---
title: "HvJ EU, 2/78, arrest van 16 mei 1979 · EEG-Verdrag art. 30 en art. 36"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 mei 1979, 2/78: EEG-Verdrag art. 30 en art. 36."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-2-78-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-2-78-arret"
---

# Arrest van het Hof van 16 mei 1979, 2/78 · EEG-Verdrag art. 30 en art. 36

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

2/78

**ECLI**

ECLI:EU:C:1979:128

**Datum**

16 mei 1979

## De zaak

**Procedure**

Beroep wegens niet-nakoming ongegrond

**Zaak ingediend op**

3 januari 1978

**Advocaat-generaal**

Reischl

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Frans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1979, blz. 1761

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Mackenzie Stuart

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Vrij verkeer van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02%2C578-4.02) [Kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.02) [Maatregelen van gelijke werking](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.02.02) [Voorschriften met betrekking tot de vervaardiging, benaming en verhandeling van producten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.02.02.05) 21 beslissingen

## Tekst

163 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten en de schriftelijk voorgedragen argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het procesverloop

In artikel 1 van koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934 wordt onder meer de invoer en verkoop strafbaar gesteld van brandewijnen die een door de Belgische regering behoorlijk aangenomen benaming van oorsprong dragen, wanneer daarbij geen officieel stuk is gevoegd waaruit het recht tot het voeren van die benaming blijkt.

Verzocht om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 177 EEG-Verdrag door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 11 juli 1974 (zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837) voor recht verklaard :

„Wanneer een Lid-Staat een certificaat van echtheid verlangt dat door importeurs van het originele produkt dat in een andere Lid-Staat langs reguliere weg in het vrije verkeer gebracht is, minder gemakkelijk kan worden verkregen dan door importeurs die het rechtstreeks uit het land van oorsprong betrekken, is er sprake van een met het Verdrag onverenigbare maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking”.

Bij brief van 20 maart 1974 hadden de diensten van de Commissie reeds aan de Belgische regering en aan de verschillende klagers meegedeeld, dat bedoelde regeling de invoer van de betrokken produkten uit andere dan de producerende Lid-Staat onmogelijk kon maken en dat het gewettigde doel van de Belgische autoriteiten — namelijk de bescherming van de benaming van oorsprong van die produkten krachtens artikel 36 — even effectief kon worden bereikt door andere middelen, die de invoer niet beletten.

Bij brief van 7 november 1974 verklaarde de Belgische regering zich bereid om, rekening houdend met voornoemd arrest, haar wetgeving aan te passen. Daar zij evenwel van mening was dat het bereiken van dat doel bepaalde moeilijkheden zou opleveren, gezien de noodzaak de benaming van oorsprong „Scotch Whisky” (het produkt waarom het in de zaak-Dassonville ging) te blijven beschermen, wilde zij hierover een onderhoud tussen vertegenwoordigers van de Commissie en van de betrokken Belgische departementen.

Na talrijke gesprekken tussen de betrokken diensten van de Belgische administratie en van de Commissie zond deze laatste op 16 oktober 1975 aan de Belgische autoriteiten een brief waarin zij hun een termijn van vijftien dagen verleende om te reageren op bepaalde mogelijke oplossingen, door de diensten van de Commissie voorgesteld tijdens een vergadering met de vertegenwoordigers van de Belgische departementen op 10 november 1974.

Doch eerst bij brief van 5 maart 1976 van de Permanente Vertegenwoordiger van België aan de Voorzitter van de Commissie, werd deze erover ingelicht dat de Belgische regering het vaste voornemen had, het controlestelsel voor de benamingen van oorsprong zo spoedig mogelijk in de gewenste zin te wijzigen. Luidens deze brief was de voorgenomen oplossing, die in overeenstemming zou zijn met het arrest-Dassonville, de volgende:

„Indien het produkt rechtstreeks wordt ingevoerd uit het producerende land, zou het moeten vergezeld gaan van een certificaat waaruit het recht op de benaming van oorsprong blijkt. Dit vereiste zou echter wegvallen voor in het land van oorsprong bestaande merkprodukten, wanneer de recipiënt is uitgerust met een onverbreekbaar verzegelde sluiting en het etiket bepaalde nuttige vermeldingen bevat.

Indien het produkt wordt ingevoerd uit een andere Lid-Staat van de EEG, zou het in elk geval moeten vergezeld gaan van een officieel stuk waaruit het recht tot het voeren van die benaming van oorsprong blijkt. Dit stuk zou kunnen worden afgeleverd hetzij door de autoriteiten van de Lid-Staat van oorsprong, hetzij door die van de Lid-Staat van herkomst (bij voorbeeld een voor eensluidend verklaarde copie of fotocopie van het door het producerende land afgegeven certificaat van oorsprong)”.

Daar de Commissie van mening was dat de voorgenomen aanpassingen aan de bestaande inbreuk niets wezenlijks zouden veranderen, maande zij de Belgische regering bij brief van 14 oktober 1976 krachtens artikel 169, eerste alinea, van het Verdrag. Toen de Belgische regering geen enkel gevolg aan de maanbrief gaf, bracht de Commissie op 8 december 1976 overeenkomstig artikel 169, tweede alinea, een met redenen omkleed advies uit en spoorde de betrokken regering aan, dit advies op te volgen.

Bij brief van 8 december 1976 vroeg de Belgische regering de Commissie, onder verwijzing naar de maanbrief, haar standpunt opnieuw in overweging te nemen, mede gelet op de aanstaande publikatie van een ministerieel besluit van 2 december 1976 (inderdaad op 11 februari 1977 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd). Zij voegde eraan toe dat de afschaffing van de bepalingen van besluitwet nr. 57 van 20 december 1934 inzake de in het arrest-Dassonville bedoelde brandewijnen, zou volgen na aanneming van een wetsontwerp, waarvan de bespreking in het parlement was beëindigd. Deze afschaffing heeft echter nooit plaatsgehad.

Krachtens bovenbedoeld ministerieel besluit werden twee regelingen vastgesteld, naargelang de betrokken produkten al dan niet rechtstreeks uit het land van oorsprong werden ingevoerd. Dit volgt uit artikel 1, dat bepaalt:

„Wordt geacht op het ogenblik van de inklaring vergezeld te zijn van het officiële stuk voorgeschreven bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934 aangaande brandewijn:

1\. brandewijn die een oorsprongsbenaming draagt en rechtstreeks ingevoerd wordt uit het land van herkomst in voor de verkoop aan verbruiker bestemde recipiënten, mits: de sluiting van de recipiënt, na ontkurking, volstrekt onbruikbaar is en de naam of het gedeponeerd merk van de fabrikant erop is vermeld; de recipiënt een etiket draagt waarop in duidelijk leesbare letters volgende aanduidingen zijn aangebracht: „gebotteld in het land van herkomst”; de naam of het gedeponeerd merk en het adres van de fabrikant;

2\. brandewijn die een oorsprongsbenaming draagt, niet onder toepassing valt van 1. hierboven en ingevoerd is uit een Lid-Staat van de EEG, mits hij vergezeld is van een van de volgende officiële stukken: het op het produkt betrekking hebbende document waaruit het recht op een oorsprongsbenaming blijkt en dat afgeleverd is door de autoriteiten van het land van oorsprong; de door de autoriteiten van het land van herkomst voor eensluidend verklaarde copie of fotocopie van het onder a) bedoelde document, op voorwaarde dat die autoriteiten op de copie of de fotocopie van het oorspronkelijke document de kwantiteit vermelden van de naar België uitgevoerde brandewijn, indien ze afwijkt van die welke op het oorspronkelijke document is vermeld; een op het produkt betrekking hebbend document waaruit het recht op een oorsprongsbenaming blijkt en dat afgeleverd is door de autoriteiten van het land van herkomst”.

Daar de Commissie van oordeel was dat het ministerieel besluit slechts de aanpassingen bevatte die de Belgische regering zich aanvankelijk had voorgenomen en had vermeld in haar brief van 5 maart 1976, stelde zij op 28 december 1977 beroep in tegen het Koninkrijk België wegens niet-nakoming van zijn uit artikel 30 EEG-Verdrag voortvloeiende verplichtingen.

Het beroep is op 3 januari 1978 ter griffie van het Hof ingeschreven.

Het Belgisch ministerieel besluit van 2 december 1976 is afgeschaft bij ministerieel besluit van 27 februari 1978 (Belgisch Staatsblad, 15 april 1978).

