---
title: "HvJ EU, 2/69 en 3/69, arrest van 1 juli 1969"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 juli 1969, 2/69 en 3/69."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-2-69-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-2-69-arret"
---

# Arrest van het Hof van 1 juli 1969, 2/69 en 3/69

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaken**

2/69, 3/69

**ECLI**

ECLI:EU:C:1969:30

**Datum**

1 juli 1969

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

C-2/69, C-3/69 Vredegerecht te Antwerpen, 2e kanton (België) beslissing van 24 december 1968 4094 4218 ; 5460 4219

**Zaak ingediend op**

16 januari 1969

**Advocaat-generaal**

Gand

**Nationale beslissing na het arrest**

C-2/69, C-3/69 Vredegerecht Antwerpen beslissing van 24 januari 1974 4094 200 ; 5460 201

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Nederlands

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1969, blz. 211

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Trabucchi

**Repertorium van het Hof**

- [Communautaire rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A) [Gemeenschapsrecht en nationaal recht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-03) [Rechtstreekse werking, voorrang en eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-03.01) 38 beslissingen
- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Fiscale bepalingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10%2C578-4.10) [Binnenlandse belastingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.01%2C578-4.10.01) 96 beslissingen
  - [Vrij verkeer van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02%2C578-4.02)

    - [Douanerechten en heffingen van gelijke werking · verbod](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.01) [Heffingen van gelijke werking](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.01.02) [Begrip](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.01.02.01) 30 beslissingen
    - [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04) [Gemeenschappelijk douanetarief](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04.02) 29 beslissingen

## Tekst

101 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

#### I — De feiten en de procesvoering

Overwegende dat de feiten kunnen worden samengevat als volgt en dat de procesvoering het na te melden verloop heeft gehad :

Bij de wet van 12 april 1960 werd in België het Sociaal Fonds voor de Diamantarbeiders opgericht. Dit Fonds is een openbare instelling welke tot taak heeft „het financieren, het toekennen en het uitbetalen van bijkomende sociale voordelen” aan voornoemde arbeiders.

Bij wet van 20 juli 1962 heeft de Belgische Staat genoemde wet gewijzigd door invoeging van een artikel 2 bis, luidende als volgt:

„Alle personen die ruwe diamant invoeren, zijn gehouden tot betaling van een bijdrage, bestemd om het Sociaal Fonds toe te laten de opdracht te vervullen, waarmede het door artikel 2 belast is.

Het bedrag van de door deze personen verschuldigde bijdrage is gelijk aan 1/3 % van de waarde van de door hen ingevoerde ruwe diamant.

De Koning kan evenwel vrijstelling van deze bijdrage verlenen, wanneer de in vorig lid bedoelde diamant een waarde van 300 franken per karaat niet overschrijdt, of wanneer die diamant uit Nederland wordt ingevoerd binnen de perken van het ruilakkoord tussen de Belgische en Nederlandse diamantnijverheid.”

Krachtens deze bepaling zijn in december 1963 een 200 importeurs van ruwe en industriediamant door het Sociaal Fonds voor de Diamantarbeiders aangeslagen tot betaling van bijdragen, verhogingen en interessen over het tijdvak van 1 januari 1960 tot en met 30 september 1963.

De Vrederechter in het tweede Kanton van de stad Antwerpen nam kennis van de meeste dezer zaken.

Voor de Vrederechter kwamen de besturen der organisaties van importeurs van ruwe en industriële diamant enerzijds en de Raad van Beheer van het Sociaal Fonds anderzijds overeen twee standaardgevallen, de zaken S.p.r.l. Chougol (die industriediamant importeert) en S.A. Brachfeld (die ruwe diamant importeert) te onderzoeken.

Bij beschikking van 24 december 1968 heeft de Vrederechter, uitspraak doende in deze beide zaken, het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing inzake :

de artikelen 9, 12, 13, 18 en 95, ter beantwoording van de vraag : of in die artikelen of in enige onder deze, en desgevallend dewelke, de bedoelde rechten of heffingen van gelijke werking al de kenmerken moeten dragen van een fiscale belasting; of de bedoelde rechten of heffingen enkel deze zijn, die de schatkist verrijken of ontlasten, ofwel in het algemeen al degene die een Lid-Staat ter gelegenheid van de invoer oplegt, ongeacht hun fiscaal, hun administratief of hun sociaal doel;

2\. dezelfde artikelen, ter beantwoording van de vraag of de aard van de heffing beslissend is, ofwel voornamelijk de werking ervan;

3\. dezelfde artikelen, ter beantwoording van de vraag of de gelijke werking bestaat in de gelijkheid van doel ofwel van resultaten van de heffing;

4\. dezelfde artikelen, ter beantwoording van de vraag of de resultaten, desgevallend, moeten beoordeeld worden ten aanzien van de bestemming der geïnde gelden ofwel van de invloed op het vrij verkeer der goederen;

