ARREST
Ten aanzien van de feiten
Overwegende dat de feiten van de zaak, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
A — De richtlijn van de Raad
Met het oog op de harmonisatie van de wettelijke regelingen der Lid-Staten in de sector vervoer heeft de Raad op 12 november 1974 richtlijn nr. 74/562/EEG vastgesteld, inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal personenvervoer over de weg. Artikel 2 van deze richtlijn luidt als volgt:
Natuurlijke personen of ondernemingen die het beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg wensen uit te oefenen, moeten betrouwbaar zijn, …
2. In afwachting van een latere coördinatie stelt elke Lid-Staat vast aan welke bepalingen de aanvrager en, in voorkomend geval, de in lid 1 bedoelde natuurlijke personen ter zake van betrouwbaarheid moeten voldoen. …”
Artikel 4, lid 1, bepaalt dat „natuurlijke personen en ondernemingen die aantonen dat zij vóór 1 januari 1978, in een Lid-Staat krachtens een nationale regeling zijn gemachtigd het beroep van ondernemer van nationaal en/of internationaal personenvervoer over de weg uit te oefenen, zijn vrijgesteld van de verplichting aan te tonen dat zij, naargelang van het geval, aan het bepaalde in artikel 2 voldoen”.
Volgens artikel 5, lid 2, hebben de Lid-Staten erop toe te zien dat „de bevoegde autoriteiten de machtiging tot uitoefening van het beroep van ondernemer van personenvervoer intrekken, wanneer zij vaststellen dat niet meer wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2, lid 1, sub a, b of c, waarbij in voorkomend geval een passende termijn wordt bepaald voor de aanwerving van een plaatsvervanger”. Lid 3 bepaalt dat „de Lid-Staten erop toezien dat de in deze richtlijn bedoelde natuurlijke personen of ondernemingen over de mogelijkheid beschikken om met passende middelen hun belangen te verdedigen met betrekking tot de beslissingen bedoeld in de leden 1 en 2”.
Artikel 6, lid 1, bepaalt dat „de Lid-Staten, na raadpleging van de Commissie, vóór 1 januari 1977 de maatregelen vaststellen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn …” (desondanks heeft tot nu toe geen van de negen Lid-Staten alle voor de tenuitvoerlegging noodzakelijke nationale bepalingen vastgesteld).
B — De toepasselijke nationale wetgeving
Naar Deens recht (§ 78 Straffelov — Wetboek van Strafrecht) leidt een strafbaar feit niet automatisch tot verlies van burgerlijke rechten. Ontzetting uit burgerlijke rechten is enkel mogelijk wanneer iemand is veroordeeld wegens een strafbaar feit, en dan slechts bij rechterlijke uitspraak ofwel in het strafvonnis zelf ofwel op een later tijdstip bij gelegenheid van de rechterlijke controle van een administratieve beslissing waarbij iemand op grond van zijn crimineel verleden een machtiging of vergunning is geweigerd. Krachtens § 78, lid 2, Wetboek van Strafrecht kan op grond van strafbare feiten een verbod tot uitoefening van een beroep waarvoor een bijzondere overheidsvergunning of machtiging is vereist, slechts worden opgelegd wanneer de strafbare feiten grond opleveren voor ernstige vrees voor misbruik van het — oude dan wel nieuwe — beroep of bedrijf dat de veroordeelde wenst uit te oefenen. Het volstaat niet dat de betrokkene onwaardig wordt geacht een bepaald beroep uit te oefenen.
Het vervoer van personen over de weg is in Denemarken geregeld bij wet nr. 346 van 14 juli 1970 (Lov om omnibuskørsel) zoals gewijzigd bij wet nr. 364 van 13 juli 1973. Deze wet vereist een voorafgaande schriftelijke vergunning, maar stelt geen bijzondere voorwaarden ten aanzien van het zedelijke gedrag van de vergunninghouder, zodat enkel de algemene regel van § 78, lid 2, Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Met het oog op de tenuitvoerlegging van artikel 2, lid 1, sub a, van richtlijn nr. 74/562/EEG is echter in 1976 in Denemarken een nieuwe procedure ter controle van de betrouwbaarheid ingevoerd, in het kader waarvan een „verklaring omtrent het gedrag” (straffeattest) wordt afgegeven.
C — De feiten
Knud Oluf Delkvist was in het bezit van een vergunning voor personenvervoer over de weg (categorie toerisme), geldig voor geheel Denemarken; deze vergunning gold voor de periode van 11 november 1974 tot 30 september 1976. Bij beschikking van 29 december 1976 weigerde Landsnaevnet for Omnibuskørsel (Rijkscommissie voor het busvervoer) een nieuwe vergunning af te geven, zulks op grond van het strafregister van de betrokkene, waaruit bleek dat hij vele malen was veroordeeld wegens diefstal en inbraak, en omdat de bewezen strafbare gedragingen grond opleverden voor ernstige vrees voor misbruik van het beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg.
