ARREST
De feiten
De feiten, het procesverloop en de conclusiën, middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:
I — Feiten en schriftelijke behandeling
In geding is de toekenning van de ontheemdingstoelage, bedoeld in artikel 4, lid 1, van bijlage VII van het Statuut van de ambtenaren, voor zover ten deze van belang luidende als volgt:
„Een ontheemdingstoelage van 16 % van de som van het basissalaris, de kostwinnerstoelage en de kindertoelage waarop de ambtenaar recht heeft, wordt toegekend aan:
a)de ambtenaar:
—die niet de nationaliteit bezit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, en die deze ook nooit heeft bezeten, en,
—die gedurende een periode van vijf jaar, eindigende zes maanden vóór zijn indiensttreding, niet regelmatig woonachtig is geweest of zijn voornaamste beroepsbezigheden heeft uitgeoefend op het grondgebied in Europa van bedoelde staat...
b)...”
Verzoeker is een Duitser die nimmer de Luxemburgse nationaliteit heeft bezeten; sedert 17 mei 1982 is hij te Luxemburg als ambtenaar van het Europese Parlement (rang A 7) werkzaam.
Het geding betreft in hoofdzaak de vraag of verzoeker voldoet aan de in artikel 4, lid 1, a), tweede streepje, van bijlage VII van het Statuut gestelde voorwaarde dat hij in de — te dezen relevante — periode van 17 november 1976 tot 17 november 1981 niet „regelmatig woonachtig is geweest of zijn voornaamste beroepsbezigheden heeft uitgeoefend” in het Groothertogdom Luxemburg.
De onweersproken feiten zijn de volgende:
Verzoeker is in 1950 in Duitsland geboren en heeft, nadat het gezin in 1958 naar Luxemburg was verhuisd, aldaar tot 1970 de Europese school bezocht. Na in september 1970 met een Luxemburgse te zijn getrouwd, studeerde hij van oktober 1970 tot december 1974 rechten aan de universiteit van Munster (Bondsrepubliek Duitsland). In maart 1975 bracht hij de echtelijke woonplaats over naar Luxemburg.
Van 1 mei 1975 tot eind september 1977 was hij als Rechtsreferendar werkzaam in Rheinland-Pfalz.
In het benoemingsbesluit van de voorzitter van het Oberlandesgericht Koblenz is te dien aanzien het navolgende bepaald:
„... Ik heb u heden tot Rechtsreferendar benoemd. Tevens wordt u geplaatst in de opleiding voor de rechterlijke macht, het openbaar ministerie en hogere ambten ...”
Hieraan is het navolgende toegevoegd:
„Ik neem akte van uw verklaring dat u voor de gehele duur van uw opleiding afstand doet van de vergoeding ... wegens verhuizing ..., vervoer ... en separatie, met uitzondering van de inleidende cursussen en de eindcursus. Ter zake van die cursussen kunt u slechts de werkelijke kosten vanaf Trier in rekening brengen.”
Wat de in artikel 4, lid 1, a), tweede streepje, bedoelde periode betreft, verzoeker heeft gedurende zijn diensttijd als Rechtsreferendar :
—van 1 september 1976 tot 31 november 1976 als junior gewerkt op een advocatenkantoor te Trier;
—van 1 december 1976 tot 28 februari 1977 een stage doorlopen op het Europese Parlement te Luxemburg;
—van 1 maart 1977 tot 28 april 1977 te Saarburg (Rheinland-Pfalz) een Referendarlehrgang doorlopen;
—zich van medio mei 1977 tot eind augustus 1977 bekwaamd voor de Zweite juristische Staatsprüfung en dat examen afgelegd;
—in september 1977 vakantie genoten.
Uit het dossier blijkt dat verzoeker gedurende zijn werkzaamheid als Rechtsreferendar zijn Luxemburgs domicilie heeft aangehouden, waartoe hij in voormeld benoemingsbesluit was gemachtigd.
