---
title: "HvJ EU, 216/82, arrest van 27 september 1983 · Gemeenschappelijk douanetarief"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 september 1983, 216/82: gemeenschappelijk douanetarief."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-216-82-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-216-82-arret"
---

# Arrest van het Hof van 27 september 1983, 216/82 · Gemeenschappelijk douanetarief, vrijstelling van rechten voor wetenschappelijke apparaten, gelijke wetenschappelijke waarde

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

216/82

**ECLI**

ECLI:EU:C:1983:248

**Datum**

27 september 1983

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Finanzgericht Hamburg (Duitsland) beslissing van 20 juli 1982 IV 77/79

**Zaak ingediend op**

12 augustus 1982

**Advocaat-generaal**

Sir Gordon Slynn

**Opmerkingen**

Deense regering Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

Finanzgericht Hamburg beslissing van 19 oktober 1983 IV 77/79 H

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1983, blz. 2771

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Due

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Prejudiciële verwijzing](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04) 258 beslissingen
  - [Vrij verkeer van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02%2C578-4.02) [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04) [Vrijstelling van invoerrechten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04.05) [Vrijstelling voor verschillende typen producten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04.05.01) 3 beslissingen

## Tekst

119 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De relevante voorschriften

Het hoofdgeding betreft de toekenning van een douanevrijstelling voor een bepaald in de Gemeenschap ingevoerd wetenschappelijk apparaat. De rechtsgrondslag voor de invoer van wetenschappelijke apparaten met douanevrijstelling is gelegen in verordening nr. 1798/75 van de Raad van 10 juli 1975 betreffende de invoer met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard (PB L 184 van 1975, blz. 1) (gewijzigd bij verordening nr. 1027/79 van 8. 5. 1979, PB L 134 van 1979, blz. 1), en in verordening nr. 3195/75 van de Commissie van 2 december 1975 houdende uitvoeringsbepalingen van voornoemde verordening (PB L 316 van 1975, blz. 17) (gewijzigd bij verordening nr. 1324/76 van 8. 6. 1976, PB L 149 van 1976, blz. 7, en vervolgens vervangen door verordening nr. 2784/79 van 12. 12. 1979, PB L 318 van 1979, blz. 32).

Deze verordeningen hebben ten doel, de uitvoering door de Gemeenschap te verzekeren van de Overeenkomst van Florence, die werd uitgewerkt onder auspiciën van de UNESCO.

Volgens artikel 1 van de Overeenkomst die in 1952 in werking is getreden:

„verplichten de overeenkomstsluitende staten zich geen douanerechten of andere heffingen te doen gelden op of in verband met de invoer van

...

b) voorwerpen van wetenschappelijke aard, opgesomd in bijlage D ...”.

Bijlage D van de Overeenkomst betreft, onder bepaalde voorwaarden „wetenschappelijke instrumenten en apparaten, uitsluitend bestemd voor opvoedkundige doeleinden of zuiver wetenschappelijk onderzoek”.

Ten einde het vrije verkeer van ideeën en het wetenschappelijk onderzoek binnen de Gemeenschap te bevorderen, heeft de Raad dan ook bij verordening nr. 1798/75 de mogelijkheid gecreëerd om met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief bepaalde voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard in de Gemeenschap in te voeren. Artikel 1 van verordening nr. 1798/75 bepaalt dat sommige van deze voorwerpen met vrijstelling van rechten van het gemeenschappelijk douanetarief kunnen worden ingevoerd, ongeacht het gebruik waartoe zij zijn bestemd. Ingevolge artikel 2 der verordening moeten de voorwerpen uit een tweede categorie bestemd zijn voor bepaalde openbare instellingen en organisaties of instellingen en organisaties van openbaar nut, dan wel voor bepaalde instellingen of organisaties die anderszins als zodanig zijn aangewezen. Een derde, niet in artikel 2 bedoelde, categorie wetenschappelijke instrumenten en apparaten, die uitsluitend worden ingevoerd voor het onderwijs of zuiver wetenschappelijk onderzoek, mag krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1798/75 met douanevrijstelling worden ingevoerd wanneer:

\[deze instrumenten en apparaten\] bestemd zijn: hetzij voor openbare instellingen of instellingen van openbaar nut, wier voornaamste bezigheid het onderwijs of het wetenschappelijk onderzoek is, en voor diensten die onder een openbare instelling of een instelling van openbaar nut ressorteren en wier voornaamste bezigheid het onderwijs of het wetenschappelijk onderzoek is; hetzij voor particuliere wetenschappelijke of onderwijsinstellingen die als zodanig toestemming hebben van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten om deze goederen vrij van rechten in te voeren,

en wanneer

b) geen instrumenten of apparaten van overeenkomstige wetenschappelijke waarde in de Gemeenschap worden vervaardigd”.

Laatstgenoemd criterium van wetenschappelijke gelijkwaardigheid wordt krachtens artikel 3, lid 3, tweede streepje, van verordening nr. 1798/75 beoordeeld,

„door de kenmerken en bijzonderheden van het instrument of het apparaat, waarvoor de in artikel 4 bedoelde aanvraag om vrijstelling werd gedaan, te vergelijken met die van het overeenkomstige instrument of apparaat dat in de Gemeenschap wordt vervaardigd, ten einde vast te stellen of dit laatstgenoemde voor dezelfde wetenschappelijke doeleinden kan worden gebruikt als waartoe het instrument of apparaat, waarvoor de aanvraag om vrijstelling werd gedaan, is bestemd en of het vergelijkbare diensten kan bewijzen.”

Om op grond van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1798/75 met douanevrijstelling te kunnen invoeren, dient de instelling of organisatie van bestemming ingevolge artikel 3 van verordening nr. 3195/75 bij de bevoegde autoriteit een verzoek in te dienen dat, onder andere, de volgende gegevens bevat:

„...

c) de bestemming die aan dit instrument of apparaat zal worden gegeven en het gebruik dat ervan zal worden gemaakt.

...

g) de naam of firmanaam en het adres van het bedrijf of de bedrijven in de Gemeenschap, waarbij de nodige stappen werden gedaan met het oog op de leverantie van een instrument of apparaat van gelijke wetenschappelijke waarde, als datgene waarvoor om vrijstelling wordt verzocht, het resultaat van deze stappen en, in voorkomend geval, de redenen waarom een in de Gemeenschap verkrijgbaar instrument of apparaat niet voor het beoogde onderzoek kan worden gebruikt.