Bij beschikkingen van respectievelijk 10 mei en 17 augustus 1978 heeft het Hof de interventie toegelaten van de Franse regering en van de regering van het Verenigd Koninkrijk ter ondersteuning van de conclusies van het Koninkrijk België.

Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Conclusies van partijen

In haar inleidend verzoekschrift concludeert de Commissie dat het den Hove behage:

a) te verklaren dat het Koninkrijk België, door de invoer van brandewijnen die een benaming van oorsprong dragen en zich in een andere Lid-Staat dan het land van oorsprong regelmatig in het vrije verkeer bevinden, afhankelijk te maken van voorwaarden waaraan moeilijker is te voldoen dan aan die welke artikel 1 van het ministerieel besluit van 2 december 1976 aan dezelfde produkten oplegt bij rechtstreekse invoer uit het land van oorsprong, zijn uit artikel 30 EEG-Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen;

b) het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.

In zijn verweerschrift concludeert het Koninkrijk België dat het den Hove behage:

het verzoek van de Commissie ongegrond te verklaren;

de Commissie in de kosten te verwijzen.

In haar repliek en in haar schriftelijke opmerkingen over de memories van de Franse regering en van de regering van het Verenigd Koninkrijk handhaaft de Commissie volledig de conclusies van haar verzoekschrift.

In zijn dupliek concludeert het Koninkrijk België dat het den Hove behage:

het verzoek van de Commissie niet-ontvankelijk, en in elk geval ongegrond te verklaren;

de Commissie in de kosten te verwijzen.

In hun schriftelijke opmerkingen over de zaak sluiten de Franse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk, interveniënten, zich aan bij het door het Koninkrijk België verdedigde standpunt.

#### III — Middelen en argumenten van partijen

De Commissie merkt op dat ingevolge artikel 1 van koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934 de invoer van brandewijn in België afhankelijk is gesteld van de overlegging van een door het land van oorsprong afgegeven certificaat van echtheid, wanneer de benamingen van oorsprong van die produkten door de Belgische Staat worden erkend.

Terwijl het certificaat van echtheid bij rechtstreekse invoer van die produkten uit het land van oorsprong zonder moeite kan worden verkregen door handelaars die in België werkzaam zijn, is dit daarentegen veel moeilijker, ja zelfs onmogelijk voor de handelaars die dezelfde produkten die zich in de andere Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden, in België willen invoeren. Die moeilijkheid is duidelijk wanneer die produkten zich in het vrije verkeer bevinden in een Lid-Staat die hun benaming van oorsprong niet erkent, aangezien in een dergelijk geval bij de rechtstreekse invoer uit het producerende land geen certificaat van echtheid wordt verlangd. Maar deze moeilijkheid blijft evengoed bestaan wanneer die Lid-Staat, zoals België, bij invoer een certificaat van echtheid vereist. Een dergelijk certificaat behoort in de regel niet bij elke recipiënt afzonderlijk, maar bij een gehele partij, die van dat ogenblik af niet meer kan worden gesplitst met het oog op een eventuele gedeeltelijke wederuitvoer.

Daarom heeft het Hof van Justitie in de zaak-Dassonville het standpunt van de Commissie bevestigd en voor recht verklaard, dat wanneer een Lid-Staat een certificaat van echtheid verlangt dat door importeurs van het originele produkt dat in een andere Lid-Staat langs reguliere weg in het verkeer is gebracht, minder gemakkelijk kan worden verkregen dan door importeurs die hetzelfde produkt rechtstreeks uit het land van oorsprong betrekken, er sprake is van een met artikel 30 van het Verdrag strijdige maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking.

Het ministerieel besluit van 2 december 1976 beperkte zich ertoe, de oorspronkelijke regeling aan te passen in de zin die de Belgische autoriteiten in hun brief van 5 maart 1976 hadden aangegeven; deze aanpassing is door de Commissie in haar maanbrief van 14 oktober 1976 reeds aangemerkt als onvoldoende om de gewraakte regeling met de bepalingen van artikel 30 in overeenstemming te brengen. Immers, terwijl de rechtstreeks ingevoerde produkten voortaan niet meer behoeven vergezeld te gaan van het certificaat van echtheid zo zij voldoen aan de overigens door de Commissie voorgestelde vereisten (recipiënten met een zogenaamde „verzegelde” sluiting, bepaalde vermeldingen op die sluiting en op een etiket), moeten de produkten in het vrije verkeer in de Lid-Staten die niet het land van oorsprong zijn, nog steeds vergezeld gaan van een officieel stuk waaruit het recht op de benaming van oorsprong blijkt, ook al kan dit thans door de Lid-Staat van herkomst worden afgegeven en is afgifte door het land van oorsprong niet meer vereist. Een dergelijk document echter kan, zoals voornoemde rechtspraak het formuleert, „minder gemakkelijk worden verkregen door importeurs van het originele produkt dat in een andere Lid-Staat langs reguliere weg in het vrije verkeer gebracht is dan door importeurs die het rechtstreeks uit het land van oorsprong betrekken”. De verschillende behandeling van beide categorieën handelaars blijft dus bestaan ten nadele van de „onrechtstreekse” importeurs, wier situatie, anders dan die van de rechtstreeks uit het land van oorsprong importerende handelaars, niet aanmerkelijk is verbeterd.

In antwoord op het door de Belgische regering in haar brief van 5 maart 1976 aangevoerde argument, dat die verschillende behandeling verantwoord is omdat er geen andere middelen voorhanden zijn om mogelijke fraude te bestrijden, releveert de Commissie dat dit argument een ander probleem opwerpt, namelijk dat van een eventuele rechtvaardiging van dat verschil uit hoofde van een der redenen bedoeld in artikel 36 van het Verdrag.

Uitgaande van 's Hofs redenering in het arrest-Dassonville (zie met name r.o.7), doet de Commissie gelden dat de bij het ministerieel besluit van 2 december 1976 ingevoerde regeling, evenals de oorspronkelijke, „een middel tot willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten” vormt in de zin van artikel 36, tweede zin, en dat het bijgevolg onnodig is te onderzoeken of die regeling al dan niet onder dit artikel valt.

De Commissie onderzoekt evenwel of er voor deze regeling wellicht een rechtvaardiging bestaat in de zin van artikel 36. Zij stelt dat dit artikel slechts kan worden ingeroepen zo de betrokken bepalingen gerechtvaardigd zijn uit hoofde van het beoogde doel, in casu de bescherming van de benamingen van oorsprong, waarmee specifiek wordt beoogd, de koper te waarborgen dat wat hij wil kopen, wel degelijk het produkt is waarvoor de benaming van oorsprong geldt. Deze waarborg nu wordt in alle Lid-Staten ruimschoots verzekerd door het bestaan van nationale regelingen op het gebied van de oneerlijke concurrentie, namaak of meer in het algemeen fraude inzake produkten.

De regeling die wordt toegepast wanneer de betrokken produkten in andere Lid-Staten dan het land van oorsprong langs reguliere weg in het vrije verkeer zijn gebracht, en die meer beperkend is dan die welke geldt voor dezelfde, rechtstreeks uit dit land ingevoerde produkten, is des te minder gerechtvaardigd omdat het dezelfde produkten zijn die alle de benaming van oorsprong dragen en die door het producerende land worden uitgevoerd naar de verschillende Lid-Staten, ongeacht of deze de benaming van oorsprong van die produkten erkennen of niet. Bijgevolg moeten de in artikel 1, lid 1, van voornoemd ministerieel besluit gestelde voorwaarden ook volstaan om die benaming van oorsprong te garanderen in geval van wederuitvoer van bedoelde produkten naar België.

Gelet op de voorgaande opmerkingen, is de Commissie van mening dat artikel 1 van het gewraakte ministerieel besluit zodanig moet worden aangepast, dat een eenvormige regeling ontstaat bij de invoer in België van de betrokken produkten uit de andere Lid-Staten, ongeacht of deze produkten rechtstreeks uit het land van oorsprong zijn ingevoerd of niet. Die regeling dient als alternatieve voorwaarden, behalve die van artikel 1, lid 2, sub a, b en c, ook die van artikel 1, lid 1 van voornoemd besluit in te houden.