5\. de artikelen 9 en 12, ter beantwoording van de vraag of de belemmering van het vrij goederenverkeer steeds veronderstelt dat het geheven recht discriminatoire of protectionistische gevolgen heeft; dezelfde artikelen, ter beantwoording van de vraag of geen belemmering denkbaar is zonder mededinging van een nationale produktie; artikel 12, in verband met de artikelen 9 en 18, ter beantwoording van de vraag of een nieuwe heffing die de invoer uit alle vreemde landen treft steeds verboden wordt, als zijnde van aard om de volgens artikelen 9 en 18 van het Verdrag nagestreefde doeleinden, namelijk de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief in de betrekkingen der Lid-Staten met derde landen, en de verlaging van de rechten tot onder het algemeen peil, in de weg te staan, zodat bij zulke heffing het al dan niet discriminatoir karakter geen rol speelt; de artikelen 9 en 12 in vergelijking met artikel 37, ter beantwoording van de vraag of het onderscheid, dat in artikel 37 gemaakt wordt tussen de monopolies die al dan niet een discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten, wat de voorwaarden van voorziening en afzet betreft, voor gevolg hebben, ook moet gemaakt worden betreffende de in artikelen 9 en 12 bedoelde rechten of heffingen; de artikelen 9 en 12 in verband met artikel 95, ter beantwoording van de vraag of het verbod, dat in artikelen 9 en 12 opgelegd wordt volstrekter is dan datgene, dat artikel 95 oplegt, en namelijk of het geen onderscheid maakt naargelang de beschouwde rechten al dan niet hoger zijn dan die welke op nationale produkten worden geheven; artikel 12 in verband met de artikelen 9 en 13, ter beantwoording van de vraag of artikel 12 als een eerste stap kan beschouwd worden om het doel van artikelen 9, paragraaf 1, en 13 te bereiken, en als dusdanig in even algemene zin moet opgevat worden;

6\. de artikelen 9 en 12, ter beantwoording van de vraag of, bij de beoordeling van de door het Verdrag bestreden belemmering van het vrij goederenverkeer, enkel het nadeel van de andere Lid-Staten of van hun ingezetenen in aanmerking kan komen, ofwel ook het nadeel van al de ingezetenen van de Gemeenschap, hierin begrepen deze van de Lid-Staat die de beschouwde maatregel neemt, al ware het door de grotere mededinging vanwege ingezetenen van andere Lid-Staten; of alsdan de inhoud van het verbod naar het antwoord op die vraag mag uitgelegd worden.”

Alvorens zich tot het Hof van Justitie te wenden heeft de Belgische rechter zich afgevraagd of hij, wanneer de hierbedoelde Belgische wet met het E.E.G.-Verdrag onverenigbaar mocht blijken te zijn, aan het Verdrag prioriteit ten opzichte van de nationale wet moet toekennen. Eerst na deze vraag ten faveure van het gemeenschapsrecht te hebben beantwoord, heeft hij zich met voormelde vragen tot het Hof van Justitie gewend.

In de renvooibeschikkingen overweegt de Belgische rechter dat, om tot een beslissing in bedoelde zaken te komen, moet worden nagegaan of de bijdrage die ingevolge de Belgische wetten door de importeurs van ruwe diamant moet worden betaald, met één der in de artikelen 8, 12, 18 en 95 van het E.E.G.-Verdrag bedoelde begrippen rechten, belastingen of heffingen kan overeenkomen.

De Belgische rechter merkt op dat in de doctrine, wat aard en doel der douanerechten betreft, een grote verscheidenheid wordt erkend; zij worden geheven hetzij ten behoeve van de schatkist, hetzij ter bevordering van het handelsbeleid, hetzij om de kosten van een administratieve vergunning te dekken, hetzij om het opmaken van statistieken mogelijk te maken.

Hij verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie in de zaak 6-64 (Costa/Enel) ten betoge dat in de artikelen 9 en 12, anders dan in het in genoemd arrest uitgelegde artikel 37, niet alleen rechten welke discriminatie tussen de onderdanen der Lid-Staten inhouden, wordn verboden.

Hij merkt ten slotte op, dat de Belgische importeurs van ruwe diamant kunnen beweren dat zij tegenover hun concurrenten in andere Lid-Staten die de heffing niet behoeven te betalen, in het nadeel zijn; dat zij derhalve kunnen menen dat de industriëlen in hun land op kosten van de importeurs worden bevoordeeld tegenover die in andere Lid-Staten, daar de diamantfabrieken in België ingevolge de bestreden wet zijn vrijgesteld van een deel der lasten welke zij zouden hebben op te brengen indien zij, zoals in bijna alle andere bedrijfstakken het geval is, zouden moeten bijdragen in de sociale voordelen hunner arbeiders; dat de weerslag der heffing in feite niet geheel door hen wordt gevoeld (via de prijsverhoging hunner aankopen bij de importeurs) onder meer omdat de industriediamant, die een niet te verwaarlozen deel van de invoer vertegenwoordigt en die niet door hun arbeiders bewerkt wordt noch ook door henzelf wordt gekocht of verkocht, ook belast wordt.

Overeenkomstig artikel 20, 2e alinea, van het Protokol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie der E.E.G. hebben verzoeker in het bodemgeschil, verweersters in het bodemgeschil, de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Belgische Regering schriftelijke opmerkingen ingediend.

De terechtzitting is gehouden op 6 mei 1969.

De Advocaat-Generaal heeft op 21 mei 1969 zijn conclusie genomen.

Het Hof beval bij beschikking van 18 juni 1969 ter fine van de uitspraak de gevoegde behandeling van beide zaken.

#### II — Samenvatting der krachtens artikel 20 van het Statuut ingediende opmerkingen

Overwegende dat de krachtens artikel 20 van het Statuut ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt :

Verzoeker in het bodemgeschil stelt, dat het Sociaal Fonds voor de Diamantarbeiders louter sociale oogmerken heeft, hetgeen duidelijk blijkt uit de Kamerstukken welke aan de totstandkoming van bedoelde wet zijn voorafgegaan. Nu anders dan met betrekking tot een fonds voor bestaanszekerheid in den regel het geval is, het Sociaal Fonds niet wordt in stand gehouden door inhoudingen, berekend op grondslag van het door betrokkenen verdiende loon, betekent het feit, dat de bijdragen ten laste van de importeurs van in België te bewerken diamant worden gebracht, dat men zekerheid heeft dat alle diamant bij de berekening der bijdragen volgens de werkelijke waarde in rekening wordt gebracht; de lasten worden op billijke wijze tussen wederverkoper en fabrikant verdeeld.

