---
title: "HvJ EU, 181/73, arrest van 30 april 1974 · Verordening 816/70 art. 9, EEG-Verdrag art. 177"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 april 1974, 181/73: verordening 816/70 art. 9, EEG-Verdrag art. 177."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-181-73-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-181-73-arret"
---

# Arrest van het Hof van 30 april 1974, 181/73 · Verordening 816/70 art. 9, EEG-Verdrag art. 177

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

181/73

**ECLI**

ECLI:EU:C:1974:41

**Datum**

30 april 1974

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Tribunal de première instance de Bruxelles (België) beslissing van 17 oktober 1973 28.221

**Zaak ingediend op**

7 november 1973

**Advocaat-generaal**

Warner

**Nationale beslissing na het arrest**

Tribunal de première instance de Bruxelles, 7e chambre beslissing van 29 juni 1977 28.221

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Frans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1974, blz. 449

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Monaco

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Internationale overeenkomsten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-25%2C578-6.07) [De verschillende door de Gemeenschap gesloten overeenkomsten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-25.05) 23 beslissingen
  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [De gemeenschappelijke marktordeningen per product](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04) [Wijn](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.06) [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.06.02) 2 beslissingen
  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Prejudiciële verwijzing](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04) [Voorlegging aan het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04.01) [Begrip door de instellingen verrichte handeling](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04.01.05) 7 beslissingen

## Tekst

90 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat het verwijzingsvonnis en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het schriftelijk procesverloop

1.

Vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 816/70 van de Raad van 28 april 1970 (PB 1970, nr. L 99), „houdende aanvullende bepalingen inzake de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt” werd de invoer van Griekse wijn op het grondgebied van de Benelux aan geen enkel douanerecht noch aan kwantitatieve beperkingen onderworpen. Na de sluiting van de op 9 juli 1961 te Athene ondertekende „Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Griekenland” (PB 1960, nr. 26) (hierna te noemen „Overeenkomst van Athene”), hebben België, Luxemburg en Nederland verklaard op invoer uit Griekenland de regeling toe te passen waaraan de invoer uit Duitsland, Frankrijk en Italië is onderworpen en waarbij geen douanerechten worden geheven.

Op 1 juni 1970 is verordening nr. 816/70 in de Gemeenschap in werking getreden. Artikel 9 daarvan bepaalt met name dat:

—een referentieprijs wordt vastgesteld voor rode en witte wijn;

—indien de prijs franco grens beneden de referentieprijs, verhoogd met de douanerechten, daalt, een compenserende heffing op de invoer wordt gelegd, die gelijk is aan het verschil tussen deze beide prijzen.

De „uitvoeringsbepalingen inzake de berekening van de aanbiedingsprijzen franco grens en de vaststelling van de compenserende heffing in de wijnsector” zijn door de Commissie vastgesteld bij de eveneens op 1 juni 1970 in werking getreden verordening nr. 1019/70 van 29 mei 1970 (PB 1970, nr. L 118).

Met name zijn de volgende bepalingen van de Overeenkomst van Athene voor de gestelde vragen van belang:

> „*Protocol nr. 14, paragraaf 2*
>
> Het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden passen op de invoer uit Griekenland de regeling toe, waaraan de invoer uit Duitsland, Frankrijk en Italië onderworpen is.”
>
> „*Artikel 37, lid 2, sub a*
>
> Ten aanzien van de landbouwprodukten die niet voorkomen op de lijst van bijlage III en in afwijking van het bepaalde in de artikelen 13, 14, 15, 17, 25, 26 en 27 van deze overeenkomst onthouden de Overeenkomstsluitende Partijen zich ervan:
>
> a) in hun onderlinge verkeer nieuwe in-en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking in te voeren en de rechten en heffingen te verhogen, die zij op het tijdstip waarop deze overeenkomst in werking treedt, in haar handelsbetrekkingen toepassen.”
>
> „*Artikel 41, lid 1*
>
> Voor zover de geleidelijke afschaffing van douanerechten en kwantitatieve beperkingen tussen de Overeenkomstsluitende Partijen kan leiden tot zodanige prijzen dat de in artikel 39 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap gestelde doeleinden in gevaar worden gebracht, is het, enerzijds, aan de Gemeenschap met ingang van de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en, anderzijds, aan Griekenland met ingang van de inwerkingtreding van deze overeenkomst, toegestaan voor bepaalde produkten een stelsel van minimumprijzen toe te passen beneden welke de invoer:
>
> —hetzij tijdelijk kan worden geschorst of verminderd,
>
> —hetzij kan worden onderworpen aan de voorwaarde dat de invoer plaatsvindt tegen een hogere prijs dan de voor het betrokken produkt vastgestelde minimumprijs.
>
> In het tweede geval worden de minimumprijzen vastgesteld exclusief douanerechten.”
>
> „Artikel 43
>
> Wanneer een produkt onder een marktorganisatie of een binnenlandse regeling van gelijke werking valt, dan wel direct of indirect de gevolgen ondervindt van een dergelijke voor andere produkten bestaande organisatie en wanneer het daaruit voortvloeiende prijsverschil tussen de gebruikte grondstoffen een nadelige invloed uitoefent op de markt van een of meer Lid-Staten of van de Gemeenschap enerzijds dan wel op de markt van Griekenland anderzijds, kan door de betrokken Overeenkomstsluitende Partij op de invoer van dat produkt een compenserende heffing worden toegepast, indien er geen compenserende heffing op de uitvoer wordt toegepast.
>
> De Associatieraad stelt het bedrag van en de regels betreffende deze heffing vast.
>
> Tot het tijdstop waarop het besluit van de Associatieraad van kracht wordt, kunnen de Overeenkomstsluitende Partijen het bedrag van en de regels betreffende deze heffing vaststellen.”