Van oktober 1977 tot eind februari 1979 was verzoeker vervolgens werkloos.
Op 1 maart 1979 trad hij in dienst bij de Belgische vennootschap Burroughs te Luxemburg, waar hij tot 15 mei 1982 werkzaam is geweest, i.e. tot aan zijn benoeming als stagiaire op het Europese Parlement.
Op 14 juli 1982 verzocht hij om toekenning van de ontheemdingstoelage, bedoeld in artikel 90, lid 1, van het Statuut; dit verzoek werd stilzwijgend afgewezen.
Bij brief van 11 februari 1983 diende hij naar aanleiding van die afwijzing een klacht in als bedoeld in artikel 90, lid 2.
De klacht werd bij brief van de voorzitter van het Europese Parlement d. d. 6 september 1983 verworpen.
Het onderhavige beroepschrift is op 8 september 1983 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Op rapport van de rechterrapporteur en de advocaat-generaal gehoord, heeft het Hof, Derde kamer, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Conclusies van partijen
Verzoeker concludeert dat het den Hove behage:
het beroep ontvankelijk te verklaren;
voor zover nodig, het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn klacht ongegrond te verklaren;
evenwel: voor recht te verklaren dat verzoeker aan de voorwaarden voor toekenning der toelage voldoet;
mitsdien: het Europese Parlement te veroordelen hem met ingang van zijn indiensttreding de ontheemdingstoelage te betalen;
ten aanzien van eventuele interesten naar billijkheid te beslissen;
in ieder geval: het Europese Parlement in de kosten te verwijzen.
Het Europese Parlement concludeert dat het den Hove behage:
verweerder akte te verlenen dat hij de ontvankelijkheid van het beroep niet wenst te betwisten;
het beroep ongegrond te verklaren,
kosten rechtens.
III — Middelen en argumenten van partijen
De ontvankelijkheid van het beroep is niet betwist. De ten gronde voorgedragen middelen en argumenten kunnen worden samengevat als volgt:
1. De feiten
a) Verzoeker wijst erop dat hij vanaf het begin van de referentieperiode (17 november 1976) tot eind september 1977 voornamelijk als Rechtsreferendar in Duitsland werkzaam is geweest. De betrekking die hij van 1 maart 1979 tot aan het eind van de referentieperiode (17 november 1981) te Luxemburg heeft vervuld droeg een „occasioneel” karakter, beantwoordde niet aan zijn opleiding als jurist en kon niet als „voornaamste beroepsbezigheid” worden aangemerkt. Gedurende de referentieperiode zou hij ongeveer 21 maanden in Luxemburg woonachtig zijn geweest, waartegenover de 39 maanden van voorlopige woonachtigheid in Duitsland zouden staan, waarin hij aldaar gewerkt heeft dan wel werk heeft gezocht. Met name zou hij gedurende na te melden tijdvakken en op na te melden plaatsen buiten Luxemburg hebben gewoond: van 17 november tot eind november 1976 en van 1 maart 1977 tot 28 april 1977 te Perl-Nennig (een verklaring van de hoofdbewoner is overgelegd); van medio mei 1977 tot eind augustus 1977 (twee weken uitgezonderd) en van november of december 1977 tot eind februari 1978 bij een oom te Mainz (een verklaring van genoemde oom is overgelegd). Gedurende genoemde twee weken verbleef hij in een hotel te Koblenz; in september en oktober 1977 was hij in Zuid-Europa met vakantie; van maart 1978 tot eind februari 1979 heeft hij als werkzoekende door Duitsland gereisd. Verzoeker voegt hieraan toe dat een Rechtsreferendar ambtenaar in de zin van het Duitse ambtenarenrecht is. Volgens dat recht diende verzoeker in Duitsland een regelmatige woonplaats („ständiger Wohnsitz”) te hebben. De voorzitter van het Oberlandesgericht heeft hem uitsluitend gemachtigd zijn woning in Luxemburg aan te houden.
