---
title: "HvJ EU, 20/70, Transports Lesage &amp; Cie SA, arrest van 21 oktober 1970 · Eerste richtlijn 67/227 art. 1, EEG-Verdrag art. 177"
description: "Arrest van het HvJ EU van 21 oktober 1970, 20/70, Transports Lesage & Cie SA: eerste richtlijn 67/227 art. 1, EEG-Verdrag art. 177."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-20-70-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-20-70-arret"
---

# Arrest van het Hof van 21 oktober 1970, 20/70, Transports Lesage & Cie SA · Eerste richtlijn 67/227 art. 1, EEG-Verdrag art. 177

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

20/70

**ECLI**

ECLI:EU:C:1970:84

**Datum**

21 oktober 1970

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Finanzgericht Baden-Württemberg (Duitsland) beslissing van 29 april 1970 II 137/69 Z

**Zaak ingediend op**

19 mei 1970

**Advocaat-generaal**

[Roemer conclusie van 17 september 1970](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-9-70-conclusie)

**Nationale beslissing na het arrest**

Finanzgericht Baden-Württemberg beslissing van 17 maart 1975 II 137/69 Z

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1970, blz. 861

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Donner

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Fiscale bepalingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10%2C578-4.10) [Harmonisatie van de belastingwetgevingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02%2C578-4.10.02) [Belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01%2C578-4.10.02.01) 1.015 beslissingen
  - [Handelingen van de instellingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20) [Beschikkingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20.03) [Rechtstreekse werking](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20.03.02) 3 beslissingen
  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Prejudiciële verwijzing](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04) [Bevoegdheid van Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04.02) 167 beslissingen
  - [Vervoer](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-06) [Mededingingsregels](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-06.06) 5 beslissingen

## Tekst

107 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

#### I — Uiteenzetting van de feiten; de procesvoering

Overwegende dat de aan het geding ten grondslag liggende feiten kunnen worden samengevat als volgt en dat de procesvoering na te melden verloop heeft gehad :

Artikel 4 van 's Raads beschikking 65/271/EEG van 13 mei 1965 met betrekking tot de harmonisatie van bepaalde voorschriften die van invloed zijn op de mededinging in het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (Publikatieblad 1965, blz. 1500 en volgende) luidt als volgt :

„Wanneer door de Raad een gemeenschappelijk stelsel voor de omzetbelasting is vastgesteld en dit stelsel in de Lid-Staten in werking is getreden, zullen laatstgenoemden dit op nader te bepalen wijze toepassen op het goederenvervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren.

Het in de vorige alinea bedoelde stelsel zal uiterlijk bij zijn inwerkingtreding de plaats innemen van de regelingen inzake de specifieke belastingen die in de plaats van omzetbelasting worden geheven, voor zover het goederenvervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren aan die regelingen is onderworpen.”

Op 11 april 1967 stelde de Raad zijn eerste richtlijn (67/227/EEG) vast betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de omzetbelasting (Publikatieblad 1967, blz. 1301 en volgende) ; artikel 1 van deze richtlijn luidt als volgt :

„De Lid-Staten vervangen hun huidige omzetbelastingstelsel door het in artikel 2 omschreven gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

In elke Lid-Staat wordt de wet waarbij deze vervanging zal plaatsvinden zo spoedig mogelijk afgekondigd, opdat zij in werking kan treden op een tijdstip dat door de Lid-Staat, rekering houdende met de conjuncturele toestand, zal worden bepaald en dat uiterlijk op 1 januari 1970 ligt.

Vanaf de inwerkingtreding van die wet kan de Lid-Staat geen forfaitaire compenserende maatregelen bij invoer of uitvoer uit hoofde van de omzetbelasting voor het handelsverkeer tussen de Lid-Staten meer handhaven of instellen.”

In 's Raads derde richtlijn (69/463/EEG) van 9 december 1969 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Invoering van de belasting over de toegevoegde waarde in de Lid-Staten (Publikatieblad nr. L 320 van 20 december 1969, blz. 34 en volgende) is de datum 1 januari 1970, genoemd in artikel 1 van de richtlijn van 11 april 1967, vervangen door 1 januari 1972.

De Bondsrepubliek Duitsland heeft aan haar verplichtingen ingevolge artikel 1 van de eerste richtlijn van 11 april 1967 voldaan door invoering van de belasting over de toegevoegde waarde bij het Umsatzsteuergesetz van 29 mei 1967 (Bundesgesetzblatt I, blz. 545). Deze wet is op 1 januari 1968 in werking getreden en ook op het vervoer van toepassing. Het tot op die datum in de redactie van 13 juni 1955 (Bundesgesetzblatt I, blz. 366) geldende Beförderungssteuergesetz is ingetrokken (artikel 31 van het Umsatzsteuergesetz van 29 mei 1967).

Sedert 1 januari 1969 is het goederenvervoer over de weg in de Bondsrepubliek Duitsland bovendien onderworpen aan Strassengüterverkehrsteuer, zulks volgens het Gesetz über die Besteuerung des Strassengüterverkehrs van 28 december 1968 (Bundesgestzblatt I, blz. 1461). Zij bedraagt 1 pfennig per ton/km voor goederenvervoer op de lange afstand (paragraaf 4). Wanneer sprake is van vervoer van goederen ingevoerd van overzee en dat vervoer in een zeehaven aanvangt, worden bij de berekening van de belasting de eerste 170 km buiten beschouwing gelaten (paragraaf 3). Deze wet zal op 31 december 1970 buiten werking treden (paragraaf 14).

In november 1967 had de Duitse Regering overeenkomstig artikel 1 van 's Raads beschikking van 21 maart 1962 houdende vaststelling van een procedure voor het voorafgaande onderzoek en overleg omtrent bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke door de Lid-Staten op het gebied van het vervoer worden overwogen (Publikatieblad nr. 23 van 3 april 1962, blz. 720) aan de Commissie mededeling gedaan van het ontwerp-Gesetz über die Besteuerung des Strassengüterverkehrs. Dit ontwerp maakte een integrerend deel uit van het door de Bondsregering op 8 november 1967 vastgestelde „programma voor het vervoerbeleid in de jaren 1968 tot en met 1972”.

Op 31 januari 1968 lichtte de Commissie tot de Bondsrepubliek een aanbeveling welke met name op genoemd wetsontwerp betrekking had en het verzoek inhield van invoering van de speciale belasting af te zien (Publikatieblad nr. L 35 van 8 februari 1968, blz. 14 en volgende).

Van de onderneming Lesage & Cie (hierna te noemen : „verzoekster”) werd tussen 18 en 30 september 1969 door het douanekantoor Neuenburg/Rheinbrücke betaling verlangd van een bedrag van 134,40 DM, overeenkomends met de som der negen krachtens de wet van 28 december 1968 opgemaakte aanslagen, betreffende door haar tussen Frankrijk en Duitsland verrichte transporten. Verzoekster kwam hiertegen rechtstreeks in beroep bij het Finanzgericht te Baden-Württemberg (Freiburg).