De keuze van dit stelsel vindt haar rechtvaardiging ook in de structuur van de Belgische diamantindustrie, waarin bezwaarlijk een naar de lonen berekend bijdragesysteem kan worden toegepast. De vraag of deze keuze doelmatig moet worden geacht, staat trouwens geheel ter beoordeling van de Belgische wetgever.

Verzoeker in het bodemgeschil stelt, dat de bijdrage ook alleen wordt berekend over produkten die voor bewerking in de Belgische diamantindustrie bestemd zijn zodat teruggezonden goederen en transito-goederen ter berekening der bijdragen nooit in aanmerking zijn genomen. De importeurs van ruwe diamant, de diamantfabrikanten en de diamantarbeiders zijn de opeenvolgende schakels in één en dezelfde economische keten, zodat het gezien de solidariteitsgedachte die aan de sociale wetgeving ten grondslag ligt, juist moet worden geacht dat ook de importeurs bijdragen tot de sociale verheffing der in de diamantindustrie tewerkgestelde arbeiders.

Het Sociaal Fonds herinnert er bovendien aan, dat de Voorzitter van de Commissie der Europese Gemeenschappen zich op 29 februari 1968 tot de Belgische Minister van Buitenlandse Zaken heeft gericht met een brief welke op 20 januari 1969 is gevolgd door een met redenen omkleed advies als bedoeld in artikel 169 van het Verdrag, waarin de Belgische Regering werd uitgenodigd een einde te maken aan de in bedoelde wettelijke regeling voorkomende strijd met artikel 7 van het Verdrag, daarin bestaande dat alleen voor de invoer van ruwe diamant uit Nederland vrijstelling van voormelde bijdrage was verleend. Bij wege van alternatief werd voorgesteld om hetzij bedoelde vrijstelling bij invoer van ruwe diamant uit alle Lid-Staten te verlenen hetzij aan de alleen aan Nederland verleende vrijstelling een einde te maken.

Onder opmerking dat het, gezien de plaatsen van vestiging der diamantindustrie, zeer onwaarschijnlijk moet worden geacht dat het tussen de Belgische industrie en die van de andere Lid-Staten met uitzondering van Nederland tot ruilakkoorden zal komen, spreekt verzoeker in het bodemgeschil als zijn oordeel uit, dat België zich naar bedoeld advies zal gedragen en de vrijstelling zal uitbreiden tot alle invoer in het kader van tussen de Belgische diamantindustrie en die van bedoelde Lid-Staten gesloten ruilakkoorden.

Uit de opvatting welke aan de bij bedoelde wet voorziene vrijstellingen ten grondslag ligt, blijkt dat ruwe diamant niet reeds uit hoofde van invoer in aanmerking wordt genomen; aan die vrijstellingen ligt juist ten grondslag dat de invoer van bedoelde diamant de fabrieken niet meer te doen geeft. Het is namelijk enerzijds technisch onmogelijk ruwe diamant ter waarde van minder dan 300 franken per karaat te slijpen en anderzijds komt de diamant welke in het kader van het ruilakkoord tussen de Nederlandse en Belgische industrie uit Nederland wordt ingevoerd, alleen maar in de plaats van in het kader van datzelfde akkoord uit België naar Nederland geëxporteerde diamant, die reeds vroeger voor de berekening der litigieuze bijdrage in aanmerking werd genomen.

Verzoeker in het bodemgeschil beroept zich vervolgens op de legislatieve arbeid ter voorbereiding van het E.E.G.-Verdrag verricht, tot staving van zijn betoog dat het Verdrag niet beoogt goederen in het vrije verkeer van alle heffingen en belastingen vrij te stellen, doch er alleen toe strekt die goederen een gelijke behandeling deelachtig te doen worden in dier voege, dat het ruilverkeer niet door beschermende maatregelen in deze of gene Lid-Staat wordt verstoord.

Het Verdrag verlangt niet, dat de factoren welke de vorming van de kostprijs beïnvloeden, in alle Lid-Staten indentiek zijn. Wanneer de in dit opzicht bestaande verschillen een juiste werking van de gemeenschappelijke markt mochten belemmeren, staan aan de Commissie de procedures voorzien in de artikelen 100 en volgende van het Verdrag ten dienste. En de wettelijke regeling betreffende het Sociaal Fonds discrimineert kennelijk niet tussen Belgische en buitenlandse diamant, immers worden de Belgische diamanthandel en -industrie daarin ten opzichte van de buitenlandse mededinging noch beschermd noch bevoordeeld.

De aan het Sociaal Fonds verschuldigde bij dragen mogen in geen geval heffingen worden genoemd en kunnen derhalve niet vallen onder de verbodsvoorschriften van de artikelen 9 en 12 van het Verdrag, waarin welbewust in plaats van de aanvankelijk voorgestelde formulering „iedere maatregel van gelijke werking” de term „heffingen van gelijke werking” is gebezigd. Om nu uit te maken of van een heffing van gelijke werking sprake is, moet worden nagegaan of bedoelde heffing een discriminerend of beschermend karakter draagt en derhalve de mededinging tussen de Lid-Staten verstoort. Volgens verzoeker in het bodemgeschil volgt zulks uit 's Hofs jurisprudentie.