b) Het Europese Parlement merkt met betrekking tot verzoekers beroepsleven in de referentieperiode op dat hij : gedurende 10 1/2 maand de hoedanigheid van Rechtsreferendar heeft bezeten (17 november 1976 — eind september 1977); meer dan 17 maanden werkloos is geweest (oktober 1977 — eind februari 1979); gedurende 33 maanden (1 maart 1979 — 17 november 1981) te Luxemburg voor een particuliere werknemer heeft gewerkt. Wat betreft verzoekers „regelmatige” woonplaats: blijkens zijn persoonsdossier heeft hij vanaf maart 1975 onafgebroken in Luxemburg gewoond. Anderzijds heeft hij, blijkens zijn klacht, gedurende de referentieperiode slechts negen maanden in Duitsland gewoond, te weten : van 17 november tot eind november 1976 te Trier; van 1 maart 1977 tot 28 april 1977 te Saarburg; van medio mei 1977 tot eind augustus 1977 te Koblenz; van december 1977 tot eind februari 1978 te Mainz. Al mochten deze verblijfsperioden komen vast te staan, dan nog zouden zij als twijfelachtig zijn te beschouwen, waar verzoeker in Duitsland bij een familielid dan wel in een hotel heeft gewoond.
2. In rechte
a) Verzoeker betoogt allereerst dat er in artikel 4, lid 1, a), tweede streepje, van bijlage VII van het Statuut, aan degene die voor de ontheemdingstoelage in aanmerking wenst te komen, twee voorwaarden worden gesteld: betrokkene mag op het grondgebied van het land van tewerkstelling niet regelmatig woonachtig zijn geweest of zijn voornaamste beroepsbezigheden hebben uitgeoefend, en die voorwaarden dragen een alternatief en geen cumulatief karakter. Dit zou ten duidelijkste aan de Franse en Engelse versie en wellicht ook aan de Duitse versie kunnen worden afgelezen. Maar aan beide voorwaarden zou zijn voldaan. In de eerste plaats zou onder woonachtigheid hetzelfde zijn te verstaan als onder „domicile” in het Franse recht dan wel onder „ständiger Wohnsitz” in het Duitse recht. Men wijzigt zijn domicilie door elders werkelijk te gaan wonen, met het voornemen er zijn hoofdverblijf te vestigen. Daarvan uitgaande, kan worden gezegd dat verzoeker pas vanaf maart 1979, toen hij bij de firma Burroughs in dienst trad, als in Luxemburg gedomicilieerd is te beschouwen. Dat hij voordien in Luxemburg verbleef, hield niet meer in dan dat zijn echtgenote en hij er, zolang nog niet vaststond hoe zijn beroepsleven zich zou ontwikkelen, pied-à-terre hadden. Wat in de tweede plaats zijn „voornaamste beroepsbezigheden” betreft: hij was allereerst als jurist in Duitsland werkzaam. Zijn werk voor genoemde firma te Luxemburg was van voorbijgaande, occasionele aard. Verzoeker wijst er in dit verband op dat een Rechtsreferendar een volle dagtaak vervult; hij bekleedt een bij zijn universitaire opleiding aansluitende — en bezoldigde — hoofdbetrekking. Een Rechtsreferendar is ambtenaar naar Duits recht en ontvangt, voor levensonderhoud van hemzelf en zijn gezin, een bezoldiging. Voorheen placht de administratie het voor toekenning van de ontheemdingstoelage voldoende te achten, wanneer betrokkene zijn woonachtigheid in het land van tewerkstelling tijdens de referentieperiode gedurende zes maanden had onderbroken. Dat hierop thans wordt teruggekomen, is als een discriminerende ongelijkheid van behandeling te beschouwen.