Zij betoogde voor het Finanzgericht, dat het „Strassengüterverkehrsteuergesetz”, waarop de aanslagen berusten, ongeldig moet worden geacht omdat daardoor artikel 4 van 's Raads beschikking van 13 mei 1965 wordt geschonden. Deze bepaling werd op 1 januari 1968, datum waarop het stelsel van belasting over de toegevoegde waarde in de Bondsrepubliek van kracht is geworden, toepasselijk; dientengevolge is het verboden opnieuw specifieke belastingregelingen in werking te doen treden. 's Raads beschikking geeft rechtstreeks toepasselijke rechtsregelen, welke voor derden subjectieve techten doen ontstaan en ten opzichte van het nationale recht de voorrang genieten. Bovendien houdt de wet van 28 december 1968 schending van de artikelen 5, alinea 2, 74, 86 en 37 van het EEG-Verdrag in.

Het „Hauptzollamt” (hoofddouanekantoor), verweerder, betoogde dat de Duitse Strassengüterverkehrsteuer geen omzetbelasting is. Bovendien waren de Lid-Staten niet vóór 1 januari 1970 verplicht over te gaan tot intrekking van alle specifieke belastingen welke in de plaats van omzetbelasting worden geheven. Voorts kunnen partieulieren zich niet op artikel 4 van 's Raads beschikking beroepen.

Bij beschikking van 29 april 1970 heeft het Finanzgericht te Baden-Württemberg (Freiburg) de behandeling geschorst en zich overeenkomstig artikel 177 van het EEG-Verdrag tot het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gewend ten eind einzake de navolgende vragen een prejudiciële beslissing te bekomen :

Verbiedt artikel 4 van de harmonisatiebeschikking van de Raad der EEG, juncto artikel 1 der eerste richtlijn inzake omzetbelasting van 11 april 1967 een Lid-Staat om vóór 1 januari 1970 wederom specifieke belastingen in te voeren welke in plaats van de omzetbelasting voor het goederenvervoer worden geheven, indien deze Lid-Staat het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde reeds in werking heeft doen treden en de specifieke belastingen voor het goederenverkeer afgeschaft, wanneer op dit tijdstip nog niet alle overige Lid-Staten deze maatregelen hebben uitgevoerd ?

2\. Brengt artikel 4 van de harmonisatie-beschikking van de Raad juncto artikel 1 der eerste richtlijn inzake omzetbelasting van 11 april 1967 directe gevolgen teweeg in de rechts betrekkingen tussen de Lid-Staten en particulieren en doen deze voorschriften voor die particulieren rechten ontstaan welke ook de nationale rechter heeft te eerbiedigen?

3\. Is een belasting welke in de Bondsrepubliek Duitsland op het goederenvervoer over de weg wordt geheven („Strassengüterverkehrsteuergesetz” van 28 december 1968, Bundesgesetzblatt 1968, I, blz. 1461) en waarbij niet een dienstverrichting, doch het produkt van de factoren waaruit zodanige dienst bestaat (gewicht der vervoerde waren x afstand — aantal tonkilometers) grondslag voor de belasting is, te beschouwen als specifieke belasting in de zin van artikel 4 van 's Raads harmonisatiebeschikking van 13 mei 1965 ?”

Het Finanzgericht acht voor zijn uitspraak beantwoording dezer vragen noodzakelijk, en wel om de navolgende redenen :

Het is niet zeker of het in artikel 4 van 's Raads beschikking van 13 mei 1965 (stilzwijgend) vervatte verbod om wederom specifieke belastingen op het vervoer in te voeren, reeds geldt wanneer een Lid-Staat het BTW-stelsel in werking heeft doen treden dan wel eerst vanaf het ogenblik waarop dit systeem in alle Lid-Staten is ingevoerd. De bewoordingen van artikel 4 laten twee uitleggingen toe; pleit de overweging dat het nieuwe belastingstelsel een autonoom en volledig karakter draagt en niet gedoogt dat aan het vroegere systeem ontleende elementen herleven, ten gunste van een uitlegging in eerstbedoelde zin, voor een interpretatie in andere zin kan men steun vinden in het feit dat het onwaarschijnlijk moet worden geacht dat de Raad een voortvarende Lid-Staat die het nieuwe stelsel reeds voor de door allen in acht te nemen datum in werking deed treden, zou hebben willen straffen.

Artikel 4 van de beschikking van 13 mei 1965 houdt explicite alleen verplichtingen tot doen in. Logischerwijze impliceert de verplichting de specifieke belastingen op vervoergebied af te schaffen evenwel een verbod ze wederom in werking te doen treden. Ofschoon deze overweging aanleiding kan geven om aan genoemd artikel 4 „rechtstreekse toepasselijkheid” toe te kennen, dient men te bedenken dat 's Hofs rechtspraak alleen bepalingen van het Verdrag zelf heeft betroffen en niet een beschikking van de Raad als hierbedoeld.

Enerzijds is de „Strassengüterverkehrsteuer” een bedrag per tonkilometer en wordt zij niet over de contraprestatie geheven — hetgeen een argument kan opleveren haar niet als een „specifieke belasting” te kwalificeren —; anderzijds schijnt zij, wanneer men bedenkt dat gewicht en traject eveneens bepalend zijn voor de berekening van hetgeen voor een vervoerverrichting moet worden betaald, meer overeenkomst te vertonen met een omzetbelasting dan met een rol.

Het Finanzgericht verwerpt het door het Hauptzollamt gemaakte bezwaar tegen voorlegging van de zaak aan het Hof van Justitie, er op wijzende dat zijn vragen de uitlegging van het gemeenschapsrecht en niet de verenigbaarheid van nationaal recht met het gemeenschapsrecht betreffen. Weliswaar zou bij bevestigende beantwoording dezer vragen komen vast te staan dat het gemeenschapsrecht en het nationale recht met elkander in strijd zijn — hetgeen het vraagstuk van het primaat van het gemeenschapsrecht aan de orde zou stellen—, doch ofschoon dit probleem door het Hof van Justitie nog niet duidelijk tot oplossing kon worden gebracht, heeft het Bundesfinanzhof het primaat van het gemeenschapsrecht met zoveel woorden erkend. Het Finanzgericht acht zich derhalve, zonodig, zelf tot beantwoording van deze vraag in staat.

Voorts verwerpt het Finanzgericht de overige bezwaren tegen de Duitse wet van 28 december 1968 welke verzoekster aan het gemeenschapsrecht wilde ontlenen. Zo wijst het erop dat in gevallen als de onderhavige (goederenvervoer op de lange afstand) geen sprake is van discriminatie op grondslag van nationaliteit, hetgeen betekent dat niet van schending van artikel 7 of van artikel 37 van het EEG-Verdrag mag worden gesproken. En omdat de Duitse Bondsspoorwegen op de vervoermarkt geen overheersende positie innemen, is ook het aan artikel 86 ontleende argument ongegrond. Het bezigen van overheidsgelden ten behoeve van de Bondsspoorwegen betekent nog niet dat men deze, in voege als door verzoekster betoogd, een overheersende positie doet innemen.