Bovendien blijkt uit artikel 95 junctis de artikelen 9, 12 en 13 van het Verdrag, dat de heffingen slechts wanneer zij de al dan niet rechtstreeks op nationale produkten geheven belastingen te boven gaan, een gelijk effect als douanerechten kunnen sorteren.

De beide verweersters in bet bodemgeschil hebben een gelijkluidende memorie overgelegd, waarin zij de feiten hebben vermeld welke tot de bestreden wet hebben geleid en de feitelijke situatie wat betreft de invoer, de bewerking en de handel in ruwe en industriediamant in België hebben beschreven.

Zij hebben statistieken overgelegd om onder meer het economisch belang van deze bedrijfstak aan te tonen, alsook de mate waarin de litigieuze heffing zich op de markt te Antwerpen doet gevoelen. Volgens de statistieken over 1968 beliep de invoer van ruwe diamant 11748000000 Bfr; daarvan is voor 4138000000 Bfr wederom als ruwe diamant uitgevoerd. De invoer van industriediamant beliep 2951000000 Bfr en de uitvoer 2950000000 Bfr. Deze transacties betroffen grotendeels diamant van een hogere waarde dan 300 franken per karaat, zodat de heffing toepasselijk was.

Voor wat de invoer van ruwe diamant in 1968 betreft, komt de heffing van 1/3 % overeen met 39160000 franken; voor industriediamant wordt zij op 8660000 franken geschat. Het totaalbedrag van de belasting op de verschillende uit België in de andere E.E.G.-landen ingevoerde diamantsoorten beloopt 5400000 franken.

Met name ten aanzien van de industriediamant is door verweersters in het bodemgeschil betoogd, dat deze bedrijfstak met diamantbewerking niets van doen heeft, waaruit dan te meer de ongerijmdheid blijkt van een wet die kopers van diamant in de gehele Gemeenschap de last van aan de Belgische diamantarbeiders toegekende sociale voordelen doet dragen. Mocht deze belasting blijven bestaan, dan zou de desbetreffende tak van handel zich wel eens naar een ander E.E.G.-land — men denke vooral aan Nederland — kunnen verplaatsen. Voor wat betreft de door de Vrederechter te Antwerpen opgeworpen rechtsvragen verwijzen verweersters in het bodemgeschil naar een bij hun memories gevoegd advies van twee hoogleraren in de rechtsfaculteit te Brussel.

Ten aanzien van de artikelen 9 en 12 van het E.E.G.-Vetdrag hebben de auteurs van dit advies betoogd, dat bij de uitlegging dezer algemene bepalingen artikel 37, dat een bijzonder onderwerp regelt, buiten beschouwing moet blijven. Zij verzetten zich tegen de opvatting, dat aan een bij — en wegens — invoer toegepaste heffing slechts eenzelfde werking als aan douanerechten zou kunnen toekomen wanneer tussen de desbetreffende produkten en nationale produkten een concurrentieverhouding bestaat. Zij menen dat door het Verdrag is beoogd niet alleen aan de bescherming van de nationale industrie, doch aan alle handelsbelemmeringen een einde te maken. Dit ligt in de lijn van een der wezenlijke doelstellingen der gemeenschappelijke markt, namelijk de invoering van een regiem waarvoor wordt gewaarborgd dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst. Het ware daarom niet juist te menen, dat aan een heffing wegens invoer welke niet beoogt de nationale produktie te beschermen, geen gelijke werking als aan douanerechten toekomt.

Ten aanzien van de vraag of een belasting als een heffing met gelijke werking moet worden beschouwd, ook al mist zij een fiscaalrechtelijke kwalificatie en wordt zij niet ten behoeve van de schatkist ingevorderd, verwijst bovengenoemd advies naar 's Hofs arrest in de zaken 52 en 55-65 (Republiek Duitsland tegen de Commissie), volgens hetwelk de vraag of aan een heffing een gelijke werking als aan een douanerecht toekomt, moet worden beoordeeld door haar gevolgen te bezien in het licht van de doelstellingen van het Verdrag, waarbij zowel het doel waartoe een Staat deze belasting invoert als de begeleidende modaliteiten buiten beschouwing blijven.

Ter bepaling van het begrip binnenlandse belasting, bedoeld in artikel 95 van het Verdrag, wordt allereerst opgemerkt dat de Lid-Staten ingevolge een internationaal aanvaard beginsel de last van zodanige heffingen niet op de buitenlandse verbruiker plegen te leggen en dat de exporteur gerechtigd is restitutie te verlangen van de belastingen welke bij vroegere omzetten van het goed waren geheven. Uit 's Hofs rechtspraak volgt dat een verplichte bijdrage niet met de in artikel 95 voorziene binnenlandse belastingen mag worden gelijkgesteld wanneer zulk een heffing — gelijk met de litigieuze belasting het geval is — niet bestemd is de ingevoerde goederen fiscaal in een met die van andere categorieën van produkten vergelijkbare situatie te brengen — welke ook hun herkomst zij —, niet wordt geheven in het kader van een wettelijke regeling betreffende de omzetbelasting, doch een specifieke heffing vormt op ingevoerde produkten en niet wordt gerestitueerd wanneer deze produkten al of niet bewerkt opnieuw worden geëxporteerd.