D — De prejudiciële vragen
Op 17 oktober 1977 heeft de politie te Kopenhagen het protest van Delkvist tegen de weigering zijn vervoervergunning te vernieuwen, ter kennis gebracht van Københavns Byret (rechtbank in eerste aanleg) en deze instantie verzocht om een uitspraak over de rechtmatigheid van die weigering. Bij beschikking van 10 februari 1978 heeft het Byret besloten krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de navolgende prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie:
1. Is 's Raads richtlijn van 12 november 1974 wettig en geldig, rechtstreeks bindend voor de Deense rechterlijke instanties en van toepassing op de betrekkingen tussen een Deens onderdaan en een Deense overheidsinstantie?
2. Geldt 's Raads richtlijn van 12 november 1974 ook in een situatie als de onderhavige?
3. Zo vraag 2 bevestigend wordt beantwoord, kan dan worden aangenomen dat door 's Raads richtlijn van 12 november 1974 § 78, lid 2, juncto lid 3, van het Deense Wetboek van Strafrecht zodanig is gewijzigd, dat de bepaling dat een strafbare handeling tot ontzetting uit burgerlijke rechten kan leiden indien het/de bewezen strafbare feit/feiten grond oplevert/opleveren voor ernstige vrees voor misbruik van het betrokken beroep, geheel of gedeeltelijk buiten werking is gesteld, in dier voege dat het bij de richtlijn gestelde betrouwbaarheidsvereiste in de plaats is getreden van de bepaling van § 78, lid 2, juncto lid 3, Wetboek van Strafrecht?
4. Komt de negatieve formulering van § 78, lid 2, juncto lid 3, Wetboek van Strafrecht — dat iemand slechts uit het recht een beroep uit te oefenen waarvoor een bijzondere machtiging of goedkeuring van de overheid is vereist, kan worden ontzet wanneer het bewezen feit grond oplevert voor ernstige vrees voor misbruik van het beroep of bedrijf — overeen met het betrouwbaarheidsvereiste dat de Lid-Staten ingevolge 's Raads richtlijn in dit verband aan de burgers moeten stellen, waar immers de Lid-Staten in afwachting van latere coördinatie vrij zijn het betrouwbaarheidsvereiste uit te werken? Valt het onderhavige geval onder de overgangsbepalingen van artikel 4, lid 1, zodat aanvrager, aangezien hij vóór 1 januari 1978 overeenkomstig de Deense voorschriften vergunning had voor het uitoefenen van het beroep van ondernemer van nationaal personenvervoer over de weg, is vrijgesteld van de verplichting aan te tonen dat hij onder meer aan het betrouwbaarheidsvereiste van artikel 2, lid 1, sub a, voldoet?
5. Zo ja, betekent dit dat de zaak kan worden beslist zonder rekening te houden met de bepalingen van richtlijn nr. 74/562/EEG, of brengt artikel 5, lid 2, betreffende de verplichting van de Lid-Staten vergunningen in te trekken wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, lid 2, sub a, b en c, mee dat niettemin aan aanvrager de eis van betrouwbaarheid moet worden gesteld? De verwijzingsbeschikking is ten Hove ingekomen op 24 februari 1978. Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Samenvatting van de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut ingediende schriftelijke opmerkingen
A — Opmerkingen van de Deense regering
De Deense regering is van mening dat de Raad aan de term „betrouwbaarheid” geen communautaire betekenis heeft willen hechten: hij heeft de Lid-Staten uitdrukkelijk verplicht het zedelijk gedrag van de aanvrager in aanmerking te nemen (hetgeen een novum is voor het Deense recht, dat het betrouwbaarheids-vereiste heeft geformuleerd als een bevoegdheid — en niet als een verplichting — van de bevoegde instanties om de vergunning te weigeren), maar hij heeft het niet nodig gevonden de inhoud van het betrouwbaarheidsvereiste te bepalen. Als de Raad, in zoverre het voorstel van de Commissie volgend, verder was gegaan, dan zou de richtlijn ingevolge het ingebouwde automatisme in botsing zijn gekomen met een grondbeginsel van het Deense strafrecht.
In richtlijn nr. 77/796/EEG van 12 december 1977 (PB 1977, L 334, blz. 37) heeft de Raad voorschriften vastgesteld voor het nader tot elkaar brengen van de procedureregels van de Lid-Staten betreffende de voorwaarden van betrouwbaarheid, maar enkel voor zover deze betrekking hebben op onderdanen van andere Staten. Deze richtlijn is dus niet van toepassing op de beoordeling van de betrouwbaarheid van een Deens onderdaan door een Deense instantie.