b) Anders dan verzoeker, is het Europees Parlement van mening dat de beide voorwaarden, die in de hierbedoelde statutaire bepalingen worden gesteld, negatieve voorwaarden zijn, die elk van beide moeten zijn vervuld. Daar is in de eerste plaats de voorwaarde dat men niet in het land van tewerkstelling „woonachtig” moet zijn geweest, maar die term dekt, blijkens de Franse en de Duitse versie, geen rechtsbegrip, maar een feitelijke situatie. Men dient zich derhalve af te vragen waar betrokkene, afgezien van zijn beroepswerkzaamheden, zijn privéleven heeft doorgebracht. Zulk een uitlegging komt met de bedoeling van de ontheemdingstoelage overeen: anders dan de buitenlandtoelage, is de ontheemdingstoelage „bedoeld om de bijzondere lasten en nadelen te compenseren, die aan de indiensttreding bij de Gemeenschappen zijn verbonden voor ambtenaren die uit dien hoofde genoodzaakt zijn van woonplaats te veranderen” (arrest, op 20. 2. 1975 gewezen in de zaak Airola, 21/74, Jurispr. 1975, blz. 221). Verzoeker is, vanaf het ogenblik waarop zijn vader zich aldaar vestigde en in de jaren waarin hij aldaar lager en middelbaar onderwijs volgde, te Luxemburg „woonachtig” geweest en heeft zich er na zijn huwelijk gevestigd. Voorts zijn daar verzoekers pretense „voornaamste beroepsbezigheden”; het Europese Parlement is van mening dat een Rechtsreferendar geen eigenlijk ambt vervult, doch veeleer in het kader van zijn beroepsopleiding een bezoldigde stage van bepaalde duur („Vorbereitungsdienst)” doorloopt. De administratie heeft te dezen haar gedragslijn inderdaad gewijzigd; zij vond daartoe met name aanleiding in het arrest, op 17 februari 1976 gewezen in de zaak-Delvaux, 42/75, Jurispr. 1976, blz. 167. De hoofden van administratie der instellingen hebben sedert dat arrest hun gedragslijn in die zin gewijzigd dat een afwezigheid van ten minste zes maanden van betrokkene gedurende de periode van vijf jaar vóór zijn indiensttreding bij de Gemeenschappen, niet langer is te beschouwen als een voorwaarde waarvan de vervulling, voor toekenning van de ontheemdingstoelage, imperatief is voorgeschreven, doch veelal als een gegeven dat de administratie in staat stelt te beoordelen of er van regelmatige woonachtigheid sprake geweest is.
IV — Mondelinge behandeling
De zaak is ter terechtzitting van 21 juni 1984 door partijen bepleit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 11 juli 1984 zijn conclusie genomen.
In Rechte
Bij op 8 september 1983 ter griffie ingediend verzoekschrift heeft H. Witte, die sinds 17 mei 1982 als ambtenaar van het Europese Parlement te Luxemburg werkzaam is, de toekenning gevorderd van de ontheemdingstoelage bedoeld in artikel 4, lid 1, van bijlage VII van het Statuut van de ambtenaren.
Volgens die bepaling wordt de ontheemdingstoelage ten bedrage van 16 °/o van de som van het basissalaris en bepaalde toelagen, toegekend aan „de ambtenaar die niet de nationaliteit bezit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, en die deze ook nooit heeft bezeten, en die gedurende een periode van vijf jaar, eindigende zes maanden vóór zijn indiensttreding, niet regelmatig woonachtig is geweest of zijn voornaamste beroepsbezigheden heeft uitgeoefend op het grondgebied in Europa van bedoelde staat”; bedoelde periode liep in casu van 17 november 1976 tot 17 november 1981.
Verzoeker was van mening dat hij aan voormelde voorwaarden voor toekenning van de ontheemdingstoelage voldeed, diende een tot toekenning van die toelage strekkend verzoek in als bedoeld in artikel 90, lid 1, van het Statuut en beklaagde zich, na verwerping van dat verzoek, overeenkomstig artikel 90, lid 2. Toen ook op zijn klacht afwijzend werd beschikt, voorzag hij zich in beroep.
