ARREST
De feiten
I — De feiten en het procesverloop
Verzoekster in het hoofdgeding — de naamloze vennootschap COGIS (Compagnia Generale Interscambi) — voerde tussen 1965 en 1974 uit het Verenigd Koninkrijk afkomstige whisky in en betaalde de douane te Milaan de belastingtoeslag aan de grens (sovraimposta di confine) en de accijns (diritto erariale) op basis van de in de drank aanwezige hoeveelheid zuivere alcohol.
De rechten die waren betaald over de na de toetreding van het Verenigd Koninkrijk ingevoerde whisky, achtte zij in strijd met de bepalingen van het EEG-Verdrag; derhalve daagde zij in 1976 de Administratie van de Staatsfinanciën voor het Tribunale te Milaan ten einde restitutie van de betaalde belastingen te verkrijgen.
Tot staving van haar vordering beriep zij zich op artikel 95 EEG-Verdrag. Het daarin vervatte verbod van fiscale discriminatie zou zijn geschonden, aangezien gedistilleerde dranken uit wijn en whisky concurrerende produkten waren die als gelijksoortig moesten worden aangemerkt en fiscaal op gelijke voet moesten worden behandeld.
Uitgaande van dat beginsel, aldus verzoekster, had het Hof in zijn arrest van 17 februari 1980 (zaak 169/78, Commissie t. Italië, Jurispr. 1980, blz. 385) de door Italië toegepaste banderolaccijns (contrassegno di Stato) met een aanzienlijk lager tarief voor binnenlands gedistilleerd uit wijn dan voor ingevoerde whisky, onverenigbaar verklaard met artikel 95 EEG-Verdrag.
Op grond van de in dat arrest neergelegde beginselen moet volgens het Tribunale te Milaan worden erkend dat de uit Groot-Brittannië ingevoerde partijen whisky in casu in hun nadeel waren gediscrimineerd ten opzichte van binnenlands gedistilleerd uit wijn.
Op de ingevoerde whisky wordt namelijk niet alleen de belastingtoeslag aan de grens geheven, en wel tegen het volle tarief — terwijl op het binnenlandse gedistilleerd weliswaar het overeenkomstige produktierecht wordt geheven, doch met aanzienlijke reducties —, maar ook de accijns, waarvan het binnenlands gedistilleerd is vrijgesteld.
Volgens de wettelijke regelingen die achtereenvolgens van toepassing waren, moet whisky naar Italiaans recht evenwel niet alleen worden gerekend tot de gedistilleerde dranken, maar ook tot de ethylalcoholen van de eerste categorie. Om die reden is het aan beide bovengenoemde belastingen onderworpen.
Het Tribunale leidt daaruit af dat er van discriminatie geen sprake meer zou zijn indien werd vastgesteld dat de produkten „gelijksoortig” zijn in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag, en wel — gelijk het Hof van Justitie in zijn arrest van 15 april 1970 (zaak 28/69, Commissie t. Italië, Jurispr. 1970, blz. 187) overwoog — op grond van het criterium dat het ingevoerde en het binnenlandse produkt „onder dezelfde belastingrubriek vallen.”
Van oordeel dat toepassing van de onderscheidenlijk uit de vorengenoemde arresten van 27 februari 1980 (zaak 169/78) en 15 april 1970 (zaak 28/69) afgeleide beginselen verschillende uitkomsten oplevert, heeft het Tribunale te Milaan besloten de behandeling van de zaak te schorsen, en bij beschikking van 2 april 1981 het Hof de volgende vraag gesteld:
„Heeft de Italiaanse staat arktikel 95 EEG-Verdrag geschonden, door bij invoer van whisky uit het Verenigd Koninkrijk een belastingregeling toe te passen, bestaande in de niet op binnenlands gedistilleerd uit wijn geheven accijns (diritto erariale) en het volle tarief van de belastingtoeslag aan de grens (sovraimposta di confine), terwijl op binnenlands gedistilleerd een produktiebelasting met verlaagd tarief wordt toegepast?”