Tot staving van het verzoek dient documentatiemateriaal te worden bijgevoegd dat alle nuttige inlichtingen bevat inzake de kenmerken en technische bijzonderheden van het instrument of apparaat.”

Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3195/75 bepaalt, dat de bevoegde nationale autoriteit rechtstreeks op het verzoek beslist in alle gevallen waarin de gegevens waarover zij beschikt, eventueel na overleg met belanghebbende economische kringen, haar in staat stellen te bepalen of er op dat moment al dan niet instrumenten of apparaten van dezelfde wetenschappelijke waarde in de Gemeenschap worden vervaardigd. Anders wordt het verzoek om vrijstelling aan de Commissie gezonden, die de Lid-Staten om advies vraagt en bij een negatief advies dit speciale geval aan een groep deskundigen ter beoordeling voorlegt.

Wanneer uit het door de Commissie ingestelde onderzoek blijkt dat in de Gemeenschap gelijkwaardige apparaten worden vervaardigd, geeft de Commissie een beschikking waarin wordt vastgesteld dat aan de voorwaarden voor invoer met vrijstelling van het betrokken apparaat niet is voldaan. In het tegenovergestelde geval geeft zij een beschikking waarin wordt vastgesteld dat wel aan deze voorwaarden is voldaan. Alle Lid-Staten worden binnen een termijn van 15 dagen van de beschikking van de Commissie in kennis gesteld.

#### II — De feiten en de procedure voor de nationale rechter

Verzoekster in het hoofdgeding, de Universiteit Hamburg (hierna: verzoekster) voerde in augustus 1976 een uit de Verenigde Staten afkomstig elektronisch controle- en meetapparaat, „Packard 2425 Tri-Carb Spectrometer” genaamd, in de Bondsrepubliek Duitsland in.

In de douaneaangifte van 15 augustus 1976 omschreef verzoekster het onderzoeksproject als volgt: „meting van de radioactiviteit in het weefsel en het lichaamsvocht van proefdieren in het kader van het experimenteel anatomisch onderzoek, met het oog op de lokalisatie en kwantitatieve opsporing van chemische stofwisselingsprocessen in het organisme van zoogdieren”.

Als wetenschappelijke of opvoedkundige waarde van het apparaat vermeldde verzoekster de volgende kenmerken: „Opsporing van stofwisselingssubstanties van het organisme na opname van toegediende, radioactief gemerkte bouwstoffen tot de grootte van een pico-mol, door bepaling en meting van het radioactieve verval van de radioactieve sporensubstantie, foto-elektrische impulsvermenigvuldiging van het radioactieve vervalproces.”

De waar werd eerst vrij van rechten ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht, maar bij beschikking van 16 augustus 1977 hief het bevoegde Zollamt alsnog douanerechten ten bedrage van DM 5698,38, op grond dat in de Gemeenschap van gelijke wetenschappelijke waarde werden vervaardigd.

Verzoekster diende tegen die beschikking een bezwaarschrift in, waarbij zij zich beriep op een expertise van professor Garweg van de Universiteit Hamburg. In zijn rapport van 13 oktober 1977 legde Garweg in negen punten de van het betrokken apparaat verwachte prestaties vast.

De douane heeft de kwestie ter zake van de vrijstelling naar de Commissie verwezen die ze op haar beurt aan de Lid-Staten heeft voorgelegd. Het Koninkrijk der Nederlanden en de Franse Republiek brachten een negatief advies uit en zonden tevens documentatie van binnen de Gemeenschap vervaardigde apparaten die volgens hen een gelijke wetenschappelijke waarde hadden, alsmede opmerkingen en vergelijkingen tussen deze en het door verzoekster ingevoerde apparaat.

Het beknopt verslag van de vergadering van het Comité douanevrijstellingen dat door de Commissie werd ingeschakeld, bevat de volgende gegevens :

Dossier 015/78: ‚Tri-Carb Liquid Scintillation Spectrometer, model 2425’.

5.1 Voor het in dossier 015/78 bedoelde toestel had Duitsland de vrijstelling geweigerd ... maar de gebruiker is tegen deze weigering in beroep gegaan.

5.2 De Franse delegatie deelt mede dat de firma Intertechnique gelijkwaardige toestellen produceert. Deze delegatie wijst erop dat de firma Intertechnique onweerlegbare argumenten naar voren heeft gebracht betreffende de gelijkwaardigheid van haar toestellen.

5.3 De Nederlandse delegatie wijst op het bestaan van de volgende gelijkwaardige toestellen: ‚ISOCAP 300’ van de firma Searle en ‚PW 4540’ van de firma Philips. ...

5.4 De Duitse delegatie deelt mede dat de gebruikers de gelijkwaardigheid van de Nederlandse toestellen betwisten.

5.5 Conclusie: aard van de te treffen maatregel: erkenning van het wetenschappelijk karakter besluit ... (uitsluiting van de vrijstelling vanwege een communautaire produktie. Deze uitsluiting berust onder meer op de toestellen van Intertechnique).”

Vervolgens heeft de Commissie in haar tot de Lid-Staten gerichte beschikking 78/851 van 5 oktober 1978 (PB L 293 van 1978, blz. 30) gesteld, dat niet werd voldaan aan de voorwaarden om de ingevoerde waar met vrijstelling van rechten toe te laten. De belangrijkste overwegingen van de considerans bij de beschikking luiden als volgt:

„...

Overwegende dat door het besluit van 23 mei 1977 de Commissie het wetenschappelijk apparaat genaamd ‚Packard 2425 Tri-Carb Spectrometer’ met verreschrijver van vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief heeft uitgesloten daar apparaten van gelijke wetenschappelijke waarde als genoemd apparaat en geschikt voor hetzelfde gebruik in de Gemeenschap vervaardigd werden;

...

Overwegende dat ... de Duitse regering de Commissie heeft gevraagd de procedure in te stellen bedoeld in de leden 3 tot en met 7 van artikel 4 van verordening (EEG) nr. 3195/75 om vast te stellen of er momenteel en overeenkomstig de voornoemde beschikking van 23 mei 1977 in de Gemeenschap apparaten met gelijke wetenschappelijke waarde worden vervaardigd als het apparaat genaamd „Packard 2425 Tri-Carb Spectrometer”, gelet op het bijzondere gebruik ervan dat gebaseerd is op de meting van de radioactiviteit in het weefsel en het vocht van de lichamen van proefdieren in het kader van het experimentele ontleedkundige onderzoek;

...