Voornoemde adviseurs zijn van oordeel, dat uit de artikelen 18 tot 28 van het Verdrag betreffende het gemeenschappelijk douanetarief, heffingen met gelijke werking voor de beleidsvrijheid der Lid-Staten, in hun verhouding tot derde landen, beperkingen voortvloeien, en wel zulks zelfs ongeacht de toepassing van de artikelen 111 en volgende inzake de gemeenschappelijke handelspolitiek. Deze grenzen schijnen in het onderhavige geval evenwel niet te zijn overschreden.

Meer in het algemeen wordt in dit advies gezegd dat ook een heffing zonder beschermende werking zeer wel de concurrentieverhoudingen op de gemeenschappelijke markt kan verstoren, hetgeen juist in casu het geval is. Van de in artikel 101 voorziene procedure ter opheffing van de distorsies in de mededinging dient slechts subsidiair, namelijk wanneer geen enkele andere verdragsbepaling kan worden toegepast, gebruik te worden gemaakt. In casu moeten bedoelde gevolgen worden geëlimineerd door het in artikel 12 van het Verdrag neergelegde verbod op de litigieuze heffing toe te passen.

Bovendien heeft de onderhavige heffing zelfs een beschermende werking voor wat de nationale verbruikers betreft, immers aan alle verbruikers in de Gemeenschap wordt een last opgelegd ten voordele van bepaalde, in een enkel land van de E.E.G. gevestigde, werkgevers.

Ten slotte verwijst het advies naar de rechtspraak van het Hóf waarin de directe toepasselijkheid der artikelen 12, 37, paragraaf 2, en 95, lid 1, werd aangenomen.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen merkt op dat de hierbedoelde heffing gerekend kan worden tot het brede terrein van de parafiscaliteit. De ervaring leert, dat men om zodanige heffing uit een oogpunt van gemeenschapsrecht te beoordelen, niet met een algemeen onderzoek kan volstaan, doch elk dezer heffingen met inachtneming van alle omstandigheden nauwkeurig op eigen merites dient te toetsen. Men onthoude zich te dezen van algemene conclusies die ook zouden hebben te gelden voor andere heffingen welke, op het eerste gezicht, een nauwe verwantschap vertonen met de heffing die tot het onderhavige hoofdgeding aanleiding gaf, bij welker beoordeling, zowel feitelijk als rechtens, andere factoren in aanmerking dienen te worden genomen.

Ten aanzien van artikel 12 merkt de Commissie op dat voor de beantwoording van de vraag of een heffing moet worden beschouwd als een heffing van gelijke werking als een douanerecht, haar werking moet worden onderzocht in verband met de doelstellingen van het Verdrag, met name wat betreft het vrije goederenverkeer, zonder dat daarbij acht behoeft te worden geslagen op de benaming of de techniek van de heffing, noch ook op het daarmede van Staatswege beoogde doel, noch ook op de bestemming der opbrengst. Het feit dat zij belemmerend werkt op de invoer is evenwel niet voldoende om een heffing of belasting door de artikelen 9 en 12 van het Verdrag verboden te achten.

Ten aanzien van artikel 95 merkt de Commissie op dat 's Hofs rechtspraak met betrekking tot sommige belastingen geheven op ingevoerde en binnenlands niet geproduceerde waren (zaken 27-67 en 31-67), niet rechtstreeks de artikelen 9 en 12 en het daarin omschreven verbod van heffingen met gelijke werking betreft. In deze jurisprudentie wordt grote betekenis toegekend aan het feit dat de betrokken belastingen deel uitmaken van een algemeen stelsel dat op alle soorten binnenlandse en ingevoerde produkten zonder onderscheid van toepassing is. Deze beginselen kunnen derhalve niet zonder nader onderzoek worden toegepast op belastingen als de onderhavige (een speciale belasting op een bepaald produkt). De bevoegdheid van de Lid-Staten bijzondere binnenlandse belastingen op te leggen kan niet op grond van het Verdrag worden betwist; immers in artikel 95, hetwelk de uitoefening dezer bevoegdheid begrenst, wordt met zoveel woorden gesproken van „binnenlandse belastingen van welke aard ook”. Bij gebreke van gelijksoortige nationale produkten mist het onderscheid tussen een bij de invoer toegepaste heffing en een binnenlandse belasting, aan de doelstellingen van het Verdrag getoetst, iedere betekenis.

Binnenlandse belastingen welke, bij gebreke van nationale produktie, alleen de invoer treffen zijn niet steeds met het Verdrag verenigbaar; zulks blijkt uit 's Hofs arrest in de zaak 31-67 waarin aan de vrijheid der Lid-Staten tot het vaststellen der belastingpercentages grenzen zijn gesteld.

Ten aanzien van artikel 18 van het Verdrag merkt de Commissie op dat deze bepaling zich niet verzet tegen het heffen — binnen de door het Verdrag aangegeven grenzen — van binnenlandse belastingen op de invoer van produkten uit de andere Lid-Staten, daar zodanige binnenlandse belasting aan de instelling van een gemeenschappelijk douanetarief niet in de weg kan staan.

Aan artikel 37 kunnen, naar het de Commissie voorkomt, voor de bepaling van het begrip „heffing van gelijke werking” geen conclusies worden verbonden.

Wat het verband tussen de artikelen 9 en 12 en artikel 95 betreft, stelt de Commissie dat beide eerstgenoemde verbodsvoorschriften niet als volstrekter mogen worden beschouwd dan dat van artikel 95. Volgens laatstgenoemde bepaling dient een heffing op de ingevoerde en binnenlands niet vervaardigde goederen als een binnenlandse belasting te worden beschouwd, welke, voorzover het algemene belastingkader van de betrokken Lid-Staat niet te boven gaande, als geoorloofd is te beschou-wen.