De verwijzingsbeschikking is op 20 juli 1981 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Krachtens artikel 20 van ‚s Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door COGIS, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door M. Scalzo, advocaat te Milaan; de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door M. Conti, avvocato dello Stato; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. D. Howes, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde; en de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A. Abate als gemachtigde.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, krachtens artikel 95 van het Reglement voor de procesvoering bij beschikking van 20 januari 1982 besloten, de zaak naar de Derde kamer te verwijzen en zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van ’s Hofs Statuut-EEG
Verzoekster in bet hoofdgeding herinnert eraan, dat in het tijdvak waarin de onderhavige importen plaatsvonden, zowel binnenlandse als geïmporteerde gedistilleerde dranken uit graan — naar Italiaans recht gedistilleerd van de eerste categorie — belast werden met de belastingtoeslag aan de grens (of de produktiebelasting bij het binnenlandse produkt) van LIT 90000/hl anhydride-alcohol, de accijns van 60000/hl anhydride-alcohol en de — naar gelang van de inhoud van de recipiënten variërende — banderolaccijns.
In Italië werd in dat tijdvak nagenoeg geen gedistilleerd uit graan geproduceerd, zodat voor de toetsing van de bij artikel 95 EEG-Verdrag voorgeschreven fiscale gelijke behandeling geïmporteerd gedistilleerd uit graan niet moet worden vergeleken met binnenlands gedistilleerd uit graan, maar met gedistilleerd uit wijn, dat als „gelijksoortig produkt” is te beschouwen.
Dit probleem nu is door het Hof reeds onderzocht in zaak 169/78 (reeds aangehaald).
Bovendien heeft het in het arrest van 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1787) verklaard, dat het begrip „gelijksoortige produkten” in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag niet moet worden uitgelegd op basis van het criterium dat de produkten strikt identiek zijn, doch dat ze op overeenkomstige en vergelijkbare wijze worden gebruikt.
Op grond van dat criterium moeten whisky en gedistilleerd uit wijn als „gelijksoortige produkten” worden beschouwd, omdat zij voor de verbruiker soortgelijke eigenschappen hebben en altans potentieel en zijdelings met elkaar concurreren; artikel 95, tweede alinea, is dus van toepassing.
Voor zover het non-discriminatiebeginsel van artikel 95 van toepassing is op de onderhavige produkten, kan daaruit worden afgeleid dat de belastingregeling voor in Italië ingevoerde whisky onwettig is.
In het referentietijdvak was whisky aan alle bovengenoemde belastingen onderworpen, gedistilleerd uit wijn daarentegen was vrijgesteld van de accijns, terwijl de produktiebelasting dankzij allerlei kortingen en verlagingen LIT 12000 lager was.
Uit deze vergelijking blijkt dat ingevoerde whisky wordt gediscrimineerd, evenals trouwens cognac (vgl. in die zin het arrest van 27 mei 1981, gevoegde zaken 142 en 143/80, Essevi en Salengo, Jurispr. 1981, blz. 1413).
Volgens verzoekster in het hoofdgeding kan op grond van de door het Hof in de arresten 169/78 en 142 en 143/80 vastgestelde beginselen met betrekking tot de accijns worden gezegd dat de discriminerende behandeling van uit Groot-Brittannië afkomstige in Italië ingevoerde whisky een protectionistisch karakter heeft.
Bovendien zijn de door de Italiaanse regering reeds in bovengenoemde zaken aangevoerde rechtvaardigingen — evenwichtsinstrument in het kader van het Italiaanse landbouwbeleid of „steunmaatregel” in de zin van de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag — in casu evenmin aanvaardbaar.
Mitsdien is verzoekster in het hoofdgeding van mening dat de gestelde vraag moet worden beantwoord als volgt:
„Door op gedistilleerde dranken uit graan, die uit Groot-Brittannië in Italië worden ingevoerd, de accijns te heffen die niet geldt voor binnenlands geproduceerd gedistilleerd uit wijn en draf, alsmede de belastingtoeslag aan de grens zonder de kortingen en aftrekken waarmee de overeenkomstige, op binnenlands gedistilleerd uit wijn en draf geheven produktiebelasting wordt verlaagd, heeft de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen geschonden.”