Daar de prijs franco grens van in België en Luxemburg ingevoerde Griekse wijn beneden de referentieprijs lag, werd bij de invoer daarvan in België een compenserende heffing toegepast. De vennootschap R. & V. *Haegeman* (hierna te noemen „Haegeman”), wijnimporteur, heeft de Commissie bij brief van 15 juli 1971 vrijstelling van het betalen der heffing verzocht ten aanzien van de lopende overeenkomsten die vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 816/70 waren gesloten en nà dat tijdstip (1 juni 1970) nog in uitvoering waren. Zij motiveerde dit verzoek met een verwijzing naar de Overeenkomst van Athene en met name naar het in de daarbij gevoegde slotakte bedoelte Protocol nr. 14 „betreffende de Griekse uitvoer van wijn van verse druiven en van druivenmost, waarvan de gisting door toevoeging van alcohol is gestuit”, waarbij zij stelde dat de daarin vervatte regeling voor de invoer van Griekse wijn op het grondgebied van de Benelux niet onder artikel 9 van verordening nr. 816/70 valt.

De Commissie heeft bij brief van 9 augustus 1971 echter geantwoord, dat noch de in de wijnsector ingestelde gemeenschappelijke marktordening, noch de Overeenkomst van Athene de verzochte vrijstelling rechtvaardigde. Bij brief van 27 november 1971 bevestigde zij haar standpunt ten deze.

Op 13 december 1971 stelde Haegeman beroep in bij het Hof van Justitie, (zaak 96-71) ten einde een nietigverklaring van deze weigering te verkrijgen, alsmede betaling van een vergoeding voor de geleden schade. Bij arrest van 25 oktober 1972 (Jurisprudentie 1972, blz. 1005) verwierp het Hof dit beroep. Het oordeelde enerzijds dat de beslissing over aanvragen om terugbetaling van de litigieuze heffing aan de bevoegde nationale autoriteiten stond en dat anderzijds de vraag van een eventuele aansprakelijkheid der Commissie in casu verband hield met die van de wettigheid van de inning dier heffing.

Bij inleidend exploit van 16 mei 1972 heeft Haegeman de Belgische Staat in de persoon van de minister van Economische Zaken gedagvaard en daarbij terugbetaling gevorderd van de sedert 1 juni 1970 bij de invoer van Griekse wijnen op het grondgebied van de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie betaalde compenserende heffingen. Ter ondersteuning van haar vordering voerde Haegeman met name aan dat verordening nr. 816/70 in strijd is met paragraaf 2 van Protocol nr. 14, bedoeld in de slotakte van de Overeenkomst van Athene en eveneens met de artikelen 37, 41 en 43 dier overeenkomst. De vordering werd aanhangig gemaakt bij de Rechtsbank van eerste aanleg te Brussel die bij vonnis van 17 oktober 1973 besloot met toepassing van artikel 177 EEG-Verdrag het geding te schorsen en het Hof de volgende vragen voor te leggen:

> 1.„Welke betekenis moet worden toegekend aan het woord „regeling”, gebezigd in paragraaf 2 van Protocol nr. 14, dat is gehecht aan de „Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Griekenland”?
>
> 2.Is de compenserende heffing, die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen is ingesteld op in België en in het Groothertogdom Luxemburg ingevoerde Griekse wijnen een recht of een heffing van gelijke werking in de zin van artikel 37, lid 2, van voormelde Associatieovereenkomst?
>
> 3.Is de Commissie van de Europese Gemeenschappen in het kader van artikel 43 dier Associatieovereenkomst bevoegd om zelfstandig, dat wil zeggen met uitsluiting van de Associatieraad, het bedrag en de modaliteiten der compenserende heffing op de invoer van Griekse wijnen op het grondgebied van de EEG vast te stellen?
>
> 4.Is het, bijaldien de voorwaarden voor toepassing van artikel 41 der Associatieovereenkomst zijn vervuld, de Commissie van de Europese Gemeenschappen geoorloofd de aldaar voorziene bescherming tot uitvoering te brengen anders dan door middel van een stelsel van minimumprijzen, en meer in het bijzonder door een stelsel van door de Gemeenschap opgelegde compenserende heffingen?”

2.

Het verwijzingsvonnis is op 7 november 1973 bij het Hof binnengekomen.

De vennootschap R. & V. Haegeman, vertegenwoordigd door haar zaakvoerder V. Haegeman, bijgestaan door J. Putzeys, advocaat bij het Hof van Beroep te Brussel, de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economische Zaken, bijgestaan door A. Houtekier, advocaat bij het Belgische Hof van Cassatie, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur B. Baulin, als gemachtigde, hebben overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie opmerkingen ingediend.

Het Hof heeft, op rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Overeenkomstig artikel 20 van het protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie ingediende opmerkingen

##### A — Door de vennootschap R. & V. Haegeman ingediende schriftelijke opmerkingen

Ten aanzien van de eerste vraag wijst de vennootschap Haegeman erop, dat het toekennen van een preferentiële regeling aan Griekenland zowel ten opzichte van de andere niet-Lid-Staten als van de Lid-Staten een der essentiële doelstellingen van de Overeenkomst van Athene is. Juist met het oog op deze doelstelling onderwerpt paragraaf 2 van Protocol nr. 14 de invoer van Griekse wijnen in de Benelux-landen aan dezelfde regeling als die, welke deze landen op wijnimport uit Duitsland, Italië en Frankrijk toepassen. Daar de invoer uit laatstgenoemde landen volkomen vrij is, dienen ook geen tarief-of contingenteringsmaatregelen op wijnimport uit Griekenland te worden toegepast. Het zou onjuist zijn op dit punt onderscheid te maken tussen het begrip invoerregeling enerzijds en tarief-en contingenteringsregeling anderzijds. Daar de regeling van de invoer van Griekse wijnen in de Lid-Staten uitsluitend uit tarief-en contingenteringsmaatregelen bestaat, heeft een dergelijke onderscheiding in casu geen betekenis. Voorts zou paragraaf 2 van Protocol nr. 14 daardoor inhoudsloos worden gemaakt wat België betreft, dat geen douanerechten of contingenten toepast bij invoer van Duitse, Italiaanse en Franse wijnen.