Voorts houdt het belasten van de concurrenten der Bondsspoorwegen volgens het Finanzgericht geen steunmaatregel in de zin van artikel 92 van het EEG-Verdrag in. Het Verdrag onderscheidt namelijk tussen bepalingen als artikel 92, waarin aan de Lid-Staten verboden wordt een onderneming te begunstigen, en bepalingen als artikel 95, welke betrekking hebben op maatregelen ten laste van de andere ondernemingen. En het Finanzgericht meent dat de litigieuze belasting tot deze tweede categorie behoort zonder nochtans onder het verbod van artikel 95 te vallen.

Ten slotte verwerpt de Duitse rechter de stelling dat van schending van de artikelen 80 en 74 sprake zou zijn, zulks gezien de tekst van eerstgenoemde bepaling en de te algemene formulering van laatstgenoemd artikel.

De renvooibeschikking is op 19 mei 1970 ingeschr even ter griffie van het Hof.

Overeenkomstig artikel 20 van het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG hebben verzoekster in het bodemgeschil en de Commissie van de Europese Gemeenschappen opmerkingen ingediend.

Het Hof heeft op rapport van de Rechter-Rapporteur en de Advocaat-Generaal gehoord, besloten niet tot instructiemaatregelen over te gaan.

Verzoekster, de Duitse Regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn ter terechtzitting van 15 september 1970 gehoord.

De Advocaat-Generaal heeft ter zitting van 17 september 1970 zijn conclusie genomen.

Verzoekster werd ten deze vertegenwoordigd door mrs. Deringer, Tessin, Hermann en Sedemund, advocaten te Keulen.

De Duitse Regering werd ten deze vertegenwoordigd door de heer Morawitz.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen werd ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur, de heer Wägenbaur.

#### II — Samenvatting van de opmerkingen van partijen

Overwegende dat de opmerkingen van partijen kunnen worden samengevat als volgt :

##### 1 — Ten aanzien van de eerste vraag

###### a) Opmerkingen van de Commissie

De Commissie merkt op dat in artikel 4, alinea 2, geen enkele termijn wordt gesteld, doch, voor wat de datum betreft, door middel van het woord „uiterlijk” naar de voorafgaande alinea wordt verwezen. Dit voorschrift kan op verschillende manieren worden uitgelegd, immers de woorden „in de Lid-Staten in werking is getreden” laten op zijn minst twee interpretaties toe. Als datum moet worden aangehouden hetzij de dag waarop de belasting over de toegevoedge waarde in ieder der Lid-Staten is (zal zijn) ingevoerd hetzij die waarop bedoelde belasting uiterlijk door alle Lid-Staten moet zijn ingevoerd. Een uitlegging in eerstbedoelde zin moet echter volgens de Commissie worden verworpen. Enerzijds zou daardoor een Lid-Staat die ten deze diligent was en de BTW eerder dan de andere Lid-Staten heeft ingevoerd, „gestraft” worden in die zin dat hij vanaf dat ogenblik is gebonden zonder mogelijkheid van verweer ten opzichte van de andere Lid-Staten die ten deze nog over hun vrijheid van handelen beschikken. Anderzijds kan het streven naar harmonisatie waarom het in de beschikking van 13 mei 1965 gaat, slechts op communautaire schaal worden gerealiseerd en niet door harmonisatieregelen, door de Lid-Staten op verschillende data genomen. Artikel 4, alinea 2, van de beschikking van 13 mei 1965 is dan ook, gelet op de „derde richtlijn”, eerst per 1 januari 1962 voor ieder der Lid-Staten bindend. De eerste vraag moet derhalve in ontkennende zin worden beantwoord.

###### b) Opmerkingen van verzoekster

Verzoekster geeft het Hof in overweging de eerste vraag in bevestigende zin te beantwoorden.

Allereerst betwist zij de juistheid van het betoog, waarmede de Duitse Regering het advies der Commissie van 23 mei 1969 inzake de omstreden belasting beantwoordde en waarin zij zich beriep op het feit dat een „nadere bepaling” van de wijze van toepassing, als voorzien in artikel 4, eerste lid, van de beschikking van 13 mei 1965, achterwege is gebleven. Verzoekster betoogt te dien aanzien met name :

dat de redenering van de regering tot de — onaanvaardbare — consequentie zou leiden dat ook wanneer alle Lid-Staten het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde zou hebben ingevoerd, de afwezigheid van zodanige nadere bepaling aan de inwerkingtreding van het verbod van specifieke belastingen voorzien in artikel 4, lid 2, in de weg zou staan;

dat de tweede richtlijn betreffende de BTW met zoveel woorden beoogt de structuur en de wijze van toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van de BTW te regelen en ofschoon ten aanzien van de toepasselijkheid op landbouwprodukten een voorbehoud is gemaakt, zeer wel op het vervoer kan worden toegepast (vgl. artikel 6, paragraaf 2, juncto bijlage B);

dat de Duitse Regering zelf deze modaliteiten voldoende schijnt te achten, immers zij heeft het vervoer explicite onder het nieuwe BTW-stelsel gebracht;

dat de Duitse Regering, na zich aldus te hebben geconformeerd aan artikel 4 van de beschikking van 13 mei 1965, zich bezwaarlijk aan het verbod van dit zelfde artikel kan onttrekken.

Voorts betoogt verzoekster dat de datum waarop de termijn binnen welke de Lid-Staten het gemeenschappelijk stelsel van de BTW konden invoeren afloopt (1 januari 1970, later : 1 januari 1972) niet mag worden beschouwd als de datum waarop het verbod van artikel 4 van de beschikking van 13 mei 1965 van kracht wordt, en wel zulks om de navolgende redenen :

in de eerste paragraaf van genoemd artikel 4 ging het blijkens de tekst zelve om de mogelijkheid het nieuwe BTW-stelsel metterdaad in de Lid-Staten in werking te doen treden en niet om de daartoe aan de Lid-Staten gestelde uiterste termijn;

voorts dient vooral te worden bedacht dat in genoemd artikel 4 „stappen” zijn voorzien welke enerzijds duidelijk van elkander moeten worden onderscheiden, doch anderzijds elkanders logische voortzetting zijn en in den regel coïncideren. Zo is na invoering van het nieuwe gemeenschappelijke stelsel voor de BTW (a) de betrokken Lid-Staat gehouden dat systeem ook op het vervoer toe te passen (b) en mitsdien voorheen geldende specifieke belastingen op het vervoer in te trekken (c), hetgeen impliceert dat het verboden is zulke belastingen opnieuw in werking te doen treden (d). Deze vier „stappen” vormen aldus te zamen een autonoom en volledig systeem en mogen niet willekeurig worden gescheiden. Dit gezichtspunt vond trouwens ook uitdrukking in het verbod van artikel 1, paragraaf 2, van de „eerste richtlijn” inzake de BTW. Volgens dit voorschrift moet iedere Lid-Staat zich vanaf de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk stelsel voor de BTW ook onthouden van forfaitaire compenserende maatregelen bij invoer of uitvoer uit hoofde van de omzetbelasting, en wel zulks onafhankelijk van hetgeen de andere Lid-Staten doen.

