---
title: "HvJ EU, 171/78, arrest van 27 februari 1980 · EEG-Verdrag art. 95 en art. 169"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 februari 1980, 171/78: EEG-Verdrag art. 95 en art. 169."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-171-78-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-171-78-arret"
---

# Arrest van het Hof van 27 februari 1980, 171/78 · EEG-Verdrag art. 95 en art. 169

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

171/78

**ECLI**

ECLI:EU:C:1980:54

**Datum**

27 februari 1980

## De zaak

**Procedure**

Beroep wegens niet-nakoming gegrond

**Zaak ingediend op**

7 augustus 1978

**Advocaat-generaal**

Reischl

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Deens

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1980, blz. 447

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Pescatore

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Fiscale bepalingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10%2C578-4.10) [Binnenlandse belastingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.01%2C578-4.10.01)

  - [Verbod ingevoerde producten zwaarder te belasten dan gelijksoortige nationale producten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.01.02%2C578-4.10.01.02) 75 beslissingen
  - [Verbod van belastingen die concurrerende nationale producten zijdelings kunnen beschermen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.01.03) 16 beslissingen

## Tekst

118 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de conclusies, middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — Overzicht van de feiten

De Deense produktie van gedistilleerd, dat wil zeggen de onder onderverdeling 22.09 C van het gemeenschappelijk douanetarief vallende gedistilleerde dranken, likeuren en andere alcoholhoudende dranken, bedroeg de laatste jaren circa 7000000 l per jaar. Zij bestaat voornamelijk uit aquavit (of snaps), waarvan de jaarlijkse produktie bijna 6000000 l bedraagt, ofwel nagenoeg 85 % van de totale Deense produktie van gedistilleerde dranken.

Op de totale produktie van gedistilleerd in Denemarken (circa 9000000 l per jaar) beliep die van aquavit (of snaps) in 1972 67 % en in 1977 63 %.

De invoer in Denemarken van gedistilleerd uit de andere Lid-Staten bedroeg in 1975 2300000 l; zij bestaat voornamelijk uit — in volgorde van belangrijkheid — whisky, wodka, cognac, gin en rum.

De Deense wettelijke regeling (thans vervat in gecoördineerde wet nr. 151 van 4 april 1978 betreffende de accijns op gedistilleerd en aanverwante produkten) voorziet in de heffing van een alcoholaccijns volgens een differentieel tarief, al naar gelang het gaat om aquavit (en snaps), waarvoor een gunstiger tarief geldt, en andere gedistilleerde dranken. Er wordt geen verschil gemaakt naar herkomst van de produkten: hetzelfde tarief geldt voor Deense en voor ingevoerde produkten.

Volgens de artikelen 3 en 4 van de wet worden als aquavit (en snaps) aangemerkt de produkten die zijn vervaardigd uit neutrale alcohol, plantaardige aromaten bevatten, een sterkte hebben van minstens 40 doch maximaal 49,9 graden van het oorspronkelijke volume, een plantaardig extractgehalte hebben van hoogstens 2 g per 100 ml, niet het karakter hebben van gin, wodka, jenever, Wacholder en dergelijke, punch, bitter en dergelijke, anijslikeuren of rum, vruchtenbrandewijn en andere produkten waarvan de typische smaak door distillatie of rijping ontstaat.

Op 22 december 1975 verzocht de Commissie de Deense autoriteiten om nadere inlichtingen over de nationale belastingregeling voor gedistilleerd, die zij onverenigbaar achtte met artikel 95 EEG-Verdrag. Deze inlichtingen werden haar op 17 februari 1976 verstrekt; zij bevestigden dat de alcoholaccijns op aquavit (en snaps) van DKR 154,80 per liter zuivere ethylalcohol tot DKR 108,60 was teruggebracht.

In een op 26 maart 1976 aan de Deense regering gerichte brief stelde de Commissie onder meer vast, dat aquavit een gelijksoortig produkt is als alle andere voor consumptie bestemde gedistilleerde dranken, dat in Denemarken nagenoeg geen andere gedistilleerde dranken worden geproduceerd dan aquavit, dat praktisch alleen op de geïmporteerde gedistilleerde dranken het hogere tarief van DKR 154,80 per liter zuivere ethylalcohol van toepassing was en dat deze differentiële accijns in strijd was met artikel 95, eerste alinea, of althans met artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag. Zo gezien zou het Koninkrijk Denemarken de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nakomen; bijgevolg werd het overeenkomstig artikel 169, eerste alinea, EEG-Verdrag uitgenodigd zijn opmerkingen bij de Commissie in te dienen.