Daarentegen kan wèl worden onderscheiden tussen een invoerregeling en een regeling betreffende het verkeer van Griekse wijnen op het grondgebied van de Lid-Staten. Het lijdt evenwel geen twijfel dat het bovenomschreven beginsel van Protocol nr. 14 van toepassing is op de invoerregeling. Aangezien de compenserende heffing een element dier regeling vormt, komt toepassing daarvan in strijd met paragraaf 2 van genoemd Protocol. De vennootschap Haegeman stelt voor de eerste vraag aldus te beantwoorden:

„dat aan het woord „regeling”, gebezigd in paragraaf 2 van Protocol nr. 14, gehecht aan de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Griekenland, de betekenis moet worden toegekend van een invoerregeling voor Griekse wijnen op het grondgebied van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden”.

Ten aanzien van de tweede vraag betoogt de vennootschap Haegeman dat het begrip compenserende heffing geen bepaalde juridische inhoud heeft en bijgevolg in ieder concreet geval naar gelang van doel en werking der betrokken heffing moet worden gedefinieerd. In het geval van artikel 37, lid 2, sub a, van de Overeenkomst van Athene lijdt het geen twijfel dat deze heffing een gelijke werking heeft als een douanerecht, daar zij op de invoer in de Lid-Staten drukt en ten doel heeft alsmede ertoe leidt de communautaire produktie te beschermen door de prijs van de Griekse wijn op het niveau van de referentieprijs te brengen.

Het zou onjuist zijn de betrokken heffing, ter rechtvaardiging van haar toepassing, gelijk te stellen met een heffing in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zulks met een beroep op Protocol nr. 12 hetwelk ten aanzien van de artikelen 12 en 37 van de Overeenkomst van Athene uitdrukkelijk uitsluit dat de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingestelde heffingen als heffingen van gelijke werking als douanerechten kunnen worden beschouwd. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat wanneer, zoals in casu, de Gemeenschap door een Associatieovereenkomst is gebonden waarbij haar een 'stand-stiiï'-verplichting is opgelegd alsmede een verbod om nieuwe douanerechten of heffingen van gelijke werking toe te passen, de aard van een compenserende heffing niet door de communautaire, maar de internationale rechtsorde wordt bepaald. Daarbij dient dan te worden gelet op de rol die het douanerecht in de internationale orde speelt en die geen andere is dan de bescherming van de nationale of communautaire markt. Daar de litigieuze heffing deze beschermende rol tegenover derde landen vervult, lijdt het geen twijfel dat zij in het internationale kader en inzonderheid in dat van de Overeenkomst van Athene, als een heffing van gelijke werking moet worden beschouwd.

Overigens is de onmogelijkheid om de compenserende heffing gelijk te stellen met een heffing in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid terug te voeren op de omstandigheid dat eerstgenoemde heffing niet beantwoordt aan de vereisten en de functie die aan een dergelijk financieel stelsel eigen zijn.

Daar de prijzen der Griekse wijnen bij binnenkomst in de Benelux-landen beneden de referentieprijs liggen, is de werking van de compenserende heffing in de Gemeenschap niet voor iedere Lid-Staat gelijk.

De vennootschap Haegeman stelt voor de tweede vraag aldus te beantwoorden:

„dat de compenserende heffing, die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen is ingesteld op in België en in het Groothertogdom Luxemburg ingevoerde Griekse wijnen een heffing van gelijke werking is als een douanerecht in de zin van artikel 37, lid 2, sub a, van de Associatieovereenkomst en in de internationale rechtsorde niet kan worden gelijkgesteld met een heffing in de zin van Protocol nr. 12”.

Ten aanzien van de derde vraag merkt de vennootschap Haegeman op dat de compenserende heffing in het kader van artikel 43 van de Overeenkomst van Athene bedoeld is als een maatregel om een der Overeenkomstsluitende Partijen te beschermen en daardoor haar werslag heeft op de markten der overige Overeenkomstsluitende Partijen. Juist daarom hebben de auteurs van de Overeenkomst een verplichte procedure voorgeschreven om het bedrag en de modaliteiten van een dergelijke heffing vast te stellen. Blijkens die procedure is alleen de Associatieraad bevoegd ten deze te beslissen en ziet de in de laatste alinea van artikel 43 bedoelde mogelijkheid slechts op. urgentiegevallen die voorlopige maatregelen vereisen. In casu staat daarentegen vast dat de Gemeenschap eenzijdig tot de compenserende heffing heeft besloten, zonder de Associatieraad ook maar te raadplegen. Bijgevolg stelt

De vennootschap Haegeman voor de derde vraag aldus te beantwoorden:

„dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen ingevolge artikel 43 van de Associatieovereenkomst onbevoegd is om zelfstandig, dat wil zeggen met uitsluiting van de Associatieraad, het bedrag en de modaliteiten der compenserende heffing vast te stellen”.

Ten aanzien van de vierde vraag betoogt de vennootschap Haegeman ten slotte dat, ook al kan de Gemeenschap op grond van artikel 41, lid 1, der Associatieovereenkomst beschermende maatregelen nemen ten einde te vermijden dat de vrijmaking van het handelsverkeer tussen de Overeenkomstsluitende Partijen tot prijzen leidt die de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar brengen, zulks haar ten aanzien van de te nemen maatregelen geen enkele keuze laat: de enige maatregelen die de Gemeenschap kan nemen bestaan uit een systeem van minimumprijzen die het mogelijk maken het nadeel dat de andere Overeenkomstsluitende Partij onvermijdelijk lijdt, te beperken. Een dergelijk systeem mag niet met de toepassing van een compenserende heffing worden verward. In de eerste plaats fluctueert het bedrag van de compenserende heffing naar gelang van de aanbiedingsprijs franco grens der Griekse wijnen en van de referentieprijs der wijnen uit de Gemeenschap, terwijl de minimumprijzen noodzakelijkerwijze vaste prijzen zijn. In de tweede plaats komt de compenserende heffing, die door de Lid-Staten voor rekening van de Gemeenschap wordt geheven, geenszins aan Griekenland ten goede. Bijgevolg houdt de toepassing van een compenserende heffing in plaats van een systeem van minimumprijzen voor de Gemeenschap een dubbel voordeel in ten detrimente van Griekenland waardoor het evenwicht tussen partijen wordt verstoord, hetgeen naar de letter en de geest in strijd is met de Overeenkomst van Athene. Derhalve dient de vierde vraag aldus te worden beantwoord:

„dat artikel 41, dat op een uitzonderlijk geval van eenzijdige bescherming der Gemeenschappen ziet, slechts bij wege van een stelsel van minimumprijzen toepassing kan vinden en niet door een stelsel van compenserende heffingen”.