De Italiaanse regering is om te beginnen van mening dat de vraag in de vorm waarin hij is gesteld, niet ontvankelijk is en verbetering behoeft.
Vervolgens beschrijft zij kort de Italiaanse belastingregeling voor gedistilleerde dranken, waarvan haars inziens het kenmerkende is, dat er naast een algemene regeling enkele bijzondere regelingen bestaan voor bepaalde categorieën dranken, afhankelijk van de gebruikte grondstof.
Waar het dus een gedifferentieerde belastingregeling betreft voor produkten die alle onder één enkele algemene categorie vallen en waarvan mag worden aangenomen dat daartussen een gelijk-soortigheids- of concurrentieverhouding in de zin van artikel 95 EEG-Verdrag bestaat, onderwerpt de Italiaanse regering de rechtspraak van het Hof ter zake aan een onderzoek.
Uit deze rechtspraak, en met name uit de vorengenoemde arresten 148/77, 169/78, 142 en 143/80, alsmede de arresten van 14 januari 1981 (zaken 140/79, Chemial, en zaak 46/80, Vinal, Jurispr. 1981, blz. 1 en 77), 13 maart 1979 (zaak 91/78, Hansen, Jurispr. 1979, blz. 935) en 8 januari 1980 (zaak 21/79, Commissie t. Italië, Jurispr. 1980, blz. 1), valt haars inziens af te leiden, dat een gedifferentieerde belastingregeling die geldt voor bepaalde soorten produkten van dezelfde aard, op zichzelf niet in strijd is met artikel 95 EEG-Verdrag. Immers, zolang de nationale wetgevingen niet zijn geharmoniseerd, staat het de Lid-Staten vrij voor de produkten de huns inziens meest geëigende belastingregeling te kiezen. In verband met wettige doelstellingen van economisch beleid kan een gedifferentieerde belastingregeling bepaalde soorten produkten of bepaalde groepen producenten bevoordelen.
Bijgevolg moet men uitgaan van de door de Lid-Staat voor een bepaald type produkt gekozen belastingregeling met alle daarin vervatte verschillen en indelingen — dit volgt uit het arrest van 22 juni 1976 (zaak 127/75, Bobie, Jurispr. 1976, blz. 1079) — en mag men niet afgaan pp een algemeen abstract begrip van gelijksoortigheid van produkten die door de nationale wetgeving verschillend worden ingedeeld. Voor elke binnen de regeling ingestelde belastingcategorie moet het binnenlandse produkt dus telkens op een andere manier worden vergeleken met ingevoerde produkten.
Uit het voorgaande volgt, dat artikel 95 wordt nageleefd wanneer op ingevoerde produkten dezelfde belasting wordt geheven als op de overeenkomstige nationale produkten.
Aan de vrijheid van de Lid-Staten om gedifferentieerde fiscale regelingen in te voeren, zijn echter grenzen gesteld: een Lid-Staat mag met name niet een belastingregeling invoeren die de produkten discrimineert op grond van hun herkomst, zonder enige grondslag in objectieve en neutrale verschillen.
Maar zelfs ten aanzien van dit laatste beginsel dient te worden verklaard dat verschillen in fiscale behandeling verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, indien zij gebaseerd zijn op doelstellingen van economisch beleid, die zelf verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, en indien zij op zodanige wijze worden toegepast dat elke vorm van discriminatie van ingevoerde produkten of elke vorm van protectie van nationale produkten wordt vermeden. Een gedifferentieerd belastingtarief op basis van de gebruikte grondstof is niet deswege reeds in strijd met artikel 95, omdat het tot gevolg heeft dat de zwaarste belasting overwegend op het ingevoerde produkt drukt, doordat een rendabele binnenlandse produktie zich niet heeft kunnen ontwikkelen: de Italiaanse regering verwijst hier naar de reeds genoemde arresten Chemial en Vinal.
