeleide recht bepalingen mag vaststellen die in strijd met het Verdrag zouden zijn, indien zij van een nationale wetgever uitgingen. De Raad herinnert eraan, dat het Hof de bevoegdheid tot het heffen van sanitaire keuringsrechten heeft erkend (arrest van 25. 1. 1977, zaak 46/76, Bauhuis, Jurispr. 1977, blz. 15) en in verschillende arresten monetair compenserende bedragen wettig heeft geacht.

Bij het vaststellen of een maatregel een maatregel van gelijke werking vormt, moet het Hof volgens de Raad de doeleinden en voordelen van de maatregel afwegen tegen de daaruit voortvloeiende potentiële beperkende werking, met name wanneer de maatregel betrekking heeft op de nakoming van de internationale verbintenissen van de Gemeenschap.

Met de berekeningswijze van het jaarlijkse quotum rum voor het Verenigd Koninkrijk en de bepaling die in artikel 4, lid 2, is opgenomen om te verzekeren dat het Britse aandeel in de invoer daadwerkelijk voor binnenlands verbruik in het Verenigd Koninkrijk bestemd is, wordt uitvoering gegeven aan Protocol nr. 5, terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de gevoeligheid van het produkt op de markten van de Gemeenschap en met name met de noodzaak om de traditionele afzetmogelijkheden van rum uit de Franse overzeese departementen niet in gevaar te brengen.

De Raad verwerpt het argument van de Commissie dat, indien haar voorstel was aanvaard, de rechtmatige belangen van een of meer Lid-Staten met een beroep op artikel 115 hadden kunnen worden beschermd. Artikel 115 is namelijk enkel van toepassing wanneer er bij gebreke van een gemeenschappelijke handelspolitiek op nationaal vlak handelspolitieke maatregelen zijn genomen: in het onderhavige geval bestaat er een op artikel 113 gebaseerde gemeenschapsverordening die ook qua inhoud deel uitmaakt van de gemeenschappelijke handelspolitiek.

Tenslotte wijst de Raad erop dat hij sedert 1975 negen verordeningen met in wezen dezelfde bepalingen heeft vastgesteld. Vóór de onderhavige zaak aanhangig werd gemaakt, is de geldigheid van deze verordeningen door de Commissie noch door enig ander belanghebbende ooit in twijfel getrokken.

De Commissie betoogt in repliek dat zij twijfel heeft geuit omtrent de verenigbaarheid van sommige bepalingen van de verordeningen van de Raad met de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen. Daar de Raad bleef weigeren rekening te houden met deze opmerkingen, legde de Commissie de hierna volgende verklaring af, die is opgenomen in het proces-verbaal van de vergadering van de Raad waarin verordening nr. 1699/82 is vastgesteld.

De Commissie constateert dat bepaalde door de Raad vastgestelde bepalingen in de verordening betreffende de opening van een communautair tariefcontingent voor de invoer van de produkten van post 22.09 C I van het GDT, van oorsprong uit de ACS-Staten, onverenigbaar zijn met de regels van het EEG-Verdrag. Zoals zij de Raad in document COM(82) 243 def. ervan in kennis heeft gesteld, heeft de Commissie het stellige voornemen gebruik te maken van het bepaalde in artikel 173 van het Verdrag.

b) Schrapping van de communautaire reserve De Commissie betreurt het dat in de door de Groep aanvaarde ontwerpverordening van de Raad de door de Commissie voorgestelde vorming van een comunautaire reserve niet is overgenomen.”

Ter zake van de berekeningswijze van het groeipercentage van de in te voeren hoeveelheden rum betoogt de Commissie dat het feit dat het Verenigd Koninkrijk een hoger groeipercentage wordt toegestaan dan de andere Lid-Staten, niet inhoudt dat de aldus geleidelijk toenemende hoeveelheden enkel voor consumptie in het Verenigd Koninkrijk zouden mogen worden gebruikt.