Op 26 april 1976 deelde de Deense regering de Commissie mee dat het arrest van het Hof van Justitie van 17 februari 1976 (zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181) bevestigde dat aquavit en de andere gedistilleerde dranken niet met elkaar concurreerden en niet substitueerbaar waren en dat de Deense belastingregeling voor gedistilleerd derhalve niet in strijd was met artikel 95 EEG-Verdrag. De Deense regering stelde de Commissie voor, dit probleem opnieuw te bespreken.

Per 21 augustus 1976 werd de alcoholaccijns voor aquavit (en snaps) verhoogd van DKR 108,60 tot DKR 130,30 en voor de andere gedistilleerde dranken van DKR 154,80 tot DKR 185,75.

Op 10 december 1976 bracht de Commissie ten aanzien van het Koninkrijk Denemarken het in artikel 169, eerste alinea, EEG-Verdrag bedoelde met redenen omklede advies uit. Daarin stelde zij vast dat het Koninkrijk Denemarken door voor de accijns op aquavit (en snaps) een lager tarief vast te stellen dan voor die op andere produkten, in strijd handelde met artikel 95, eerste alinea, en subsidiair met artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag. De Deense regering werd verzocht binnen een maand de nodige maatregelen vast te stellen voor het opvolgen van het met redenen omklede advies van de Commissie.

Bij brief van 23 februari 1977 zond de Deense regering de Commissie een overzicht van de prijzen en accijnzen op gedistilleerde dranken. Daaruit moest blijken dat de Deense belastingregeling voor gedistilleerd niet alleen niet discriminerend was voor buitenlandse produkten, maar aquavit in feite zwaarder belastte dan de andere gedistilleerde dranken.

#### II — Schriftelijke procedure

Bij op 7 augustus 1978 ingediend verzoekschrift heeft de Commissie de aan het Koninkrijk Denemarken met betrekking tot de belasting van gedistilleerde dranken verweten niet-nakoming van de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen krachtens artikel 169, tweede alinea, EEG-Verdrag bij het Hof van Justitie aanhangig gemaakt.

De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur een gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft de Commissie evenwel verzocht schriftelijk twee vragen te beantwoorden; aan dat verzoek is na verlenging van de gestelde termijn gevolg gegeven. De Deense regering heeft over deze antwoorden schriftelijke opmerkingen gemaakt.

#### III — Conclusies van partijen

De Commissie concludeert dat het den Hove behage:

vast te stellen dat het Koninkrijk Denemarken, door geen gevolg te geven aan het advies waarbij de Commissie het had verzocht de accijnzen op gedistilleerde dranken te uniformeren, artikel 95, eerste alinea, of subsidiair artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag heeft geschonden;

de Deense regering in de kosten te verwijzen.

Dc regering van het Koninkrijk Denemarken concludeert dat het den Hove behage:

ten principale, het beroep te verwerpen;

subsidiair, Denemarken slechts te veroordelen wegens schending van artikel 95 EEG-Verdrag voor zover het Hof van mening is dat een of meer gedistilleerde dranken jegens aquavit het karakter van gelijksoortigheid vertonen als bedoeld in artikel 95, eerste alinea, of tot dat produkt in een zodanige verhouding staan, dat inbreuk wordt gemaakt op artikel 95, tweede alinea;

in beide gevallen de kosten ten laste van de Commissie te brengen.

#### IV — Door partijen schriftelijk voorgedragen middelen en argumenten

De Commissie wijst erop dat de Deense accijns op gedistilleerd, die per 21 augustus 1976 DKR, 130,30 voor aquavit (en snaps) en DKR 185,75 voor andere gedistilleerde dranken bedroeg, bij wet nr. 437 van 6 september 1977 per 7 september 1977 is verhoogd tot DKR 167,50 respectievelijk DKR 257,15. Door aldus voor de accijns op aquavit (en snaps) een lager tarief vast te stellen dan voor die op andere gedistilleerde dranken, is de Deense fiscale wetgeving in strijd met artikel 95 EEG-Verdrag.