Volgens de Commissie is een dergelijke regeling ten eerste verenigbaar met artikel 36, tweede zin. Bovendien beperkt zij zeker minder dan de gewraakte regeling de handel in de betrokken produkten die zich in een andere Lid-Staat dan het land van oorsprong in het vrije verkeer bevinden, terwijl zij toch voldoende effectief is om het beoogde doel te bereiken, zonder verder te gaan dan nodig is; zij is derhalve gerechtvaardigd in de zin van de eerste zin van dat artikel.

In zijn verweerschrift deelt het Koninkrijk België vooreerst mee dat het ministerieel besluit van 2 december 1976 is ingetrokken bij ministerieel besluit van 27 februari 1978. Door de afschaffing van het ministerieel besluit van 2 december 1976 heeft de Belgische regering de discriminatie opgeheven tussen land van herkomst en land van oorsprong, die de Commissie in haar verzoekschrift onverenigbaar had geacht met artikel 30 van het Verdrag. Ingevolge deze intrekking is de thans geldende basisregeling het koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934.

De administratieve procedure is sinds 1974 versoepeld. In de circulaire aan de douane van 8 februari 1974 — houdende wijziging van de circulaire van 9 april 1971 zoals deze is aangevuld bij die van 18 augustus 1972 — is uitdrukkelijk bepaald dat de douane zich niet meer moet inlaten met de naam van de geadresseerde van het op het certificaat van oorsprong vermelde goed. Voorts heeft de douane instructie gekregen de invoer niet tegen te houden wanneer bij het aanbrengen van het goed het certificaat niet wordt overgelegd; in dit geval wordt de importeur verzocht de situatie binnen twintig dagen te regulariseren.

Door de afschaffing van het ministerieel besluit van 2 december 1976 is de Belgische regeling in overeenstemming gebracht met die van de Lid-Staten van de Gemeenschap die op hun grondgebied de benamingen van oorsprong van brandewijnen beschermen. Wat Scotch Whisky betreft, is het Belgische controlestelsel geheel gelijk aan het Franse.

Het Koninkrijk België betoogt dat het in casu niet gaat om een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag. Het betrokken produkt kan immers in België worden ingevoerd zonder officieel stuk: de invoer kan gebeuren onder de eenvoudige benaming „whisky”. Het vereiste certificaat van echtheid is dus geen voorwaarde voor de invoer van het produkt als zodanig, maar enkel voor zijn betiteling, en dat op een niet discriminerende wijze, aangezien het certificaat vereist is voor alle produkten ongeacht hun herkomst.

Zo men het vereiste van een certificaat van echtheid op één lijn zou willen stellen met een maatregel van gelijke werking als een beperking, quod non, dan is dat vereiste geheel in overeenstemming met de uitzondering van artikel 36 van het Verdrag, in casu de bescherming van de industriële en commerciële eigendom.

In België wordt aan de benamingen van oorsprong zo veel waarde gehecht, juist omdat zij berusten op analyses van de kenmerken van een produkt, die slechts in het produktiestadium kunnen worden beoordeeld. In latere stadia, te weten distributie en verkoop, zijn de regelingen voor het opsporen van fraudes aanmerkelijk minder efficiënt dan de controle in het produktiestadium. De benaming van oorsprong beantwoordt niet enkel aan het streven naar de bescherming van de industriële en commerciële eigendom, maar heeft uit het oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid een veel ruimere doelstelling: zij vormt immers een morele waarborg vanwege de overheid voor de kwaliteit van het produkt. Het certificaat van echtheid waarborgt de benaming van oorsprong.

Wanneer de Commissie uitdrukkelijk het systeem van de verzegelde sluitingen vermeldt als waarborg voor de consument, schijnt zij de moeilijke kwestie te negeren van het bottelen in de niet-producerende Lid-Staten van de EEG, die de betrokken benaming niet beschermen. Bij het bottelen is in dit opzicht elke fraude mogelijk en het aanbrengen van een verzegelde sluiting biedt geen enkele waarborg voor de echtheid van het gebottelde produkt, evenmin trouwens als de bijzondere etiketteringsvoorschriften.

De moeilijkheden waarop bepaalde importeurs zouden kunnen stuiten (bij voorbeeld het geval dat bij de gesplitste partijen geen certificaten van echtheid aanwezig zijn), vloeien voort uit een situatie die willekeurig noch discriminerend is; het staat aan de importeur om te vermijden dat hij in een dergelijke situatie verzeilt. Aan de andere kant kan ook het gebrek aan overeenstemming tussen de nationale regelingen inzake certificaten van echtheid problemen opleveren: de Belgische regering is bereid mee te werken tot het bereiken van een bevredigende oplossing.

In haar memorie van dupliek herinnert de Commissie eraan dat de vastgestelde inbreuk op artikel 30 van het Verdrag geenszins voortvloeit uit de bepalingen van het afgeschafte ministerieel besluit; dit was eerst in de loop van de precontentieuze procedure ingevoerd en had niets veranderd aan de omstandigheid dat de — thans weer geldende — oorspronkelijke regeling van koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934 inbreuk maakte op het gemeenschapsrecht. Maar het was juist deze oorspronkelijke regeling die van toepassing was toen het Hof zich moest uitspreken in de zaak-Dassonville, waarin de onderhavige procedure wegens niet-nakoming zijn oorsprong heeft.

De Belgische regering rept met geen woord over 's Hofs voornoemd arrest, hoewel zij zich in haar brief van 5 maart 1976 aan de Commissie bereid had verklaard zich daaraan te houden, en het in haar verweerschrift vertolkte standpunt erop neerkomt dat zij niet enkel 's Hofs juridische kwalificatie van bedoelde regeling als maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking betwist, maar ook de toen door het Hof vastgestelde niet-toepasselijkheid van artikel 36 EEG-Verdrag.

Wat het door de Belgische regering vanuit het gezichtspunt van artikel 30 gehouden betoog betreft, stelt de Commissie dat sinds lang vaststaat dat men niet enkel te doen heeft met een maatregel van gelijke werking wanneer de maatregel de invoer onmogelijk kan maken maar ook wanneer hij hem kan bemoeilijken of duurder maken. Dit is in casu zeker het geval, daar het produkt immers wegens zijn Schotse oorsprong een hogere handelswaarde heeft dan whisky waarvan de oorsprong niet nauwkeurig wordt aangegeven en die zonder officieel stuk kan worden ingevoerd.

Bovendien vormt het begrip discriminatie geenszins het beslissende criterium bij de beoordeling van een maatregel in de zin van artikel 30. Een maatregel die niet discrimineert ten opzichte van de nationale produktie omdat er bij voorbeeld geen nationale produktie bestaat, ontsnapt toch niet aan het verbod van artikel 30. In casu heeft de kwalificatie door het Hof als maatregel van gelijke werking betrekking op het vereiste van een certificaat van echtheid dat door bepaalde importeurs minder gemakkelijk kan worden verkregen. Zulks wordt in casu door de Belgische regering zelfs niet betwist.

De Commissie sluit een eventuele rechtvaardiging van de gewraakte reglementering krachtens artikel 36, eerste zin, uit en legt er de nadruk op dat het systeem van de zogenaamde „verzegelde” sluitingen — een maatregel die de handel minder belemmert dat het vereiste van een certificaat van echtheid —, de consument stellig evenveel waarborgen biedt als het certificaat. Het opstellen van een vals certificaat van echtheid is niet moeilijker dan het vervaardigen en aanbrengen van nieuwe verzegelde sluitingen. Het argument dat een dergelijke sluiting geen enkele waarborg biedt wanneer het produkt in de niet-producerende Lid-Staten van de EEG wordt gebotteld, is niet relevant, want de Commissie is steeds uitgegaan van de hypothese dat de sluiting in het land van oorsprong wordt aangebracht.

Overigens blijft de Belgische regering de aan de consument te bieden waarborg inzake de oorsprong van het produkt verwarren met de bescherming van de volksgezondheid. In casu gaat het echter volstrekt niet om dit laatste aspect, tenzij men zou kunnen aantonen dat in Schotland geproduceerde whisky minder schadelijk is voor de gezondheid dan die welke elders wordt vervaardigd.

Volgens de Commissie heeft het Hof in het arrest-Dassonville beslist dat toetsing van de betrokken maatregelen aan artikel 36, eerste zin, zelfs niet nodig was, daar toepassing van dit artikel al op grond van de tweede volzin uitgesloten was (r.o. 7).