Overwegende dat, op grond van de door de Lid-Staten verzamelde inlichtingen, is gebleken dat apparaten van gelijke wetenschappelijke waarde als genoemd apparaat en geschikt voor hetzelfde gebruik momenteel in de Gemeenschap worden vervaardigd”.

Tenslotte heeft het Hauptzollamt Hamburg-Kehrwieder bij beschikking van 7 mei 1979 verzoeksters bezwaar ongegrond verklaard.

Deze heeft vervolgens daartegen beroep ingesteld bij het Finanzgericht te Hamburg, stellende dat de bij het onderzoek inzake de vrijstelling betrokken Nederlandse en Franse apparaten, te weten de ISOCAP 300 van de firma G.D. Searle Nederland, de PW 4540 van Philips, Eindhoven, en de SL 4000 van de firma Intertechnique, Plaisir (Frankrijk) niet gelijkwaardig zijn. Met deze apparaten zou het onderzoeksprogramma niet kunnen worden uitgevoerd. Verzoekster betwijfelt of de Commissie in haar beschikking voldoende rekening heeft gehouden met de aard van het onderzoeksprogramma. Zij wijst erop dat de beschikking de gebruiksmogelijkheden van het apparaat slechts globaal beschrijft en dat de Commissie geen nadere motivering heeft gegeven.

Het Hauptzollamt beroept zich op de beschikking van de Commissie en stelt dat die tot alle Lid-Staten was gericht en dus ook de administratie bindt, en dat het Hauptzollamt derhalve niet bevoegd is de zakelijke juistheid ervan te toetsen.

Het Finanzgericht heeft met het oog op de vergelijking van de ingevoerde apparaten met de in de Gemeenschap vervaardigde produkten twee deskundigen om advies gevraagd.

In het eerste deskundigenbericht stelde professor H. C. Heinrich van de Universiteit Hamburg op 23 april 1980 onder andere:

„In het door u gevraagde deskundigenverslag kan niet eenvoudig met ‚ja’ of ‚neen’ worden geantwoord, op de vraag ‚of in de Europese Gemeenschap liquid scintillation spectrometers worden vervaardigd die kwalitatief — met name qua doelmatigheid, werking en toepassing — gelijkwaardig zijn met de uit de Verenigde Staten ingevoerde Packard Modell 2425 Tri-Carb Spectrometer.’

De wetenschappelijke waarde van een bepaalde stralingsdosismeter (in casu de Liquid Scintillation Spectrometer) hangt af van de opgegeven prestaties (specificaties) van elk type apparaat en het specifieke gebruiksdoel van de onderzoeker die dit apparaat gebruikt.

(...) Sinds 1954 zijn de apparaten van de firma Packard' ... toonaangevend voor de prestaties die, gelet op de stand van de techniek, kunnen worden bereikt en daarmee voor de wetenschappelijke waarde van deze meetwijze.

De vele fabrikanten die sinds 1960 liquid scintillation spectrometers hebben nagebouwd, hebben met hun instrumenten over het algemeen geen vergelijkbaar wetenschappelijk resultaat bereikt. Daarom ook hebben bijvoorbeeld in het academische ziekenhuis te Eppendorf bijna alle onderzoekers onafhankelijk van elkaar voor de Packard Tri-Carb gekozen. (...)

Dat de apparaten ISOCAP 300 en PW 4540 niet werden gekocht of gebruikt, is hoofdzakelijk te wijten aan de geringere wetenschappelijke waarde van deze apparaten en de slechte reputatie van de enkele geïnstalleerde apparaten van die beide types wat betreft het specifieke gebruiksdoel en het ontbreken van een goed opgezette plaatselijke klantendienst.

In ons instituut hebben wij ons in concreto kunnen overtuigen van de beperkte wetenschappelijke mogelijkheden van de LSS-ISOCAP/300 van de vennootschap Searle toen die begin 1975 op proef werd geïnstalleerd. De door Dr. Eckstein uitgevoerde proefmetingen leverden een ontoelaatbare hoeveelheid onbruikbare resultaten en niet te reproduceren tabellen op. (...)

De wetenschappelijke waarde van de betrokken apparaten Packard Tri-Carb 2425, Searle ISOCAP 300 en Philips PW 4540 kan slechts met zekerheid en definitief worden beoordeeld, indien de gebruiker in het kader van zijn wetenschappelijke doelstelling de, zowel met 3H als 14C gemerkte verkregen proefresultaten meet met gebruikmaking van geoptimaliseerde energiekanaalregelingen voor alle drie apparaten, en hij de gebruikelijke rendementsparameters berekent. Deze directe vergelijking zal zeker op een betrouwbare manier aantonen of voornoemde apparaten dezelfde wetenschappelijke waarde hebben en of ze al dan niet voor hetzelfde doel kunnen worden gebruikt.

(...)”

In het tweede deskundigenonderzoek van 1 februari 1982 (gecorrigeerd op 4 februari 1982) heeft Dr. W. Dau het Institut für.Reine und Angewandte Kernphysik van de Christian-Albrechts Universiteit te Kiel zich als volgt uitgelaten:

##### „ Vergelijkbaarheid

(...) de wetenschappelijke waarde van apparaten kan slechts aan de hand van het specifieke gebruiksdoel worden vergeleken. In principe kan men slechts tot een neutrale beoordeling komen, wanneer de te vergelijken apparaten voor dezelfde gespecificeerde metingen worden gebruikt en hun prestaties worden vergeleken. Bij dit soort experimentele vergelijking blijft evenwel buiten beschouwing:

a) de wijze waarop een apparaat op de markt wordt gebracht,

b) de kwaliteit van de onderhouds- en hersteldiensten;

c) de vraag of ter plaatse niet reeds een reeks apparaten van hetzelfde type zijn geïnstalleerd.

Deze aspecten zijn vaak doorslaggevend wanneer apparaten worden aangekocht.

(...)

##### Beoordeling, wetenschappelijke waarde

Vergeleken werden de apparaten Pakkard 2425, Philips PW 4540, Berthold BF 5000, Intertechnique SL 4000, Searle ISOCAP 300.

Mijns inziens is de ISOCAP 300 in de Verenigde Staten vervaardigd en niet in de Gemeenschap.