Een gedifferentieerde belastingregeling voor produkten van dezelfde aard is volgens de Italiaanse regering dus pas onverenigbaar met artikel 95, wanneer de nationale fiscale behandeling zich niet uitstrekt tot de ingevoerde produkten die alle noodzakelijke kenmerken vertonen, dan wel wanneer de categoriën die een gedifferentieerde fiscale behandeling krijgen, zodanig worden bepaald, dat op listige wijze een discriminatie wordt ingevoerd.
Gezien de uit de gehele rechtspraak van het Hof — en niet uit slechts twee arresten — af te leiden beginselen, is het volgens de Italiaanse regering mogelijk de twijfels van de verwijzende rechter weg te nemen. De Italiaanse regering is van mening dat de voorgaande conclusie niet wordt weersproken door het arrest in zaak 169/78, en vooral op grond van de arresten Chemial en Vinal betoogt zij dat een gedifferentieerde belasting niet een discriminerend of protectionistisch karakter heeft enkel omdat het zwaarder belaste produkt niet in grotere hoeveelheden op het grondgebied van de Lid-Staat wordt vervaardigd, wanneer deze omstandigheid een uitvloeisel is van een keuze van economisch beleid, die erop gericht is de totstandkoming van een rendabele binnenlandse produktie tegen te gaan en die dus in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht.
Volgens de Italiaanse regering volstaat dit voor een antwoord aan de rechter; het is evenwel nuttig iets te zeggen over de overeenstemming van de Italiaanse wettelijke regeling met de uit artikel 95 EEG-Verdrag af te leiden gemeenschapsrechtelijke beginselen.
De vraag waar het om gaat, is of het rechtmatig is bepaalde fiscale voordelen te beperken tot gedistilleerd uit wijn en vruchten.
Om te beginnen merkt de Italiaanse regering op, dat dit voordeel ook geldt voor geïmporteerde produkten die aan dezelfde voorwaarden voldoen. Verder heeft deze afwijkende regeling volgens haar geen protectionistisch doel, doch beoogt zij de distillatie van wijn te bevorderen, een doelstelling die in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht; ook de wijze waarop deze wettige beleidskeuze tot uitvoering komt, is niet discriminerend.
Tenslotte stelt de Italiaanse regering dat de casuspositie in de onderhavige zaak verschilt van die in zaak 169/78. Daar was de fiscale banderol een onderdeel van een bijzondere regeling, terwijl in casu de belasting op whisky deel uitmaakt van de algemene, voor alle soorten ethylalcohol geldende regeling, waar enkel bepaalde soorten gedistilleerd buiten vallen.
Van discriminatie kan dus geen sprake zijn, noch omdat voor whisky een ongunstige regeling zou gelden — hij valt immers onder de algemene regeling —, noch omdat enkel aan de binnenlandse produktie een fiscaal voordeel zou worden toegekend — de aan gedistilleerd uit wijn of vruchten toegekende voordelen gelden immers zowel voor binnenlandse als voor ingevoerde produkten.
Verder is het niet van belang dat de Italiaanse whiskyproduktie van geringe omvang is (vgl. arresten Chemial en Vinal).
In die omstandigheden moet er een echte gelijksoortigheidsverhouding bestaan of moeten de produkten tenminste met elkaar concurreren voordat de vrijheid van de Lid-Staten wordt beperkt. Deze — volgens de Italiaanse regering „prejudiciële” — vraag is door het Hof reeds beantwoord in de arresten van 17 februari 1980 (naast de genoemde zaak 169/78, de zaken Commissie t. Verenigd Koninkrijk, Commissie t. Frankrijk en Commissie t. Denemarken). Over de kwestie van de gelijksoortigheid heeft het Hof zich niet uitgesproken, omdat het van mening was dat de produkten in elk geval met elkaar concurreerden. Ofschoon de Italiaanse regering zich naar de beslissing van het Hof voegt, merkt zij niettemin op, dat in het onderhavige geval niet artikel 95, eerste alinea, maar artikel 95, tweede alinea, van toepassing is; deze bepaling verlangt echer geen absolute gelijkheid van de fiscale last op beide produkten doch verbiedt enkel een fiscale regeling die de binnenlandse produktie op een of andere wijze beschermt.