##### De uitlegging van artikel 95 EEG-Verdrag

a) Artikel 95 dient om, na de afschaffing van de douanerechten en heffingen van gelijke werking, de laatste beperkingen op te heffen in het handelsverkeer van niet alleen de geïmporteerde produkten die identiek zijn met de nationale produkten, maar ook van de gelijksoortige of daarmee concurrerende produkten. Het moet gevolg hebben op grond van objectieve criteria; economische of sociale beleidsoverwegingen staan daarbuiten. Het verbod van fiscale discriminatie lijdt geen uitzondering en het heeft voorrang boven het eventueel op communautair of nationaal vlak gevoerde beleid. Als aanvullende regel voor de douane-unie laat artikel 95 geen enkele mogelijkheid voor voorwaardelijke toepassing of voor een toepassing die afhankelijk is van uitleggingscriteria die los van de communautaire regels zijn uitgewerkt. Het heeft ten doel de doorzichtigheid van de gemeenschappelijke markt te waarborgen en het beginsel van de fiscale neutraliteit op communautair niveau te verzekeren. De fiscale autonomie van de Lid-Staten is in het belang van het interne handelsverkeer van de Gemeenschap aanzienlijk beperkt; deze beperkingen gelden met name voor de vrijheid van de nationale wetgever om het belastinginstrument aan te wenden voor niet-fiscale doeleinden. Een nationale belastingregeling mag op de economische werkzaamheid van ondernemers uit de andere Lid-Staten geen bijkomende werking hebben die nadelig is voor de verwezenlijking van de gemeenschappelijke markt. Bij de uitoefening van hun fiscale autonomie moeten de Lid-Staten de verdragsbepalingen, in casu artikel 95, naleven. In geval van strijdigheid moeten de nationale wetgevingen zich aan de communautaire regels aanpassen.

b) De tweede alinea van artikel 95 breidt het verbod van fiscale discriminatie uit tot geïmporteerde concurrerende produkten die de nationale produkten kunnen vervangen. Deze bepaling bevestigt dat beperkingen van het handelsverkeer, bestaande in fiscale maatregelen die de nationale produkties al dan niet zijdelings beschermen tegen de concurrentie van ingevoerde produkten, niet met het Verdrag zijn te verenigen. Blijkens de rechtspraak van het Hof heeft artikel 95 de opheffing ten doel van elke discriminatie tussen ingevoerde en nationale produkten die, hoe dan ook, in de gemeenschappelijke markt het veld vinden voor een rechtmatige concurrentieslag.

c) Voor de opheffing van handelsbelemmeringen van fiscale aard behoeft niet het instrument van de harmonisatie te worden aangewend: het zou onjuist zijn het verbod van fiscale discriminatie, dat voortvloeit uit artikel 95 — een bepaling met rechtstreekse werking —, afhankelijk te maken van de vaststelling van „uitvoeringsbepalingen” in harmonisatierichtlijnen als bedoeld in artikel 99 EEG-Verdrag.

d) Wat het begrip „gelijksoortige produkten” betreft: blijkens de rechtspraak van het Hof is van de in artikel 95, eerste alinea, bedoelde gelijksoortigheid sprake wanneer de betrokken produkten normaliter geacht kunnen worden, naar gelang de omstandigheden onder dezelfde belasting-, douane- of statistiekindeling te vallen, en dient te worden uitgegaan van de belasting op produkten die — in hetzelfde stadium van produktie of verhandeling — uit verbruikersoogpunt soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen; de omstandigheid dat het nationale en het ingevoerde produkt al dan niet onder een zelfde post van het gemeenschappelijk douanetarief zijn ingedeeld, is in dat verband een belangrijke bcoordelingsfactor.

Zonder van de indeling de enige beoordelingsfactor te maken, heeft het Hof etblijk van gegeven, zekerder en gemakkelijker te hanteren beoordelingscriteria, die zijn ontleend aan formele factoren, te prefereren boven andere maatstaven van materiële aard, die met name zijn gebaseerd op aard en kwaliteit van de produkten, gebruikte grondstoffen en fabricagemethoden.

De gelijksoortigheid moet worden beoordeeld met het oog op de verbruiker en zijn behoeften: het begrip gelijksoortigheid van artikel 95 beantwoordt, ongeacht de fysische en chemische eigenschappen van de betrokken produkten, in het bijzonder aan voorwaarden van fiscale aard. De opvatting dat de gelijksoortigheid zeer precies moet worden vastgesteld op grond van materiële criteria en een concrete beoordeling van de consumentengewoonten, zou er in feite op neerkomen dat artikel 95 wordt uitgelegd alsof het enkel betrekking heeft op „identieke” produkten. De term „gelijksoortige” produkten heeft echter een ruimere betekenis: het feit dat bepaalde produkten wegens hun aard of eigenschappen voor soortgelijke gebruiksdoeleinden kunnen worden aangewend, is beslissend voor de vraag of het om gelijksoortige produkten gaat. Eveneens is van belang of de betrokken produkten dezelfde behoeften of dezelfde smaak van de consument bevredigen; de meeste produkten kunnen echter worden aangewend voor verscheidene doeleinden, die zij min of meer gemeen kunnen hebben met andere produkten.