De SL 4000 is sinds 1977 in de handel, maar ik kan niet zeggen of hij in 1975/76 (toen over de aankoop van een apparaat moest worden beslist) reeds werd verkocht. Bij navraag is vooralsnog niet gebleken dat dit apparaat reeds op de markt was.

(...)

Vergelijkt men de apparaten met het oog op het specifieke gebruiksdoel, dan was het apparaat Packard 2425 in 1976 beter dan de andere en dus van grotere wetenschappelijke waarde.

(...).”

In een rapport van 7 juni 1982 verklaart Dr. Dau onder meer:

##### „ Conclusie

Gelet op het specifieke gebruiksdoel was het apparaat Packard 2425 in 1976 beter dan het apparaat ISOCAP 300, en dus van grotere wetenschappelijke waarde”.

Het Finanzgericht heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld :

Wordt door een tot de Lid-Staten gerichte beschikking van de Commissie krachtens artikel 4, lid 6, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 3195/75 van de Commissie van 2 december 1975, volgens welke niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 1798/75 van de Raad van 10 juli 1975 betreffende de invoer met vrijstelling van rechten van een bepaald instrument of apparaat, ook degene die het in de beschikking bedoelde apparaat enz. heeft ingevoerd, rechtstreeks en individueel geraakt, zodat hij tegen de beschikking beroep kan instellen, en zo ja, vanaf welk ogenblik en binnen welke termijn?

2\. Kan degene die door een beschikking van de Commissie krachtens artikel 4, lid 6, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 3195/75 wordt geraakt, de onwettigheid van de beschikking slechts binnen de in artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag gestelde termijn van twee maanden met een beroep tegen de Commissie geldend maken, of kan de onwettigheid van de beschikking ook voor de nationale rechter in het kader van een beroep tegen de vaststelling van het douanerecht worden ingeroepen, des dat de vraag inzake de geldigheid van de beschikking door de nationale rechter in het kader van een prejudiciële procedure naar het Hof van Justitie kan worden verwezen?

3\. Voor het geval dat de onwettigheid van de beschikking in de procedure voor de nationale rechter kan worden ingeroepen: is beschikking nr. 78/851/EEG van de Commissie van 5 oktober 1978 inzake het apparaat „Packard Tri-Carb Liquid Scintillation System, model 2425” deswege ongeldig, omdat soortgelijke apparaten, zoals in de beschikking van de Commissie vermeld, wel in de Gemeenschap worden vervaardigd, maar inzake prestatievermogen, vooral gelet op het specifieke gebruiksdoel, minder goed waren dan het ingevoerde apparaat?”

In zijn verwijzingsbeschikking overweegt het Finanzgericht dat beschikking 78/851 van de Commissie tot de Lid-Staten is gericht. Zij raakt echter ook rechtstreeks degene die de betrokken waar heeft ingevoerd. Het Finanzgericht neigt derhalve tot het standpunt dat deze persoon een recht van beroep in de zin van artikel 173 moet worden ingeruimd. De termijn voor het instellen van beroep vangt, volgens artikel 81, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering, aan op de vijftiende dag na de verschijning van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen waarin de handeling is bekendgemaakt, maar het lijkt het Finanzgericht twijfelachtig of de termijn voor het instellen van beroep ook geldt voor personen die niet uitdrukkelijk adressaten van een beschikking van de Commissie zijn.

Volgens het Finanzgericht zijn de beschikkingen van de Commissie na afloop van de beroepstermijn onaanvechtbaar.

Het zou slechts anders zijn in geval van nietigheid, maar voor deze hypothese bestaat in casu geen enkele aanwijzing. Het feit dat de beschikking van de Commissie niet uitdrukkelijk tot verzoekster was gericht, zodat deze er geen kennis van kon krijgen, pleit evenwel tegen de opvatting dat verzoekster verplicht zou zijn de beschikking van de Commissie te betwisten. De verhouding tussen de beroepsprocedure van artikel 173 EEG-Verdrag en de prejudiciële procedure van artikel 177 moet aldus worden opgevat, dat een prejudiciële procedure niet meer in aanmerking komt, wanneer de voor de beslissing van belang zijnde vraag reeds in de procedure van artikel 173 had kunnen worden beslist.

Voor zover de ongeldigheid kan worden opgeworpen voor de nationale rechter, moet deze volgens het Finanzgericht het beroep tot nietigverklaring van een vaststelling van douanerechten verwerpen wanneer er geen aanwijzingen zijn dat de beschikking van de Commissie onrechtmatig was. Wanneer er echter aanwijzingen zijn dat zij onwettig was, dan kan, respectievelijk moet, de nationale rechter het Hof om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verzoeken. De verwijzende rechter acht zich niet bevoegd om zelf de onwettigheid respectievelijk ongeldigheid van de beschikking van de Commissie vast te stellen. Deze beslissing zou — welke de gevolgde procedure ook zij — bij het Hof van Justitie berusten.

Wat de gelijke wetenschappelijke waarde betreft wijst het Finanzgericht erop, dat de deskundigen Heinrich en Dau, anders dan de Commissie, tot de conclusie zijn gekomen dat, gelet op het specifieke gebruiksdoel, geen enkel in de Gemeenschap vervaardigd apparaat gelijkwaardig is met de Packard 2425. Volgens het arrest van het Hof van 2 februari 1978 (zaak 72/77, Universiteitskliniek Utrecht, Jurispr. 1978, blz. 189) hangt „de wetenschappelijke waarde” van een waar uitsluitend af van haar objectieve eigenschappen. Onmiskenbaar hangt de wetenschappelike waarde van een produkt evenmin af van prijsverschillen als van het feit dat het van alle gemakken is voorzien of gemakkelijk is te bedienen; de gelijkwaardigheid van het communautaire produkt is echter twijfelachtig, wanneer het niet even nauwkeurige metingen mogelijk maakt als het ingevoerde apparaat. Er moet rekening mee worden gehouden dat de betrokken apparaten worden gekocht voor zeer specifieke onderzoeksprojecten. Naar het oordeel van het Finanzgericht zou de in verordening nr. 1798/75 in beginsel voorziene invoer met vrijstelling van rechten voor wetenschappelijk materieel, gelet op het algemeen hoge technische peil in de Gemeenschap, tot een dode letter worden, indien de communautaire beschermingsclausule ten gunste van in de Gemeenschap vervaardigde produkten die minder goed zijn, te ruim zou worden uitgelegd.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Deense regering, vertegenwoordigd door L. Mikaelsen, juridisch adviseur bij het ministerie van Buitenlandse zaken (Departementet for Udenrigsøkonomi), en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A. Prozzillo, bijgestaan door J. Grunwald, lid van haar juridische dienst.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan na de Commissie enkele vragen te hebben gesteld.