##### B — Opmerkingen van de Belgische Staat

De Belgische Staat merkt op dat de invoer van wijn uit Griekenland krachtens de Overeenkomst van Athene en ingevolge de inwerkingtreding van verordening nr. 816/70 aan een gemengde regeling is onderworpen. Daarbij is de invoer enerzijds vrijgesteld van de toepassing van douanerechten (Benelux) dan wel, binnen de grenzen van de geopende tariefcontingenten, aan lagere rechten dan die van het gemeenschappelijk douanetarief onderworpen (Frankrijk, Italië, Duitsland), anderzijds wordt hij met een compenserende heffing belast, indien de aanbiedingsprijs franco grens, zelfs nadat deze fictief met de douanerechten van het gemeenschappelijk douanetarief is verhoogd, beneden de referentieprijs ligt (Benelux).

Deze regeling in aanmerking genomen, is de fundamentele vraag dus of de Raad, die de Overeenkomst van Athene heeft aangegaan, de bevoegdheid behield om eenzijdig een compenserende heffing op de invoer van Griekse wijnen te leggen, of dat hem zulks, behoudens toepassing van de in artikel 43 dier Overeenkomst bedoelde procedure, is verboden.

Ten aanzien van de eerste vraag is de Belgische Staat van mening dat het woord „regeling” gebezigd in paragraaf 2 van Protocol nr. 14 aan de hand van de met dit document beoogde doelstellingen moet worden uitgelegd. Met name uit de paragrafen 1 en 3 daarvan blijkt dat het Protocol op de tarief-en invoercontingenten ziet, die door de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek en de Italiaanse Republiek op de invoer van Griekse wijnen worden toegepast. Paragraaf 2, die in deze regeling werd opgenomen, verwijst bijgevolg — door te refereren aan de „regeling, waaraan de invoer uit Duitsland, Frankrijk en Italië onderworpen is” — slechts naar het stelsel van douanerechten en contingenten dat op deze invoer wordt toegepast en heeft geen betrekking op de compenserende heffing.

Ten aanzien van de tweede vraag betoogt de Belgische Staat dat de compenserende heffing geen douanerecht of heffing van gelijke werking is. Zij heeft het karakter van een heffing in het kader van het gemeenschappelijke landbouw beleid. De instelling daarvan beantwoordt aan de eisen van de gemeenschappelijke handelspolitiek en wordt gedekt door Protocol nr. 12 van de Overeenkomst van Athene, waarvan de eerste alinea luidt:

„Het in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid beoogde stelsel van heffingen vormt een voor dit beleid specifieke maatregel die niet kan worden beschouwd als een heffing van gelijke werking als douanerechten in de zin van de artikelen 12 en 37 van de Associatieovereenkomst, indien deze maatregel door een der Partijen wordt toegepast.”

Uit de eigenlijke structuur van deze heffing, haar doelstellingen en haar toepassingsmodaliteiten blijkt inderdaad dat zij een variabel recht is, dat de typische kenmerken van een heffing in het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid vertoont.

Ten aanzien van de derde vraag is de Belgische Staat van mening dat de compenserende heffing niet onder artikel 43 van de Overeenkomst van Athene valt. De toepassing van deze heffing, die het karakter van een heffing in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft, wordt namelijk gedekt door het bovenvermelde bij de Overeenkomst behorende Protocol nr. 12. Bovendien is in casu niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 43. Zoals uit de eerste alinea van deze bepaling blijkt, staat het in casu aan de Helleense — en niet aan de communautaire — autoriteiten om dit artikel in te roepen indien zij van mening zijn dat de betrokken marktorganisatie hun schade berokkent, en om een bijeenkomst van de Associatieraad te verzoeken ten einde eventueel een heffing in Griekenland in te stellen. Overigens geeft artikel 43 niet uitputtend alle gevallen aan waarin een compenserende heffing kan worden toegepast, maar beperkt het zich tot één duidelijk omschreven geval en laat de overige mogelijkheden die de Verdragstoepassing biedt onverlet. Ten slotte dient niet uit het oog te worden verloren dat, nu artikel 43 geen rechtstreekse werking heeft, de vennootschap Haegeman zich niet op een mogelijke schending daarvan kan beroepen.

Ten aanzien van de vierde vraag herinnert de Belgische Staat eraan dat, aangezien de Gemeenschap eenzijdig heffingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of compenserende heffingen van gelijke werking kan instellen, artikel 41 van de Overeenkomst in casu niet aan de orde komt.

##### C — Opmerkingen van de Commissie der Europese Gemeenschappen

De Commissie geeft allereerst een samenvatting van de hoofdlijnen der juridische regeling die door de Lid-Staten van de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling vóór en na de inwerkingtreding van verordening nr. 816/70 van 1 juni 1970 op invoer van wijnen uit Griekenland werd toegepast.

Vóór 1 juni 1970 varieerde de betrokken regeling, die uit de elementen douanerechten en contingenten was opgebouwd, aanzienlijk naar gelang van de invoerende Lid-Staat dan wel van de omstandigheid of het al dan niet de Benelux-landen betrof.