Blijkens het dossier heeft verzoeker, die Duitser is en nimmer de Luxemburgse nationaliteit heeft bezeten, sedert 1958, toen zijn vader als ambtenaar van het Europese Parlement aldaar werd tewerkgesteld, in het Groothertogdom Luxemburg gewoond. In maart 1975 vestigde hij er zijn echtelijk domicilie. In de hierbedoelde periode van vijf jaar, 17 november 1976 — 17 november 1981, is hij tot september 1977 als Rechtsreferendar werkzaam geweest in de Bondsrepubliek Duitsland, waar hij om die reden van 17 november tot eind november 1976, van 1 maart tot 28 april 1977 en van medio mei tot eind augustus 1977 heeft gewoond. Gedurende bedoelde verblijfsperioden in de Bondsrepubliek Duitsland, hield hij evenwel zijn echtelijk domicilie te Luxemburg aan.
In de hieropvolgende werkloosheidsperiode, oktober 1977 — eind februari 1979, heeft hij, behoudens een periode van drie à vier maanden, gelegen tussen november/december 1977 en eind februari 1978, waarin hij als werkzoekende in de Bondsrepubliek Duitsland verbleef, wederom met zijn gezin te Luxemburg gewoond. Tenslotte heeft hij van 1 maart 1979 tot 17 november 1981, toen de referentieperiode afliep, voor een particuliere firma te Luxemburg gewerkt en aldaar met zijn gezin gewoond.
Verzoeker betoogt in de eerste plaats dat het Parlement het Statuut van de ambtenaren heeft geschonden door op zijn verzoek om toekenning van de ontheemdingstoelage afwijzend te beschikken. De in de omstreden statutaire bepaling gestelde voorwaarden — hij mocht op het grondgebied van de staat zijner standplaats niet woonachtig zijn geweest en aldaar niet zijn voornaamste beroepsbezigheden hebben uitgeoefend — zouden alternatieve voorwaarden zijn, in dier voege dat voor de toelage aan slechts één dier voorwaarden behoefde te zijn voldaan. Verzoeker zou evenwel aan elk van beide voorwaarden voldoen.
Volgens het Europese Parlement bevond de betrokken ambtenaar zich evenwel in geen van de beide in de omstreden bepaling bedoelde situaties. Verzoeker zou niet slechts regelmatig in Luxemburg woonachtig zijn geweest, doch er ook zijn voornaamste beroepsbezigheden hebben uitgeoefend.
Volgens de verschillende taalversies van de omstreden statutaire bepaling heeft men de ontheemdingstoelage slechts willen zien toegekend in gevallen waarin niet wordt vastgesteld dat één van beide in die bepaling bedoelde situaties is ingetreden. Zoals het Hof meermalen (onder meer in het op 20. 2. 1975 gewezen arrest, Airola, 21/74, Jurispr. 1975, blz. 221) heeft overwogen, is de ontheemdingstoelage bedoeld om de bijzondere lasten en nadelen te compenseren, die aan de indiensttreding bij de Gemeenschappen zijn verbonden voor ambtenaren die uit dien hoofde genoodzaakt zijn van woonplaats te veranderen. Verzoeker kan op die toelage dus alleen aanspraak maken wanneer hij noch regelmatig op Luxemburgs grondgebied woonachtig is geweest, noch aldaar zijn voornaamste beroepsbezigheden placht uit te oefenen.
In casu kan worden volstaan met de vaststelling dat verzoeker gedurende de gehele referentieperiode in Luxemburg heeft gewoond en zijn verblijf aldaar slechts gedurende enkele korte perioden van niet meer dan drie à vier maanden, te zamen niet meer dan negen à tien maanden bedragende, heeft onderbroken.