#### III — Schriftelijke opmerkingen

##### 1. De eerste en de tweede vraag

Over de eerste vraag merkt de Deense regering op, dat de bestreden beschikking verzoekster rechtstreeks raakt, aangezien de negatieve beschikking van de Commissie de Lid-Staat geen beoordelingsvrijheid laat, doch hem integendeel dwingt tot het nemen van een welbepaalde beschikking ten aanzien van verzoekster. Nu uit de casuspositie duidelijk blijkt dat de Commissie de beschikking heeft gegeven op een concrete aanvraag van verzoekster bij de Duitse instanties, wordt verzoekster door de beschikking tevens individueel geraakt. Dat de beschikking tot alle Lid-Staten is gericht betekent niet, dat zij ten overstaan van verzoekster geen individueel karakter heeft, want enerzijds kan de gevraagde beoordeling in de loop van de tijd veranderen en anderzijds dient zij te worden verricht aan de hand van de precieze behoeften waaraan het betrokken apparaat moet voldoen. Er moet evenwel een voorbehoud worden gemaakt, in die zin dat de eerste vraag slechts definitief kan worden beantwoord in het kader van een beroep voor het Hof krachtens artikel 173 EEG-Verdrag.

Over de tweede vraag merkt de Deense regering vooreerst op, dat artikel 177 het Hof de bevoegdheid verleent om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid van de handelingen der instellingen van de Gemeenschap, zonder te dezen een termijn te bepalen. Artikel 177 gaat ervan uit, dat de vraag omtrent de geldigheid van de handelingen van de gemeenschapsinstellingen te allen tijde voor een rechterlijke instantie van een Lid-Staat kan worden opgeworpen, want een beslissing op dit punt kan noodzakelijk zijn voor het wijzen van haar vonnis. Dit, alsmede het feit dat de procedure van artikel 177 EEG-Verdrag beoogt te voorzien in de behoeften van de nationale rechterlijke instanties, werd beklemtoond in 's Hofs arrest van 12 oktober 1978 (zaak 156/77, Commissie t. België, Jurispr. 1978, blz. 1881). Daarom alleen al heeft verzoekster volgens de Deense regering het recht, de geldigheid van de betrokken beschikking te betwisten.

Bovendien werd de betrokken beschikking zo geformuleerd dat alleen de Lid-Staten die hebben deelgenomen aan de besprekingen binnen de groep deskundigen de geldigheid ervan kunnen beoordelen. De Deense regering acht het dan ook redelijk dat de instelling die om invoer met douanevrijstelling heeft gevraagd, het nationale besluit mag afwachten, dat in casu eerst verscheidene maanden na het verstrijken van de termijn voor een beroep tot nietigverklaring bij het Hof werd genomen.

Derhalve geeft de Deense regering het Hof in overweging op de tweede vraag te antwoorden, dat de geldigheid van beschikkingen ook voor de nationale rechter kan worden betwist, zodat deze in het kader van een prejudiciële procedure de vraag of een beschikking geldig is naar het Hof van Justitie kan verwijzen.

Volgens de Commissie is een formeel antwoord op de eerste twee vragen niet nodig. Voorzover de vragen betrekking hebben op de ontvankelijkheid van de betrokken verwijzingsbeschikking, wordt daarop mede geantwoord bij het onderzoek ten gronde van de feiten en van het recht. In zoverre de vragen het kader van de onderhavige zaak te buiten gaan omdat zij het probleem van de ontvankelijkheid in abstracto behandelen, dienen zij niet te worden beantwoord aangezien zij, anders dan voorgeschreven in artikel 177 EEG-Verdrag, niet noodzakelijk zijn om in concreto uitspraak te kunnen doen. Over de ontvankelijkheid van een prejudiciële procedure op grond van artikel 177 kan evenwel worden getwijfeld, nu de verwijzende rechter feitelijk verzoekt om een uitspraak over de geldigheid van een gemeenschapshandeling die wellicht slechts met een verzoek tot nietigverklaring in de zin van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag kan worden betwist. De Commissie meent echter dat, al was zulk een beroep tot nietigverklaring destijds ontvankelijk geweest, het niet-instellen van de in artikel 173 bedoelde procedure geen invloed heeft op de toelaatbaarheid van de onderhavige prejudiciële procedure. Anders zou artikel 177 subsidiair worden ten aanzien van artikel 173: niet alleen is daarvoor in deze bepalingen geen enkele grondslag te vinden, maar tevens zou de nationale rechter dan verplicht zijn alvorens een procedure krachtens artikel 177 in te leiden, in het kader van het geding ten principale eerst de vraag te beslechten of een van de procespartijen de gemeenschapshandeling op grond van artikel 173, tweede alinea, had kunnen of moeten bestrijden. Om deze prejudiciële vraag te beantwoorden kan de nationale rechter gebruik maken van de procedure van artikel 177, waarin het Hof louter een hypothetische vraag ad preteritum moet beantwoorden; dit procédé zou tegen alle beginselen van proceseconomie indruisen. Om zo een „ingelaste” procedure krachtens artikel 177 te voorkomen, zou de nationale rechter kunnen overwegen, het Hof in één en dezelfde procedure op grond van hetzelfde artikel, eerst over de ontvankelijkheid en — zo die wordt beaamd — vervolgens over de zaak ten gronde uitspraak te laten doen. Het resultaat zou evenwel hetzelfde zijn: het Hof zou wederom de grond van de zaak moeten onderzoeken om te kunnen bepalen of voorheen een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 173 rechtens mogelijk was.