De inwerkingtreding van verordening nr. 816/70 bracht in geen enkel opzicht verandering teweeg in de tariefstructuur van die regeling, welke, ingevolge artikel 23, lid 3, EEG-Verdrag vanaf 1 januari 1970 aan het gemeenschappelijk douanetarief was onderworpen. Het handelspolitieke stelsel, dat uit deze verordening voortvloeit hield, behalve de eventuele toepassing van een — aan de in de andere gemeenschappelijke marktordeningen te vinden analoge — ontsnappingsclausule, voornamelijk het verbod van heffingen van gelijke werking en van kwantitatieve beperkingen in, en voorts de vaststelling van een referentieprijs. Het verbod van heffingen van gelijke werking en van kwantitatieve beperkingen kwam eveneens aan de Griekse wijnen ten goede. Daar elk land dat geen lid was van de Gemeenschap een derde land was, en de Overeenkomst van Athene zich geenszins daartegen verzette doch zulks uitdrukkelijk toeliet, kwam het billijk voor het systeem van referentieprijzen tot Griekenland, evenals tot de andere derde landen, uit te breiden.

De toepassing van een compenserende heffing overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 dier verordening houdt nauw met dit systeem verband. De bijzondere tariefregeling, welke ten behoeve van de invoer van Griekse wijn bleef gelden, laat zij onverlet. Terwijl namelijk voor deze invoer in de Benelux slechts een compenserende heffing moet worden voldaan, is de invoer van wijnen uit andere derde landen aan het gemeenschappelijk rechtsstelsel onderworpen, dat bovendien betaling van bij het gemeenschappelijk douanetarief vastgestelde douanerechten met zich meebrengt.

En ten slotte: het in casu in verband met verordening nr. 816/70 gerezen probleem heeft slechts betrekking op de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling, daar de overeenkomst van Athene de nieuwe Lid-Staten slechts bindt krachtens een aanvullend Protocol, waarover thans nog wordt onderhandeld.

Vervolgens gaat de Commissie over tot het onderzoek van de gestelde vragen en zij merkt daarbij ten aanzien van hun ontvankelijkheid op dat, gezien de wijze waarop zij zijn geformuleerd, de rechter a quo niet in staat zal zijn het geschil te berechten. Immers is het ook, en vooral, van belang te weten of artikel 9, lid 3, van verordening nr. 816/70 de Commissie bindt alsmede of de justitiabelen het voor de rechter kunnen inroepen en, zo ja, of het al dan niet in overeenstemming is met de betrokken bepalingen van de Overeenkomst van Athene. Eerst na deze vragen te hebben omschreven kan de Belgische rechter het probleem oplossen, waarvoor hij zich ziet gesteld. Toen hij zich tot het Hof wendde had hij in het bijzonder moeten vragen

„of verordening nr. 816/70 — voor zover daarin eveneens compenserende heffingen ten aanzien van Griekenland worden voorzien — niet ongeldig is daar zi) in strijd komt met de artikelen 37, lid 2, 41 en 43 van de Overeenkomst van Athene en met paragraaf 2 van het daaraan gehechte Protocol nr. 14”.

Ten slotte onderzoekt de Commissie de materiële inhoud van de gestelde vragen en merkt daarbij vooraf op dat het programma der artikelen 33 tot 36 van de Overeenkomst van Athene ter zake van de landbouw praktisch een dode letter is gebleven, daar de Commissie, gezien de politieke situatie in Griekenland sinds 21 april 1967 de toepassing van de Overeenkomst tot het strikt noodzakelijke heeft beperkt. Bijgevolg zijn de in artikel 37 van de Overeenkomst en in de daaraan gehechte Protocollen bedoelde regelingen die vooruitlopen op de harmoniëring van het landbouwbeleid de enige die op landbouwgebied konden worden toegepast; maar deze regelingen betreffen slechts de douanerechten en de kwantitatieve beperkingen, dat wil zeggen de belemmeringen van het vrije verkeer van goederen, die op 9 juli 1961 bestonden.

Bij de behandeling van de eerste twee vragen merkt de Commissie op dat het woord „regeling” in paragraaf 2 van Protocol nr. 14 uitsluitend betrekking heeft op de bij dit Protocol geregelde onderwerpen, dat wil zeggen op het stelsel van douanerechten en kwantitatieve beperkingen dat op de onderhavige invoer van toepassing is. De stelling dat het woord „regeling” een veel ruimere betekenis heeft en alle maatregelen met betrekking tot deze invoer omvat, leidt tot absurde gevolgen. Neemt men aan, dat paragraaf 2 van Protocol nr. 14 ten doel heeft de Benelux-landen te verplichten om de Griekse wijnen op dezelfde wijze te behandelen als zij dit ingevolge de communautaire regeling met de Duitse, Franse en Italiaanse wijnen moeten doen, dan dient daaruit te worden afgeleid dat het Protocol ten doel heeft en ertoe leidt dat niet alleen de aan de communautaire marktordening inherente bepalingen tot de produktie van Griekse wijnen worden uitgebreid, maar ook alle regels ter verwezenlijking van de douane-unie, met in begrip van die, welke op het intracommunautaire verkeer van produkten betrekking hebben. Daarom kan het woord „regeling” in paragraaf 2 van Protocol nr. 14 slechts aldus worden verstaan dat daarmee het tarief-en contingenteringsstelsel wordt bedoeld, dat bij dit Protocol wordt geregeld.

Daar de compenserende heffing van verordening nr. 816/70 noch met een kwantitatieve beperking, noch met een douanerecht in eigenlijke zin kan worden gelijkgesteld, valt zij niet onder de aldus omschreven „regeling”. Zij heeft het karakter der in het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid ingestelde heffingen. Voor deze heffingen gelden andere modaliteiten. Zij kunnen hetzij uit één enkele variabele heffing bestaan welke in de plaats komt van alle andere bescherming aan de grens, hetzij uit een samenvoeging van twee elementen: het ene vast, bestaande uit het douanerecht, het andere variabel, dat op het vaste element wordt gelegd. In beide gevallen heeft de heffing dezelfde functie, namelijk om de prijs van het ingevoerde produkt binnen de Gemeenschap op een bepaald niveau te brengen.