Een te nauwkeurige definitie van gelijksoortige produkten is onaanvaardbaar; zij zou leiden tot een definitie van het begrip gelijksoortigheid in het nationale kader, en zo zou men tot negen uiteenlopende en tegenstrijdige definities komen; de gedetailleerde definitie van aquavit in de Deense wetgeving volgens smaak en sterkte leidt ertoe dat hetzelfde, uit een andere Lid-Staat afkomstige produkt zwaarder wordt belast dan het in Denemarken geproduceerde. Het is noodzakelijk voor alle Lid-Statcn één enkele, eensluidende definitie te gebruiken.

De draagwijdte van artikel 95, eerste alinea, moet worden bepaald met inachtneming van de tweede alinea van dat artikel. Gezien zijn bewoordingen en plaats, vult deze tweede alinea de eerste aan. Het moge moeilijk zijn een nauwkeurige definitie van „gelijksoortige” produkten te geven en deze te onderscheiden van de in de tweede alinea bedoelde produkten, maar in feite geldt voor het geheel van in beide alinea's bedoelde produkten dezelfde rechtsregeling. Tussen gelijksoortige en niet-gelijksoortige, maar concurrerende produkten bestaat slechts een gradueel verschil.

##### De verhouding tussen de verschillende gedistilleerde dranken

a) Volgens de toelichtingen op de IDR-nomenclatuur vertonen de gedistilleerde dranken, ongeacht of zij uit graan, wijn of vruchten zijn gestookt, uit verbruiksoogpunt soortgelijke eigenschappen en voldoen zij aan dezelfde eisen van de verbruikers. Deze laatste kunnen uiteraard door diverse factoren worden bepaald en beïnvloed; gewoonte, individuele voorkeur, plaatselijke of nationale tradities, sociale omstandigheden, seizoen en klimaat, en zelfs de mode; niettemin zijn de gedistilleerde dranken uit verbruikersoogpunt geen elkaar aanvullende, maar parallelle produkten, met andere woorden gelijksoortige produkten in de zin van artikel 95, eerste alinea.

b) Omdat het verschil tussen aquavit en de andere gedistilleerde dranken, zoals gin en wodka enerzijds en whisky en cognac anderzijds slechts een kwestie van aroma is, behoeven de drinkgewoonten van de Deense consumenten niet in aanmerking te worden genomen, te meer niet waar deze drinkgewoonten zeer wel afhankelijk kunnen zijn van de prijs van de drank, dus indirect van de daarop drukkende belastingen.

c) De opmerking dat aquavit hoofdzakelijk bij de maaltijd wordt gedronken, is van geen belang voor de beoordeling van het begrip gelijksoortigheid in de zin van artikel 95. Deze bepaling verbiedt, het consumptiepatroon door middel van een differentieel belastingbeleid te beïnvloeden. Het feit dat aquavit normaliter bij het eten en met name bij enige typische Deense gerechten wordt gedronken, is geen reden om aan te nemen dat de voedingsgewoonten in de Gemeenschap dezelfde zijn als in Denemarken. Duitsland heeft een belangrijke aquavitmarkt en er bestaat een opmerkelijke overeenkomst tussen de smaak van de Duitse en die van de Deense consumenten; overigens is het geen typisch Deense of Scandinavische gewoonte om gedistilleerd bij de maaltijd te drinken; dit is in alle landen van Noord-Europa gebruikelijk.

d) Sedert 1972 valt in Denemarken een aanzienlijke uitbreiding te constateren van het drankenaanbod; er is een aantal nieuwe in Denemarken geproduceerde sterke dranken op de markt verschenen, die een bijzonder aroma hebben. Het gaat daarbij om snaps, verkregen door toevoeging van bijzondere stoffen, veelal plantenextracten, die de drank zijn karakter geven en derhalve zijn gebruiksmogelijkheden bepalen. De grote verscheidenheid aan Deense gedistilleerde dranken maakt dat zij andere gedistilleerde dranken kunnen vervangen, bijvoorbeeld gin of jenever, die eveneens door een bijzonder plantaardig aroma worden gekenmerkt.

e) Evenals andere gedistilleerde dranken kan aquavit voor meerdere doeleinden worden aangewend: als conserveermiddel bij het koken, bij hete koffie, ter bereiding van een bijzondere drank die in de winter wordt gedronken, of van cocktails. Het is dus vergelijkbaar met andere gedistilleerde dranken.