Bijgevolg geeft de Italiaanse regering in overweging, de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
Een belastingregeling waarbij de verschillende soorten ethylalcohol en gedistilleerd, afhankelijk van de voor de vervaardiging gebruikte grondstof, verschillend worden belast, is niet in strijd met artikel 95 EEG-Verdrag, mits deze gedifferentieerde behandeling eveneens geldt voor de uit andere Lid-Staten afkomstige produkten die zowel voldoen aan de in artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag bedoelde voorwaarden van gelijksoortigheid als aan de voorwaarden welke de nationale wetgeving voor de toepasselijkheid van deze behandeling stelt.
b) De wijze waarop een dergelijke belastingregeling in concreto wordt toegepast, kan echter indruisen tegen de uit artikel 95, eerste alinea, voortvloeiende verplichtingen, wanneer zij uitgaat van indelingscriteria die identieke of gelijksoortige produkten uitsluitend op grond van hun binnenlandse of buitenlandse herkomst in de praktijk discrimineren. Het feit dat in de onderhavige belastingregeling de zwaarst belaste produkten overwegend uit andere Lid-Staten blijken te zijn ingevoerd, vormt vanuit dit gezichtspunt op zichzelf nog geen inbreuk op artikel 95.
c) Het feit dat voor binnenlandse en ingvoerde produkten die niet identiek of gelijksoortig zijn, doch enkel met elkaar concurreren, gedifferentieerde belastingregelingen zijn voorzien, kan slechts tegen de in artikel 95, tweede alinea, bedoelde verplichting indruisen, wanneer het verschil tussen de respectieve daarop toepasselijke fiscale lasten, met inachtneming van alle factoren welke de prijsvorming en de keus van de verbruikers beïnvloeden, van dien aard is, dat daardoor de binnenlandse produktie wordt beschermd. In een dergelijk geval eist artikel 95, tweede alinea, niet dat elk verschil in belasting wordt opgeheven, doch enkel dat dat verschil binnen bepaalde grenzen blijft waardoor een protectionistisch effect wordt vermeden.”
De regering van het Verenigd Koninkrijk baseert zich uitsluitend op de arresten van 17 februari 1980. Volgens haar is het feit dat de litigieuze belastingen de Italiaanse gedistilleerde dranken uit wijn bevoordelen, voldoende om vast te stellen dat die belastingen indruisen tegen het non-discriminatiebeginsel van artikel 95.
Hoe ernstig de problemen van de wijnbouwers ook zijn, zij mogen niet worden opgelost door de duidelijke betekenis van artikel 95 te verdraaien.
In de arresten van 17 februari 1980 heeft het Hof, dat verscheidene zaken tegelijkertijd te beoordelen had, het probleem van de „gelijksoortigheid” in algemene termen onderzocht. De onderhavige zaak heeft echter enkel betrekking op de invoer van whisky in Italië, zodat het Hof de gelegenheid zou moeten aangrijpen om te beslissen dat whisky en gedistilleerd uit wijn „gelijksoortige” produkten zijn, zulks onder verwijzing naar rechtsoverweging 38 van arrest 168/78 (Commissie t. Frankrijk) en rechtsoverweging 10 van arrest 169/78, alsmede naar het in het arrest-Rewe (zaak 45/75, Jurispr. 1976, blz. 181) neergelegde beginsel, dat als gelijksoortige produkten zijn aan te merken „... produkten die uit verbruikersoogpunt soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen.”
Doch ook indien het Hof de onderhavige produkten niet gelijksoortig mocht achten, zijn er tenminste termen aanwezig, de in arrest 169/78 gegeven beslissing in deze zaak toe te passen en dus te erkennen dat de litigieuze belastingen de Italiaanse gedistilleerde dranken zijdelings beschermen.