Bovendien, ook al neemt men aan dat de litigieuze compenserende heffing in abstracte kan worden gelijkgesteld met een heffing van gelijke werking, dan wordt zulks in casu zowel door de tekst als de wil van de auteurs der Overeenkomst van Athene uitgesloten. Om al deze redenen dient dan ook te worden geconcludeerd dat deze heffing het karakter van een heffing in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft en als zodanig niet in strijd is met de bepalingen van artikel 37, lid 2, sub a, der Overeenkomst.

Na erop te hebben gewezen dat Griekenland zelf klaarblijkelijk de stelling der Commissie onderschrijft, zowel wat het begrip heffing betreft als haar wettigheid ten opzichte van de Overeenkomst van Athene (cf. wetsbesluit nr. 105, Grieks Staatsblad nr. 145 van 22 augustus 1965), stelt de Commissie samenvattend voor de eerste twee vragen als volgt te beantwoorden:

Het woord „regeling” in paragraaf 2 van het aan de Overeenkomst van Athene gehechte Protocol nr. 14 heeft uitsluitend betrekking op douanerechten en kwantitatieve beperkingen.

2\. De compenserende heffing van verordening nr. 816/70 is geen heffing in de zin van het aan de Overeenkomst van Athene gehechte Protocol nr. 12 en kan derhalve op grond daarvan noch als een douanerecht, noch als een heffing van gelijke werking in de zin van artikel 37, lid 2, dier overeenkomst worden beschouwd.”

Teen aanzien van de beide andere vragen merkt de Commissie op dat zij enerzijds gebrekkig geformuleerd en anderzijds overbodig zijn. In de eerste plaats staat vast dat de Commissie nimmer heeft besloten compenserende heffingen op de invoer van Griekse wijnen toe te passen maar zich ertoe heeft beperkt om op grondslag van verordening nr. 816/70 van de Raad op te treden, door de daarin voorgeschreven heffingen vast te stellen. In de tweede plaats was de Commissie nimmer voornemens en heeft zij evenmin gepretendeerd in het kader der artikelen 41 en 43 van de Overeenkomst van Athene op te treden.

Bijgevolg dienen deze vragen als volgt te worden beantwoord:

De Gemeenschap is slechts bevoegd het bedrag en de modaliteiten van de in artikel 43 van de Overeenkomst van Athene voorziene heffing voorlopig en in afwachting van een besluit van de Assotiatieraad vast te stellen.

4\. Het in artikel 41 van de Overeenkomst van Athene voorziene systeem van minimumprijzen kan niet door een stelsel van compenserende heffingen tot uitvoering worden gebracht.”

Hiermede wordt echter het probleem ten gronde, waarvoor de Belgische rechter zich ziet gesteld, niet uitputtend beantwoord. Met name dient uit de negatieve inhoud van het antwoord niet te worden afgeleid dat de compenserende heffing van verordening nr. 816/70 in strijd is met de artikelen 41 en 43 van de Overeenkomst van Athene en dat deze verordening bijgevolg ongeldig is. Toen de communautaire instellingen tot de litigieuze maatregel besloten, hebben zij zich geenszins beroepen op bovengenoemde artikelen die immers op zeer bepaalde gevallen zien, welke zich in casu niet voordoen.

De Commissie is van mening dat het Hof tegelijk met de beantwoording dier vragen aan de verwijzende rechter te kennen dient te geven dat met name uit zijn antwoord op de derde en vierde vraag niet mag worden afgeleid dat verordening nr. 816/70, ongeldig is voor zover deze mede een compenserende heffing voor de invoer van Griekse wijnen voorschrijft.

#### III — Het mondelinge procesverloop

Overwegende dat de vennootschap R. en V. Haegeman, de Belgische Staat en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 12 maart 1974 in hun mondelinge toelichting zijn gehoord;

dat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van 4 april 1974 conclusie heeft genomen;

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, bij vonnis van 17 oktober 1973, ingekomen bij het Hof op 7 november 1973, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag prejudiciële vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 816/70 van de Raad van 28 april 1970 (PB 1970, nr. L 99), alsmede inzake een aantal bepalingen van de „Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Griekenland”, (hierna te noemen „Overeenkomst van Athene”) welke krachtens besluit nr. 63/106/EEG van de Raad van 25 september 1961 is gesloten en op 18 februari 1963 in het Publikatieblad is opgenomen (blz. 293/63);

2. Overwegende dat luidens artikel 177, eerste alinea van het EEG-Verdrag „het Hof van Justitie bevoegd is, bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen… over… de uitlegging van de door de Instellingen van de Gemeenschap verrichte handelingen”;

3. dat de Overeenkomst van Athene, zoals uit de bewoordingen van het besluit van 25 september 1961 blijkt, overeenkomstig de artikelen 228 en 238 van het Verdrag door de Raad is gesloten;

4. dat deze overeenkomst bijgevolg, wat de Gemeenschap betreft, een handeling is, welke door een der Instellingen van de Gemeenschap is verricht in de zin van artikel 177, eerste alinea, sub b;

5. dat de bepalingen van de overeenkomst vanaf de inwerkingtreding daarvan, een integrerend bestanddeel der communautaire rechtsorde vormen;

6. dat het Hof in het kader van deze rechtsorde bijgevolg bevoegd is bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de uitlegging dier overeenkomst;

7. Overwegende dat met de eerste vraag wordt verzocht de inhoud en draagwijdte nader aan te geven van het woord „regeling”, dat in paragraaf 2 van het aan de Overeenkomst van Athene gehechte Protocol nr. 14 wordt gebezigd;

8. dat uit de stukken blijkt dat het er in wezen om gaat of de in dit Protocol bedoelde „regeling” uitsluitend ziet op de douanerechten en de contingenten of op de algemene invoerregeling van Griekse wijnen in de Benelux-landen;

9.

Overwegende dat paragraaf 2 van Protocol nr. 14 bepaalt dat

> „het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden… op de invoer uit Griekenland de regeling toe-\[passen\], waaraan de invoer uit Duitsland, Frankrijk en Italië onderworpen is”.