De Deense regering is mitsdien van mening dat de vragen 3 en 4a moeten worden beantwoord als volgt:
„Artikel 2 van richtlijn nr. 74/562 verplicht de Lid-Staten erop toe te zien dat degenen die het beroep van ondernemer van personenvervoer wensen uit te oefenen, betrouwbaar zijn. Het staat aan de Lid-Staten de inhoud van het begrip betrouwbaarheid te bepalen. De richtlijn bevat derhalve geen elementen die invloed kunnen uitoefenen op het zedelijkheidscriterium van § § 78 en 79 van het Deense Wetboek van Strafrecht.”
Ofschoon van oordeel dat de overige vragen geen antwoord van het Hof behoeven, merkt de Deense regering subsidiair nog het volgende op:
Ad vraag 1: de verwijzende rechter noemt geen enkel element op grond waarvan men de geldigheid van de richtlijn in twijfel zou kunnen trekken. Wat de rechtstreekse verbindendheid ervan betreft, is het met het oog op de rechtszekerheid — in casu het beslissende aspect — onaanvaardbaar dat een richtlijn de burgers rechtstreeks verplichtingen zou kunnen opleggen of hun rechten zou kunnen beperken.
Ad vraag 2 en 4b: blijkens artikel 6, lid 1 (inwerkingtreding van de richtlijn), juncto artikel 4, lid 1 (overgangsbepalingen), is de richtlijn niet van toepassing op beschikkingen tot afgifte of weigering van een vergunning, die vóór 1 januari 1977 ter kennis van de betrokkenen zijn gebracht, en heeft zij evenmin gevolg voor de geldigheid na die datum van bedoelde beschikkingen. Bijgevolg is artikel 5, lid 2, in casu niet van belang.
B — Opmerkingen van de Italiaanse regering
De Italiaanse regering meent dat de (beperkt) bindende werking die volgens 's Hofs rechtspraak toekomt aan richtlijnen wanneer deze in concreto ten gunste van de justitiabelen werken, daaraan evenmin kan worden ontzegd wanneer zij, omgekeerd, de justitiabelen lasten opleggen. Richtlijnen zijn geen „constitutieve” handelingen die als rechtsgevolg hebben dat „onverenigbare” nationale bepalingen erdoor worden afgeschaft (of althans buiten toepassing gesteld of vervangen); dit gevolg kunnen zij alleen hebben ten aanzien van voorschriften van gelijke aard en strekking. Richtlijnen zijn enkel „constitutief” doordat zij de Lid-Staten een resultaatsverplichting opleggen, en in zoverre zijn zij dus verbindend.
Algemeen geldt dat het oordeel van de administratie over de betrouwbaarheid van de betrokkene onafhankelijk is van de vraag welke status hij heeft en of hij in het genot is van de burgerlijke rechten. Dus ook wanneer het „verlies van de burgerlijke rechten” niet door de rechter is uitgesproken, kan de instantie die bevoegd is vergunningen voor personenvervoer af te geven, toch tot de conclusie komen dat de aanvrager niet aan het betrouwbaarheidsvereiste voldoet. De richtlijn zelf legt geen enkel verband tussen het bezit van de burgerlijke rechten en de betrouwbaarheid, maar in beginsel lijkt het niet uitgesloten dat een dergelijk verband door de rechtsorde van een Lid-Staat wordt gelegd, met dien verstande evenwel dat het tegen de gemeenschapsregeling zou indruisen indien een Lid-Staat het begrip betrouwbaarheid zo zeer zou uitrekken, dat artikel 2, lid 2, sub a, van de richtlijn iedere betekenis zou verliezen.
De vraag of het ingevolge het Deense recht zelfs aan een administratieve instantie absoluut verboden is een vergunning te weigeren aan iemand die in het genot van de burgerlijke rechten is, is een probleem van nationaal recht, ten aanzien waarvan het Hof niet bevoegd is, behoudens voor zover er sprake zou zijn van een te ruime en met het gemeenschapsrecht onverenigbare opvatting van het begrip betrouwbaarheid.
De Italiaanse regering geeft in overweging de gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
Artikel 2, lid 1, sub a, van richtlijn nr. 74/562 is geldig en verbindend voor de justitiabelen voor zover deze worden geacht zich erop te kunnen beroepen, maar kan niet rechtstreeks een ermee onverenigbare nationale bepaling afschaffen of vervangen.
Artikel 2, lid 2, sub a, moet aldus worden uitgelegd, dat het vereiste van betrouwbaarheid in de regel autonoom is ten opzichte van de algemene status van degene die tot het beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg wenst te worden toegelaten, en niet door interne bepalingen van een Lid-Staat van zijn inhoud kan worden beroofd.