Het Hof was dus duidelijk de opvatting toegedaan dat er sprake is van willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten in de zin van artikel 36, tweede zin, „wanneer een Lid-Staat een certificaat van echtheid verlangt dat door importeurs van het originele produkt dat in een andere Lid-Staat langs reguliere weg in het vrije verkeer gebracht is, minder gemakkelijk kan worden verkregen dan door importeurs die het rechtstreeks uit het land van oorsprong betrekken.”

De Commissie merkt daarnaast op, dat geen certificaat van echtheid is vereist indien de betrokken produkten worden ingevoerd uit Nederland of Luxemburg en zij zich daar in het vrije verkeer bevinden, hoewel deze twee Lid-Staten geen van beide de benaming „Scotch Whisky” hebben erkend. Ook dit vormt een willekeurige discriminatie, die op zichzelf volstaat om een beroep op artikel 36 uit te sluiten.

De Commissie benadrukt ten slotte dat de bescherming van de consument, die de Belgische regering terecht wenst te verzekeren, niet enkel de waarborg omvat dat het betrokken produkt een benaming van oorsprong draagt, maar ook andere aspecten, met name (door het Hof vermeld in voornoemd arrest) een voor de consument zo laag mogelijke prijs van het produkt. Het vereiste van een certificaat van echtheid, dat enkel door de importeurs die de produkten rechtstreeks uit het land van oorsprong betrekken, gemakkelijk kan worden verkregen, leidt er integendeel toe, dat de betrokken produkten, door de beperking van de concurrentie, voor de consument duurder worden.

Uiteindelijk is het probleem dus niet, of de aan de consument geboden waarborg dat het betrokken produkt inderdaad het produkt is dat recht heeft op de benaming van oorsprong, al dan niet moet worden geacht voorrang hebben op het handelsbelang van een importeur, maar of die waarborg niet kan worden geboden door middelen die de handel niet of minder belemmeren dan het vereiste van een certificaat van echtheid, want enkel onder die voorwaarde kunnen nationale maatregelen, in afwachting van een eventuele harmonisatie op communautair niveau, gerechtvaardigd zijn in de zin van artikel 36.

In zijn memorie van dupliek betoogt het Koninkrijk België dat het beroep, gelet op de bewoordingen van het verzoekschrift en in het bijzonder van zijn conclusies, door de intrekking van het ministerieel besluit van 2 december 1976 op 27 februari 1978 zijn belang heeft verloren. Een uitspraak over de bezwaren tegen koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934 zou mitsdien neerkomen op een uitspraak „ultra petita”. Het verzoek is derhalve niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een bestaand en actueel belang, of althans ongegrond.

De kritiek van het Hof in het arrest-Dassonville, gold niet het vereiste van een certificaat van echtheid, maar de mogelijkheid om dat document te verkrijgen.

Anders dan de Commissie beweert, heeft de Belgische regering al in 1974 maatregelen genomen om de belangrijkste hinderpalen bij het verkrijgen van het echtheidsdocument uit de weg te ruimen. Die maatregelen waren de volgende:

a) afschaffing van de verplichte vermelding van de naam van een Belgische geadresseerde op het certificaat van oorsprong,

b) erkenning van certificaten die door de Britse autoriteiten voor andere landen dan België waren afgegeven,

c) geen afwijzing aan de grens meer van partijen brandewijn die zonder het vereiste stuk worden aangeboden, met de mogelijkheid voor de importeur om zicht dat document binnen één of meer termijnen alsnog te verschaffen.

Het Koninkrijk België betwist de gegrondheid van de stelling van de Commissie, dat de kwaliteitsgarantie niets uitstaande heeft met de volksgezondheid. Bovendien heeft de Belgische regering, in tegenstelling tot wat de Commissie lijkt te beweren, sinds meer dan 50 jaar (wet van 18 april 1927 tot bescherming van de benamingen van oorsprong van wijnen en sterke dranken) de noodzakelijkheid erkend van een bijzondere bescherming van de door de betrokken regeringen gedeponeerde benamingen van oorsprong. In het bijzondere geval van het handelsverkeer binnen de Benelux is krachtens de Benelux-akkoorden enkel de douanecontrole op produkten met een benaming afgeschaft. In het binnenland wordt de controle verder uitgeoefend door de Dienst eetwareninspectie.

Wat de „Scotch Whisky” betreft, zijn er tegenwoordig in België 29 importeurs. Bijgevolg kan moeilijk worden betwist dat er voor dit produkt ruime concurrentie bestaat ten bate van de consument. Deze situatie ontkracht het betoog van de Commissie over de invloed van de zogenaamde „parallelle” invoer op prijsverlagingen.

Het Koninkrijk België betwist de doelmatigheid van het door de Commissie ter bestrijding van mogelijke fraudes aangeprezen systeem van de verzegelde sluiting.

Ten eerste dekt dit systeem niet alle gevallen van commercialisering, bij voorbeeld het bottelen van de brandewijnen buiten het producerende land. Om echter elke vervalsing te voorkomen bij het bottelen in niet-producerende landen die de benaming van oorsprong van brandewijn niet beschermen, zou het producerende land verplicht moeten zijn slechts gebottelde produkten uit te voeren, wat niet het geval is.

In de tweede plaats biedt bedoeld systeem niet dezelfde waarborgen als het certificaat van echtheid. De vervaardiging van een officieel stuk is voor de vervalser immers veel moeilijker en ook gevaarlijker dan het namaken van een sluiting of van een eenvoudig etiket.

Ten slotte dient te worden opgemerkt dat de Commissie zelf het systeem van de verzegelde sluitingen niet invoert. Want steeds wanneer op communautair niveau de echtheid van vloeibare produkten van herkomst uit derde landen moest worden aangetoond, heeft de Commissie identificatiemaatregelen voorgesteld die uitgingen van officiële documenten (zie bij voorbeeld verordening nr. 2552/69 van 17 december 1969 betreffende de invoer in de Gemeenschap van Bourbon-Whisky, PB L 320 van 1969, blz 19).

Weliswaar omvat de communautaire regeling op het gebied van de wijnbouw een systeem van verzegelde sluitingen, maar in de sector wijn bestaat er een marktordening met een controle op de produkten, die door alle Staten op dezelfde wijze wordt uitgeoefend. Bulkvervoer geschiedt onder dekking van documenten en er is een streng toezicht op de bottelingskelders aan de hand van registers van wat er binnenkomt en uitgaat. Het is nu juist dit systeem dat België in de gemeenschappelijke markt voor sterke dranken wenst te zien ingevoerd.

Volgens het Koninkrijk België mag er niet van worden uitgegaan dat elke maatregel die het communautaire handelsverkeer op een of andere wijze beperkt, moet worden afgeschaft, ook wanneer daardoor een in artikel 36 van het Verdrag omschreven wettig doel in het gedrang zou komen.

Het is dus de vraag, of het in casu beoogde doel anders dan door het certificaat van echtheid kan worden bereikt. De Belgische regering heeft aangetoond dat het door de Commissie aangeprezen systeem van verzegelde sluitingen geenszins voldoende waarborgen biedt voor het bereiken van dat doel. Het certificaat van echtheid kan bijgevolg geen willekeurige discriminerende maatregel zijn. Gelet op uiteenlopende regelingen op het stuk van de bescherming der benamingen van oorsprong, vormt dit certificaat het enige middel dat op adequate wijze aan het nagestreefde doel beantwoordt.

Volgens de Franse regering, interveniënte, is het kernprobleem van de onderhavige zaak, hoe men tegelijkertijd het vrije verkeer van goederen, een grondbeginsel van het EEG-Verdrag, en de bescherming van de benamingen van oorsprong kan verzekeren. In artikel 36 Van het Verdrag komt de noodzaak tot uitdrukking om beide doelstellingen tezamen te bereiken.

Bij de bescherming van de benamingen van oorsprong gaat het er eenvoudig om, de consument tegen misbruiken te beschermen. In het geding is de economische activiteit van Franse gebieden die — met name bij uitvoer — aanzienlijke inkomsten putten uit de produktie van en de handel in produkten met indrukwekkende benamingen. Voor deze benamingen gelden in Frankrijk zeer strenge regelingen en een situatie die, langs de omweg van de intracommunautaire handel, nabootsing mogelijk zou maken, zou de Franse producenten duidelijk schade toebrengen en de mededinging binnen de Gemeenschap vervalsen.

