---
title: "HvJ EU, 194/85 en 241/85, arrest van 25 februari 1988 · EEG-Verdrag art. 30 en art. 169"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 februari 1988, 194/85 en 241/85: EEG-Verdrag art. 30 en art. 169."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-194-85-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-194-85-arret"
---

# Arrest van het Hof van 25 februari 1988, 194/85 en 241/85 · EEG-Verdrag art. 30 en art. 169

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaken**

194/85, 241/85

**ECLI**

ECLI:EU:C:1988:95

**Datum**

25 februari 1988

## De zaak

**Procedure**

Beroep wegens niet-nakoming gegrond

**Zaak ingediend op**

21 juni 1985

**Advocaat-generaal**

Cruz Vilaça

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Grieks

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1988, blz. 1037

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

O'Higgins

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Toetreding van nieuwe lidstaten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-23) [Toetredingsakten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-23.02) [Toetredingsakte van Griekenland](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-23.02.02) [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-23.02.02.02) [Algemene bepalingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-23.02.02.02.01) 3 beslissingen

## Tekst

38 paragrafen

### Arrest

1. Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 juni en 5 augustus 1985, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen — in de eerste zaak — dat de Helleense Republiek de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door de invoer van bananen van oorsprong uit of zich bevindende in het vrije verkeer in andere Lid-Staten, afhankelijk te stellen van de afgifte van een vergunning en de afgifte van dergelijke vergunningen te weigeren, en — in de tweede zaak — dat de Helleense Republiek, door de invoer van bananen van oorsprong uit ACS-landen te verbieden, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de tweede ACS-EEG-Overeenkomst, ondertekend op 31 oktober 1979 te Lomé (PB 1980, L 347, blz. 1; hierna: Overeenkomst van Lomé).

2. Krachtens een nadien regelmatig verlengd besluit van de minister van Handel van 24 december 1980 is voor de invoer van bananen in Griekenland sedert 1 januari 1981 een vergunning vereist. Vaststaat, dat aanvragen om vergunningen voor de invoer van bananen van oorsprong uit of zich bevindende in het vrije verkeer in andere Lid-Staten, systematisch worden afgewezen. Vaststaat eveneens, dat er in Griekenland een algeheel verbod bestaat op de invoer van bananen van oorsprong uit de ACS-staten.

3. De Commissie was van oordeel, dat het vereiste van een invoervergunning en de weigering om dergelijke vergunningen af te geven, maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen vormden. Na de Griekse regering bij brief van 14 juli 1983 in staat te hebben gesteld haar opmerkingen te maken, bracht de Commissie op 14 mei 1984 een met redenen omkleed advies uit, volgens hetwelk de Helleense Republiek de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen door voor bananen van oorsprong uit of zich bevindende in het vrije verkeer in andere Lid-Staten, de thans in geding zijnde maatregelen vast te stellen.

4. In haar antwoord op het met redenen omkleed advies maakte de Griekse regering gewag van het bestaan van een nationale marktordening voor bananen en voerde zij aan, dat zij bijgevolg krachtens de bepalingen van artikel 65, lid 2, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing der Verdragen, gevoegd bij het Verdrag van 28 mei 1979 betreffende de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna: Toetredingsakte), gerechtigd was de omstreden maatregelen te nemen. De Commissie bracht vervolgens op 13 maart 1985 een aanvullend met redenen omkleed advies uit. Daarin stelde zij, dat ook al zou er een dergelijke marktordening bestaan, het algehele invoerverbod voor bananen niet in overeenstemming kon zijn met het gemeenschapsrecht, aangezien volgens artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking enkel zijn toegestaan voor zover zulks strikt noodzakelijk is om de handhaving van de nationale marktordening te waarborgen. Toen de Griekse regering het met redenen omkleed advies niet opvolgde, heeft de Commissie het beroep in zaak 194/85 ingesteld.

5. Bij brief van 13 december 1984 aan de Griekse regering stelde de Commissie vast, dat de invoer in Griekenland van bananen van oorsprong of herkomst uit ACS-staten verboden is. De Commissie gaf de Griekse regering te kennen, dat dat verbod met name in strijd was met artikel 3, lid 1, van de Overeenkomst van Lomé. Omdat de argumenten die de Griekse regering in haar antwoord op deze brief aanvoerde, de Commissie geen aanleiding gaven haar standpunt te wijzigen, bracht deze op 6 juni 1985 een met redenen omkleed advies uit. Toen de Griekse regering hieraan geen gevolg gaf, heeft de Commissie het beroep in zaak 241/85 ingesteld.