##### De schending van artikel 95 EEG-Verdrag

a) Het voordelige accijnstarief, waaraan in Denemarken aquavit (en snaps) in vergelijking met andere gedistilleerde dranken — gelijksoortige of concurrerende produkten — zijn onderworpen, is kennelijk in strijd met artikel 95 EEG-Verdrag. Deze differentiële accijns is van bijzonder belang in Denemarken, het land waarin de accijns op gedistilleerd het hoogst is binnen de Gemeenschap.

b) Blijkens het arrest van het Hof van 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen & Balle, Jurispr. 1978, blz. 1787) staat artikel 95 geen begunstigingsregeling toe waaraan sociale of andere overwegingen ten grondslag liggen; hetzelfde geldt ook met betrekking tot discriminerende belastingregelingen, die zijn gebaseerd op het feit dat een gedistilleerde drank bij de maaltijd wordt gedronken. In hetzelfde arrest wordt verklaard dat de regelingen waarbij krachtens de nationale wetgeving aan bepaalde soorten gedistilleerde dranken of bepaalde groepen producenten belastingvoordelen worden toegekend, in de in artikel 95 bedoelde gevallen ook tot gedistilleerde dranken uit andere Lid-Staten moeten kunnen worden uitgebreid. In hetzelfde arrest heeft het Hof uitgesproken dat de differentiële belasting in strijd is met het Verdrag, zelfs indien de nationale belasting slechts een klein deel van de nationale produktie bevoordeelt.

c) Met betrekking tot het subsidiair beroep op artikel 95, tweede alinea, moet worden opgemerkt dat de accijns op gedistilleerd in Denemarken een element omvat ter bescherming van aquavit. Het verbod van maatregelen die de nationale produkten tegen importen uit andere landen beogen te beschermen, geldt ongeacht de mate van bescherming; in casu is het verschil in tarief bijzonder groot en wordt het reeds lang toegepast. Het is dus moeilijk te bepalen welk marktaandeel de andere gedistilleerde dranken zouden hebben gehad, indien de belastingregeling neutraal zou zijn geweest, zoals artikel 95 verlangt.

De tweede alinea van artikel 95 doelt op de gevallen waarin in een bepaald land geen „gelijksoortige” produkten worden gevonden, maar uitsluitend produkten die met de geïmporteerde produkten concurreren. Zulks is stellig het geval bij aquavit ten opzichte van de andere gedistilleerde dranken.

De regering van het Koninkrijk Denemarken betwist dat artikel 95 EEG-Verdrag voor wat de accijns op gedistilleerde dranken betreft, is geschonden: de litigieuze belastingregeling geeft nationale en geïmporteerde produkten een gelijke behandeling. Relateert men de accijns aan de waarde van het betrokken produkt, dan worden de andere gedistilleerde dranken niet zwaarder belast dan aquavit: aquavit en de andere gedistilleerde dranken zijn geen gelijksoortige produkten in de zin van artikel 95, eerste alinea; de Deense belastingregeling voor gedistilleerd is niet in strijd met artikel 95, tweede alinea.

Subsidiair betoogt de Deense regering dat artikel 95 in elk geval niet geschonden kan zijn voor wat alle andere gedistilleerde dranken dan aquavit betreft, maar hoogstens met betrekking tot de produkten waarvan de Commissie zou kunnen aantonen dat zij ten opzichte van aquavit de in artikel 95, eerste alinea, bedoelde voorwaarde van gelijksoortigheid vervullen, of dat er tussen die produkten en aquavit een dusdanige verhouding bestaat, dat tot schending van artikel 95, tweede alinea, moet worden geconcludeerd.

##### De pretense discriminatie van de geïmporteerde produkten

Artikel 95, eerste alinea, heeft ten doel te voorkomen dat geïmporteerde produkten door een nationale belastingregeling worden gediscrimineerd.