In de praktijk hebben de situaties die tot kritiek van de Commissie aanleiding zouden kunnen geven, vooral betrekking op wederuitvoer naar een andere Lid-Staat van brandewijnen die in bulk uit Frankrijk zijn ingevoerd en in het land van invoer worden gebotteld. In een dergelijke situatie biedt het gebruik van sluitingen en etiketten de benamingen van oorsprong volstrekt geen doeltreffende' bescherming, tenzij er tevens een regeling zou bestaan die controle van de inhoud van de recipiënten mogelijk maakt. Aangezien een dergelijke gemeenschapsregeling voor brandewijnen ontbreekt, kunnen sluitingen en etiketten technisch gesproken geen voldoende waarborg bieden voor de echtheid van die produkten. Een dergelijke bescherming kan slechts naar behoren worden verzekerd door middel van certificaten van echtheid.

Naar de mening van de Franse regering moet de vraag of het vereiste van een certificaat van echtheid een „middel tot willekeurige discriminatie” of „een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten” vormt in de zin van artikel 36, tweede zin, EEG-Verdrag, worden onderzocht in het licht van de werkelijke situaties waaraan de handelaars het hoofd moeten bieden.

Frankrijk bezit als producerend land een wetgeving, ingevolge welke de exporteurs (distillateurs of handelaars) die het vervoersdocument willen verkrijgen dat een zending brandewijn vergezelt en zijn gecontroleerde benaming van oorsprong bewijst, aan bijzondere voorwaarden moeten voldoen.

Gaat het om een distillateur, dan moet hij zijn gevestigd in het afgebakende produktiegebied van de brandewijn. Hij mag in zijn wijnkelders geen enkele andere soort sterke drank van buiten ontvangen. Hij moet in zijn distillatie-aangiften aanspraak hebben gemaakt op de betrokken gecontroleerde benaming van oorsprong. De produktie- en verkoopstaten worden bijgehouden door de belasting-diensten, die ook een jaarlijkse inventaris opmaken.

Gaat het om een handelaar, dan moet hij samen met de waar een vervoersdocument ontvangen, waaruit de benaming van oorsprong blijkt. Hij moet de waar opslaan in speciale kelders, die door een openbare weg zijn gescheiden van de kelders die andere sterke dranken bevatten. De staten van wat inkomt en uitgaat, worden bijgehouden door de belastingdiensten, die ook een jaarlijkse inventaris opmaken.

Het is mogelijk dat een in een andere Lid-Staat van de Gemeenschap gevestigde handelaar aan geen enkele voorwaarde van die aard is onderworpen. Bijgevolg is het in deze ongelijke situatie enkel het door het producerende land uitgereikte vervoersdocument dat de echtheid van de waar kan bewijzen.

Frankrijk aanvaardt het beginsel dat de afgifte van die bewijsstukken moet gebeuren na het vervullen van redelijke formaliteiten, en spant zich trouwens via overeenkomsten in om, bij voorbeeld, de splitsing van de certificaten ten behoeve van de handelaars te vergemakkelijken. Naar de mening van de Franse regering kunnen dergelijke oplossingen worden gevonden via akkoorden tussen het producerende land en het land van doorvoer. Dit betreft de voorwaarden voor afgifte van de vervoersdocumenten en doet niet af aan een wettelijke regeling zoals de Belgische, waarvan het principe zelf gerechtvaardigd lijkt.

In haar antwoord op de door de Franse regering ingediende memorie van opmerkingen, merkt de Commissie op, dat de benaming van oorsprong, eenmaal erkend, aan een dubbel doel beantwoordt: enerzijds de producenten te beschermen tegen oneerlijke mededinging en anderzijds de consumenten te beschermen tegen fraude en bedrog door hun de kwaliteit van het produkt te garanderen.

Na de middelen te hebben vermeld, waarover zowel de rechthebbende op een benaming van oorsprong als de administratie krachtens de Franse regeling beschikken om ongeoorloofd gebruik van de benaming tegen te gaan, wijst de Commissie op de controlemiddelen die het mogelijk maken de fraude gemakkelijker op te sporen en te bewijzen, en die vooral een fiscaal doel dienen. De controle en het toezicht zijn slechts middelen die ertoe strekken de inbreuk te bewijzen. Bewijsmiddelen zijn echter van formele aard en vormen in geen geval een integrerend deel van het specifieke voorwerp van het uit de benaming van oorsprong voortvloeiende recht. Men kan zich dus niet beroepen op artikel 36 van het Verdrag om, in strijd met artikel 30, dergelijke bewijsmiddelen in stand te houden.

Het onderhavige probleem betreft dus niet het conflict tussen het Verdrag en de eerbiediging van de eigenlijke benamingen van oorsprong, maar enkel één der middelen om een inbreuk op de betrokken regeling op te sporen en te bewijzen, zulks met het oog op het beginsel van het vrije verkeer van goederen. Evenzo is niet de Franse regeling inzake de benamingen van oorsprong in het geding, doch enkel het onderdeel van de Belgische regeling, betreffende een controlemiddel op de eerbiediging van een in België beschermde benaming van oorsprong.

De voorwaarden waaronder het Koninkrijk België in de feitelijke omstandigheden die tot de onderhavige zaak hebben geleid, het certificaat van echtheid heeft vereist, zijn door het Hof in zijn arrest in de zaak-Dassonville afgekeurd. Ter terechtzitting in die zaak heeft de Commissie verscheidene controlemiddelen voorgesteld, die de handel minder belemmeren. Vast staat dat het de bevoegde Belgische autoriteiten niet ontbreekt aan andere middelen dan het certificaat van echtheid, om na te gaan of het betrokken produkt — of dit nu in zijn oorspronkelijke verpakking dan wel in bulk in het verkeer is — wel echt is.

Wat de doelmatigheid betreft van de verzegelde sluiting, aangevuld met etiketten die de naam van de importeur vermelden, zijn er situaties waarin de Franse wetgeving zelf, ter vervanging van het vervoers-document, sluitingen, stempels of zegels aanbeveelt (zie „Le Droit des Appellations d'origine” — J. M. Auby — R. Plaisant, librairie technique, nr. 253, blz. 102, 104).

Uit de toelichtingen van de Franse regering blijkt dat de in Frankrijk afgegeven vervoersdocumenten alle nodige waarborgen bieden. De Belgische autoriteiten zouden ze dus op zijn minst in aanmerking moeten nemen om de invoer in België van in Frankrijk in het vrije verkeer gebrachte Scotch Whisky toe te staan. Een dergelijk vermoeden van echtheid zou bovendien in overeenstemming zijn met de Franse regeling. Wat de landen betreft die de benamingen van oorsprong niet toepassen en waar Scotch Whisky in het vrije verkeer is gebracht, zou het systeem van verzegelde sluiting en etikettering de Belgische autoriteiten in staat stellen doeltreffender te controleren, temeer daar zij de naam van de importeur zouden kennen. Een doeltreffende controle behoort dus beslist tot de mogelijkheden en dat is toch het beoogde doel.

Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk, interveniënte, is een stelsel van exclusiviteitsovereenkomsten op zichzelf niet in strijd met het Verdrag, en daarom moeten bij de uitlegging van 's Hofs uitspraak in de zaak-Dassonville moeilijkheden die uitsluitend het gevolg zijn van het feit dat de nevenimporteur geen partij bij een exclusiviteitsovereenkomst is, buiten beschouwing blijven. Die uitspraak ging ervan uit dat zo een nevenimporteur van de Britse autoriteiten een terugwerkend certificaat van echtheid kon krijgen, ofschoon zulks krachtens de destijds geldende regelingen wel enige problemen opleverde. Deze regelingen nu zijn versoepeld, al veroorzaakten zij ook toen geen echte moeilijkheden. Van de genomen versoepelingsmaatregelen zou men met name de volgende kunnen noemen:

a) de distributeur in een tussengelegen Lid-Staat kan, op vertoon van bewijsstukken, van de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk, een terugwerkend certificaat verkrijgen voor een gedeelte van een zending, dat is bestemd om weer te worden uitgevoerd naar een derde Lid-Staat; en

b) elke distributeur kan rechtstreeks van de Britse douane op vertrouwensbasis een certificaat krijgen, zo zijn commerciële situatie dat vereist.

Maar deze regelingen kunnen niet de moeilijkheid oplossen van de invoer in het groot in een Lid-Staat, van whisky die dan tot het juiste gehalte wordt aan gelengd en gebotteld voor transit-overzending naar een andere Lid-Staat.