De invoering van het BTW-systeem door de Bondsrepubliek Duitsland impliceert derhalve noodzakelijkerwijze dat het vanaf de inwerkingtreding van dit stelsel voorgoed verboden is specifieke belastingen op het vervoer wederom in te voeren. De opvatting dat dit verbod eerst van kracht wordt zodra alle Lid-Staten het nieuwe stelsel zullen hebben ingevoerd, is bovendien niet houdbaar voor zoveel zij medebrengt dat iedere Lid-Staat de nakoming harer verplichtingen van de voortvarendheid der andere Lid-Staten zou kunnen doen afhangen. Deze zienswijze is in strijd met stelsel en geest van het Verdrag en met 's Hofs jurisprudentie. Verzoekster wijst er voorts op, dat de veronderstelling dat het een Lid-Staat vrij zou staan specifieke belastingen opnieuw van kracht te doen worden of wel — uiterste consequentie — het BTW-stelsel zelve opnieuw af te schaffen zolang lang niet alle Lid-Staten de BTW hebben ingevoerd, aan de rechtszekerheid van particulieren ernstig afbreuk zou doen.

###### c) Opmerkingen van de Duitse Regering

De Duitse Regering betoogt dat het „gemeenschappelijk stelsel” van de BTW in feite slechts een model is dat eerst zal zijn verwezenlijkt wanneer het in alle nationale systemen is belichaamd en deze uiteraard in tijdelijk en ruimtelijk opzicht verschillende toepasselijkheid (verband houdende met het feit dat het stelsel in de verschillende Lid-Staten op verschillende tijdstippen wordt aanvaard) is met de pretense „rechtstreekse toepasselijkheid” onverenigbaar.

De Bondsregering brengt voorts in herinnering dat in de tweede richtlijn inzake de BTW de „wijze van toepassing” stellig niet volledig is geregeld.

Ten slotte betoogt zij dat ofschoon er kennelijk voor alle Lid-Staten een politieke verplichting bestaat de aangegane verplichtingen ten spoedigste na te komen, zulks vóór de uiterste datum geenszins impliceert dat er een absoluut juridisch verbod zou bestaan om terug te komen op hetgeen ten deze werd gerealiseerd.

##### 2 — Ten aanzien van de tweede vraag

###### a) Opmerkingen van de Commissie

De Commissie onderzoekt allereerst of het besluit van de Raad van 13 mei 1965 terecht als „beschikking” in de zin van artikel 189 van het Verdrag is gekwalificeerd. Zij wijst erop dat hoewel talrijke bepalingen van bedoeld besluit naar hun aard eigenlijk program-punten zijn, een aantal andere voorschriften, met name ook artikel 4, alinea 2, voor hun toepassing andere gemeenschappelijke maatregelen behoeven. De Commissie concludeert dat derhalve van een echte beschikking sprake is.

Zij gaat derhalve na of er in beginsel bezwaar tegen bestaat om in beschikkingen (en eventueel in richtlijnen) vervatte, tot de Lid-Staten gerichte, voorschriften „rechtstreeks bindend” te achten, voor zoveel ze duidelijk en niet van een voorbehoud afhankelijk gesteld zijn en aan de Lid-Staten voor wat hun toepassing betreft geen werkelijke appreciatieve bevoegdheid laten. Zij stelt een lijst op van de voor of tegen deze „rechtstreekse toepasselijkheid” aan te voeren argumenten, en wel allereerst een reeks argumenten welke daartegen pleiten :

1\. Volgens artikel 189 van het Verdrag zijn tot de Lid-Staten gerichte beschikkingen slechts verbindend voor de Lid-Staten tot welke zij zijn gericht. Ten aanzien van de burger kan er derhalve slechts indirecte werking aan toekomen. Voor hem kunnen slechts via een uitvoeringshandeling van de eigen overheid rechten en verplichtingen ontstaan welke hij rechtstreeks kan inroepen. Men kan hiertoe ook wijzen op het feit dat artikel 189 alleen verordeningen rechtstreeks verbindend verklaart.

2\. Wat het secondaire gemeenschapsrecht betreft, in het Verdrag wordt met opzet onderscheiden tussen wel en niet rechtstreeks toepasselijke besluiten (verordeningen tegenover tot Staten gerichte richtlijnen en beschikkingen). Dit zorgvuldig gemaakte onderscheid zou van nul en gener waarde zijn, indien men aan de bijzondere voorschriften ener tot Lid-Staten gerichte beschikking rechtstreekse werking zou toekennen. Zulks zou tot rechtsonzekerheid leiden.

3\. In bepaalde sectoren (bij voorbeeld de landbouw, het vervoer, het handelsbeleid) laat het Verdrag de keus voor zoveel de te bezigen rechtshandelingen betreft. In andere sectoren mag men zich alleen van een richtlijn bedienen (bij voorbeeld wanneer het gaat om het recht van vestiging, de diensten of de harmonisatie van wetgevingen). Men kan hieruit concluderen, dat de Lid-Staten in deze sectoren aan de Gemeenschap generlei bevoegdheden tot het vaststellen van rechtstreeks toepasselijke regelen heeft willen verlenen.

4\. Ten slotte behoeven beschikkingen volgens het Verdrag niet te worden gepubliceerd. Het hangt derhalve min of meer van het toeval of van het adres van de particulier af, of hij bij de rechterlijke instanties van zijn land een beroep mag doen op voor hem gunstige voorschriften van het gemeenschapsrecht. Zulks leidt tot een zekere ongelijkheid voor de wet, immers men mag niet a priori aannemen dat de rechter kennis draagt van niet-gepubliceerde besluiten.

Vervolgens een reeks argumenten welke vóór rechtstreekse toepasselijkheid pleiten :

1\. Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie op het stuk der rechtstreeks bindende verdragsvoorschriften is het feit dat de Lid-Staten als adressaten zijn aangewezen niet beslissend. Het gaat er maar om of een bepaling zich naar haar aard voor rechtstreekse toepassing leent. De overwegingen welke het Hof in zoverre ten aanzien van de verdragsvoorschriften deed gelden, kunnen ook op een tot Lid-Staten gerichte beschikking worden toegepast.

2\. Weliswaar wordt in artikel 189 van het Verdrag alleen een verordening in elke Lid-Staat rechtstreeks toepasselijk verklaard. Evenwel sluit de omschrijving van een beschikking, welke artikel 189 geeft, geenszins uit dat onder bepaalde voorwaarden een zelfde werking aan een tot Lid-Staten gerichte beschikking kan worden toegekend. Men onderscheide tussen „rechtstreekse toepasselijkheid” in de zin van artikel 189 van het Verdrag en bepalingen welke „in de rechtsbetrekkingen tussen de Lid-Staten en hun justitiabelen rechtstreeks kunnen werken”. In de zin van artikel 189 betekent „rechtstreekse toepasselijkheid” met name, dat geen positieve handeling naar nationaal recht nodig is om een bepaalde communautaire rechtshandeling te doen gelden. De vraag of in de zin van 's Hofs jurisprudentie bepaalde voorschriften naar hun aard tegenover particulieren rechtstreeks kunnen werken, hangt er daarentegen van af of voor een particulier — voor zoveel van verplichtingen tot doen sprake is — ondanks de afwezigheid van een nationale uitvoeringswet rechtstreeks aanspraken ontstaan.