a) De Deense belastingregeling voor gedistilleerde dranken is niet discriminerend: de accijns op gedistilleerde dranken houdt geen rekening met de oorsprong van de produkten. Aan de voorwaarde voor toepassing van artikel 95 is dus niet voldaan. De hogere accijns op de andere gedistilleerde dranken dan aquavit komt dus geenszins neer op een hogere belasting op geïmporteerde gedistilleerde dranken: 33 % van de als „andere gedistilleerde dranken dan aquavit” belaste produkten worden in Denemarken geproduceerd en omgekeerd wordt de vooral uit Duitsland geïmporteerde aquavit volgens hetzelfde tarief belast als de Deense aquavit. Zelfs aangenomen dat aquavit en andere gedistilleerde dranken als gelijksoortige produkten zouden moeten worden aangemerkt, dan worden de produkten uit de andere Lid-Staten niet wegens hun invoer in Denemarken zwaarder belast dan de soortgelijke nationale produkten. Artikel 95 verplicht geenszins tot een algemene fiscale neutraliteit; het doelt uitsluitend op discriminatie tussen geïmporteerde en nationale produkten. Waar het een handelswaar betreft, moet de discriminatie aanknopen aan de grensoverschrijding.

b) Artikel 95, eerste alinea, verbiedt zowel de „formele” discriminaties die een rechtstreeks gevolg zijn van de belastingbepaling zelf, als de „reële” discriminaties. In beide gevallen vormt de grensoverschrijding evenwel het belastbare feit, op grond waarvan op de geïmporteerde produkten een hogere belasting wordt geheven; zulks is echter niet het geval in de Deense wettelijke regeling. Het marktaandeel van de verschillende produkten is niet relevant voor de beoordeling van de vraag of een belastingwet in overeenstemming is met arikel 95. Beslissend is enkel of de betrokken wettelijke regeling voorschriften bevat op grond waarvan gedistilleerde dranken uitsluitend omdat zij uit andere Lid-Staten zijn geïmporteerd, volgens een hoger tarief worden belast; de Deense fiscale wetgeving bevat echter geen enkel dusdanig voorschrift.

c) In elk geval levert de situatie op de markt van gedistilleerd geen enkele steun voor het betoog van de Commissie. Een vijfde van de Deense produktie bestaat uit andere gedistilleerde dranken dan aquavit, en dat kan niet als een te verwaarlozen gedeelte worden, aangemerkt. Voor artikel 95 is echter de consumptie en niet de produktie de beslissende factor. Het aandeel van Deense produkten in de gehele Deense consumptie van andere gedistilleerde dranken dan aquavit bedraagt circa 33 %. Ook op grond van de marktsituatie kan de categorie „andere gedistilleerde dranken dan aquavit” dus niet met geïmporteerde gedistilleerde dranken worden gelijkgesteld. De voorkeur van de consument voor nationale produkten is dus niet te wijten aan een belastingregeling die de geïmporteerde produkten zou discrimineren: zijn keuze wordt bepaald door een reeks andere factoren dan de prijs, zoals de smaak van de produkten en de vaste consumptiegewoonten. De sterke marktpositie van de in Denemarken geproduceerde aquavit heeft niets te maken met bijzondere beschermende maatregelen. De omstandigheid dat de Deense merken aquavit een sterke positie innemen, moet in verband worden gebracht met zuiver commerciële factoren, gecombineerd met enkele traditionele voorkeuren van de consument. Een dergelijke situatie kan ontstaan zonder dat er bijzondere maatregelen zijn die fiscale bescherming verlenen. De Deense producenten nemen bij de produktie van aquavit trouwens geen machtspositie in: in geheel Noord-Europa is de produktie van aquavit sterk ontwikkeld en gespecialiseerd.

d) Een arrest dat van de vrije keuze van de consument en de producent het beslissende criterium zou maken voor een pretense schending van artikel 95, zou heel wat verder gaan dat hetgeen uit de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie over artikel 95 kan worden afgeleid. Voor het Hof is uitsluitend van belang dat binnenlandse en buitenlandse produkten dezelfde mogelijkheden krijgen: aan de in artikel 95 vervatte non-discriminatieverplichting is voldaan wanneer voor een binnenlands en een ingevoerd produkt dezelfde regels gelden.

e) Zou de uitlegging van de Commissie worden gevolgd, dan zou dat een aanzienlijke uitbreiding van het toepassingsgebied van artikel 95 ten gevolge hebben. Het verdragshoofdstuk dat aan de fiscale bepalingen is gewijd, gaat uit van de idee dat de staten de bevoegdheid hebben behouden, zelf hun fiscale beleid te bepalen en belastingen vast te stellen; dit volgt indirect uit artikel 99 EEG-Verdrag. Het gaat te ver om te zeggen dat de structuur van de belastingen geen enkele invloed mag uitoefenen op de economische activiteiten van de ondernemers in de andere Lid-Staten; artikel 99 onderstelt een dergelijke invloed en tegen de gevolgen daarvan moet eventueel door middel van harmonisatie worden opgetreden. In een geval als het onderhavige, waarin de Deense wetgeving geen enkele discriminatie bevat jegens de geïmporteerde produkten, kunnen de gevolgen van de belastingregeling niet via harmonisatie worden gewijzigd.