Artikel 4, lid 1, kan geen toepassing vinden ten gunste van degene die niet vóór 1 januari 1978 formeel was gemachtigd het betrokken beroep uit te oefenen.
C — Opmerkingen van de Nederlandse regering
De Nederlandse regering merkt op dat de rechter a quo geen duidelijk onderscheid maakt tussen de gevallen waarin een vroegere strafrechtelijke veroordeling een reden kan vormen voor het vergunningverlenend orgaan de justitiabele de gevraagde toestemming of vergunning te weigeren, en de gevallen waarin de rechter de burger wegens het plegen van een strafbaar feit als — bijkomende — straf het verbod oplegt tot het uitoefenen van een bedrijf of beroep gedurende een bepaalde periode. Omdat de criteria voor de administratieve beslissing en de strafrechtelijke beslissing niet dezelfde zijn, kunnen de concrete besluiten ook verschillend uitvallen. Zo is het denkbaar dat het plegen van een bepaald strafbaar feit voor de administratie aanleiding kan zijn een reeds gegeven toestemming tot de uitoefening van een beroep in te trekken — de vergunninghouder voldoet niet meer aan de eis van betrouwbaarheid —, doch voor de strafrechter geen grond oplevert betrokkene de uitoefening van zijn beroep te ontzeggen. Het omgekeerde is ook denkbaar.
De Nederlandse regering verzoekt derhalve de werkingssfeer van het in de richtlijn bedoelde betrouwbaarheidsver-eiste af te bakenen. De gemeenschapsrichtlijnen strekken ertoe de administratiefrechtelijke voorwaarden voor de toelating tot en uitoefening van een beroep of bedrijf te harmoniseren, maar zij hebben geen betrekking op de bepalingen van het nationale strafrecht, die op het plegen van bepaalde strafbare feiten als mogelijke sanctie stellen de ontzegging van de uitoefening van het beroep of bedrijf waarin het strafbare feit is begaan.
D — Opmerkingen van de Commissie
Volgens de Commissie is de richtlijn van de Raad zonder enige twijfel geldig en is zij in overeenstemming met artikel 75 EEG-Verdrag vastgesteld. Of zij rechtstreeks verbindend 'is en dus door de rechter mede in aanmerking moet worden genomen bij de beslissing van hem voorgelegde zaken, moet ten aanzien van elk van haar bepalingen afzonderlijk worden onderzocht.
's Raads richtlijn is van toepassing op gevallen zoals dat wat in het hoofdgeding aan de orde is, namelijk een vergunning voor personenvervoer over de weg (categorie toerisme), dat wil zeggen een vergunning voor het vervoer van meer dan negen personen, hetgeen een activiteit is die ingevolge artikel 1 onder de richtlijn valt. Of de verschillende bepalingen van de richtlijn ook feitelijk van toepassing zijn, hangt daarentegen af van het antwoord dat op de andere vragen wordt gegeven.
Tot nader order laat de Raad het aan de Lid-Staten over een betrekkelijk vaag omschreven eis van betrouwbaarheid te stellen aan natuurlijke personen en ondernemingen die een vergunning voor personenvervoer over de weg aanvragen. In zoverre heeft de Raad wijziging gebracht in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie, dat het betrouwbaarheidsvereiste concreet omschreef door verwijzing naar strafrechtelijke veroordelingen, waarbij het de Lid-Staten enkel werd overgelaten de in aanmerking te nemen strafbare feiten te bepalen; de tekst van de Raad daarentegen stelt alleen bepaalde algemene eisen van zedelijk gedrag. Waar de Lid-Staten volstrekt vrij zijn deze eisen nader te omschrijven, kunnen de zedelijkheidscriteria van Staat tot Staat verschillen. De derde vraag dient dus ontkennend te worden beantwoord. Dit betekent echter niet dat de nationale rechter op het probleem kan beslissen zonder re-kening te houden met de bepalingen van de richtlijn betreffende de betrouwbaarheid. Volgens 's Hofs arrest in zaak 51/76 (Jurispr. 1977, blz. 113) dient de nationale rechter vast te stellen of de nationale bepalingen buiten de door de richtlijn toegelaten beoordelingsruimte vallen.
Ofschoon § 78, lid 2, van het Deense Wetboek van Strafrecht een uiterst beperkt toepassingsgebied heeft, geeft het volgens de Commissie in concreto toch op correcte wijze uitvoering aan de bepaling van de richtlijn terzake van de betrouwbaarheid. De betrouwbaarheid die ingevolge de Deense bepaling wordt verlangd, is weliswaar zeer beperkt, maar de beoordelingsruimte die artikel 2, lid 2, van de richtlijn aan de Lid-Staten laat, lijkt daarmee niet te zijn overschreden.