Wat de importeurs in België en die in andere Lid-Staten betreft, merkt de Commissie op dat beide groepen op de Belgische markt eenzelfde positie innemen, daar de verplichting tot betaling der onderhavige heffing voor afzet op deze markt voor allen gelijkelijk geldt. Anders is het wanneer een Belgische importeur zijn waren in een andere Lid-Staat wil doorverkopen; hij kan dan de bij invoer in België betaalde heffing niet terugvorderen. Volgens de Commissie wordt voor de uitvoer uit een Lid-Staat het gelijkheidsbeginsel evenwel niet zo ver doorgetrokken — hetgeen aan de strekking van het Verdrag zou hebben beantwoord — dat de Lid-Staten verplicht zijn bepaalde belastingen terug te geven.

Met betrekking tot dit verschil in behandeling waardoor bedoelde wet de Belgische diamantimporteurs zowel ten opzichte van de Belgische diamantfabrikanten als ten opzichte van de diamantfabrikanten in de andere Lid-Staten in het nadeel brengt, merkt de Commissie op dat de wetgevingen der Lid-Staten op fiscaal en sociaal gebied nog sterk uiteenlopen, zodat aan de daaruit voortvloeiende verschillen in behandeling voor de interpretatie van de artikelen 9 en 12 geen conclusies mogen worden verbonden.

De regering van het Koninkrijk België merkt op dat naar Belgisch recht het douanerecht onder het begrip belastingen valt. De bijdragen in de sociale zekerheid mogen met dit begrip niet worden verward, ook al worden zij op dezelfde wijze als bepaalde soorten belastingen vastgesteld en geheven.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van het E.E.G.-Verdrag blijkt dat de artikelen 12 en volgende niet betrekking hebben op enigerlei door een Lid-Staat getroffen maatregel welker gevolgen in feite met die van douanerechten overeenkomen. Door de term heffing van gelijke werking te bezigen wilden de auteurs van het Verdrag voorkomen, dat bepaalde Lid-Staten zouden trachten met een beroep op een nationale interpretatie van het begrip douanerecht de werkelijke doelstellingen van het Verdrag te omzeilen.

Onder bedoeld begrip vallen derhalve alleen heffingen welke de douanerechten aanvullen en slechts op uit het buitenland afkomstige waren — niet op soortgelijke, in het binnenland geproduceerde, goederen — worden geheven. Ook als een heffing de kenmerken van een belasting vertoont, kan zij slechts gezegd worden eenzelfde werking te hebben als een douanerecht wanneer het ingevoerde produkt daardoor in een ongunstiger positie komt te verkeren dan het daarmee overeenkomstige nationale produkt.

Worden binnenslands geen soortgelijke produkten vervaardigd, dan kan niet van een protectionistische tendens gesproken worden en de op de ingevoerde produkten gelegde last kan evenmin tot vervalsing van de mededinging tussen de Lid-Staten leiden.

Wat met name de onderhavige heffing betreft, zij heeft volgens de Belgische Regering uitsluitend ten doel de financiering van een fonds, bestemd om aan de diamantarbeiders sociale voordelen toe te kennen, ten laste van de importeurs van ruwe diamant te brengen, omdat zij van het werk van deze arbeiders indirect profijt trekken.

Dit stelsel komt eveneens gerechtvaardigd voor, in verband met de praktische moeilijkheden aan berekening der bijdrage op grondslag van de salarissen verbonden.

De Belgische Regering merkt ten slotte op dat de Commissie der Europese Gemeenschappen de gedachte van de hand wijst, dat de litigieuze bijdrage als een heffing van gelijke werking als een douanerecht zou zijn te beschouwen; in het met redenen omkleed advies, waarmede zij zich op 29 februari 1968 tot de Belgische Regering wendde, overweegt zij namelijk de mogelijkheid de alleen aan Nederland toegekende vrijstelling, welke zij in strijd acht met artikel 7 van het E.E.G.-Verdrag, op te heffen — hetgeen betekent dat er in beginsel geen bezwaar bestaat tegen heffing der bijdrage op de invoer van ruwe diamant uit Lid-Staten —.

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat de Vrederechter van het Tweede Kanton te Antwerpen bij op 16 januari 1969 ter griffie van het Hof ingekomen vonnis van 24 december 1968 krachtens artikel 177 van het Verdrag tot oprichting van de E.E.G. een aantal vragen heeft gesteld, strekkende tot het bekomen van uitlegging van de artikelen 9, 12, 13, 18 en 95 van het E.E.G.-Verdrag;

2. Overwegende dat deze vragen met uitzondering van vraag 5 c) in hoofdzaak ten doel hebben het begrip heffing van gelijke werking als een douanerecht, bedoeld in de artikelen 9 en 12 van het E.E.G.-Verdrag en de strekking van her verbod van zodanige heffing, te doen verduidelijken;

3. dat ook met de verwijzing naar de artikelen 18, 37 en 95 — ter fine van vergelijking met de artikelen 9 en 12 en ter vaststelling van het onderscheid met die artikelen — hetzelfde doel wordt beoogd;

4. dat deze vragen derhalve gezamenlijk dienen te worden behandeld;

5. Overwegende dat volgens artikel 9 de Gemeenschap is gegrondvest op een douane-unie welke berust op het verbod in het verkeer tussen de Lid-Staten van douanerechten en van „alle heffingen van gelijke werking”, alsook op de invoering van een gemeenschappelijk douanetarief voor hun betrekkingen met derde landen;