In de eerste plaats valt overigens te vrezen, dat het afsnijden van de procedure van artikel 177 zou leiden tot een stroom van meestal niet-ontvankelijke en ongegronde preventieve beroepen. Daarbij komt dat, indien de geldigheid van een handeling op grond van artikel 177 slechts kan worden onderzocht wanneer een beroep tot nietigverklaring openstaat, een procedure als bedoeld in artikel 177 a fortiori niet-ontvankelijk is wanneer een handeling niet — zelfs niet krachtens artikel 173 — kan worden betwist. In het omgekeerde geval zouden degenen waaraan artikel 173 met zoveel woorden een recht van beroep toekent slechts gedurende twee maanden over dit recht beschikken, terwijl zij die zelfs geen beroep krachtens artikel 173 kunnen instellen de zaak via artikel 177, zonder tijdsbeperking aan het Hof kunnen voorleggen. Hieruit blijkt dus, dat de theorie van de subsidiariteit, waarin de artikelen 173 en 177 op de genoemde wijze worden aaneengekoppeld, zelfs al zouden haar premissen juist zijn, tot ongerijmdheden leidt.

Gesteld al dat de subsidiariteitstheorie juist zou zijn, dan moet de ontvankelijkheid van een rechtstreeks beroep overigens krachtens artikel 92 van het Reglement voor de procesvoering ambtshalve worden onderzocht: is het rechtstreeks beroep niet-ontvankelijk, dan is de prejudiciële procedure dat ook. Voor zover de Commissie bekend, heeft het Hof echter nooit een dergelijk onderzoek verricht, noch erop gewezen dat dit in het kader van een prejudiciële procedure noodzakelijk is.

##### 2. De derde vraag

De Commissie merkt op dat uit artikel 3, lid 3, tweede streepje, van verordening nr. 1798/75 volgt, dat bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid niet wordt uitgegaan van een abstract-technische vergelijking van de apparaten, maar alleen van de vraag of een apparaat geschikt is voor de vereiste wetenschappelijke doeleinden en diensten kan bewijzen die vergelijkbaar zijn met die welke men van het in het derde land vervaardigde apparaat verwacht.

In feite heeft verzoeksters kritiek uitsluitend betrekking op de prestaties van de in de Gemeenschap vervaardigde apparaten die, volgens het door verzoekster overgelegde deskundigenbericht van 13 oktober 1977, op negen punten slechter zijn dan het apparaat van de firma Packard. Van de concurrerende communautaire apparaten wordt dus gezegd dat zij geen diensten kunnen bewijzen die vergelijkbaar zijn met die welke van het door verzoekster ingevoerde apparaat werden verwacht. De Commissie kan het niet eens zijn met de bij dit onderzoek van de gelijkwaardigheid gevolgde methode, aangezien hierin geen rekening wordt gehouden met de criteria van artikel 3, lid 3, tweede streepje, van verordening nr. 1798/75 terzake van de beoordeling van de wetenschappelijke gelijkwaardigheid. In plaats van eerst alle in aanmerking komende apparaten te toetsen aan de uit te voeren wetenschappelijke opdracht, en vervolgens hun respectieve prestaties te beoordelen, poogt bedoeld rapport de indruk te wekken dat de kenmerken en mogelijkheden van het apparaat Packard 2425 Tri-Carb Spectrometer als het ware immanent zijn in de onderzochte natuurverschijnselen. De Commissie heeft haar beschikking daarentegen gegeven met het oog op het bijzondere gebruiksdoel in het onderhavige geval. Allen die aan de besluitvorming hebben deelgenomen, waren op de hoogte van de bestemming van het apparaat en van verzoeksters bezwaren tegen de in de Gemeenschap vervaardigde concurrerende produkten.

De beschikking van 5 oktober 1978 werd op eenstemmig advies van de bevoegde groep deskundigen gegeven nadat verzoeksters argumenten waren gehoord. De Commissie heeft haar beschikking genomen op basis van de technische verslagen van de deskundigen, na afweging van alle argumenten en met naleving van alle procedureregels. Met haar beschikking over de wetenschappelijke gelijkwaardigheid van technische apparaten heeft de Commissie, na inwinning van alle gegevens, inlichtingen en adviezen, een beoordeling uitgebracht. De Commissie heeft de bevoegdheid hiertoe krachtens het gemeenschapsrecht; zij kan deze niet delegeren noch zich daaraan hoe dan ook onttrekken. Een dergelijke beoordeling is evenwel slechts mogelijk indien de Commissie — zij het binnen strikte grenzen — een zekere beoordelingsvrijheid wordt gelaten. Er zou sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, indien de Commissie haar beschikking zou baseren op onjuiste of onvolledige gegevens, als zij subjectieve overwegingen zou laten gelden, of indien zij de procedureregels zou overtreden, maar geen dezer elementen van een dergelijk misbruik is in casu aanwezig.

Mitsdien kan tegen de geldigheid van de beschikking van 5 oktober 1978 rechtens geen bezwaar worden gemaakt.

Overigens merkt de Commissie op dat, anders dan Dr. Dau veronderstelt, namelijk dat het apparaat ISOCAP 300 in de Verenigde Staten wordt vervaardigd, een bevoegde deskundige van de voormalige fabrikant Searle heeft gezegd dat dit apparaat zowel in de Verenigde Staten als in de Gemeenschap (Nederland) wordt vervaardigd.

Op grond van een en ander geeft de Commissie het Hof in overweging de derde vraag te beantwoorden als volgt:

„Bij onderzoek van de gestelde vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden, die de geldigheid van de beschikking van de Commissie van 5 oktober 1978 (78/851/EEG) kunnen aantasten.”

#### IV — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 17 mei 1983 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Hof beantwoord door de Commissie, vertegenwoordigd door J. Grunwald, lid van haar juridische dienst, bijgestaan door M. Naezer, als deskundige.

De Commissie heeft erop gewezen dat haar opmerkingen over de eerste twee vragen van de verwijzende rechter slechts betrekking hebben op het onderhavige geval, waarin verzoekster niet de adressaat is van de beschikking van de Commissie en op de beschikking een nationale beslissing is gevolgd.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 22 juni 1983 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij beschikking van 20 juli 1982, ingekomen ten Hove op 12 augustus daaropvolgende, heeft het Finanzgericht Hamburg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 173 en 177 EEG-Verdrag alsmede van verordeningen nrs. 1798/75 van de Raad van 10 juli 1975 betreffende de invoer met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard (PB L 184 van 1975, blz. 1), en 3195/75 van de Commissie van 2 december 1975 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1798/75 (PB L 316 van 1975, blz. 17).