In de door het Verenigd Koninkrijk voor de tenuitvoerlegging van verordening nr. 1699/82 vastgestelde procedure ziet de Commissie een beperking van het vrije verkeer van goederen uit het Verenigd Koninkrijk, aangezien zij voor elke voorgenomen uitvoer van onder het Protocol vallende produkten uit het Verenigd Koninkrijk naar een andere Lid-Staat, een financiële last oplegt. Wanneer de Raad zulk een maatregel in overeenstemming acht met artikel 4, lid 2, van de verordening, dan erkent hij dat de verordening onwettig is, in dier voege dat zij het vrije verkeer van goederen uit het Verenigd Koninkrijk belemmert.

Volgens de Commissie is de Raad niet bevoegd om het vrije goederenverkeer te beperken om uitvoering te geven aan zijn internationale overeenkomsten. Wanneer de Raad een verordening vaststelt, op grond waarvan de markten in de Gemeenschap worden afgegrendeld, — niet om de rechtmatige belangen van een Lid-Staat te beschermen doch om een Lid-Staat te beletten naar alle andere Lid-Staten uit te voeren — gaat hij zijn bevoegdheid te buiten.

De Raad stelt in dupliek dat uit artikel 2, sub a, van het Protocol, dat voorziet in een berekeningswijze van de jaarlijkse hoeveelheden, vermeerderd met een jaarlijks groeipercentage van 40 op de markt van het Verenigd Koninkrijk en van 18 op de andere markten van de Gemeenschap, duidelijk valt op te maken dat het niet de bedoeling kan zijn geweest, dat de ACS-Staten het recht zouden krijgen om het hele jaarlijkse communautair contingent vrij van douanerechten in het Verenigd Koninkrijk in te voeren, ongeacht of die invoer bestemd was voor verbruik binnen het Verenigd Koninkrijk dan wel in de andere Lid-Staten. Bewust zijn afzonderlijke gedeelten vastgesteld voor enerzijds het Verenigd Koninkrijk en de andere Lid-Staten anderzijds. De Gemeenschap is dan ook bevoegd om maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de hoeveelheden die op rekening komen van het gedeelte van het Verenigd Koninkrijk, voor verbruik in dat land bestemd zjn.

Volgens de Raad zou de uitvoer van rum uit de ACS-Staten naar het Verenigd Koninkrijk met vrijstelling van douanerechten geen zin hebben, wanneer er in dat land geen markt voor rum zou bestaan. Bestond een dergelijke markt niet, dan hadden de betrokken hoeveelheden rechtstreeks naar de andere Lid-Staten kunnen worden uitgevoerd in plaats van eerst in het Verenigd Koninkrijk te worden ingevoerd en van daar naar de andere Lid-Staten te worden uitgevoerd.

In haar interventie wijst de Franse regering op het verschil in betekenis tussen de Franse en de Engelse tekst van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1699/82. Terwijl de Franse tekst des kan worden uitgelegd dat zij het handelsverkeer binnen de gemeenschappelijke markt wil beperken, moet de Engelse tekst worden gezien als een „vrijwillige beperking” van de Britse invoer, welke geldt aan de buitengrenzen van de Gemeenschap. Volgens de Franse regering dient voorrang te worden gegeven aan de Engelse tekst van artikel 4, lid 2, vermits de bepalingen ervan enkel tot het Verenigd Koninkrijk zijn gericht.

Artikel 4, lid 2, onderwerpt de invoer door de andere Lid-Staten niet aan enige kwantitatieve beperking en wil dergelijke beperkingen ook niet invoeren. Mitsdien is deze bepaling niet in strijd met artikel 30 EEG-Verdrag.

Artikel 4, lid 2, legt het Verenigd Koninkrijk drie verplichtingen op :

1. de door het Verenigd Koninkrijk uit hoofde van zijn quotum van het contingent ingevoerde hoeveelheden moeten afkomstig zijn uit de ACS-Staten;

2. die hoeveelheden moeten worden vrijgesteld van douanerechten, zolang zijn quotum niet is uitgeput;

3. zij moeten overeenstemmen met de consumptiebehoeften op de Britse markt.