6. dat artikel 12 de invoering van „nieuwe invoerrechten of heffingen van gelijke werking” en de verhoging van die, welke reeds van kracht zijn, verbiedt;

7. Overwegende dat het essentiële belang van de aldus omschreven verbodsbepalingen voldoende blijkt uit de plaatsing van deze artikelen aan het begin van het deel gewijd aan de „grondslagen van de Gemeenschap”, die van artikel 9 als eerste artikel van de titel over „het vrije verkeer van goederen” en die van artikel 12 als eerste artikel van de afdeling die handelt over „afschaffing van de douanerechten”;

8. dat deze verbodsbepalingen van zo groot gewicht zijn, dat het Verdrag iedere mogelijke leemte in de toepassing ervan heeft willen voorkomen, ten einde te vermijden dat de uitvoering zou worden ontdoken door maatregelen van douane-technische of fiscale aard;

9. dat aldus artikel 17 voorschrijft, dat de verbodsbepalingen van artikel 9 zelfs zullen worden toegepast op douanerechten van fiscale aard;

10. dat artikel 95, dat behoort tot het deel van het Verdrag getiteld „het beleid der Gemeenschap” en tot het hoofdstuk over „bepalingen betreffende de belastingen”, ertoe strekt om door middel van het verbod op ingevoerde waren hogere binnenlandse belastingen te heffen dan op de nationale produktie worden geheven, de inbreuken te vermijden die langs een fiscale omweg op de verbodsbepalingen zouden kunnen worden gemaakt;

11. Overwegende dat waar in het Verdrag douanerechten worden verboden, tussen goederen geen onderscheid wordt gemaakt naar gelang zij al dan niet met de produkten van het invoerende land concurreren;

12. dat met de afschaffing van belemmeringen van douanerechtelijke aard dus niet alleen is beoogd daaraan het beschermend karakter te ontnemen, doch dat het Verdrag, integendeel, aan het beginsel van opheffing van douanerechten en heffingen van gelijke werking, ter verzekering van het vrije verkeer van goederen, een algemene strekking en werking heeft willen toekennen;

13. dat uit dit stelsel als geheel en uit de algemene en volstrekte aard van het verbod van alle douanerechten in het goederenverkeer tussen de Lid-Staten blijkt dat de douanerechten verboden zijn onafhankelijk van iedere overweging nopens het doel waarmede zij werden ingevoerd of de bestemming hunner opbrengsten;

14. dat dit verbod zijn rechtvaardiging vindt in de belemmeringen welke geldelijke lasten wegens grensoverschrijding — al mogen zij gering zijn — voor het goederenverkeer opleveren;

15. Overwegende dat de uitbreiding van het verbod van douanerechten tot heffingen van gelijke werking dient om het verbod der uit die rechten voortvloeiende handelsbelemmeringen aan te vullen en wel in dier voege dat het doeltreffend werkt;

16. dar men door deze beide elkaar aanvullende begrippen te bezigen heeft willen voorkomen dat in de handel tussen Lid-Staten enigerlei geldelijke last zou worden opgelegd wegens het overschrijden der grenzen van een Staat door goederen die in de Gemeenschap circuleren;

17. dat ten einde te kunnen vaststellen of een bepaalde heffing gelijke werking heeft als een douanerecht, deze werking dient te worden onderzocht uit het oogpunt van de doeleinden van het Verdrag, gelijk die zijn neergelegd in het deel, de titel en het hoofdstuk waarin de artikelen 9 en 12 zijn opgenomen en in het bijzonder in verband met het vrije goederenverkeer;

18. dat ongeacht benaming en structuur een eenzijdig opgelegde geldelijke last — ook al moge zij gering zijn — die wegens grensoverschrijding op nationale of buitenlandse goederen wordt gelegd en geen douanerecht is in eigenlijke zin, derhalve een heffing van gelijke werking in de zin van de artikelen 9 en 12 van het Verdrag oplevert, zelfs wanneer deze last niet ten behoeve van de Staat wordt geheven, geen enkele discriminerende of beschermende werking heeft en al concurreert het belaste produkt nit met enige nationale produktie;

19. Overwegende dat uit het geheel dezer voorschriften en uit hun verband met de andere bepalingen van het Verdrag volgt dat het verbod van nieuwe douanerechten of heffingen van gelijke werking, gebonden als het is aan het beginsel van het vrije goederenverkeer, een wezenlijke regel is welke, onverminderd andere Verdragsvoorschriften, geen uitzonderingen lijdt;

20. dat te dien aanzien uit de artikelen 95 en volgende blijkt, dat het begrip heffing van gelijke werking niet mede omvat belastingen welke op dezelfde wijze op gelijksoortige of vergelijkbare nationale produkten binnen de Staat worden geheven, dan wel, bij gebreke van zodanige produkten, in het kader van een algemene binnenlandse belasting vallen of tot doel hebben om binnen de in het Verdrag getrokken grenzen zodanige binnenlandse belastingen te compenseren;

21. dat verder, ofschoon het niet is uitgesloten dat in sommige gevallen voor een bepaalde en werkelijk verleende dienst een daaraan evenredige tegenprestatie mag worden verlangd, zulks zich slechts in bijzondere gevallen zal voordoen, welke nooit tot ontduiking van de voorschriften der artikelen 9 en 12 van het Verdrag kunnen leiden;