3\. Men dient het gevaar van rechtsonzekerheid niet te overschatten. Er kunnen eigenlijk alleen problemen rijzen wanneer beschikkingen aan de Lid-Staten een optreden in bepaalde zin voorschrijven en de hun daartoe gegeven termijn verstrijkt zonder dat aan het voorschrift uitvoering is gegeven. Veiligheidshalve zou men termijnen van voldoende lengte kunnen voorzien, terwijl ook de Lid-Staten hunnerzijds alles in het werk stellen om tijdig de noodzakelijke uitvoeringsvoorschriften te geven. Wanneer men hieraan nog toevoegt dat er volgens 's Hofs jurisprudentie van ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke voorschriften sprake moet zijn, dan blijkt dat de vraag naar de rechtstreekse toepasselijkheid zich slechts bij een zeer gering aantal beschikkingen behoeft voor te doen.

4\. Het feit dat men aan bepaalde voorschriften voorkomende in tot Lid-Staten gerichte beschikkingen een rechtstreeks bindend karakter toekent, wil niet zeggen dat het stelsel van communautaire rechtshandelingen van secondaire aard, zoals voorzien in artikel 189 van het Verdrag, wordt verlaten. De rechtstreekse toepasselijkheid van bepaalde voorschriften brengt, integendeel, mede dat de individuele rechten van de particulier een verhoogde rechtsbescherming genieten — het stelsel van artikel 189 is trouwens als zodanig in stand gelaten —.

5\. Behalve in zeldzame uitzonderingsgevallen plaatsen de instellingen der Gemeenschappen de beschikkingen welke zij tot Lid-Staten richten ad informandum in het Publikatieblad. Het argument dat zodanige publikatie der tot Lid-Staten gerichte beschikkingen niet is voorgeschreven, blijkt derhalve van weinig gewicht voor zoveel de gemeenschapsorganen meer doen dan waartoe zij ingevolge artikel 191 van het Verdrag verplicht zijn door ook tot de Staten gerichte beschikkingen te publiceren.

6\. 's Hofs jurisprudentie schijnt geen argumenten tegen, doch vóór de rechtstreekse toepasselijkheid van beschikkingen op te leveren. In zijn arrest van 18 februari 1970, gewezen in de zaak 38-69, heeft het Hof van Justitie dan ook nopens de „acceleratiebeschikking” van 26 juli 1966 (Publikatieblad van de EG, 1966, blz. 2971) zijn standpunt in de navolgende bewoordingen tot uitdrukking gebracht : „(dat) die beschikking, ofschoon naar de vorm alleen tot de Lid-Staten gericht, bestemd is op de gehele gemeenschappelijke markt te werken en de voorwaarde of voorbereiding vormt voor de totstandkoming — ingevolge artikel 9 lid 1, en voor zover met name de betrekkingen met derde landen betreft, ingevolge 's Raads Verordening nr. 950/68/EEG van 28 juni 1968 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (Publikatieblad, 1968, blz. L 172/1) — van in de Lid-Staten rechtstreeks bindende voorschriften.” (jurisprudentie XVI, Deel 1, 1970, blz. 58.) Deze redengeving zou de conclusie kunnen rechtvaardigen dat het Hof van Justitie bereid is aan de acceleratiebeschikking rechtstreeks bindende werking toe te kennen op dezelfde wijze als het reeds deed ten aanzien van de voorschriften betreffende de douaneregeling, „ofschoon \[zij\] naar de vorm alleen tot de Lid-Staten \[is\] gericht”.

In het licht van al deze argumenten en met name wijzende op het aspect der aan de particulier geboden rechtsbescherming, meent de Commissie dat er geen argument bestaat om aan de gemeenschapsrechtelijke voorschriften rechtstreekse toepasselijkheid te ontzeggen, alleen omdat zij deel uitmaken van een beschikking welke tot de Lid-Staten gericht is.

De criteria van het Hof voor de verdrags-voor schriften vervolgens toepassend op artikel 4, alinea 2, van 's Raads beschikking van 13 mei 1965, komt de Commissie tot de slotsom dat ofschoon inderdaad sprake is van een duidelijke verplichting welke zowel een gebod tot het afschaffen van „specifieke belastingen” inhoudt als het verbod zodanige belastingen opnieuw in te voeren, bedoelde verplichting eerst op 1 januari 1972 definitief van kracht wordt. Voordien kunnen er derhalve voor justitiabelen niet rechtstreeks aanspraken uit ontstaan.

###### b) Opmerkingen van verzoekster

Verzoekster meent ook dat men aan voorschriften van het gemeenschapsrecht de rechtstreekse toepasselijkheid niet mag ontzeggen om de enkele reden dat zij deel uitmaken van een tot Lid-Staten gerichte beschikking. Zij beroept zich daartoe in hoofdzaak op argumenten welke identiek zijn aan die welke daartoe door de Commissie zijn aangevoerd.

Bovendien wijst zij met name op het feit dat voor de rechtstreekse toepasselijkheid van een communautaire handeling veeleer de inhoud dan de vorm dier handeling beslissend is. Zij merkt voorts op dat 's Raads beschikking van 13 mei 1965 is gepubliceerd. Uitgaande van het feit dat in artikel 191 EEG kennisgeving der beschikkingen is voorzien aan degenen tot wie ze zijn gericht, zou men kunnen concluderen dat men deze handeling in werkelijkheid heeft opgevat als een zodanige welke voor particulieren, voor degenen tot wie de kennisgeving in het publikatieblad „gericht” is, rechtstreeks aanspraken kon doen ontstaan.

Met betrekking tot artikel 4 van 's Raads beschikking van 13 mei 1965 betoogt verzoekster dat van een duidelijke verplichting sprake is. Voorts wijst zij op 's Hofs jurisprudentie — zaken 57-65 (Jurisprudentie, Deel XII, blz. 345 en volgende) en 13-68 (Jurisprudentie, Deel XIV, blz. 631 en volgende) — ten betoge dat het feit dat aan nakoming dezer verplichting een termijn is gesteld niet wegneemt dat zij voor particulieren rechtstreeks aanspraken kan doen ontstaan. Zij stelt dan ook voor de vraag in bevestigende zin te beantwoorden.

##### 3 — Ten aanzien van de derde vraag

###### a) Opmerkingen van de Commissie

De Commissie merkt op dat de uit artikel 4, alinea 2, van de beschikking van 13 mei 1965 voortvloeiende verplichting de „specifieke belastingen” af te schaffen — en derhalve het verbod dezelve wederom in te voeren — bedoeld zijn om na invoering van de BTW te voorkomen dat het vervoer dubbel wordt belast. Daaruit volgt dat dit voorschrift geen verbod inhoudt van belastingen welke naast — en niet in de plaats van — de BTW worden geheven, met dien verstande evenwel dat de nieuw ingevoerde belastingen naar hun aard geen omzetbelasting mogen zijn. De Commissie meent dat de litigieuze belasting aan deze voorwaarde voldoet. Immers, zowel de doelstelling dezer belasting (herstructurering op vervoergebied) als haar wijze van toepassing (grondslag is het aantal tonkilometers en niet de contraprestatie) en voorts ook het grote aantal uitzonderingen impliceren dat zij niet als „specifieke belasting” mag worden gekwalificeerd.