De Britse autoriteiten moeten ervoor zorgen dat die voorwaarden worden nageleefd. Andere verplichtingen worden de Britse regering niet opgelegd. Daar geen enkele bepaling de wederuitvoer van rum verbiedt, is verordening nr. 1699/82 niet in strijd met artikel 34 EEG-Verdrag.

Om de juiste betekenis van artikel 4, lid 2, te achterhalen moet bijzondere aandacht worden geschonken aan de context waarin deze bepaling tot stand is gekomen.

Het Protocol betreffende rum heeft ten doel, de ontwikkeling van de traditionele handelsstromen tussen sommige ACS-Staten en het Verenigd Koninkrijk enerzijds, en tussen de Franse overzeese departementen en andere Lid-Staten anderzijds mogelijk te maken. Uit artikel 1 van het Protocol volgt duidelijk, dat de ontwikkeling van de ene handelsstroom die van de andere traditionele handelsstromen niet mag verhinderen. Volgens de Franse regering is de door de Raad gekozen regeling het meest geëigend om de verwezenlijking van de doelstellingen van het Protocol te verzekeren. In de Gemeenschap is de verdeling van een integraal contingent over de Lid-Staten ook voor andere produkten toegepast (verordening nr. 3378/82 van de Raad van 8. 12. 1982 houdende toepassing van algemene tariefpreferenties voor 1983 voor textielprodukten van oorsprong uit ontwikkelingslanden — PB L 363 van 1982, blz. 92 — en verordening nr. 2787/79 van de Raad van 10. 12. 1979 betreffende de opening, de verdeling en de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor bepaalde produkten van oorsprong uit ontwikkelingslanden — PB L 328 van 1979, blz. 1). De regeling is niet in strijd met het Protocol en lijkt bovendien geen inbreuk te maken op het Verdrag (zaak 131/72, Grosoli, Jurispr. 1973, blz. 1555; zaak 35/79, Grosoli, Jurispr. 1980, blz. 177; zaak 124/79, van Walsum, Jurispr. 1980, blz. 813).

Artikel 4, lid 2, is de weerslag van de doelstellingen van het Protocol. Deze bepaling houdt voor het Verenigd Koninkrijk de verplichting in, om ervoor te zorgen dat de naar de Britse markt uitgevoerde hoeveelheden inderdaad in overeenstemming zijn met haar consumptiebehoeften en dat deze hoeveelheden niet worden uitgevoerd om de in het Protocol voor de berekening van het tariefcontingent vastgestelde groeipercentages te omzeilen.

##### Volgens de Franse regering is de gekozen oplossing flexibel genoeg. Het contingent wordt op jaarbasis over de Lid-

Staten verdeeld, zodat het aan de vraag kan worden aangepast. Ingevolge artikel 2, sub c, van het Protocol kan de Raad het in het Protocol vastgestelde stijgingspercentage herzien, indien het verbruik van rum in de Lid-Staten aanzienlijk toeneemt.

#### IV — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 28 juni 1983 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. W. Allen/als gemachtigde, bijgestaan door X. Yataganas, lid van haar juridische dienst, en de deskundigen M. O. Zybon en A. Tepas; de Raad, vertegenwoordigd door D. Gordon-Smith, directeur-generaal van de juridische dienst van het secretariaat-generaal ván de Raad te Brussel, en B. Hoff-Nielsen als gemachtigden, en de Franse regering, vertegenwoordigd door M. G. Guillaume en A. Sortais, respectievelijk als gemachtigde en plaatsvervangend gemachtigde.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 4 oktober 1983 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 13 augustus 1982, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van verordening nr. 1699/82 van de Raad van 24 juni 1982 betreffende de opening, de verdeling en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor rum, arak en tafia van post 22.09 C 1 van het gemeenschappelijk douanetarief, van oorsprong uit de ACS-Staten (1982/1983) (PB L 189 van 1982, blz. 1).