22. Overwegende dat de Verdragsbepalingen waarin voormelde verboden zijn neergelegd, aan de Lid-Staten bepaalde en duidelijk omschreven verplichtingen opleggen, welke zonder enige verdere maatregel van communautaire of nationale gezagsorganen kunnen worden uitgevoerd;

23. dat deze bepalingen dan ook rechtstreeks ten behoeve van de justitiabelen rechten doen ontstaan;

24. Overwegende dat het Verdrag, waar het alle nieuwe geldelijke lasten wegens grensoverschrijdend goederenverkeer binnen de Gemeenschap verbiedt, geen enkel onderscheid tussen de onderdanen der verschillende Lid-Staten maakt;

25. dat immers geldelijke lasten op de invoer en de uitvoer tussen Lid-Staten in het Verdrag worden verboden, ongeacht de nationaliteit van hen die aan het economisch verkeer deelnemen en door zulke maatregelen in het nadeel geraken;

26. dat het derhalve onjuist ware om bij de toepassing dezer bepalingen onderscheid te maken naar gelang door bedoelde maatregelen bepaalde Lid-Staten en hun onderdanen dan wel alle onderdanen van de Gemeenschap of alleen de onderdanen van de Staat die bedoelde maatregelen nam, worden benadeeld;

27. Overwegende dat de Vrederechter van het Tweede Kanton te Antwerpen sub vraag 5 c vraagt, of een nieuwe belasting die de invoer uit alle vreemde landen treft, steeds, als met het Verdrag onverenigbaar, verboden is omdat zij een belemmering zou vormen voor de invoering van het gemeenschappelijk douanetarief;

28. Overwegénde dat het Verdrag wat het verkeer met derde landen betreft, geen uitdrukkelijke voorschriften bevat overeenkomende met die welke in het verkeer tussen de Lid-Staten heffingen van gelijke werking als douanerechten verbieden;

29. dat het bestaan van andere geldelijke lasten dan douanerechten in eigenlijke zin, welke vóór de invoering van het gemeenschappelijk douanetarief door een Lid-Staat mochten zijn toegepast bij invoer op zijn grondgebied van uit derde landen rechtstreeks afkomstige goederen, geen belemmering kon vormen voor de aanpassing van de douanetarieven van iedere Lid-Staat aan de percentages van het gemeenschappelijk douanetarief;

30. dat weliswaar de doelstellingen, die de Lid-Staten door de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief in hun betrekkingen met derde landen nastreven, in het gedrang zouden kunnen komen doordien een Lid-Staat vorenbedoelde maatregelen eenzijdig neemt of handhaaft, met name wanneer de regel van het vrije verkeer der in een Lid-Staat vrij verhandelbare goederen niet toereikend zou blijken om de gevolgen van deze nationale maatregelen weg te nemen;

31. dat in zodanige gevallen de vraag zich zou kunnen voordoen of het Verdrag grenzen stelt aan de vrijheid der Staten om maatregelen te nemen dan wel te handhaven, die de werking van het gemeenschappelijk douanetarief zouden verstoren;

32. dat deze vraag evenwel slechts aan de orde kan komen met betrekking tot het tjidvak na de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief;

#### Ten aanzien van de kosten

33. Overwegende dat de kosten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de regering van het Koninkrijk België die haar opmerkingen aan het Hof hebben voorgelegd, niet terugvorderbaar zijn;

34. dat de onderhavige procedure ten aanzien van partijen het karakter draagt van een incident in een geding voor de Vrederechter te Antwerpen en de kostenbeslissing derhalve aan laatstgenoemde rechter staat;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende inzake de bij vonnis van de Vrederechter in het Tweede Kanton te Antwerpen van 24 december 1968 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1\. Onder een heffing van gelijke werking als bedoeld in de artikelen 9 en 12 van het E.E.G.-Verdrag is te verstaan iedere geldelijke last welke — zonder een douanerecht in eigenlijke zin te zijn — wegens grensoverschrijding op binnen de Gemeenschap circulerende goederen wordt gelegd, voorzover zij niet bij specifieke Verdragsbepalingen is toegelaten;

2\. Onverminderd de mogelijk ter verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk douanetarief op te leggen beperkingen, acht het Verdrag geldelijke lasten welke niet douanerechten in eigenlijke zin zijn en door een Lid-Staat vóór de invoering van dit tarief werden toegepast op de invoer van rechtstreeks uit derde landen afkomstige goederen, niet onverenigbaar met de eisen betreffende de geleidelijke aanpassing der nationale douanetarieven aan het gemeenschappelijk buitentarief.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Rechtspraak

2

### Europese Unie

2

Hof van Justitie C-537/16 20.03.2018

#### [Marktmanipulatie, sancties](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-537-16-arrest)

Conclusie van advocaat-generaal Jacobs C-166/94 26.10.1995

#### [Verordening 2777/75 art. 11, richtlijn 69/73 art. 16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-166-94-conclusie)

## Rechtsleer

3

Catalano, Nicola: Il Foro italiano 1969 IV Col.117-118 (IT)

Schermers, H.G.: Ars aequi 1969 p.443-444 (NL)

Van Empel, M.: Sociaal Fonds voor de Diamantarbeiders, Antwerp v. S.A. Ch. Bruckfeld & Sons and Chougol Diamond Co., Consolidated Cases 2-3/69. Decision of July 1, 1969. Preliminary ruling on request by the Vrederechter (district judge) of Antwerp (Second District), Common Market Law Review 1970, Volume 7, Issue 1, p. 77-81 (EN)