###### b) Opmerkingen van verzoekster

Voor de omschrijving van het begrip „specifieke belasting” in de zin van artikel 4, alinea 2, van 's Raads beschikking van 13 mei 1965 dienen volgens verzoekster de navolgende criteria te worden uitgesloten :

de vergelijkbaarheid — naar structuur en wijze van toepassing — van bedoelde belasting met het nieuwe BTW-stelsel, aangezien de oude specifieke vervoer belastingen, waarop artikel 4 kennelijk geen betrekking heeft, zich — althans in de Bondsrepubliek Duitsland — duidelijk van het nieuwe gemeenschappelijk stelsel onderscheiden;

de zienswijze dat alleen de bij invoering van de BTW afgeschafte belastingen „specifieke belastingen” zouden zijn, aangezien het verbod van artikel 4 dan gemakkelijk zou kunnen worden ontdoken;

de zienswijze dat alleen belastingen welke voor de vroegere omzetbelasting in de plaats treden, als „specifieke belastingen” zijn te beschouwen, omdat er in dat geval geen enkel bezwaar tegen zou bestaan dat de Lid-Staten nevens het nieuwe stelsel de vroegere belastingen wederom zouden invoeren. In haar aan de Bondsrepubliek Duitsland medegedeelde opvatting van 23 mei 1969 heeft de Commissie trouwens bevestigd dat het gemeenschappelijk stelsel voor de BTW geen aanvullende belastingen welke al dan niet rechtstreeks op de omzet worden geheven, gedoogt.

Daarentegen is volgens verzoekster het beslissend criterium of bedoelde belasting een zelfde werking heeft als de vroegere specifieke belastingen welke bij de invoering van de BTW zijn afgeschaft. Dit criterium volgt met name uit zin en strekking van artikel 4, alinea 2, van 's Raads beschikking van 13 mei 1965. Een van de voornaamste hinderpalen voor de verwezenlijking van de gemeenschappelijke markt op vervoersgebied bestond in ontwrichtingen van de mededelingen door de van land tot land verschillende vervoerbelastingsystemen — in bijna alle Lid-Staten was het vervoer onderworpen aan specifieke belastingen geheven in de plaats van omzetbelasting —. Aan de hand van de stukken betreffende de voorbereiding van 's Raads beschikking van 13 mei 1965 wordt betoogd dat men in artikel 4 dier beschikking al deze specifieke belastingen heeft willen afschaffen en vervangen door het gemeenschappelijk BTW-stelsel. Het verbod van artikel 4 is derhalve kennelijk in de eerste plaats bedoeld om herstel van de vroegere toestand te voorkomen; het heeft daarom betrekking op alle belastingen, ongeacht wijze van toepassing of structuur, welker werking voor de vervoerbedrijven met die van de vroegere belastingen is gelijk te stellen.

Met een beroep op het feit dat het de bedoeling zou zijn geweest het gemeenschappelijk BTW-stelsel toepassing te doen vinden op alle dienstverleningen welke van invloed kunnen zijn op de prijzen der in het intracommunautair verkeer verhandelde goederen, spreekt verzoekster als haar opvatting uit dat als „specifieke belasting” is te beschouwen iedere belasting welke tot stijging van de prijzen van vervoerprestaties leidt. Zij wijst er in dit verband op dat de belasting opgelegd bij de Duitse wet van 28 december 1968 ongeveer op dezelfde wijze op de vervoerprijzen inwerkt als de vroegere vervoerbelasting, welke bij de invoering van de BTW in de Bondsrepubliek Duitsland als „specifieke belasting” is afgeschaft.

Het voorgestelde criterium is trouwens in overeenstemming met een algemeen beginsel van het EEG-Verdrag, dat ter verwezenlijking van zijn doelstellingen niet volstaat met algemene begrippen (douanerechten, belastingen, enzovoort), doch ook betrekking heeft op maatregelen van gelijke werking en maatregelen welke zich slechts langs indirecte weg doen gevoelen.

Voorts brengt verzoekster in herinnering, dat de Commissie in een brief van 23 mei 1969 aan de Duitse Regering de litigieuze belasting onverenigbaar heeft geacht met het gemeenschappelijk stelsel van de BTW, „aangezien dit stelsel geen enkele aanvullende belasting in al dan niet rechtstreekse samenhang met de omzet gedoogt”.

Concluderende stelt verzoekster voor de derde vraag als volgt te beantwoorden :

Als „specifieke belastingen” zijn te beschouwen alle belastingen op het vervoer met een zelfde werking als een belasting op de omzet dan wel belastingen voor welke het gemeenschappelijk stelsel van de BTW in de plaats is gekomen en die al dan niet rechtstreeks op de omzet drukken. Evenwel doet niet ter zake of verrichte werkzaamheden dan wel uitwisseling van prestaties het belastingeriterium is en of de verrichting zelve dan wel de contraprestatie de grondslag oplevert.

###### c) Opmerkingen van de Duitse Regering

De Duitse Regering betoogt met name — in zoverre in overeenstemming met de Commissie — dat de bezwaren door de Commissie ingebracht tegen het ontwerp van de litigieuze belastingwet de opportuniteit uit een oogpunt van vervoerbeleid van bedoelde maatregelen en niet hun wettigheid betroffen.

### Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat het Finanzgericht te Baden-Württemberg (Freiburg) bij beschikking van 29 april 1970, ingekomen bij het Hof op 19 mei 1970, krachtens artikel 177 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap een aantal vragen heeft gesteld, strekkende tot het verkrijgen van uitlegging van artikel 4 van 's Raads beschikking van 13 mei 1965 met betrekking tot de harmonisatie van bepaalde voorschriften die van invloed zijn op de mededinging in het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (Publikatieblad, 1965, blz. 1500) en van artikel 1 van 's Raads eerste richtlijn van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting (Publikatieblad, 1967, blz. 1301);

dat het verzoek blijkens de beide eerste vragen en het door het Finanzgericht overgelegde dossier in wezen strekt tot het bekomen van een uitspraak omtrent de vraag of het verbod van specifieke belastingen als in artikel 4 vervat directe gevolgen teweeg brengt in de rechtsbetrekkingen tussen de Lid-Staten en particulieren en, zo ja, op welke datum dit verbod in werking is getreden;

dat derhalve eerst de tweede vraag dient te worden onderzocht;

#### Ten aanzien van de tweede vraag

2. Overwegende dat het Finanzgericht in de tweede vraag het Hof verzoekt uit te spreken of artikel 4, tweede alinea, der beschikking en artikel 1 van de richtlijn in de rechtsbetrekkingen tussen Lid-Staten en particulieren directe gevolgen teweeg brengen, zodat zij voor deze laatsten rechten doen ontstaan welke de nationale rechter heeft te handhaven;

3.

Overwegende dat de vraag de gezamenlijke werking betreft van voorschriften, vervat in een beschikking onderscheidenlijk in een richtlijn;

dat volgens artikel 189 van het EEG-Verdrag een beschikking in al haar onderdelen verbindend is voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk is gericht;

dat volgens dit zelfde artikel een richtlijn voor elke Lid-Staat waarvoor zij is bestemd verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat, met dien verstande dat aan de nationale instanties de bevoegdheid wordt gelaten vorm en middelen te kiezen;

4. Overwegende dat in de opmerkingen van partijen gewaagd is van de opvatting dat door artikel 189, waarin wordt onderscheiden tussen de werking van verordeningen enerzijds en die van beschikkingen en richtlijnen anderzijds, de mogelijkheid is uitgesloten dat beschikkingen en richtlijnen de in de vraag bedoelde werking hebben, aangezien zodanige werking aan verordeningen zou zijn voorbehouden;

5.