6. Voor een nadere uiteenzetting van de nationale wettelijke regeling, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

### Zaak 194/85

7. De Commissie baseert haar beroep op de stelling, dat zelfs een zuiver formeel vereiste inzake invoervergunningen een door de artikelen 30 en volgende EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is. De systematische weigering om in het intracommunautaire handelsverkeer een invoervergunning af te geven, zou dus zeker een inbreuk op die bepalingen vormen.

8. De Griekse regering stelt, dat zij op grond van artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte mag afwijken van haar verplichtingen ingevolge artikel 30 EEG-Verdrag.

9. Volgens vaste rechtspraak van het Hof staat artikel 30 EEG-Verdrag, behoudens de door het gemeenschapsrecht zelf bepaalde uitzonderingen, in de weg aan de toepassing, in de intracommunautaire betrekkingen, van een nationale wetgeving waarbij, zij het ook zuiver formeel, het vereiste van in- of uitvoervergunningen of enig soortgelijk middel zou worden gehandhaafd (arresten van 15 december 1971, gevoegde zaken 51-54/71, International Fruit Company, Jurispr. 1971, blz. 1107, en 15 december 1976, zaak 41/76, Donckerwolcke, Jurispr. 1976, blz. 1921).

10. Volgens artikel 35, dat deel uitmaakt van titel II van de Toetredingsakte, worden „de kwantitatieve in- en uitvoerbeperkingen alsmede alle tussen de Gemeenschap in haar huidige samenstelling en Griekenland bestaande maatregelen van gelijke werking onmiddellijk bij de toetreding afgeschaft”.

11. De Toetredingsakte voorziet evenwel een aantal afwijkingen van de bepaling van artikel 35, zoals die bedoeld in artikel 65, lid 2, waarop de Griekse regering zich beroept.

12. De vraag is dus, of artikel 65, lid 2, in casu van toepassing is en een afwijking van artikel 30 EEG-Verdrag mogelijk maakt.

13.

Artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte bepaalt:

> „Ten aanzien van de produkten die op het tijdstip van toetreding niet onder een gemeenschappelijke ordening der markten vallen, zijn de bepalingen van titel II inzake de geleidelijke afschaffing van de heffingen van gelijke werking als invoerrechten, van de kwantitatieve beperkingen en van de maatregelen van gelijke werking, niet van toepassing op deze heffingen, beperkingen en maatregelen, wanneer zij op het tijdstip van de toetreding deel uitmaken van een nationale marktordening.
>
> Deze bepaling geldt slechts tot op het ogenblik waarop de gemeenschappelijke ordening der markten voor deze produkten van toepassing wordt en uiterlijk tot en met 31 december 1985 en voor zover zulks strikt noodzakelijk is om de handhaving van de nationale marktordening te waarborgen.”

14. De Commissie stelt in de eerste plaats, dat de in geding zijnde nationale maatregelen niet op grond van artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte kunnen worden gerechtvaardigd, aangezien er in Griekenland voor de produktie en de verhandeling van bananen geen nationale marktordening bestaat die voldoet aan de omschrijving die het Hof daarvan heeft gegeven in zijn arrest van 10 december 1974 (zaak 48/74 Charmasson, Jurispr. 1974, blz. 1383). De Commissie ontkent niet, dat er bepaalde maatregelen zijn genomen ter bescherming van de nationale produktie, maar beklemtoont dat die maatregelen niet voldoende zijn om die beschermende regeling in haar geheel het karakter van een nationale marktordening te geven.

15. Zoals het Hof in voornoemd arrest van 10 december 1974 overwoog, kan een nationale marktorganisatie worden omschreven als een geheel van rechtsinstrumenten waarmee de marktregulering voor de betrokken produkten onder toezicht van de overheid wordt gebracht, ten einde door opvoering van de produktiviteit en een optimaal gebruik van de produktiefactoren, met name van de arbeidskrachten, de producenten een redelijke levensstandaard te verzekeren, de markten te stabiliseren de voorziening veilig te stellen en redelijke prijzen voor de verbruikers te verzekeren.

16. Uit het dossier blijkt, dat de Griekse staat financiële steun verleent aan de bananenteelt en ter ondersteuning van de produktie, onder meer door middel van tech-nisch-economische studies en experimenteel onderzoek en door het opstellen van overzichten en statistieken betreffende de bedrijfstak. De staat stelt ook de kwali-teits- en andere criteria vast, waaraan de bananen moeten voldoen om op de markt te mogen worden gebracht. Volgens de Griekse regering zijn de handels- en distributiekanalen verbeterd door de toekenning van verkoopvergunningen voor bananen aan kleine handelaars. Verder was overgegaan tot vaststelling van een kleinhandelsprijs, rekening houdende met de produktie- en vervoerskosten, de waarborg van een redelijke winstmarge voor de handelaar en een redelijke prijs voor de verbruiker. In deze omstandigheden moet worden erkend, dat er in Griekenland een nationale marktordening voor bananen bestaat.