De tegenstrijdigheid waarvan het Tribunale te Milaan gewaagt, bestaat niet, want uit het arrest in zaak 28/69 valt niet op te maken dat enkel produkten die tot dezelfde fiscale categorie behoren, als gelijksoortig kunnen worden aangemerkt: dit argument, dat door Italië overigens ook is opgeworpen in zaak 169/78, is door het Hof afgewezen (vgl. r.o. 31).
Bijgevolg is de Britse regering van mening
„dat uit niets in het arrest van het Hof in zaak 28/69 of enig ander arrest valt op te maken, dat het Hof in de onderhavige zaak zijn beslissing in zaak 169/78 niet zou moeten bevestigen. Derhalve dient het te verstaan dat belastingen, als omschreven in de door het Tribunale te Milaan gestelde vraag, indruisen tegen artikel 95 EEG-Verdrag.”
De Commissie geeft allereerst een overzicht van de Italiaanse belastingregelingen in geding, ten einde duidelijk te maken dat voor beide onderhavige belastingen de discriminatie voortspruit uit het criterium inzake de voor de vervaardiging van gedistilleerd gebruikte grondstof.
Weliswaar gelden de Italiaanse fiscale voordelen zowel voor binnenlandse als voor ingevoerde produkten, doch enkel theoretisch, want waar Italië geen binnenlandse produktie van gedistilleerd uit graan kent, worden de onderhavige fiscale lasten enkel op de geïmporteerde gedistilleerde dranken uit graan geheven.
In zijn arrest 169/78 heeft het Hof erkend dat gedistilleerde dranken uit graan en die uit wijn gelijksoortige en/of concurrerende produkten zijn. Zelfs indien de dranken in casu slechts met elkaar zouden concurreren, lijken de litigieuze belastingen, waarvan het protectionistische karakter evident is, in te druisen tegen artikel 95 EEG-Verdrag.
De verplichting ex artikel 95 EEG-Verdrag kan door de Lid-Staten evenmin worden ontgaan met een beroep op de door de belastingregelingen nagestreefde doeleinden. Aan de doeleinden van een wet mag geen enkel belang worden toegekend zodra komt vast te staan dat de bij die wet ingevoerde belastingregeling een protectionistische werking heeft.
Ten overvloede onderzoekt de Commissie de door de Italiaanse regering terzake aangevoerde argumenten. Zij acht deze argumenten ongegrond en stelt dat het betoog van de Italiaanse regering zowel met betrekking tot de „steunmaatregelen” als tot het „evenwichtsinstrument” en de „doelstellingen van het traditionele economische beleid” reeds impliciet door het Hof zijn verworpen.
Gelet op het feit dat de structuur van de twee litigieuze belastingregelingen identiek is aan die van de banderollenregeling geeft de Commissie het Hof mitsdien in overweging bij de uitlegging van artikel 95 uit te gaan van het arrest in zaak 169/78 om aldus de gelijkheid in fiscale behandeling van ingevoerde gedistilleerde dranken uit graan en van binnenlandse gedistilleerde dranken uit wijn te waarborgen.
III — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 6 mei 1982 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Hof beantwoord door verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door M. Scalzo, advocaat te Milaan, de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door M. Conti als gemachtigde, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 10 juni 1982 conclusie genomen.
In rechte
Bij beschikking van 2 april 1981, ingekomen ten Hove op 20 juli daaropvolgende, heeft het Tribunale te Milaan (Eerste civiele kamer) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 95 EEG-Verdrag, teneinde te kunnen beoordelen of met deze bepaling verenigbaar is een belastingregeling waardoor sedert de toetreding van Groot-Brittannië tot de Gemeenschap whisky en gedistilleerd uit wijn krachtens de in Italië geldende wettelijke regeling aldaar verschillend worden belast.