De regering van het Verenigd Koninkrijk betwist de doelmatigheid van de door de Commissie in de zaak-Dassonville voorgestelde andere methodes om de echtheid van de Scotch Whisky te verzekeren zonder dat de nevenimporteurs de moeite moeten doen een terugwerkend certificaat te verkrijgen. Het thans geldende stelsel van certificaten is niet enkel gericht op voorkoming van oneerlijke praktijken, maar ook en a fortiori van bedrieglijke praktijken (iets wat geen Scotch Whisky is, toch daarvoor laten doorgaan) die de gezondheid van de consument kunnen schaden. Deze laatste overweging valt onder artikel 36 van het Verdrag, waarin het grondbeginsel van de bescherming van gezondheid en leven wordt bevestigd.

In deze omstandigheden verzoekt de regering van het Verenigd Koninkrijk het Hof, te verklaren dat het thans geldende stelsel van certificaten voor Scotch Whisky aan de criteria van het gemeenschapsrecht beantwoordt voor zover dat menselijkerwijs mogelijk is bij gebreke van een communautair certificatenstelsel, en te bevestigen dat het zo snel mogelijk invoeren van een dergelijk stelsel op lange termijn de beste oplossing van het probleem is.

De Commissie antwoordt dat men niet mag nalaten te wijzen op het gebruik dat de exclusieve dealer van de betrokken regeling maakt om nevenimporten te verhinderen. In dit opzicht verwijst zij met name naar de rechtsoverwegingen 12 en 15 van het arrest-Dassonville.

Met betrekking tot de door de Britse regering vermelde versoepelingsmaatregelen betoogt de Commissie dat de distributeur nog steeds ingewikkelde administratieve formaliteiten moet vervullen om hetzij een terugwerkend certificaat te verkrijgen, hetzij een certificaat dat door de Britse douane op vertrouwensbasis wordt afgegeven. Deze formaliteiten maken de certificaten van echtheid voor nevenimporteurs nog moeilijker bereikbaar dan voor rechtstreekse importeurs.

Wat de alternatieve controlemiddelen betreft, verwijst de Commissie naar haar antwoord op de opmerkingen van de Franse regering.

Wat ten slotte het in artikel 36 bedoelde criterium van de volksgezondheid betreft, dit is bij de benamingen van oorsprong geenszins in geding.

#### IV — Inlichtingen verstrekt ten verzoeke van het Hof

Daartoe door het Hof verzocht op 14 december 1978, heeft de regering van het Koninkrijk België op 10 februari 1979 ter griffie van het Hof exemplaren neergelegd van de door de centrale Administratie der douane en accijnzen aan de douanekantoren gerichte circulaires van 9 april 1971, 18 augustus 1972, 8 februari 1974, 16 december 1974 en 4 augustus 1978 betreffende onder meer de invoer van wijn en brandewijn.

#### V — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 21 februari 1979 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de Commissie, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R.-C. Beraud, bijgestaan door R. Collin, advocaat te Parijs; het Koninkrijk België, ten deze vertegenwoordigd door R. Hoebaer, directeur bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; en de regering van het Verenigd Koninkrijk, ten deze vertegenwoordigd door R. D. Munrow van het Treasury Solicitor's Department.

In antwoord op een ter terechtzitting gestelde vraag heeft de vertegenwoordiger van de regering van het Verenigd Koninkrijk bevestigd dat een handelaar die bij een alleenverkoper in Frankrijk Scotch Whisky koopt met de bedoeling die in België in te voeren en te verkopen, van de Britse douane op vertrouwensbasis een certificaat van oorsprong kan krijgen. Daartoe moet hij de nummers van de betrokken flessen en andere bijzonderheden meedelen, om de douane in staat te stellen de oorspronkelijke transactie te identificeren. Van deze mogelijkheid wordt echter niet vaak gebruik gemaakt. De vertegenwoordiger van het Koninkrijk België heeft bevestigd dat een dergelijk certificaat in de hierboven bedoelde omstandigheden door de bevoegde Belgische autoriteiten wordt aanvaard.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 20 maart 1979 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij verzoekschrift van 28 december 1977, ingekomen ten Hove op 3 januari 1978, heeft de Commissie krachtens artikel 169, tweede alinea, EEG-Verdrag, het Hof verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk België, door de invoer van brandewijnen die een benaming van oorsprong dragen en zich in een andere Lid-Staat dan het land van oorsprong regelmatig in het vrije verkeer bevinden, afhankelijk te maken van voorwaarden waaraan, wat betreft het bewijs van het recht op die benaming, moeilijker is te voldoen dan aan die welke artikel 1, lid 1, van het ministerieel besluit van 2 december 1976 (Belgisch Staatsblad, 11 februari 1977) aan dezelfde produkten oplegt bij rechtstreekse invoer uit het land van oorsprong, zijn uit artikel 30 EEG-Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen.

2. Blijkens het bepaalde bij artikel 1, lid 1, van bedoeld ministerieel besluit is aan de daarin genoemde voorwaarden voldaan wanneer brandewijn die een oorsprongsbenaming draagt, rechtstreeks wordt ingevoerd uit het land van herkomst in voor de verkoop aan de consumenten bestemde recipiënten met een bijzondere sluiting en met op deze sluiting alsmede op een etiket bepaalde gegevens betreffende de naam en het gedeponeerd merk van de fabrikant en de vermelding „gebotteld in het land van herkomst”.

#### De betrokken nationale praktijken en bepalingen

3. Bovenbedoelde bepalingen moeten worden geplaatst in het kader van de gehele wettelijke en bestuursrechtelijke regeling, door het Koninkrijk België vastgesteld op het gebied van de echtheid van benamingen van oorsprong.

4. Volgens de Belgische wet van 18 april 1927 worden als benamingen van oorsprong beschouwd diegene die door de belanghebbende regeringen ter kennis van de Belgische regering zullen zijn gebracht als zijnde officieel en definitief aangenomen benamingen van oorsprong.

5. Luidens artikel 1 van koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934 is het verboden, brandewijn die een door de Belgische regering behoorlijk aangenomen benaming van oorsprong draagt, in te voeren, te verkopen, te koop te stellen, voor verkoop of levering in bezit te hebben of te vervoeren, wanneer die niet vergezeld gaat van een officieel stuk waaruit het recht tot het voeren van die benaming blijkt.

6. „Scotch Whisky” is één van de benamingen van oorsprong die door de Belgische regering zijn aangenomen, en de moeilijkheden die bepaalde Belgische importeurs — met name diegenen die het produkt betrokken uit een andere Lid-Staat dan die van oorsprong — ondervonden bij het verkrijgen van het bedoelde officiële stuk, hebben tot verscheidene klachten bij de Commissie geleid.

7. Het bedoelde ministerieel besluit van 2 december 1976, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 11 februari 1977, bepaalt in artikel 1:

„Wordt geacht op het ogenblik van de inklaring vergezeld te zijn van het officiële stuk voorgeschreven bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934 aangaande brandewijn:

1\. brandewijn die een oorsprongsbenaming draagt en rechtstreeks ingevoerd wordt uit het land van herkomst in voor de verkoop aan verbruiker bestemde recipiënten, mits: de sluiting van de recipiënt, na ontkurking, volstrekt onbruikbaar is en de naam of het gedeponeerd merk van de fabrikant erop is vermeld; de recipiënt een etiket draagt waarop in duidelijk leesbare letters volgende aanduidingen zijn aangebracht: „gebotteld in het land van herkomst”; de naam of het gedeponeerd merk en het adres van de fabrikant;

2\. brandewijn die een oorsprongsbenaming draagt, niet onder toepassing valt van 1. hierboven en ingevoerd is uit een Lid-Staat van de EEG mits hij vergezeld is van een van de volgende officiële stukken: het op het produkt betrekking hebbende document waaruit het recht op een oorsprongsbenaming blijkt en dat afgeleverd is door de autoriteiten van het land van oorsprong: de door de autoriteiten van het land van herkomst voor eensluidend verklaarde copie of fotocopie van het onder a) bedoelde document, op voorwaarde dat die autoriteiten op de copie of de fotocopie van het oorspronkelijke document de kwantiteit vermelden van de naar België uitgevoerde brandewijn, indien ze afwijkt van die welke op het oorspronkelijke document is vermeld; een op het produkt betrekking hebbend document waaruit het recht op een oorsprongsbenaming blijkt en dat afgeleverd is door de autoriteiten van het land van herkomst.”