Dat deze niet op Luxemburgs grondgebied doorgebrachte verblijfsperioden een zeer voorlopig karakter droegen, blijkt temeer uit het feit dat verzoeker toen bij een familielid, respectievelijk in een hotel heeft gewoond, terwijl zijn echtgenote hem niet vergezelde. Het blijkt ook uit de door verzoeker zelf overgelegde verklaringen, en uit het besluit waarbij hij door de voorzitter van het Oberlandesgericht Koblenz tot Rechtsreferendar is benoemd, waarin te lezen staat dat verzoeker, behalve voor een aantal tot zijn beroepswerkzaamheden behorende opleidingscursussen, voor de gehele duur van zijn tewerkstelling als zodanig van verhuis-, vervoers- en separatievergoedingen had afgezien.
Zulke sporadische en kortstondige verblijfsperioden buiten het land van zijn standplaats, tijdens welke ook niet is gebleken van de bedoeling van de betrokkene zijn belangensfeer permanent naar een andere staat te verleggen, zijn niet voldoende zwaarwegend om zijn verblijf in de staat waar de standplaats is gelegen, niet langer als woonachtigheid in de zin van bedoelde statutaire bepaling te beschouwen.
Aangezien verzoeker derhalve in de hierbedoelde periode regelmatig op Luxemburgs grondgebied woonachtig is geweest, moet de grief betreffende schending van het Statuut worden verworpen, in dier voege dat niet behoeft te worden onderzocht of verzoeker aldaar in die periode bovendien zijn voornaamste beroepsbezigheden heeft uitgeoefend.
Aan zijn beroep legt verzoeker in de tweede plaats schending van het beginsel ener gelijke behandeling ten grondslag. De instellingen van de Gemeenschap zouden de omstreden statutaire bepaling steeds in dier voege hebben toegepast dat reeds wie gedurende de referentieperiode het land waar de standplaats is gelegen, gedurende zes maanden verlaat, op de ontheemdingstoelage aanspraak zou kunnen maken. Ook zou er een constante gedragslijn hebben bestaan volgens welke de gezinsleden van de ambtenaren der Gemeenschappen die bedoelde amtenaren naar de staat der standplaats zijn gevolgd, voor de toekenning van de ontheemdingstoelage geacht werden aldaar geen verblijf te hebben gehouden.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft het Europese Parlement te dezen een toelichting verschaft, volgens welke de administraties van de instellingen der Gemeenschappen in 1974 waren overeengekomen dat de ontheemdingstoelage moest worden toegekend wanneer betrokkene gedurende de vijf bedoelde jaren ten minste een aaneengesloten tijdvak van zes maanden buiten de staat van de standplaats had doorgebracht, maar in 1977 zou die gedragslijn zijn gewijzigd ten gunste van een flexibeler benadering, die de bijzonderheden die zich van geval tot geval voordeden, meer recht deed wedervaren. Voorts zou men in een door de Rekenkamer in 1981 uitgebracht rapport aanleiding hebben gevonden terug te komen op de praktijk volgens welke de echtgenote en kinderen — tot de leeftijd van 18 jaar — van bij internationale organisaties werkzame ambtenaren, voor de toekenning van de ontheemdingstoelage, met die ambtenaren werden gelijkgesteld.
Afgezien van het feit dat niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren, kan in casu niet worden geconcludeerd dat het Europese Parlement, door op het verzoek om toekenning van de ontheemdingstoelage afwijzend te beschikken, is afgeweken van een ten tijde van het aangevochten besluit nog gevolgde administratieve praktijk. De grief dat het beginsel van gelijke behandeling zou zijn geschonden, faalt derhalve.
Op grond van een en ander moet het beroep worden verworpen.
Kosten
Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen.
Evenwel blijven volgens artikel 70 van dat Reglement, in door ambtenaren van de Gemeenschappen aangespannen gedingen, de door de instellingen gemaakte kosten te haren laste.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende:
1. Verwerpt het beroep.
2. Verstaat dat elk van beide partijen de eigen kosten zal dragen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Rechtspraak
2Europese Unie
2Hof van JustitieC-259/1010.11.2011
Vrijstellingen
Conclusie van advocaat-generaal KokottC-309/0613.12.2007