Zou men daarentegen van mening zijn dat § 78 niet voldoet aan de bepaling van de richtlijn betreffende de betrouwbaarheid, dan mag daaruit niet worden geconcludeerd dat genoemde Deense bepaling per 1 januari 1977 door de richtlijn is afgeschaft of gewijzigd. De mate waarin richtlijnen en besluiten de particulieren rechtstreeks verplichtingen kunnen opleggen, is in de literatuur zeer omstreden. In zijn rechtspraak heeft het Hof uitgemaakt dat de rechtstreeks werkende verdragsbepalingen ook bepaalde verplichtingen voor de particulieren kunnen meebrengen. Daarentegen schijnen er geen arresten te zijn waarin het Hof zich ondubbelzinnig in gelijke zin heeft uitgesproken met betrekking tot de rechtstreekse toepasselijkheid van richtlijnen en besluiten op particulieren.
Wat vraag 4 b betreft, meent de Commissie dat artikel 4, lid 1, van de richtlijn volledig aan zijn doel beantwoordt, maar dat het in zijn huidige vorm verder gaat dan strikt noodzakelijk is. Om op deze uitzonderingsbepaling een beroep te kunnen doen, is het niet nodig dat de betrokkene het beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg (categorie toerisme) uitoefent op het tijdstip waarop de nationale bepalingen ter uitvoering van de richtlijn in werking treden, of dat beroep gedurende een bepaald aantal jaren vóór die datum heeft uitgeoefend. Volgens de letter van de bepaling is het voldoende dat hij, al is het maar eenmaal, een vergunning heeft gehad om het beroep van ondernemer van nationaal en/of internationaal personenvervoer over de weg uit te oefenen. Dientengevolge geldt de overgangsbepaling van artikel 4, lid 1, voor alle personen die vóór 1 januari 1978 het beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg (categorie toerisme) uitoefenden of hebben uitgeoefend.
Met betrekking tot de vijfde vraag meent de Commissie dat artikel 5, lid 2, juncto artikel 4 van de richtlijn de nationale instanties verplicht te controleren of aan, onder meer, het betrouwbaarheidsvereiste is voldaan. Deze controle moet worden verricht vanaf het moment waarop de richtlijn in het nationale recht ten uitvoer is gelegd, dat wil zeggen uiterlijk vanaf 1 januari 1977. De in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vervoerondernemers zijn echter niet verplicht zelf aan te tonen dat zij onder meer aan het betrouwbaarheidsvereiste voldoen. Intrekking van de vergunning van die vervoerders of de weigering ze te vernieuwen, is enkel mogelijk indien de bevoegde instanties aantonen dat de betrokkenen niet meer aan dat vereiste voldoen. Daaruit volgt dat de bevoegde instanties ingevolge artikel 5, lid 2, dienen te controleren of de door de richtlijn gestelde voorwaarden, waaronder die van betrouwbaarheid, zijn vervuld, maar wanneer het gaat om vervoerders die onder artikel 4, lid 1, vallen, mag van hen bij die controle niet de overlegging van bijzondere bewijsstukken worden verlangd.
Gelet op het voorgaande stelt de Commissie voor de vragen te beantwoorden als volgt:
's Raads richtlijn nr. 74/562/EEG van 12 november 1974 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal personenvervoer over de weg is in overeenstemming met het recht en geldig. De interpretatie en concrete beoordeling van de aard, de structuur en de tekst van de verschillende bepalingen van de richtlijn zijn beslissend voor de vraag of zij rechtstreeks gevolgen kunnen hebben voor de betrekkingen tussen de Lid-Staten en hun onderdanen.
Een aanvraag om vernieuwing van een vergunning voor personenvervoer over de weg (categorie toerisme) valt binnen het toepassingsgebied van de in de vorige vraag bedoelde richtlijn van de Raad.
Artikel 2, lid 1, sub a, en lid 2, van genoemde richtlijn, kan niet worden geacht te leiden tot afschaffing of wijziging van § 78, leden 2 en 3, van het Deense Wetboek van Strafrecht, volgens hetwelk het verlies van bepaalde rechten slechts kan worden uitgesproken indien de strafbare feiten grond opleveren voor ernstiger vrees voor misbruik door betrokkene bij de uitoefening van zijn beroep.
§ 78, leden 2 en 3, van het Deense Wetboek van Strafrecht komt overeen met het betrouwbaarheidsvereiste dat de Lid-Staten ingevolge artikel 2, leden 1 en 2, van genoemde richtlijn moeten stellen aan hun burgers die het beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg wensen uit te oefenen.
Artikel 4, lid 1, van genoemde richtlijn moet aldus worden verstaan, dat personen die vóór 1 januari 1978 waren gemachtigd het beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg uit te oefenen, zijn vrijgesteld van de verplichting aan te tonen dat zij aan het betrouwbaarheidsvereiste van artikel 2, lid 1, sub a, voldoen.