Overwegende evenwel, dat wanneer krachtens de voorschriften van artikel 189 verordeningen rechtstreeks toepasselijk zijn en mitsdien naar hun aard tot directe gevolgen kunnen leiden, zulks niet wil zeggen dat andere groepen handelingen als in dit artikel bedoeld nimmer analoge gevolgen teweeg kunnen brengen;

dat met name het voorschrift volgens hetwelk beschikkingen in al haar onderdelen verbindend zijn voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk zijn gericht, de vraag wettigt of de uit een beschikking voortvloeiende verplichting alleen door de instellingen van de Gemeenschap jegens deze adressaat kan worden ingeroepen dan wel eventueel ook door ieder bij haar nakoming belanghebbend persoon;

dat het met de dwingende werking, zoals die in artikel 189 aan de beschikking wordt toegekend, onverenigbaar ware indien men in beginsel zou uitsluiten dat een daarbij opgelegde verplichting kan worden ingeroepen door personen op wie zij betrekking heeft;

dat met name in gevallen waarin de gezagsorganen van de Gemeenschap een Lid-Staat of alle Lid-Staten bij beschikking hebben verplicht een bepaalde gedragslijn te volgen, het nuttig effect van zodanige handeling zou worden verzwakt wanneer de justitiabelen in deze Staat zich daarop in rechte niet zouden mogen beroepen en de nationale rechterlijke instanties daarop niet als element van het gemeenschapsrecht acht zouden mogen slaan;

dat de werking ener beschikking weliswaar niet-identiek kan zijn aan die van het voorschrift ener verordening, doch dit verschil niet wegneemt dat het uiteindelijk resultaat, te weten het aan de justitiabelen toekomende recht daarop in rechte een beroep te doen, hetzelfde kan zijn als dat waartoe een rechtstreeks toepasselijke bepaling ener verordening leidt;

6.

Overwegende voorts dat artikel 177, waarin aan de nationale rechterlijke instanties wordt toegestaan zich tot het Hof te wenden inzake de geldigheid en de uitlegging van alle handelingen der instellingen zonder onderscheid, impliceert dat die handelingen door justitiabelen bij genoemde rechterlijke instanties mogen worden ingeroepen;

dat derhalve in ieder afzonderlijk geval moet worden onderzocht, of aard, opzet en bewoordingen van het betrokken voorschrift medebrengen dat het in de rechtsbetrekkingen tussen de adressaat der handeling en derden tot directe gevolgen kan leiden;

7.

Overwegende dat 's Raads beschikking van 13 mei 1965, welke gericht is tot alle Lid-Staten, met name berust op artikel 75 van het Verdrag, waarin de Raad bevoegd wordt verklaard om met het oog op de invoering van een gemeenschappelijk vervoerbeleid „gemeenschappelijke regels” vast te stellen, alsook „voorwaarden waaronder vervoerondernemers worden toegelaten” en „alle overige dienstige bepalingen”;

dat de Raad derhalve ten aanzien van de keus der te nemen maatregelen over de grootst mogelijke vrijheid beschikt;

dat de litigieuze beschikking in haar geheel doelstellingen vastlegt, welke in het raam van een op harmonisatie van nationale voorschriften gericht beleid moeten worden nagestreefd, en voorts het ritme bepaalt met inachtneming waarvan die doelstellingen moeten worden verwezenlijkt;

dat artikel 4, alinea 1, van de beschikking met het oog op deze doelstellingen voorziet dat wanneer door de Raad een gemeenschappelijk stelsel voor de omzetbelasting is vastgesteld en dit stelsel in de Lid-Staten in werking is getreden, laatstgenoemden dit op nader te bepalen wijze zullen toepassen op het goederenvervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren;

dat in de tweede alinea van dit artikel wordt bepaald dat dit gemeenschappelijk stelsel voor de omzetbelasting uiterlijk bij zijn inwerkingtreding zal dienen ter vervanging van de regelingen inzake de specifieke belastingen die in de plaats van omzetbelasting worden geheven, voor zover het goederenvervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren aan die regelingen is onderworpen;

8.

Overwegende dat in dit voorschrift derhalve aan de Lid-Staten twee verplichtingen worden opgelegd, ten eerste de verplichting om uiterlijk op een bepaalde datum het gemeenschappelijk stelsel voor de omzetbelasting toe te passen op het goederenvervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren en ten tweede de verplichting om dit stelsel uiterlijk bij zijn inwerkingtreding de plaats te doen innemen van de in de tweede alinea bedoelde regelingen inzake de specifieke belastingen;

dat deze tweede verplichting kennelijk impliceert dat het verboden is zulke regelingen in te voeren of opnieuw in te voeren — zulks ten einde voor wat het vervoer betreft cumulatie van het gemeenschappelijk stelsel voor de omzetbelasting met andere dergelijke, aanvullende, belastingregelingen te vermijden —;

9.

Overwegende dat uit het door het Finanzgericht toegezonden dossier blijkt, dat het verzoek van deze instantie met name op de tweede verplichting betrekking heeft;

dat deze verplichting essentieel van dwingende en algemene aard is, ook al laat het voorschrift onzekerheid bestaan omtrent het tijdstip waarop het van kracht wordt;

dat het dan ook uitdrukkelijk aan de Lid-Staten cumulatie van het gemeenschappelijk stelsel voor de omzetbelasting met regelingen inzake specifieke belastingen die in de plaats van omzetbelasting worden geheven, verbiedt;

dat deze verplichting onvoorwaardelijk is en voldoende duidelijk en bepaald om in de rechtsbetrekkingen tussen de Lid-Staten en hun justitiabelen directe gevolgen teweeg te brengen;

10.

Overwegende dat het tijdstip met ingang waarvan deze verplichting van kracht wordt is vastgesteld in 's Raads richtlijnen betreffende de harmonisatie van de wetgevingen inzake omzetbelasting, waarin is bepaald op welke datum de Lid-Staten het gemeenschappelijk stelsel voor de belasting over de toegevoegde waarde uiterlijk in hun wettelijke regelingen moesten invoeren;

dat het feit dat deze datum in een richtlijn is vastgelegd aan de volledige werking van dit voorschrift geenszins afbreuk doet;

dat derhalve de verplichting, omschreven in artikel 4, tweede alinea, van de beschikking van 13 mei 1965 ingevolge de eerste richtlijn perfect is geworden;

dat mitsdien in deze bepaling aan de Lid-Staten verplichtingen worden opgelegd — met name de verplichting om vanaf een bepaalde datum zich te onthouden van cumulatie van het gemeenschappelijk stelsel met bedoelde specifieke belastingregelingen — welke in de rechtsbetrekkingen tussen de Lid-Staten en hun justitiabelen directe gevolgen kunnen doen ontstaan en medebrengen dat deze laatsten daarop in rechte een beroep mogen doen;