2. Artikel 2, lid 1, van de op 31 oktober 1979 te Lomé ondertekende tweede ACS—EEG-Overeenkomst bepaalt dat „produkten van oorsprong uit de ACS-Staten ... met vrijdom van douanerechten en heffingen van gelijke werking in de Gemeenschap (mogen) worden ingevoerd.”

3.

Het als bijlage bij de Overeenkomst gevoegde Protocol nr. 5 voorziet in een uitzondering op deze regel voor rum. Artikel 1 van dit Protocol luidt als volgt:

> „Tot de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke marktordening voor alcohol worden de produkten van postonderverdeling 22.09 C I, van oorsprong uit de ACS-Staten, in de Gemeenschap met vrijdom van douanerechten toegelaten onder voorwaarden die de ontwikkeling van de traditionele handelsstromen tussen de ACS-Staten en de Gemeenschap enerzijds en tussen de Lid-Staten anderzijds mogelijk maken.”

4. Protocol nr. 5 heeft ten doel, de traditionele handelsstromen voor rum te ontwikkelen en tegelijkertijd de hoeveelheid rum die vrij van douanerechten in de Gemeenschap mag worden ingevoerd, te beperken.

5. Daartoe stelt de Gemeenschap jaarlijks een verordening vast, waarin enerzijds wordt bepaald, hoeveel rum van oorsprong uit de ACS-Staten vrij van douanerechten in de Gemeenschap mag worden ingevoerd, en anderzijds dit contingent over de Lid-Staten wordt verdeeld. Deze verdeling is geregeld bij artikel 2 van het Protocol, volgens hetwelk de hoeveelheden die met vrijdom van douanerechten mogen worden ingevoerd, jaarlijks worden vastgesteld op basis van de grootste jaarlijkse hoeveelheden die uit de ACS-Staten in de Gemeenschap zijn ingevoerd in de laatste drie jaren waarover statistieken beschikbaar zijn, vermeerderd met een jaarlijks groeipercentage van 40 op de markt van het Verenigd Koninkrijk en van 18 op de andere markten van de Gemeenschap.

6. Voor het tijdvak van 1 juli 1982 tot 30 juni 1983 werd het tariefcontingent voor de betrokken produkten bij verordening nr. 1699/82 vastgesteld op 193178 hectoliter zuivere alcohol. Het contingent werd in twee gedeelten gesplitst, waarvan het eerste — 125430 hectoliter — bestemd was voor de consumptie in het Verenigd Koninkrijk. Het tweede gedeelte — 67748 hectoliter — werd over de overige Lid-Staten verdeeld.

7.

Artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1699/82 luidt als volgt:

> „Het Verenigd Koninkrijk neemt de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat de hoeveelheden die onder de in de artikelen 1 en 2 vastgestelde voorwaarden uit de ACS-Staten worden ingevoerd, uitsluitend worden bestemd voor binnenlandse consumptie.”

8. Volgens de Commissie is deze bepaling bedoeld om te voorkomen dat hoeveelheden die deel uitmaken van het Britse quotum, uit het Verenigd Koninkrijk worden uitgevoerd naar andere Lid-Staten. De onderhavige verordening is daarom in strijd met de artikelen 30 en 34 EEG-Verdrag en dient bijgevolg te worden nietig verklaard, evenwel onder voorbehoud dat het Hof krachtens artikel 174, tweede alinea, EEG-Verdrag de gevolgen van artikel 1 van voormelde verordening voor gehandhaafd verklaart.

9. De Commissie betwist niet de geldigheid van de praktijk om een globaal tariefcontingent over de Lid-Staten te verdelen, doch wel van het verbod van wederuitvoer naar andere Lid-Staten, dat zij uit artikel 4 van de verordening afleidt.

10. Volgens de Raad, die te dezen wordt ondersteund door de regering van de Franse Republiek, is de door de Commissie aan voormeld artikel 4 gegeven uitlegging onjuist. Deze bepaling heeft niet de strekking die de Commissie eraan geeft, en de verordening is dan ook niet in strijd met de artikelen 30 en 34.