Artikel 5, lid 2, van de richtlijn moet aldus worden verstaan, dat de Lid-Staten zijn gehouden erop toe te zien dat vanaf het tijdstip waarop de richtlijn in de nationale wetgeving ten uitvoer is gelegd, aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, sub a, b en c, wordt voldaan. De controle uitgeoefend op de ondernemers van personenvervoer over de weg (categorie toerisme), die onder artikel 4, lid 1, van de richtlijn vallen, mag evenwel voor die ondernemers niet de verplichting meebrengen zelf het bewijs van, onder meer, hun betrouwbaarheid te leveren.
III — Mondelinge behandeling
Overwegende dat de Deense regering, ten deze vertegenwoordigd door P. Lach-mann als gemachtigde, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door B. Hoff-Nielsen als gemachtigde, ter terechtzitting van 5 oktober 1978 mondelinge opmerkingen hebben gemaakt;
dat de Commissie daarbij nog het volgende heeft opgemerkt: Het door het Hoof gehuldigde beginsel van het nuttig effect kan worden aangevoerd ten gunste van een rechtstreekse toepassing van richtlijnen op de justitiabelen. Niettemin stemt de Commissie in met de opvatting van de Deense regering dat richtlijnen en besluiten niet geëigend zijn de justitiabelen rechtstreeks verplichtingen op te leggen, respectievelijk hun rechten te beperken. Zoals de Deense regering eveneens heeft opgemerkt, pleiten doorslaggevende overwegingen van rechtszekerheid ervoor de rechtstreekse toepasselijkheid te beperken tot de bepalingen van het Verdrag.
Overwegende dat de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 oktober 1978 conclusie heeft genomen;
Ten aanzien van het recht
Overwegende dat K Københavns Byret bij beschikking van 10 februari 1978, ingekomen ten Hove op 24 februari daaropvolgende, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verscheidene vragen heeft gesteld betreffende de uitlegging en geldigheid van artikel 2, lid 1, sub a, van richtlijn nr. 74/562/EEG van de Raad van 12 november 1974 inzake de toegang van het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal personenvervoer over de weg (PB 1974, L 308, blz. 23), met name van het in dat artikel voorkomende begrip „betrouwbaarheid”;
dat die vragen zijn opgeworpen in een geding betreffende een besluit van de bevoegde Deense instantie van 29 december 1976 om de aanvraag van een ondernemer van personenvervoer over de weg (categorie toerisme) om vernieuwing van zijn vervoervergunning af te wijzen;
dat deze afwijzing was gegrond op het feit dat betrokkene blijkens zijn strafregister herhaaldelijk wegens diefstal en inbraak was veroordeeld, en de strafbare feiten grond opleverden voor de ernstige vrees dat hij misbruik zou maken van zijn positie van ondernemer van personenvervoer;
Overwegende dat de bevoegde Deense instantie toepassing heeft gegeven aan § 78, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht, volgens welke degene die strafrechtelijk is veroordeeld, enkel een verbod tot uitoefening van een beroep of bedrijf waarvoor een bijzondere overheidsvergunning of — toestemming is vereist, kan worden opgelegd wanneer de strafbare feiten grond opleveren voor ernstige vrees voor misbruik van het [oude dan wel nieuwe] beroep of bedrijf dat de betrokkene wenst uit te oefenen;
Overwegende dat, met het oog op de harmonisatie van de wettelijke regelingen der Lid-Staten in de sector vervoer, de Raad op 12 november 1974 richtlijn nr. 74/562/EEG inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal personenvervoer over de weg heeft vastgesteld;
dat artikel 2 van deze richtlijn bepaalt als volgt:
„1. Natuurlijke personen of ondernemingen die het beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg wensen uit te oefenen, moeten
a)betrouwbaar zijn,
2. In afwachting van een latere coördinatie stelt elke Lid-Staat vast aan welke bepalingen de aanvrager en, in voorkomend geval, de in lid 1 bedoelde natuurlijke personen ter zake van betrouwbaarheid moeten voldoen.
…”;
dat artikel 6, lid 1, bepaalt dat de Lid-Staten, na raadpleging van de Commissie, de richtlijn voor 1 januari 1977 ten uitvoer moeten leggen;
Overwegende dat Københavns Byret het Hof de navolgende prejudiciële vragen heeft gesteld:
1.Is 's Raads richtlijn van 12 november 1974 wettig en geldig, rechtstreeks bindend voor de Deense rechterlijke instanties en van toepassing op de betrekkingen tussen een Deens onderdaan en een Deense overheidsinstantie?
2.Geldt 's Raads richtlijn van 12 november 1974 ook in een situatie als de onderhavige?