10. dat het voor de uitlegging van deze bepaling geboden voorkomt haar te onderzoeken in verband met de algemene opzet van de Overeenkomst van Athene, waarvan zij deel uitmaakt, evenals van het samenstel der bepalingen die in het Protocol zelf zijn neergelegd;

11. Overwegende dat luidens artikel 6 dier overeenkomst de tussen de Gemeenschap en Griekenland tot stand gebrachte Associatie „is gegrondvest op een douane-unie die, behoudens de in deze overeenkomst opgenomen uitzonderingen, het gehele goederenverkeer omvat en zowel het verbod medebrengt van in-en uitvoerrechten en van alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap en Griekenland als de invoering door Griekenland van het gemeenschappelijke douanetarief van de Gemeenschap voor de betrekkingen van dit land met derde landen”;

12. dat, in het bijzonder wat de landbouwprodukten betreft, de werking en de ontwikkeling van de Associatie, ingevolge artikel 33 van de overeenkomst, gepaard dienen te gaan met de geleidelijke harmonisering van het landbouwbeleid van de Gemeenschap en dat van Griekenland;

13. dat deze harmonisering enerzijds afhangt van de vooruitgang die de Gemeenschap boekt bij de totstandbrenging van haar eigen gemeenschappelijke landbouwbeleid en anderzijds van de toepassing der in de artikelen 34 en 35 der overeenkomst voorgeschreven procedure;

14. dat, vooruitlopend op een dergelijke harmonisering, de landbouwprodukten zijn onderworpen aan de in artikel 37 der overeenkomst omschreven regeling, welke voor de in de lijst van bijlage III opgenomen produkten de geleidelijke afschaffing inhoudt van de douanerechten, invoercontingenten alsmede van de heffingen en maatregelen van gelijke werking;

15. dat deze regeling ten aanzien van de produkten welke niet op bovengenoemde lijst voorkomen wordt gekenmerkt door de consolidatie van de nationale tarief- en contingenteringsmaatregelen die door de Overeenkomstsluitende Partijen op het tijdstip waarop deze overeenkomst in werking trad werden toegepast en door het uitbreiden van de aan derde landen verleende tarief-en contingenteringsconcessies tot hun onderlinge handelsbetrekkingen;

16. dat bovendien het aan de overeenkomst gehechte Protocol nr. 12 ten aanzien van de landbouwprodukten de mogelijkheid voorziet dat deze aan het in het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid beoogde systeem van heffingen worden onderworpen;

17. Overwegende dat uit deze regeling volgt dat de Overeenkomst van Athene de verwezenlijking van de douane-unie beoogt onder een drieledig voorbehoud: de termijnen welke de overeenkomst daartoe stelt, de bijzondere voordelen op tarief-en contingenteringsgebied ten behoeve van de Helleense exporteurs van bepaalde landbouwprodukten en de beslissingsvrijheid die Protocol nr. 12 aan de Gemeenschap garandeert met betrekking tot de voor de uitoefening van het gemeenschappelijke landbouwbeleid noodzakelijke maatregelen;

18. dat Protocol nr. 14 een onderdeel van deze regeling vormt, waar het voorschrijft dat de door de Lid-Staten in hun onderlinge handelsbetrekkingen verleende of te verlenen concessies zich tot de Helleense wijnuitvoer dienen uit te strekken;

19. dat reeds hieruit blijkt dat paragraaf 2 van dit Protocol uitsluitend een regeling inhoudt met betrekking tot de douanerechten en contingenten, welke op de uitvoer van Helleense wijnen van toepassing zijn;

20. dat deze paragraaf bovendien werd opgenomen in een tekst, waarin voor de uitvoer van Griekse wijnen naar Duitsland, Frankrijk en Italië, uitsluitend tarief-en contingenteringsaangelegenheden worden geregeld;

21. dat bijgevolg moet worden beslist dat het woord „regeling”, gebezigd in paragraaf 2 van Protocol nr. 14, gehecht aan de Overeenkomst warbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Griekenland, aldus dient te worden verstaan dat het uitsluitend betrekking heeft op het gebied van de douanerechten en de kwantitatieve beperkingen;

22. Overwegende dat de tweede vraag inhoudt of de compenserende heffing welke door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op de in België en het Groothertogdom Luxemburg ingevoerde Griekse wijnen wordt gelegd, een recht of een heffing van gelijke werking is in de zin van artikel 37, lid 2, van voormelde Associatieovereenkomst;

23.

Overwegende dat luidens artikel 9, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 816/70

> „indien de aanbiedingsprijs franco grens van een wijn, verhoogd met de douanerechten, lager is dan de referentieprijs voor deze wijn, … op de invoer van deze wijn en van daarmee gelijkgestelde wijn een compenserende heffing \[wordt\] gelegd, die gelijk is aan het verschil tussen de referentieprijs en de met de douanerechten verhoogde aanbiedingsprijs franco grens”;

24. dat volgens de vierde tot deze verordening gegeven overweging het wezenlijke doel dier heffing is verstoringen van de communautaire markt te voorkomen, welke zijn te wijten aan aanbiedingen op de wereldmarkt tegen abnormale prijzen;

25. dat derhalve uit deze regeling volgt dat de betrokken heffing wordt bepaald aan de hand van een prijsniveau dat met het oog op de doelstellingen van de gemeenschappelijke markt is vastgesteld, dat zij variabel is en naar gelang van de conjunctuurschommelingen kan variëren, waarbij zij aldus een regulerende rol op de gemeenschappelijke wijnmarkt vervult;

26. dat zodanige heffing het opleggen van een geldelijke last inhoudt in verband met de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de wijnsector;

27. dat, ook al bereikt bedoelde heffing bij de invoer van Griekse wijnen in de Benelux-landen — daar de toepasselijke douanerechten op nul zijn gesteld — niet de beschermende werking die zij beoogt, zulks haar rechtskarakter onverlet laat, aangezien deze omstandigheid uitsluitend terug te voeren is op het aan de regeling van dit invoerverkeer toegekende preferentiële karakter;