#### Ten aanzien van de eerste vraag

11. Overwegende dat het Finanzgericht het Hof met de eerste vraag verzoekt uit te spreken of artikel 4 van de beschikking juncto artikel 1 van de richtlijn reeds vóór 1 januari 1970 aan iedere Lid-Staat die het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde reeds in werking heeft doen treden en de specifieke belastingen voor het goederenverkeer heeft afgeschaft, verbieden specifieke belastingen op het goederenvervoer welke in de plaats van omzetbelasting worden geheven, wederom in te voeren;

12. dat deze vraag kennelijk betrekking heeft op de voorschriften van artikel 1 van de eerste richtlijn, zoals gewijzigd in 's Raads derde richtlijn van 9 december 1969 welke hetzelfde onderwerp betreft (Publikatieblad nr. L 320, blz. 34) en waarin de datum 1 januari 1970 is vervangen door 1 januari 1972;

13. Overwegende dat weliswaar een letterlijke uitlegging van artikel 4, tweede alinea, der beschikking tot de opvatting zou kunnen leiden dat dit voorschrift het tijdstip betreft waarop de betrokken Lid-Staat het gemeenschappelijk stelsel op zijn eigen grondgebied zou hebben ingevoerd;

14.

Overwegende dat zodanige uitlegging echter niet met het doel van de desbetreffende richtlijnen in overeenstemming ware;

dat deze richtlijnen immers beogen te verzekeren dat vanaf een bepaalde datum het stelsel van belasting over de toegevoegde waarde alom binnen de gemeenschappelijke markt wordt toegepast;

dat de Lid-Staten, zolang zulks nog niet het geval is, te dien aanzien hun vrijheid behouden;

15. Overwegende anderzijds dat de doelstelling van de beschikking van 13 mei 1965 slechts op communautaire schaal kan worden verwezenlijkt en dat zodanige verwezenlijking niet uitsluitend kan bestaan in harmonisatiemaatregelen waartoe door de Lid-Staten individueel op verschillende tijdstippen en met een verschillend ritme wordt overgegaan;

16. dat derhalve termen aanwezig zijn de vraag in die zin te beantwoorden dat het verbod vervat in artikel 4, tweede alinea, der beschikking eerst vanaf 1 januari 1972 kan werken;

#### Ten aanzien van de derde vraag

17. Overwegende dat het Finanzgericht in de derde vraag aan het Hof verzoekt uit te spreken of de Strassengüterverkehrsteuer, waarvan de grondslag niet is de prijs voor een bewezen dienst, doch het produkt der factoren welke te zamen die dienst vormen (gewicht der vervoerde waren x afgelegde afstand — aantal tonkilometers —) moet worden beschouwd als specifieke belasting in de zin van artikel 4, tweede alinea, van de beschikking van 13 mei 1965;

18.

Overwegende dat het in het raam van deze procedure niet aan het Hof staat om uit een oogpunt van communautair recht een oordeel uit te spreken over de kenmerken van een door een der Lid-Staten ingevoerde belasting;

dat het echter bevoegd is tot uitlegging van het litigieuze voorschrift van gemeenschapsrecht, ten einde de nationale rechterlijke instanties in staat te stellen het naar behoren op de omstreden belasting toe te passen;

19.

Overwegende dat in artikel 4 ter verzekering van een gemeenschappelijk en samenhangend omzetbelastingstelsel de afschaffing van „specifieke belastingen” is voorzien;

dat deze bepaling, door aldus de doorzichtigheid van de vervoermarkt te bevorderen, de mededingingsvoorwaarden nader tot elkander brengt en moet worden beschouwd als een belangrijke maatregel op het stuk van de harmonisatie van de belastingwetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer;

dat deze doelstelling niet medebrengt dat op het vervoer geen andere belastingen — van andere aard en met een ander doel dan met het gemeenschappelijk stelsel voor de omzetbelasting beoogd — mogen worden geheven;

20.

Overwegende dat een belasting welke, zoals die door het Finanzgericht omschreven, niet de handelstransacties doch verrichtingen van bijzondere aard treft — zonder evenwel te onderscheiden tussen activiteiten welke voor eigen rekening en voor rekening van derden worden verricht — en welker grondslag niet bestaat in de voor een prestatie betaalde vergoeding, doch in de fysieke last, uitgedrukt in tonkilometers, welke door bedoelde activiteit op de wegen wordt gelegd, niet aan het gebruikelijke type omzetbelasting beantwoordt;

dat voorts de omstandigheid dat zij een herstructurering van de activiteiten in de vervoersector ten doel heeft er al evenzeer toe leidt haar te onderscheiden van de in artikel 4, tweede alinea, bedoelde specifieke belastingen;

dat de vraag derhalve in deze zin dient te worden beantwoord;

#### Ten aanzien van de kosten

21.

Overwegende dat ten aanzien van de kosten, gemaakt door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie van de Europese Gemeenschappen die hun opmerkingen aan het Hof hebben voorgelegd, geen last tot terugbetaling kan worden gegeven;

dat de procedure ten aanzien van partijen als een incident in het geding voor het Finanzgericht te Baden-Württemberg (Freiburg) moet worden beschouwd, zodat deze laatste rechterlijke instantie over de kosten zal hebben te beslissen:

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende op de vragen door het Finanzgericht te Baden-Württemberg (Freiburg) bij beschikking van 29 april 1970 gesteld, verklaart voor recht :

1\. door aan de Lid-Staten de verplichting op te leggen zich te onthouden van cumulatie van het gemeenschappelijk stelsel voor de omzetbelasting met regelingen inzake specifieke belastingen die in de plaats van omzetbelasting worden geheven, kan artikel 4, tweede alinea, van 's Raads beschikking van 13 mei 1965 juncto het bepaalde in 's Raads richtlijnen van 11 april 1967 en 9 december 1969 in de rechtsbetrekkingen tussen de Lid-Staten tot welke de beschikking is gericht en hun justitiabelen directe gevolgen doen ontstaan en medebrengen dat deze laatsten daarop in rechte een beroep mogen doen.

2\. het verbod van cumulatie van genoemd gemeenschappelijk stelsel met de regelingen inzake specifieke belastingen geldt vanaf de datum, genoemd in 's Raads derde richtlijn van 9 december 1969, te weten vanaf 1 januari 1972.

3\. een belasting als door het Finanzgericht omschreven, welke niet op handelstransacties doch uitsluitend wegens vervoer over de weg wordt geheven en welker grondslag niet bestaat in de voor een prestatie betaalde vergoeding, doch in de fysieke last, uitgedrukt in tonkilometers, welke door de aan de heffing onderworpen activiteit op de wegen wordt gelegd, beantwoordt niet aan het gebruikelijke type omzetbelasting, als bedoeld in artikel 4, tweede alinea, van de beschikking van 13 mei 1965.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

11

Eerste richtlijn 67/227 art. 1 5 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 37 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 189 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 191 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 5 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 74 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 75 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 86 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 92 1 voorkomen

Derde richtlijn 69/463 art. 1 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Hof van Justitie 252/86 03.03.1988

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 33, EEG-Verdrag art. 95](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-252-86-arrest)