3.Zo vraag 2 bevestigend wordt beantwoord, kan dan worden aangenomen dat door 's Raads richtlijn van 12 november 1974 § 78, lid 2, juncto lid 3, van het Deense Wetboek van Strafrecht zodanig is gewijzigd, dat de bepaling dat een strafbare handeling tot ontzetting uit burgerlijke rechten kan leiden indien het/de bewezen strafbare feit/feiten grond oplevert/ople-veren voor ernstige vrees voor misbruik van het betrokken beroep, geheel of gedeeltelijk buiten werking is gesteld, in dier voege dat het bij de richtlijn gestelde betrouwbaarheidsvereiste in de plaats is getreden van de bepaling van § 78, lid 2, juncto lid 3, Wetboek van Strafrecht?
4. a)Komt de negatieve formulering van § 78, lid 2, juncto lid 3, Wetboek van Strafrecht — dat iemand slechts uit het recht een beroep uit te oefenen waarvoor een bijzondere machtiging of goedkeuring van de overheid is vereist, kan worden ontzet wanneer het bewezen feit grond oplevert voor ernstige vrees voor misbruik van het beroep of bedrijf — overeen met het betrouwbaarheidsvereiste dat de Lid-Staten ingevolge 's Raads richtlijn in dit verband aan de burgers moeten stellen, waar immers de Lid-Staten in afwachting van latere coördinatie vrij zijn het betrouwbaarheidsvereiste uit te werken?
b)Valt het onderhavige geval onder de overgangsbepalingen van artikel 4, lid 1, zodat aanvrager, aangezien hij vóór 1 januari 1978 overeenkomstig de Deense voorschriften vergunning had voor het uitoefenen van het beroep van ondernemer van national personenvervoer over de weg, is vrijgesteld van de verplichting aan te tonen dat hij onder meer aan het betrouwbaarheidsvereiste van artikel 2, lid 1, sub a, voldoet?
5.Zo ja, betekent dit dat de zaak kan worden beslist zonder rekening te houden met de bepalingen van richtlijn nr. 74/562/EEG, of brengt artikel 5, lid 2, betreffende de verplichting van de Lid-Staten vergunningen in te trekken wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, sub a, b en c, mee dat niettemin aan aanvrager de eis van betrouwbaarheid moet worden gesteld?
Het eerste onderdeel van de eerste vraag
Overwegende dat de richtlijn van de Raad in overeenstemming met artikel 75 van het Verdrag is vastgesteld ter uitvoering van een gemeenschappelijk vervoerbeleid;
dat het doel van de richtlijn, te weten invoering van gemeenschappelijke re-gels inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal personenvervoer over de weg, ten einde een verbetering van de vakbekwaamheid van vervoerondernemers te bewerkstelligen in het belang van de gebruikers, de vervoerondernemers en de gehele volkshuishouding, stellig in overeenstemming is met de doelstellingen van genoemd artikel 75;
dat mitsdien op het eerste onderdeel van de eerste vraag moet worden geantwoord, dat een onderzoek van de richtlijn geen elementen aan het licht heeft gebracht die de geldigheid ervan zouden kunnen aantasten;
De derde vraag en het eerste onderdeel van de vierde vraag
Overwegende dat het dienstig is om, alvorens op de overige vragen in te gaan, eerst de derde vraag en het eerste onderdeel van de vierde vraag te bezien;
dat ingevolge artikel 2, lid 2, van de richtlijn in afwachting van een latere coördinatie elke Lid-Staat vaststelt aan welke bepalingen de aanvrager ter zake van betrouwbaarheid moet voldoen;
dat deze bepaling de Lid-Staten een ruime beoordelingsvrijheid laat ten aanzien van de betrouwbaarheid die van kandidaten voor het beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg wordt verlangd;
dat een nationale bepaling volgens welke een strafrechtelijk veroordeelde kandidaat niet als betrouwbaar kan worden beschouwd indien de gepleegde strafbare feiten grond opleveren voor ernstige vrees voor misbruik bij de uitoefening van zijn beroep, niet kan worden geacht de aan de Lid-Staten gelaten beoordelingsruimte te overschrijden;
dat mitsdien op de derde vraag en het eerste onderdeel van de vierde vraag moet worden geantwoord, dat een wettelijke bepaling zoals die van § 78 van het Deense Wetboek van Strafrecht is te beschouwen als een bepaling die de Lid-Staat binnen de grenzen van de richtlijn kon vaststellen;
Het tweede onderdeel van de vierde vraag
Overwegende dat ingevolge artikel 4, lid 1, van de richtlijn „natuurlijke personen en ondernemingen die aantonen dat zij, vóór 1 januari 1978, in een Lid-Staat krachtens een nationale regeling zijn gemachtigd het beroep van ondernemer van nationaal en/of internationaal personenvervoer over de weg uit te oefenen, zijn vrijgesteld van de verplichting aan te tonen dat zij, naar gelang van het geval, aan het bepaalde in artikel 2 voldoen”;