Het geschil tussen verzoekster in het hoofdgeding, een importeur van whisky, en de Italiaanse Administratie van de Staatsfinanciën vindt zijn oorsprong in een vordering tot terugbetaling van de belastingtoeslag aan de grens (sovraimposta di confine) — verschuldigd bij invoer van het produkt en overeenkomend met de produktiebelasting die wordt geheven op binnenslands geproduceerde gedistilleerde dranken — en van de accijns (diritto erariale) — berekend op basis van de in het produkt aanwezige hoeveelheid zuivere alcohol —, en wel voor zover deze belastingen zijn geheven en hoger zijn dan die op binnenlands gedistilleerd dan wel hiervoor niet zijn voorzien.
Van mening dat toepassing van de beginselen die het Hof bij de uitlegging van artikel 95 heeft ontwikkeld — enerzijds in het arrest van 27 februari 1980 (zaak 169/78, Commissie t. Italië, Jurispr. 1980, blz. 385), waarin het verklaarde dat het douanetarief niet bepalend is voor het vraagstuk van de gelijksoortigheid, en anderzijds in het eerdere arrest van 15 april 1970 (zaak 28/69, Commissie t. Italië, Jurispr. 1970, blz. 187), waarin het feit dat produkten tot dezelfde fiscale categorie behoren als een belangrijk criterium voor die gelijksoortigheid werd beschouwd — tot verschillende uitkomsten zou kunnen leiden, heeft de nationale rechter besloten het Hof de volgende vraag te stellen:
„Heeft de Italiaanse staat artikel 95 EEG-Verdrag geschonden, door bij invoer van whisky uit het Verenigd Koninkrijk een belastingregeling toe te passen, bestaande in de niet op binnenlands gedistilleerd uit wijn geheven accijns (diritto erariale) en het volle tarief van de belastingtoeslag aan de grens (sovraimposta di confine), terwijl op binnenlands gedistilleerd een produktiebelasting met verlaagd tarief wordt toegepast?”
Hiermee vraagt de nationale rechter het Hof in wezen om met inachtneming van de feiten van de onderhavige zaak, de criteria voor de uitlegging van artikel 95 aan te geven, ten einde hem in staat te stellen het Italiaanse fiscale recht slechts in zoverre toe te passen, als het niet in strijd is met het geldende gemeenschapsrecht.
In dit verband zij allereerst herinnerd aan wat het Hof in het arrest van 27 februari 1980 (zaak 169/78, Commissie t. Italië) heeft verklaard, namelijk dat de Italiaanse republiek met betrekking tot de uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen, „door krachtens de Italiaanse fiscale wetgeving (artikel 6 van besluitwet nr. 745 van 26 oktober 1970, bekrachtigd bij wet nr. 1034 van 18 december 1970) bij de accijns op gedistilleerd een differentieel tarief toe te passen — in de vorm van het aanbrengen van banderollen op recipiënten met voor de detailverkoop bestemd gedistilleerd —, enerzijds op door distillatie uit graan en suikerriet verkregen alcoholische dranken, en anderzijds op gedistilleerde dranken uit wijn en draf.”
Tot deze uitspraak kwam het Hof op grond van een op het stelsel van het EEG-Verdrag gebaseerde uitlegging van artikel 95, volgens welke de eerste en tweede alinea van dit artikel een aanvulling vormen op de bepalingen betreffende de afschaffing van douanerechten en heffingen van gelijke werking. Deze bepalingen hebben namelijk ten doel, het vrije goederenverkeer tussen de Lid-Staten onder normale mededingingsvoorwaarden te verzekeren door elke vorm van bescherming uit te sluiten die het resultaat kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn voor produkten uit andere Lid-Staten. Zo gezien waarborgt artikel 95 de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen ten aanzien van de mededinging tussen nationale en geïmporteerde produkten.