8. Dit ministerieel besluit is ingetrokken bij ministerieel besluit van 27 februari 1978, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 15 april 1978, zodat vanaf laatstgenoemde datum enkel de bepalingen van koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934 van toepassing zijn zowel op de rechtstreeks als op de onrechtstreeks ingevoerde brandewijnen.

9. De Belgische regering maakt echter gewag van zekere versoepelingen die sinds 1974 zijn aangebracht in de administratieve procedure voor de toepassing van bedoelde bepalingen.

10. In het bijzonder zou de invoer in België van brandewijnen die een benaming van oorsprong dragen, niet afhankelijk zijn van de vermelding van de geadresseerde op het certificaat van oorsprong (zie met name de aan de douanekantoren gerichte circulaire van 8 februari 1974 van de Administratie der douane en accijnzen).

11. Bovendien zou de douane, bij de invoer van brandewijnen met de benaming „Scotch Whisky”, hetzij het document „Customs and Excise Certificate for Scotch Whisky exported to Belgium — C & E 94 A”, hetzij een door de Administratie der douane en accijnzen van het Verenigd Koninkrijk voor de levering aan een ander land dan België opgesteld certificaat van oorsprong als officieel stuk mogen aanvaarden (zie met name de aan de douanekantoren gerichte circulaire van 4 augustus 1978 van de Administratie der douane en accijnzen).

12. Daarenboven zou de Belgische douane instructie hebben gekregen, de invoer van brandewijnen niet tegen te houden op grond dat bij het aanbrengen van de waar geen certificaat van oorsprong is overgelegd, maar de importeur gelegenheid te geven zijn situatie binnen twintig dagen te regulariseren.

13. Bovendien moet worden opgemerkt dat volgens de verklaringen van de regering van het Verenigd Koninkrijk, interveniënte in de onderhavige zaak, in die Lid-Staat aanvullende maatregelen zijn genomen om het verkrijgen van certificaten van oorsprong voor „Scotch Whisky” te vergemakkelijken.

14. Enerzijds zou de koper van dat produkt, die zich in een tussengelegen Lid-Staat bevindt, op vertoon van bewijsstukken van de bevoegde Britse autoriteiten een terugwerkend certificaat kunnen verkrijgen voor een gedeelte van een zending, dat bestemd is om weer te worden uitgevoerd naar een andere Lid-Staat.

15. Anderzijds zou elke koper rechtstreeks van de Britse douane een certificaat kunnen verkrijgen zonder tussenkomst van de rechtstreekse importeur.

16. De Belgische regering heeft bevestigd dat in dit laatste geval een dergelijk certificaat door de bevoegde Belgische autoriteiten wordt aanvaard.

17. Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk kunnen voornoemde regelingen toch de moeilijkheid niet oplossen die zich voordoet bij invoer in bulk van whisky in een Lid-Staat waar hij tot het juiste gehalte wordt aangelengd en gebotteld voor verzending naar een andere Lid-Staat.

#### De precontentieuze procedure

18. Bij brief van 20 maart 1974 had de Commissie aan de Belgische regering als haar mening te kennen gegeven, dat de regeling van artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 december 1934 de invoer van brandewijnen uit andere dan de producerende Lid-Staat onmogelijk kon maken en dat het gewettigd doel van de Belgische autoriteiten — namelijk de bescherming van de benaming van oorsprong van die produkten in de zin van artikel 36 van het Verdrag — even effectief zou kunnen worden bereikt door andere middelen, die de parallelimport niet zouden verhinderen.

19. Bij brief van 7 november 1974 verklaarde de Belgische regering zich bereid, haar wetgeving aan te passen.

20. Na tal van vruchteloze gesprekken tussen de betrokken diensten van de Belgische administratie en van de Commissie stelde deze laatste op 16 oktober 1975 de Belgische autoriteiten een termijn van vijftien dagen om te reageren op verscheidene voorstellen tot oplossing, die zij had geformuleerd tijdens een vergadering met de vertegenwoordigers van de betrokken Belgische diensten op 10 november 1974.

21. De Belgische regering lichtte de Commissie echter eerst bij brief van 5 maart 1976 in over haar voorstellen tot wijziging van het controlestelsel voor de benamingen van oorsprong.

22. De Commissie was evenwel van mening dat de voorgenomen aanpassingen niet geëigend waren om de gewraakte Belgische regeling in overeenstemming te brengen met artikel 30 van het Verdrag, en maande op 14 oktober 1976 overeenkomstig artikel 169, eerste alinea, van het Verdrag de Belgische regering aan, binnen een termijn van vijftien dagen — nadien verlengd tot een maand — haar opmerkingen te maken.

23. Toen deze brief onbeantwoord bleef, bracht de Commissie op 8 december 1976 overeenkomstig artikel 169 van het Verdrag een met redenen omkleed advies uit dat op 16 december 1976 aan de Belgische regering werd meegedeeld, en spoorde haar aan, binnen een maand de nodige maatregelen te nemen om dit advies op te volgen.

24. Op 8 december 1976 antwoordde de Belgische regering op de maanbrief en verklaarde dat het probleem zou worden opgelost door de aanstaande publikatie van een ministerieel besluit — waarvan zij de tekst aan de Commissie meedeelde —, dat wil zeggen het bovenbedoelde ministerieel besluit van 2 december 1976.

25. Voorts wees zij erop dat in het wetsontwerp over de controle op voedingswaren en andere produkten, waarvan de bespreking in het parlement bijna was beëindigd, een bepaling was opgenomen betreffende de afschaffing van de bepalingen van koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934 inzake brandewijnen.

#### De ontvankelijkheid

26. Het Koninkrijk België betoogt dat, gezien de bewoordingen van de conclusies van het verzoekschrift, het beroep betrekking heeft op het ministerieel besluit van 2 december 1976 en niet op koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934.

27. Bijgevolg zou door de afschaffing van het ministerieel besluit na het instellen van het beroep dit laatste van belang zijn ontbloot en derhalve niet-ontvankelijk zijn.

28. Ten deze moet vooreerst worden opgemerkt dat het precontentieuze optreden van de Commissie, met inbegrip van het met redenen omklede advies van 8 december 1976, juist gericht was tegen de bepalingen van artikel 1 van koninklijk besluit nr. 57 van 20 december 1934.

29. Eerst nadat bedoeld advies was uitgebracht, heeft de Belgische regering de Commissie mededeling gedaan van de op dat moment nog niet in het Belgisch Staatsblad verschenen tekst van het ministerieel besluit van 2 december 1976, dat geen zelfstandige regeling bevatte, doch slechts een uitwerking van de bepalingen van [artikel 1 van koninklijk besluit nr. 57](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-57-betrekking-plaats-diensten-in-functie-b8cf#ar57-art1) ter zake van het bewijs van het recht op de benaming van oorsprong van de in België ingevoerde brandewijnen.

30. Zoals blijkt uit de tekst van artikel 1 van het ministerieel besluit, werden daarin twee bewijsregelingen vastgesteld, naargelang de betrokken produkten rechtstreeks of onrechtstreeks uit het land van oorsprong waren ingevoerd.

31. Daar de Commissie van mening was, dat die bepalingen enkel een uitwerking vormden van de door de Belgische regering in haar brief van 5 maart 1976 overwogen aanpassingen van [artikel 1 van koninklijk besluit nr. 57](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-57-betrekking-plaats-diensten-in-functie-b8cf#ar57-art1), heeft zij het onderhavige beroep wegens niet-nakoming ingesteld tegen het Koninkrijk België.

32. Gelet op vorenbedoelde omstandigheden, moeten de conclusies van de Commissie worden geacht niet enkel te zijn gericht tegen het ministerieel besluit van 2 december 1976, maar ook tegen koninklijk besluit nr. 57.

33. De afschaffing van het ministerieel besluit na het instellen van het beroep heeft dit laatste dus niet van belang ontbloot.