f) De Deense accijns op gedistilleerde dranken is in feite een aangepaste „ad valorem”-belasting die om belastingtechnische redenen op de hoeveelheid alcohol is gebaseerd. Aan de factor „waarde” wordt recht gedaan door de gradatie in het accijnstarief. De omstandigheid dat die belastingregeling uit zuiver technisch oogpunt de vorm heeft van een bijzondere belasting met twee tarieven, kan op zichzelf geen schending van het Verdrag opleveren.

g) Uit het arrest van het Hof van 10 oktober 1978 (Hansen & Balle) volgt dat artikel 95 zich niet ertegen verzet dat een nationale belastingregeling verschillende tarieven voorziet voor verschillende soorten gedistilleerd. De redenering die aan dat arrest ten grondslag ligt, dient eveneens van toepassing te zijn op het in Denemarken geldende bijzonder tarief voor aquavit; dit kan niet als een regeling met volledige of gedeeltelijke vrijstelling worden beschouwd, maar als een regeling met het rechtmatige doel een toestand van fiscale gelijkheid te creëren.

Volgens hetzelfde arrest moet een gunstige nationale belastingregeling zich eveneens uitstrekken tot de gedistilleerde dranken van de andere Lid-Staten, die aan dezelfde eisen voldoen als het nationale produkt; de Deense wet voldoet geheel aan deze voorwaarde.

Het arrest verduidelijkt het doel van artikel 95: het voorkomen van elke discriminatie van ingevoerde produkten, en niet het waarborgen van een algemene fiscale neutraliteit.

De Commissie beweert dat alle gedistilleerde dranken „gelijksoortig” zijn en houdt vast aan de idee van een belasting met uniform tarief voor alle „gelijksoortige produkten”; zij komt dan tot de ongerijmde conclusie dat op alle produkten, of althans op alle geïmporteerde produkten het laagste nationale belastingtarief moet worden toegepast. Daardoor zou artikel 95 de geïmporteerde produkten niet alleen een gelijke behandeling geven, doch ze in vergelijking met gelijksoortige of zelfs identieke produkten positief bevoordelen. De definitie die de Commissie aan het begrip gelijksooľtige produkten geeft en het gebruik dat zij ervan maakt, zijn niet te verenigen met de rechtspraak van het Hof.

##### De beweerde gelijksoortigheid van aquavit en andere gedistilleerde dranken

a) Anders dan de Commissie meent, moet niet aan de hand van een formeel, maar van een materieel criterium worden uitgemaakt of twee produkten als gelijksoortig zijn aan te merken. Per geval moet op basis van concrete feiten en met inachtneming van enkele algemene overwegingen betreffende de handel in de betrokken produkten worden beoordeeld of er sprake is van gelijksoortigheid. In de recente rechtspraak van het Hof van Justitie neemt de beoordeling van de feiten inderdaad de eerste plaats in, terwijl het formele criterium, in het bijzonder de indeling van het produkt in het gemeenschappelijk douanetarief is teruggebracht tot de rang van een eenvoudige beoordelingsfactor.

b) De IDR-nomenclatuur heeft geen standpunt willen innemen ten aanzien van de vraag of bepaalde produkten uit verbruikersoogpunt als identiek zijn te beschouwen. De nomenclatuur beoogt een duidelijke en ondubbelzinnige indeling vast te stellen; als zondanig geeft zij dus geen aanwijzingen of twee produkten uit materieel oogpunt gelijksoortig zijn in de zin van artikel 95, eerste alinea. Wanneer in enkele arresten van het Hof naar de plaats van de goederen in het gemeenschappelijk douanetarief wordt verwezen — overigens in combinatie met een materieel criterium — gebeurt dat gewoonlijk om de uiterste grenzen vast te stellen waarbinnen de goederen als gelijksoortig kunnen worden beschouwd. De indeling van twee goederen in twee verschillende tariefposten is een wezenlijke factor om een eventuele gelijksoortigheid uit te sluiten; daarentegen mag niet op grond van de omstandigheid dat twee produkten onder een zelfde viercijferige tariefpost zijn ingedeeld, worden aangenomen dat zij uit verbruikersoogpunt dezelfde behoeften bevredigen en dezelfde eigenschappen hebben. De verdeling in postonderverdelingen is op zichzelf evenmin doorslaggevend. Wat in het bijzonder de gedistilleerde dranken betreft, zij opgemerkt dat het feit dat aquavit en de andere gedistilleerde dranken onder post 22.09 van het gemeenschappelijke douanetarief zijn ingedeeld, enkel betekent dat niet valt uit te sluiten dat deze produkten gelijksoortig zijn in de zin van artikel 95; daarentegen mag het op grond van hun indeling in dezelfde tariefpost niet voor vaststaand of zelfs waarschijnlijk worden gehouden, dat zij om die reden voldoen aan de in de rechtspraak van het Hof gestelde voorwaarde dat zij soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften moeten voldoen.