2. Deze vragen zijn gerezen in het kader van een beroep van de Universiteit Hamburg tegen de weigering van de Duitse douane om de invoer met douanevrijstelling toe te staan voor een uit de Verenigde Staten afkomstig elektronisch controle- en meetapparaat, „Packard 2425 Tri-Carb Spectrometer” genaamd, dat de universiteit wilde gebruiken voor de „meting van de radioactiviteit in het weefsel en het lichaamsvocht van proefdieren in het kader van het experimenteel anatomisch onderzoek, met het oog op de lokalisatie en kwantitatieve opsporing van chemische stofwisselingsprocessen in het organisme van zoogdieren.”

3. Uit het dossier blijkt dat de Duitse autoriteiten het verzoek van de universiteit overeenkomstig de voornoemde verordeningen aan de Commissie hebben voorgelegd. In haar tot alle Lid-Staten gerichte beschikking 78/851 van 5 oktober 1980 (PB L 293 van 1980, blz. 30) heeft de Commissie gesteld, dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor invoer met douanevrijstelling, bedoeld in artikel 3, lid 1, sub b, van voornoemde verordening nr. 1798/75, aangezien apparaten van gelijke wetenschappelijke waarde als genoemd apparaat en geschikt voor hetzelfde gebruik in de Gemeenschap werden vervaardigd. Op grond van deze beschikking hebben de Duitse autoriteiten op 7 mei 1979 het verzoek van de universiteit definitief afgewezen.

4.

In de procedure voor de nationale rechter heeft de universiteit aangevoerd dat de in de Gemeenschap vervaardigde apparaten, gelet op de specifieke eisen van het in haar aanvrage genoemde onderzoek, niet gelijkwaardig waren met het Amerikaanse apparaat. Onder deze omstandigheden heeft het Finanzgericht Hamburg het Hof de volgende vragen gesteld:

1.Wordt door een tot de Lid-Staten gerichte beschikking van de Commissie krachtens artikel 4, lid 6, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 3195/75 van de Commissie van 2 december 1975, volgens welke niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 1798/75 van de Raad van 10 juli 1975 betreffende de invoer met vrijstelling van rechten van een bepaald instrument of apparaat, ook degene die het in de beschikking bedoelde apparaat enz. heeft ingevoerd, rechtstreeks en individueel geraakt, zodat hij tegen de beschikking beroep kan instellen, en zo ja, vanaf welk ogenblik en binnen welke termijn?

2.Kan degene die door een beschikking van de Commissie krachtens artikel 4, lid 6, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 3195/75 wordt geraakt, de onwettigheid van de beschikking slechts binnen de in artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag gestelde termijn van twee maanden met een beroep tegen de Commissie geldend maken, of kan de onwettigheid van de beschikking ook voor de nationale rechter in het kader van een beroep tegen de vaststelling van het douanerecht worden ingeroepen, des dat de vraag inzake de geldigheid van de beschikking door de nationale rechter in het kader van een prejudiciële procedure naar het Hof van Justitie kan worden verwezen?

3.Voor het geval dat de onwettigheid van de beschikking in de procedure voor de nationale rechter kan worden ingeroepen: is beschikking nr. 78/851/EEG van de Commissie van 5 oktober 1978 inzake het apparaat „Packard Tri-Carb Liquid Scintillation System, model 2425” deswege ongeldig, omdat soortgelijke apparaten, zoals in de beschikking van de Commissie vermeld, wel in de Gemeenschap worden vervaardigd, maar inzake prestatievermogen, vooral gelet op het specifieke gebruiksdoel, minder goed waren dan het ingevoerde apparaat?

#### De eerste twee vragen

5. Met deze vragen wil de nationale rechter in wezen vernemen of degene die wordt geraakt door een beschikking van de Commissie als de onderhavige, krachtens het gemeenschapsrecht het recht heeft verwerkt om in een procedure voor de nationale rechter de onwettigheid van die beschikking aan te voeren, doordat hij niet krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, binnen de in de derde alinea van dat artikel gestelde termijn, tegen deze beschikking in beroep is gekomen. Voor de oplossing van dit probleem moet de in de vorengenoemde verordeningen vastgestelde procedure worden onderzocht.

6. Volgens artikel 3 van verordening nr. 3195/75 moet het verzoek om vrijstelling van douanerechten worden ingediend bij de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waar de betrokken wetenschappelijke instelling is gevestigd. Artikel 4 bepaalt dat deze nationale autoriteit rechtstreeks beslist op het verzoek, in alle gevallen waarin de gegevens waarover zij beschikt haar in staat stellen te bepalen of er op dat moment al dan niet apparaten van dezelfde wetenschappelijke waarde in de Gemeenschap worden vervaardigd. Slechts wanneer de nationale autoriteit zich niet in staat acht, deze vraag zelf te beoordelen, moet zij zich dus tot de Commissie wenden. Het gemeenschapsrecht eist niet, dat de aanvrager daarvan in kennis wordt gesteld.

7. De beschikking van de Commissie wordt tot alle Lid-Staten gericht. Krachtens artikel 191 EEG-Verdrag moet van deze beschikking dus kennis worden gegeven aan deze staten, en wordt zij van kracht door deze kennisgeving. Zij behoeft daarentegen niet ter kennis van de aanvrager te worden gebracht en zij behoort ook niet tot de besluiten, die ingevolge het Verdrag moeten worden bekendgemaakt. Ook al wordt de beschikking feitelijk toch gepubliceerd in het Publikatieblad van de Gemeenschappen, de aanvrager kan er niet noodzakelijk uit opmaken dat zij naar aanleiding van een door hem ingeleide procedure is genomen.

8. Aangezien de beschikking verbindend is voor de Lid-Staten, moet de nationale autoriteit op een negatieve beschikking van de Commissie het verzoek om douanevrijstelling afwijzen; zij is krachtens het gemeenschapsrecht echter niet verplicht, in het afwijzend besluit naar de beschikking van de Commissie te verwijzen. Zoals uit de onderhavige zaak blijkt, kan dit besluit voorts geruime tijd na de kennisgeving van voornoemde beschikking worden genomen.

9. Tenslotte moet de betrokken wetenschappelijke instelling, zoals het Finanzgericht terecht heeft opgemerkt, aantonen dat zij rechstreeks en individueel door de beschikking van de Commissie wordt geraakt, om krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, hiertegen beroep te kunnen instellen.