Overwegende dat in het tweede onderdeel van de vierde vraag het algemene probleem van de werking van een krachtens artikel 189 EEG-Verdrag vastgestelde richtlijn wordt opgeworpen;
dat het Hof ten deze reeds heeft verklaard — onder meer in zijn arrest van 1 februari 1977 (zaak 51/76, Verbond van Nederlandse Ondernemingen, Jurispr. 1977, blz. 113) — dat wanneer krachtens de voorschriften van artikel 189 verordeningen rechtstreeks toepasselijk zijn en mitsdien naar hun aard directe werking kunnen hebben, daaruit niet volgt dat andere groepen handelingen als in dit artikel bedoeld, nimmer analoge werking kunnen hebben;
dat het met de dwingende kracht die in artikel 189 aan de richtlijn wordt toegekend, onverenigbaar ware principieel uit te sluiten dat de daarbij opgelegde verplichting kan worden ingeroepen door betroffen personen;
dat met name in gevallen waarin het gemeenschapsgezag de Lid-Staten bij richtlijn heeft verplicht een bepaalde gedragslijn te volgen, het nuttig effect van zodanige handeling zou worden verzwakt wanneer de justitiabelen zich daarop in rechte niet zouden mogen beroepen en de nationale rechterlijke instanties daarop geen acht zouden mogen slaan als op een element van gemeenschapsrecht;
dat mitsdien moet worden geconcludeerd dat ook wanneer in de nationale wettelijke regeling een overeenkomstige bepaling als die van artikel 4 van de richtlijn ontbreekt, een nationale instantie — behoudens toepassing van artikel 5 van de richtlijn — van een kandidaat voor het beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg, die aantoont vóór 1 januari 1978 tot de uitoefening van dat beroep gemachtigd te zijn geweest, niet mag verlangen te bewijzen dat hij aan het betrouwbaarheidsvereiste voldoet;
De vijfde vraag
Overwegende evenwel dat ingevolge artikel 5, lid 2, van de richtlijn de Lid-Staten erop hebben toe te zien dat de bevoegde autoriteiten de machtiging tot uitoefening van het beroep van ondernemer van personenvervoer intrekken, wanneer zij vaststellen dat niet meer wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2, lid 1, sub a, b of c, waarbij in voorkomend geval een passende termijn moet worden bepaald voor de aanwerving van een plaatsvervanger;
dat derhalve wanneer de autoriteiten menen dat de betrokkenen niet meer aan het betrouwbaarheidsvereiste voldoen, zij de vernieuwing van hun vervoervergunning moeten weigeren, met dien verstande dat de controle, wanneer zij wordt verricht ten aanzien van vervoerondernemers die onder artikel 4, lid 1, van de richtlijn vallen, voor dezen niet de verplichting mag meebrengen bijzondere bewijzen over te leggen;
dat mitsdien op de vijfde vraag moet worden geantwoord, dat weliswaar de personen die vóór 1 januari 1978 waren gemachtigd het beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg uit te oefenen, zijn vrijgesteld van de verplichting zelf aan te tonen dat zij aan het betrouwbaarheidsvereiste van artikel 2, lid 1, sub a, van de richtlijn voldoen, doch dat niettemin de nationale autoriteiten bevoegd blijven in alle gevallen te controleren of aan dat vereiste, is voldaan;
Overwegende dat, gezien deze antwoorden, de overige vragen geen beantwoording meer behoeven;
Ten aanzien van de kosten
Overwegende dat de kosten door de Deense, de Italiaanse en de Nederlandse regering alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;
dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechter over de kosten heeft te beslissen;
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door Københavns Byret bij zijn beschikking van 10 februari 1978 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1. Een onderzoek van richtlijn nr. 74/562 /EEG van de Raad van 12 november 1974 heeft geen elementen aan het licht gebracht die de geldigheid ervan zouden kunnen aantasten.
2. Een wettelijke bepaling zoals die van § 78 van het Deense Wetboek van Strafrecht is te beschouwen als een bepaling die de Lid-Staat binnen de grenzen van de richtlijn kon vaststellen.
3. Personen die vóór 1 januari 1978 waren gemachtigd het beroep van ondernemer van personenvervoer over de weg uit te oefenen, zijn vrijgesteld van de verplichting zelf aan te tonen dat zij aan het betrouwbaarheidsvereiste van artikel 2, lid 1, sub a, van de richtlijn voldoen; niettemin blijven de nationale autoriteiten bevoegd in alle gevallen te controleren of aan dat vereiste is voldaan.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
7Rechtspraak
1Europese Unie
1Conclusie van advocaat-generaal VerLoren van Themaat89/8102.03.1982