17. In de tweede plaats stelt de Commissie, dat niet is voldaan aan de in de tweede alinea van artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte gestelde voorwaarde; volgens die bepaling geldt de in dit artikel voorziene afwijking van de voorschriften inzake het vrije verkeer enkel voor zover dat strikt noodzakelijk is om de handhaving van de nationale marktordening te waarborgen. Meer bepaald betoogt de Commissie, dat het vereiste van een invoervergunning voor bananen van oorsprong uit of zich bevindende in het vrije verkeer in andere Lid-Staten, en de systematische weigering om dergelijke vergunningen af te geven, niet beschouwd kunnen worden als maatregelen die strikt noodzakelijk zijn om de handhaving van de nationale marktordening voor bananen in Griekenland te waarborgen.

18. De Griekse regering voert aan, dat kwantitatieve invoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking strikt noodzakelijk zijn om de handhaving van de nationale marktordening te waarborgen. Indien de invoer van bananen gedurende de in artikel 65 van de Toetredingsakte bedoelde overgangsperiode werd toegestaan, zou dat leiden tot de financiële ondergang van de bananenproducenten en tot het opgeven van de financieringsprogramma's en de investeringen van de staat. De door de Helleense Republiek toegepaste invoerbeperking zou derhalve in overeenstemming zijn met de geest van artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte.

19. Ten einde de integratie van de Helleense Republiek in de Gemeenschap mogelijk te maken, bepaalt artikel 9, lid 1, van de Toetredingsakte, dat „ten aanzien van de toepassing van de oorspronkelijke Verdragen en van de door de Instellingen genomen besluiten, bij wijze van overgang de in deze Akte neergelegde afwijkende bepalingen gelden”. De Toetredingsakte heeft dus enkel welomschreven termijnen en voorwaarden vastgesteld, om de aanpassing van de Helleense Republiek aan de in de Gemeenschap geldende regels te vergemakkelijken.

20. Hieruit volgt, dat bij de uitlegging van de bepalingen van de Toetredingsakte rekening moet worden gehouden met de grondslagen van de Gemeenschap zoals die door het Verdrag zijn vastgesteld, en dat de door de Toetredingsakte toegestane afwijkingen van de voorschriften van het Verdrag zo moeten worden uitgelegd, dat de doelstellingen van het Verdrag gemakkelijker kunnen worden verwezenlijkt en volledige toepassing van de voorschriften ervan mogelijk wordt.

21. Meer in het bijzonder mogen de bepalingen van de Toetredingsakte op het gebied van de afschaffing van de kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking niet worden uitgelegd zonder daarbij de desbetreffende verdragsbepalingen in aanmerking te nemen.

22. De uitlegging van artikel 65 van de Toetredingsakte, dat betrekking heeft op landbouwprodukten, dient bovendien plaats te vinden in het licht van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, ter uitvoering waarvan dat artikel dient.

23. Zoals het Hof overwoog in zijn arrest van 10 december 1974 (reeds aangehaald), dient de nationale marktordening zich in de loop van de overgangsperiode zoveel mogelijk aan te passen aan de vereisten van de gemeenschappelijke markt, ten einde de totstandbrenging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te vergemakkelijken.

24. De in artikel 65, lid 2, voorziene afwijking voor de aldaar bepaalde overgangsperiode kan enkel gelden voor maatregelen die strikt noodzakelijk zijn om de aanpassing van de Helleense Republiek aan de eisen die de gemeenschappelijke markt stelt aan een nationale marktordening voor landbouwprodukten, te vergemakkelijken.

25. De maatregelen die de Helleense Republiek heeft getroffen, namelijk invoering van een stelsel van invoervergunningen voor bananen van oorsprong uit of zich bevindende in het vrije verkeer in andere Lid-Staten, in combinatie met een praktijk van systematische weigering van dergelijke vergunningen, komen in casu neer op een nagenoeg volledig invoerverbod. De vraag is dus, of een dergelijk nagenoeg volledig verbod strikt noodzakelijk was in de zin van artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte.