34. Uit deze overwegingen volgt dat het beroep ontvankelijk is.

#### Ten gronde

35. Er moge aan worden herinnerd dat de bepalingen van [artikel 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-57-betrekking-plaats-diensten-in-functie-b8cf#ar57-art1) van genoemd koninklijk besluit ten oorsprong lagen aan het prejudiciële verzoek waarmee de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel zich tot het Hof heeft gewend in zaak 8/74 (Dassonville), en dat met name ertoe strekte te vernemen of een nationale bestuursrechtelijke bepaling die de invoer verbiedt van een produkt dat een benaming van oorsprong draagt, wanneer dat produkt niet vergezeld gaat van een door de exporterende Lid-Staat afgegeven officieel stuk waaruit het recht op die benaming blijkt, een maatregel vormt van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 30 van het Verdrag.

36. In het in die zaak gewezen arrest van 11 juli 1974 (Jurispr. 1974, blz. 837) verklaarde het Hof voor recht:

„Wanneer een Lid-Staat een certificaat van echtheid verlangt dat door importeurs van het originele produkt dat in een andere Lid-Staat langs reguliere weg in het vrije verkeer gebracht is, minder gemakkelijk kan worden verkregen dan door importeurs die het rechtstreeks uit het land van oorsprong betrekken, is er sprake van een met het Verdrag onverenigbare maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking”.

37. In de motivering van het arrest voegde het Hof daaraan toe, dat zolang een communautaire regeling ontbreekt waarin de consument waarborgen voor de echtheid van de benaming van oorsprong van een produkt worden geboden, een Lid-Staat ter voorkoming van op dit gebied bedreven oneerlijke mededinging slechts redelijke maatregelen mag nemen, terwijl de handel tussen de Lid-Staten niet door bewijsvoorschriften mag worden belemmerd — in dier voege dat de voorgeschreven bewijsmiddelen door alle onderdanen van die Staten kunnen worden verkregen.

38. Het kernprobleem dat om een oplossing vraagt, is dus, of de door het Koninkrijk België genomen maatregelen ter waarborging van de echtheid van in België ingevoerde brandewijnen die een benaming van oorsprong dragen, onredelijk zijn in de zin, dat zij niet evenredig zijn aan dat doel.

39. Enerzijds moet erop worden gewezen dat het niet aan het Hof staat om te beslissen, welke methode ter controle van de echtheid het meest doeltreffend is, maar wel of de door de Belgische regering ingevoerde methode, waarvan de doeltreffendheid niet in geding is en die berust op het onderzoek van de in de exporterende Lid-Staat afgegeven certificaten van oorsprong, de handelaar die in België brandewijnen met een benaming van oorsprong wil invoeren uit een andere Lid-Staat dan die van oorsprong, bij het verkrijgen van certificaten voor moeilijkheden stelt die, in vergelijking met de moeilijkheden welke de rechtstreekse importeur ondervindt, onevenredig groot zijn, zelfs wanneer men aanneemt dat deze methode voor beide categorieën van invoer meer moeilijkheden veroorzaakt dan het sluitings- en etiketteringsstelsel overeenkomstig artikel 1, lid 1, van het ministerieel besluit van 2 december 1976.

40. Anderzijds verzoekt de Commissie het Hof niet om uit te maken of het thans afgeschafte ministerieel besluit tot een dergelijke discriminatie aanleiding gaf, dan wel of het Koninkrijk België door de met name in voornoemde administratieve circulaires vastgestelde liberalisatiemaatregelen niet op te nemen in een wettelijke of bestuursrechtelijke regeling, zijn uit artikel 30 EEG-Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen.

41. Beperkt men zich tot het probleem dat de Commissie aan het Hof heeft voorgelegd, dan kan men niet zeggen dat de controle op de echtheid van een produkt dat een benaming van oorsprong draagt, door middel van een onderzoek van in de producerende Lid-Staat afgegeven certificaten van oorsprong, een onredelijke maatregel is in verhouding tot het doel de echtheid van dat produkt te verzekeren.

42. Ten deze moet worden opgemerkt dat in verscheidene communautaire verordeningen een soortgelijk systeem is vastgesteld als bewijsmiddel voor de echtheid van bepaalde produkten zoals Bourbon-whisky, Port, Madeira, Sherry, Moscatel de Setubal en Tokay alsmede uit derde landen in de Gemeenschap ingevoerde wijn, druivesap en druivemost, en dat de Commissie geen bezwaar heeft tegen het Belgische systeem als controlemiddel, voor zover het wordt toegepast op brandewijnen die rechtstreeks uit de producerende Lid-Staat in België worden ingevoerd.

43. Bovendien kan, volgens de door de Belgische en Britse regering aan het Hof verstrekte inlichtingen, althans wat de „Scotch Whisky” betreft, niet enkel de importeur die rechtstreeks uit de producerende Lid-Staat in België brandewijnen invoert, de vereiste certificaten verkrijgen, maar — ingevolge de vorenbedoelde liberalisatiemaatregelen van zowel de Belgische als de Britse regering — ook de handelaar die deze produkten wenst in te voeren uit een tussengelegen Lid-Staat.

44. De Commissie heeft niet op bevredigende wijze de door de Belgische regering verdedigde stelling weerlegd, dat de liberalisatiemaatregelen hebben bijgedragen tot verbetering van de situatie van de handelaars die in België brandewijnen met een beschermde benaming van oorsprong wensen in te voeren uit een andere Lid-Staat, waar zij zich in het vrije verkeer bevinden, in vergelijking met die van de rechtstreekse importeurs, doch zich ertoe beperkt te verklaren dat, ondanks deze maatregelen, het door de Belgische regering toegepaste controlesysteem de importeur van die produkten in België nog steeds meer moeilijkheden oplevert dan het door haar aangeprezen sluitings- en etiketteringssysteem.

45. Deze door de Commissie aangevoerde omstandigheid kan echter op zichzelf geen inbreuk opleveren op de verplichtingen die ingevolge artikel 30 van het Verdrag op het Koninkrijk België rusten.

46. Uit het voorgaande volgt, dat zelfs zo het door de Belgische regering toegepaste controlesysteem voor de echtheid van de produkten die een benaming van oorsprong dragen, de importeur van die produkten in België meer moeilijkheden oplevert dan een sluitings- en etiketteringssysteem, deze omstandigheid op zichzelf geen inbreuk kan opleveren op de verplichtingen die ingevolge artikel 30 van het Verdrag op het Koninkrijk België rusten.

47. Derhalve moet het beroep worden verworpen.

48. Evenwel dient te worden beklemtoond, dat het Koninkrijk België — dat hiertoe eventueel een beroep zal doen op de bijstand van de Commissie — erop dient toe te zien dat de handelaars die in België brandewijnen wensen in te voeren die een door de Belgische regering behoorlijk aangenomen benaming van oorsprong dragen en zich regelmatig in het vrije verkeer bevinden in een andere Lid-Staat dan die van oorsprong, dergelijke importen kunnen verrichten en niet worden benadeeld ten opzichte van de rechtstreekse importeurs, behalve voor zover zulks redelijk en strikt noodzakelijk blijkt om de echtheid van die produkten te verzekeren.

#### Kosten

49. Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voor zover zulks is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen, behoudens voor wat de kosten van de interventies betreft, die worden gecompenseerd in die zin, dat de Commissie en de interveniënten, die niet hebben geconcludeerd over de kosten, elk hun eigen kosten zullen dragen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende, verstaat:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) De Commissie wordt verwezen in de kosten ten principale.

3) De kosten van de interventies worden gecompenseerd in die zin, dat de Commissie en de interveniënten elk hun eigen kosten zullen dragen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

5

EEG-Verdrag art. 30 10 voorkomens

EEG-Verdrag art. 36 7 voorkomens

EEG-Verdrag art. 169 4 voorkomens

[KB nr. 57 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-57-betrekking-plaats-diensten-in-functie-b8cf) 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal VerLoren van Themaat 134/83 26.09.1984

#### [EEG-Verdrag art. 34 en art. 8](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-134-83-conclusie)

## Rechtsleer

3

Alexander, Willy: Case 2/78, Commission of the European Communities v. Kingdom of Belgium. Judgment of 16 May 1979, (1979) E.C.R. 1761. Case 15/79, P. B. Groenveld B. V. v. Produktschap voor Vee en Vles. Preliminary Ruling of 8 November 1979 requested by the College van Beroep voor het Bedrijfsleven, The Hague, Common Market Law Review 1980, Volume 17, Issue 2, p. 283-285 (EN)

Wyatt, Derrick: Certificate of Origin or Quality: Dassonville Revisited, European Law Review 1980 p.476-480 (EN)

Kovar, Robert: Journal du droit international 1981 p.102-106 (FR)