Daarbij preciseerde het Hof, dat artikel 95, eerste alinea, zo ruim moet worden uitgelegd, dat het alle fiscale regelingen omvat die inbreuk kunnen maken op de gelijkheid van behandeling van nationale en geïmporteerde produkten; daartoe dient het begrip „gelijksoortige produkten” dus met voldoende soepelheid te worden uitgelegd. Als gelijksoortig moeten dan ook worden aangemerkt produkten die uit verbruikersoogpunt soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen. Voor de bepaling van het toepassingsgebied van artikel 95, eerste alinea, dient dus niet de volstrekte identiteit, maar het soortgelijke en vergelijkbare gebruik als maatstaf te worden gehanteerd.
Bij voor consumptie bestemde gedistilleerde dranken moet dus aan de hand van criteria als de oorsprong en het fabricageprocédé van de dranken, hun mogelijk gebruik en de in de gehele Gemeenschap waargenomen drinkgewoonten, worden bepaald of die produkten in voldoende mate gelijksoortig zijn. Daarbij kunnen eventuele zuiver nationale fiscale differentiaties buiten beschouwing blijven en behoeft geen aansluiting te worden gezocht bij douane-indelingen. Indien de produkten op grond van genoemde criteria als gelijksoortig zijn te beschouwen, is artikel 95, eerste alinea, van toepassing.
Wanneer niet volledig wordt voldaan aan de in artikel 95, eerste alinea, gestelde voorwaarde van gelijksoortigheid, dan richt zich de tweede alinea van dit artikel — zoals in arrest 169/78 is gezegd — tegen elke vorm van zijdelings fiscaal protectionisme met betrekking tot produkten die, hoewel niet gelijksoortig in de zin van de eerste alinea, toch gedeeltelijk, indirect of potentieel met elkaar concurreren.
Ten aanzien van voor consumptie bestemde alcoholische dranken preciseerde het Hof in hetzelfde arrest, dat gedistilleerde dranken uit graan en rum als door distillatie verkregen produkten voldoende eigenschappen gemeen hebben met gedistilleerde dranken uit wijn en draf om de consument althans in bepaalde omstandigheden een keuze te bieden. Deze constatering volstaat om te erkennen dat deze produkten met elkaar concurreren en dat hun respectieve belasting een protectionistische werking kan hebben ten gunste van de nationale produktie. Ter beoordeling van deze werking moet worden nagegaan welke de potentiële markt van de onderhavige produkten zou zijn zonder protectionistische maatregelen; daarbij kan een vergelijking van de consumptie- en de importcijfers eventueel achterwege blijven.
Voor wat het protectionistisch karakter van de onderhavige belastingregeling betreft, is in voornoemd arrest 169/78 opgemerkt dat deze regeling wordt gekenmerkt door het feit dat de meest typische nationale produkten, namelijk gedistilleerde dranken uit wijn en draf, in de gunstigste belastingcategorie zijn ingedeeld, terwijl twee soorten produkten, die nagenoeg geheel uit andere Lid-Staten zijn geïmporteerd, namelijk gedistilleerde dranken uit graan en rum, zwaarder worden belast. De omstandigheid dat er ook een nationale produktie van deze gedistilleerde dranken bestaat, doet aan deze beoordeling niet af, aangezien niet wordt bestreden dat het daarbij om zeer geringe hoeveelheden gaat. Deze verschillen in belasting beïnvloeden de markt van de onderhavige produkten, door de potentiële consumptie van de geïmporteerde produkten te verminderen.
Op de door de nationale rechter gestelde vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat artikel 95 zich verzet tegen een belastingregeling waardoor whisky en de andere gedistilleerde dranken verschillend worden belast.
Kosten
De kosten door de regering van de Italiaanse republiek, de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunale te Milaan (Eerste civiele kamer) bij beschikking van 2 april 1981 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 95 verzet zich tegen een belastingregeling, waardoor whisky en de andere gedistilleerde dranken verschillend worden belast.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
4Rechtspraak
3Europese Unie
3Conclusie van advocaat-generaal JacobsC-230/8921.02.1991
EEG-Verdrag art. 95
Conclusie van advocaat-generaal Cruz Vilaça356/8526.02.1987
EEG-Verdrag art. 95 en art. 99
Conclusie van advocaat-generaal Slynn319/8125.01.1983