10. Gelet op een en ander is de afwijzing van het verzoek van de wetenschappelijke instelling door de nationale autoriteit het enige rechtstreeks tot die instelling gerichte besluit waarvan deze noodzakelijkerwijze tijdig kennis heeft gekregen, en dat zij voor de rechter kan bestrijden zonder op moeilijkheden te stuiten om haar procesbelang aan te tonen. Overeenkomstig een in artikel 184 EEG-Verdrag tot uitdrukking komend algemeen rechtsbeginsel, moet de verzoeker de mogelijkheid hebben, in het kader van een volgens het nationale recht tegen de afwijzing van zijn verzoek ingesteld beroep, de onwettigheid in te roepen van de beschikking van de Commissie die als grondslag dient voor het te zijnen aanzien genomen nationale besluit.

11. Deze constatering volstaat als antwoord om de twijfels van de nationale rechter weg te nemen, zonder dat het noodzakelijk is, een standpunt in te nemen ten aanzien van de veel ruimere problematiek van de onderlinge verhouding tussen de artikelen 173 en 177 EEG-Verdrag, of de eerste prejudiciële vraag afzonderlijk te beantwoorden.

12. Mitsdien moet op de eerste twee vragen van het Finanzgericht worden geantwoord, dat degene die door een beschikking van de Commissie, gegeven krachtens artikel 4 van verordening nr. 3195/75, wordt geraakt, de onwettigheid van de beschikking voor de nationale rechter kan inroepen in het kader van een beroep tegen de vaststelling van het douanerecht, des dat de vraag inzake de geldigheid van de beschikking in het kader van een prejudiciële procedure naar het Hof kan worden verwezen.

#### De derde vraag

13. Met deze vraag wil het Finanzgericht vernemen of voornoemde beschikking 78/851 ongeldig is, omdat soortgelijke apparaten die in de Gemeenschap worden vervaardigd inzake prestatievermogen, vooral gelet op het specifieke gebruiksdoel, minder goed waren dan het ingevoerde apparaat.

14. Te dezen moet er allereerst op worden gewezen, dat de betrokken verordeningen moeten waarborgen dat een grondig onderzoek wordt ingesteld naar de bij de Commissie ingediende verzoeken, waarover een of meer Lid-Staten een ongunstig advies hebben uitgebracht. Artikel 4 van genoemde verordening nr. 3195/75 bepaalt dat dit onderzoek wordt verricht door deskundigen van alle Lid-Staten, die bijeenkomen in het kader van het Comité Douanevrijstellingen. Zij hebben niet alleen de beschikking over het verzoek, maar tevens over de daarop betrekking hebbende technische gegevens, en houden bij de vergelijking van de betrokken apparaten rekening met het bijzondere gebruik waartoe de importeur het ingevoerde apparaat bestemt. Gelet op de technische aard van dit onderzoek, kan het Hof de inhoud van een door de Commissie conform het advies van het Comité gegeven beschikking slechts aan de kaak stellen bij een klaarblijkelijke fout — feitelijk of rechtens — of bij misbruik van bevoegdheid.

15. Voorts moet erop worden gewezen, dat de gelijkwaardigheid van de betrokken apparaten niet alleen op basis van de door de gebruiker in zijn verzoek als noodzakelijk voor zijn onderzoek aangemerkte technische specificaties van deze apparaten moet worden beoordeeld, maar in de eerste plaats op basis van een objectieve beoordeling van de mogelijkheid om met de apparaten de experimenten uit te voeren waartoe de gebruiker het ingevoerde apparaat heeft bestemd. De door de nationale rechter in de onderhavige zaak gelaste expertises berusten echter op de door de universiteit aangegeven technische specificaties, en onderzoeken niet of die vereist zijn om te voorzien in de behoeften van het voorgenomen onderzoek; zij bevatten het uitdrukkelijk voorbehoud, dat een stellig oordeel over de wetenschappelijke waarde van de betrokken apparaten slechts kan worden gegeven, wanneer men de apparaten gebruikt in het kader van het gestelde wetenschappelijke doel en de resultaten vergelijkt. Hieruit blijkt dat met deze expertises niet genoegzaam kan worden aangetoond dat er een klaarblijkelijke fout is gemaakt die de geldigheid van de litigieuze beschikking aantast.

16. Aangezien het dossier geen andere gegevens bevat die wijzen op het bestaan van een dergelijke fout of op misbruik van bevoegdheid, moet op de derde vraag worden geantwoord, dat bij het onderzoek van het Hof niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van beschikking nr. 78/851 van de Commissie van 5 oktober 1978 kunnen aantasten.

#### Kosten

17. De kosten door de regering van het Koninkrijk Denemarken en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 20 juli 1982 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1\. Degene die wordt geraakt door een beschikking van de Commissie, gegeven krachtens artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 3195/75 van de Commissie van 2 december 1975 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1798/75 van de Raad betreffende de invoer met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard, kan de onwettigheid van de beschikking voor de nationale rechter inroepen in het kader van een beroep tegen de vaststelling van het douanerecht, des dat de vraag inzake de geldigheid van de beschikking in het kader van een prejudiciële procedure naar het Hof kan worden verwezen.

2\. Bij het onderzoek door het Hof is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van beschikking 78/851/EEG van de Commissie van 5 oktober 1978 houdende aanvulling van de beschikking van 23 mei 1977 waarbij vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief is geweigerd voor het wetenschappelijk apparaat „Packard 2425 Tri-Carb Spectrometer” met verreschrijver.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

8

EEG-Verdrag art. 173 9 voorkomens

verordening 3195/75 art. 4 uitgelegd 9 voorkomens

verordening 1798/75 art. 3 7 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 uitgelegd 6 voorkomens

verordening 3195/75 art. 3 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 184 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 191 1 voorkomen

verordening 1798/75 art. 1 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Tesauro C-408/95 27.05.1997

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 28duodecies, richtlijn 92/12 art. 28](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-408-95-conclusie)

## Rechtsleer

4

X: European Court of Justice Reporter 1983 p.96

Laurent, Philippe: La franchise douanière applicable aux appareils scientifiques importés des pays tiers, Gazette du Palais 1984 III Doct. p.125-129

Catalano, Nicola: Protezionismo comunitario sugli apparecchi scientifici, Giustizia civile 1984 I p.348-350

Usher, John: Preliminary Rulings on Individual Decisions - The Undecided Question or a Plea of Illegality?, European Law Review 1984 p.106-108