26. Dienaangaande heeft de Griekse regering erop gewezen dat, indien de beperkingen werden opgeheven, jaarlijks ongeveer 50000 ton bananen in Griekenland zouden worden ingevoerd, wat ernstige gevolgen zou hebben voor de binnenlandse bananenproducenten. In aanmerking genomen dat bananen in ieder geval na het verstrijken van de overgangsperiode vrij kunnen worden ingevoerd, lijkt een vrijwel volledig invoerverbod niet erg geschikt om de aanpassing van de binnenlandse producenten aan de voorwaarden van de gemeenschappelijke markt te vergemakkelijken. Doordat het de nationale bananenmarkt isoleert, bereidt een dergelijk verbod de Griekse producenten immers niet voor op de onvermijdelijke liberalisatie van de markt na afloop van de overgangsperiode. Dit zou anders zijn, indien de Griekse regering een geleidelijke liberalisatie van de bananeninvoer had toegelaten, eventueel in combinatie met een stelsel van toezicht op de invoer of met een contingenteringsregeling.

27. Mitsdien moet worden vastgesteld dat de in geding gebrachte nationale maatregelen niet strikt noodzakelijk waren om de handhaving van de nationale marktordening te waarborgen in de zin van artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte, en bijgevolg een schending vormden van artikel 30 EEG-Verdrag.

### Zaak 241/85

28. In deze zaak stelt de Commissie, dat de Helleense Republiek, door de invoer van bananen van oorsprong uit ACS-staten te verbieden, de krachtens artikel 3, lid 1, van de Overeenkomst van Lomé op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

29. Volgens genoemd artikel 3, lid 1, „past de Gemeenschap bij de invoer van produkten van oorsprong uit de ACS-staten geen kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking toe”.

30. De Griekse regering beroept zich op artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte, in zoverre deze bepaling een afwijking mogelijk maakt van haar verplichtingen krachtens artikel 30 EEG-Verdrag alsook van die welke voortvloeien uit artikel 6 van de Overeenkomst van Lomé, dat bepaalt dat de regeling voor de invoer van produkten van oorsprong uit de ACS-staten niet gunstiger mag zijn dan die welke wordt toegepast op de handel tussen de Lid-Staten onderling. Wanneer de Griekse regering krachtens artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte kwantitatieve beperkingen mocht instellen voor de invoer van bananen van oorsprong uit of zich bevindende in het vrije verkeer in de Lid-Staten van de Gemeenschap, dan zou zij dienvolgens krachtens artikel 6 van de Overeenkomst van Lomé gelijke beperkingen moeten instellen voor de invoer uit de ACS-staten.

31. In het kader van zaak 194/85 heeft het Hof reeds vastgesteld, dat de Griekse regering zich niet kan beroepen op artikel 65, lid 2, van de Toetredingsakte ter rechtvaardiging van de maatregelen die zij tegen de invoer uit de andere Lid-Staten had getroffen. Hieruit vloeit voort, dat het argument dat de Griekse regering aan artikel 6 van de Overeenkomst van Lomé ontleent, niet kan slagen.

32. Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Helleense Republiek, door de invoer van bananen van oorsprong uit ACS-staten te verbieden, de krachtens artikel 3, lid 1, van de Overeenkomst van Lomé op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

33. Uit het voorafgaande volgt dat de Helleense Republiek, door het invoeren van een stelsel van vergunningen voor de invoer van bananen van oorsprong uit of zich bevindende in het vrije verkeer in andere Lid-Staten, en door in het kader van dat stelsel dergelijke vergunningen systematisch te weigeren, de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, en dat zij, door de invoer van bananen van oorsprong uit ACS-staten te verbieden, de krachtens artikel 3, lid 1, van de Overeenkomst van Lomé op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

### Kosten

34. Krachtens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende, verstaat:

1) Door het invoeren van een stelsel van vergunningen voor de invoer van bananen van oorsprong uit of zich bevindende in het vrije verkeer in andere Lid-Staten, en door in het kader van dat stelsel dergelijke vergunningen systematisch te weigeren, is de Helleense Republiek de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen; door de invoer van bananen van oorsprong uit ACS-staten te verbieden, is zij de krachtens artikel 3, lid 1, van de Overeenkomst van Lomé op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

2

EEG-Verdrag art. 30 10 voorkomens

EEG-Verdrag art. 169 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Hof van Justitie C-349/03 21.07.2005

#### [Wederzijdse bijstand van bevoegde autoriteiten](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-349-03-arrest)

## Rechtsleer

3

Steiner, Josephine: A Round-up of Recent Cases - of Shoes and Ships and Sealing Wax, European Law Review 1988 p.336-345 (EN)

Villar Palasí, José Luis ; Cobos Herrero, Javier: Algunas notas sobre la libertad comercial intracomunitaria y la unidad del tratamiento comercial extracomunitario, Noticias CEE 1989 nº 53 p.169-174 (ES)

Berr, Claude J.: Chronique de jurisprudence de la Cour de justice des Communautés européennes. Libre circulation des marchandises, Journal du droit international 1989 p.413-414 (FR)