11. De Raad merkt op dat er traditioneel meer rum uit de ACS-Staten wordt uitgevoerd naar het Verenigd Koninkrijk (waar hij voor de binnenlandse consumptie bestemd is) dan naar de andere Lid-Staten. In verband hiermee wordt dan ook in artikel 2, sub a, van het Protocol voor de ontwikkeling van het handelsverkeer, bedoeld in artikel 1, voor het Verenigd Koninkrijk een ander groeipercentage (40 %) vastgesteld dan voor de andere Lid-Staten gezamenlijk (18 %) en weerspiegelt de verordening deze vooruitzichten bij de berekening van de toegekende quota.

12. Volgens de Raad blijkt uit de Engelse versie van artikel 4 van de verordening, dat het enige doel ervan is, het Verenigd Koninkrijk te verplichten niet meer in te voeren dan met inachtneming van voormeld groeipercentage redelijkerwijs voor zijn binnenlandse consumptie nodig kan worden geacht, en dat het geen verbod bevat om rum uit het Britse quotum in andere Lid-Staten te verhandelen.

13. Opgemerkt zij, dat indien, zoals de Commissie staande houdt, deze bepaling zou verbieden om uit het Verenigd Koninkrijk naar de andere Lid-Staten te exporteren, zij inderdaad in strijd zou zijn met de verdragsbepalingen betreffende het vrije goederenverkeer; zo een verdeling van een globaal tariefcontingent in nationale quota, zoals het Hof heeft erkend, in bepaalde omstandigheden verenigbaar kan zijn met het Verdrag, dan kan zulks enkel onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat die verdeling het vrije verkeer van de onder het contingent vallende goederen niet belemmert, nadat zij in een Lid-Staat tot het vrije verkeer zijn toegelaten.

14. Bijgevolg is de beslissing van het aan het Hof voorgelegde geschil afhankelijk van de uitlegging die aan artikel 4 van verordening nr. 1699/82 moet worden gegeven.

15. Het Hof is van oordeel, dat wanneer een bepaling van afgeleid gemeenschapsrecht voor meer dan één uitlegging vatbaar is, de uitlegging die de bepaling in overeenstemming doet zijn met het Verdrag, de voorkeur verdient boven de uitlegging op grond waarvan zij in strijd is met het Verdrag.

16. In casu is de door de Raad voorgestelde uitlegging geheel in overeenstemming met de Engelse versie van de betrokken bepaling, zonder dat zij onverenigbaar is met de andere versies van deze bepaling; bovendien is zij in overeenstemming met de doelstellingen van Protocol nr. 5, welker verwezenlijking zij mogelijk maakt.

17. Daaruit volgt dat de betrokken bepaling niet, zoals de Commissie stelt, het Verenigd Koninkrijk de verplichting oplegt om de uitvoer van rum van oorsprong uit de ACS-Staten naar andere Lid-Staten te beperken, doch enkel om ervoor te zorgen dat in het Verenigd Koninkrijk niet meer wordt ingevoerd dan nodig is voor zijn binnenlandse consumptie. Zij is dan ook in overeenstemming met het Verdrag.

18. Mitsdien moet het beroep worden verworpen.

#### Kosten

19. Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen, daaronder begrepen die van de tussenkomende partij.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende:

1\. Verwerpt het beroep.

2\. Verwijst de Commissie in de kosten, daaronder begrepen die van de tussenkomende partij.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

8

verordening 1699/82 art. 4 5 voorkomens

EEG-Verdrag art. 30 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 34 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 9 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 173 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 174 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 115 1 voorkomen

verordening 1699/82 art. 1 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van de advocaat-generaal C-582/08 20.05.2010

#### [Belasting over toegevoegde waarde, teruggaaf](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-582-08-conclusie)

## Rechtsleer

1

Usher, J.A.: Quotas and the Single Market, European Law Review 1986 p.210-213