28. Overwegende dat genoemde heffing onder de maatregelen valt, die in het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid zijn genomen, en met name onder de aanvullende bepalingen van verordening nr. 816/70 inzake de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt;

29.

dat immers de eerste alinea van het aan de Overeenkomst van Athene gehechte Protocol nr. 12 de vrijheid der Gemeenschap onaangetast laat door te bepalen dat

> „het in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid beoogde stelsel van heffingen … een voor dit beleid specifieke maatregel \[vormt\] die niet kan worden beschouwd als een heffing van gelijke werking als douanerechten in de zin van de artikelen 12 en 37 van de Associatieovereenkomst, indien deze maatregelen door een der Partijen wordt toegepast”;

30. dat bijgevolg op de tweede vraag dient te worden geantwoord dat de compenserende heffing, die ingevolge artikel 9, lid 3, van verordening nr. 816/70 is ingesteld op in België en in het Groothertogdom ingevoerde wijnen, een heffing is in de zin van Protocol nr. 12 dat aan de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Griekenland is gehecht en dat deze heffing volgens dit Protocol noch als een douanerecht, noch als een heffing van gelijke werking in de zin van artikel 37, lid 2, dier overeenkomst kan worden beschouwd;

31. Overwegende dat de derde vraag inhoudt of de Commissie in het kader van artikel 43 van de Overeenkomst van Athene bevoegd is om zelfstandig, dat wil zeggen met uitsluiting van de Associatieraad, het bedrag en de modaliteiten der compenserende heffing op de invoer van Griekse wijnen op het grondgebied van de EEG vast te stellen;

32. dat de vierde vraag voorts inhoudt of het de Commissie van de Europese Gemeenschappen geoorloofd is, bijaldien de voorwaarden voor toepassing van artikel 41 der Associatieovereenkomst zijn vervuld, de aldaar voorziene bescherming te doen plaats vinden anders dan door middel van een stelsel van minimumprijzen en wel door een stelsel van door de Gemeenschap toegepaste compenserende heffingen;

33. Overwegende dat de artikelen 41 en 43 van de Overeenkomst betrekking hebben op bijzondere gevallen welke worden gekenmerkt door hetzij een verstoring die de doeleinden van artikel 39 EEG-Verdrag in gevaar kan brengen, hetzij een nadelige beïnvloeding van de markt van één of meer Lid-Staten of van de Gemeenschap enerzijds dan wel van de markt van Griekenland anderzijds;

34. dat uit deze bepalingen volgt dat de daarin voorgeschreven maatregelen uitsluitend ten doel hebben het hoofd te bieden aan de moeilijkheden als gevolg van abnormale marktomstandigheden;

35. dat daarentegen de litigieuze compenserende heffing een maatregel is ter stabilisatie van de invoer, welke inherent is aan de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector wijnen;

36. dat bijgevolg, nu de artikelen 41 en 43 der Overeenkomst op de toepassing dier heffing van geen enkele invloed zijn, de met betrekking tot hun interpretatie gestelde vragen in casu niet behoeven te worden beantwoord;

#### Ten aanzien van de kosten

37. Overwegende dat de kosten, door de Belgische Staat en door de Commissie der Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;

38. dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel bij vonnis van 17 oktober 1973 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1\. het woord „regeling”, gebezigd in paragraaf 2 van Protocol nr. 14, dat is gehecht aan de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Griekenland, dient aldus te worden verstaan dat het uitsluitend betrekking heeft op het gebied van de douanerechten en de kwantitatieve beperkingen;

2\. de compenserende heffing, die ingevolge artikel 9, lid 3, van verordening nr. 816/70 is ingesteld op in België en het Groothertogdom Luxemburg ingevoerde Griekse wijnen, is een heffing in de zin van Protocol nr. 12 gehecht aan de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Griekenland, en kan ingevolge dit Protocol noch als een douanerecht, noch als een heffing van gelijke werking in de zin van artikel 37, lid 2, dier overeenkomst worden beschouwd;

3\. de artikelen 41 en 43 van de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Griekenland, zijn niet van invloed op de toepassing van de compenserende heffing van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 816/70.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

6

verordening 816/70 art. 9 uitgelegd 8 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 228 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 23 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 238 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 39 1 voorkomen

## Rechtspraak

5

### Europese Unie

5

Hof van Justitie C-66/18 06.10.2020

#### [Ontvankelijkheid, bevoegdheid van het Hof](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-66-18-arrest)

Hof van Justitie C-266/16 27.02.2018

#### [Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-266-16-arrest)

Hof van Justitie C-224/16 22.11.2017

#### [Verzoek om een prejudiciële beslissing, douane-unie](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-224-16-arrest)

## Rechtsleer

6

Tizzano, Antonio: Il Foro italiano 1974 IV Col.311-312 (IT)

Adam, Roberto: Corte comunitaria e interpretazione in via pregiudiziale degli accordi di associazione, Rivista di diritto internazionale 1975 p.584-589 (IT)

Kovar, Robert: La procédure du renvoi préjudiciel en interprétation, Journal du droit international 1976 p.195-197 (FR)

Iliopoulos, Konstantin: Griechischer Wein und das von der EWG angewandte Einfuhrregime, Revue hellénique de droit international 1976 p.193-211 (DE)

Kuteničová, Eliška: Demirel - priamy účinok ustanovení asociačných dohôd a sloboda pohybu pracovníkov, Justicná revue : casopis pre právnu prax. Príloha 2005 p.1306-1309 (SK)

**Bekijk de andere verwijzing**

Andriantsimbazovina, Joël: 50. Accord international - Intégration à l'ordre juridique de l'Union - Caractère obligatoire - Interprétation et exécution. CJCE, 30 avr. 1974, n° 181/73, R. & V. Haegeman c/ État belge et CJCE, 26 oct. 1982, n° 104/81, Hauptzollamt Mainz c/ C.A. Kupferberg & Cie KG a.A., Les grands arrêts de la Cour de justice de l'Union européenne. Droit constitutionnel et institutionnel de l'Union européenne (Dalloz, 2e édition) 2023, p. 819-824 (FR)