c) Waar in concreto moet worden onderzocht of twee produkten uit verbruikersoogpunt dezelfde eigenschappen vertonen en dezelfde behoeften bevredigen, zij opgemerkt dat aquavit bijna altijd en uitsluitend bij de maaltijd wordt gedronken, hetgeen niet het geval is bij de andere gedistilleerde dranken. In dit verband zijn de drinkgewoonten van belang, want er bestaat geen ander criterium waarmee men werkelijk kan achterhalen hoe de consument een bepaald produkt ziet. In Denemarken bedraagt de consumptie van ander gedistilleerd dan aquavit 37 %, en dit aandeel neemt gestaag toe; op grond daarvan kan dus niet worden gezegd dat de accijns voor de consument een afschrikkende werking heeft. Aangenomen zelfs dat een wijziging van de fiscale last op een produkt het verbruik van dat produkt beïnvloedt, dan behoeft dat niet per se gevolgen te hebben voor de consumptie van andere produkten. Denemarken is nagenoeg het enige land in de Gemeenschap waar aquavit wordt gedronken; daarom zou men wat dat produkt betreft, de drinkgewoonten in Denemarken kunnen beschouwen als de drinkgewoonten in de Gemeenschap.

d) Bij een „abstracte” beoordeling van de eigenschappen van de produkten wordt het beslissende criterium voor het voor consumptie bestemde gedistilleerd bepaald door de typische, met de smaak van de verschillende produkten verband houdende eigenschappen.

Blijkens de rechtspraak van het Hof maakt de aanwezigheid van ethylalcohol in verscheidene produkten daarvan nog geen gelijksoortige produkten in de zin van artikel 95, eerste alinea; evenmin zijn de produktiewijze en de gebruikte grondstoffen van enig belang. Voor de consument, die tussen twee gedistilleerde dranken van hetzelfde type moet kiezen, geven de typische smaakeigenschappen van elk van deze produkten volledig de doorslag.

In Europa hebben de verschillende gedistilleerde dranken duidelijk omlijnde gebruiksmogelijkheden, die zijn terug te voeren op hun smaakeigenschappen; deze bijzondere eigenschappen zijn bepalend voor het typische gebruik van het produkt. Voor aquavit is de doorslaggevende factor dat het bij voorkeur bij de maaltijd wordt gedronken.

Uit objectieve onderzoekingen naar de drinkgewoonten is gebleken dat aquavit typische eigenschappen bezit waardoor het zich van andere gedistilleerde dranken onderscheidt; de consument is dan ook niet de mening toegedaan dat aquavit en andere gedistilleerde dranken onderling substitueerbaar zijn.

In het verschil in aroma, waarop uit technisch oogpunt uiteindelijk het onderscheid berust, komt voor de consument een wezenlijk verschil tussen de diverse produkten tot uiting.

Uit verbruikersoogpunt voldoen aquavit en de andere gedistilleerde dranken dus niet aan dezelfde behoeften en vertonen zij evenmin dezelfde eigenschappen.

##### De beweerde schending van artikel 95, tweede alinea

Wil een accijns als strijdig met artikel 95, tweede alinea, kunnen worden beschouwd, dan moet hij ook op produkten uit de andere Lid-Staten drukken, moeten deze produkten de nationale produkten kunnen vervangen en moet de accijns een bescherming van de nationale produkties of produkten met zich meebrengen. Aan geen van deze drie voorwaarden is in casu voldaan.

a) De omvang van de Deense produktio van ander gedistilleerd dan aquavit is niet zo gering, dat de andere gedistilleerde dranken per se uit andere Lid-Staten moeten komen. Het feit dat de Deense produktio van ander gedistilleerd dan aquavit geringer is dan de invoer, is overigens vooral aan de litigieuze belastingregeling te wijten; deze heeft de produktie van verschillende Deense gedistilleerde dranken wegens de concurrentie van buitenlands gedistilleerd onrendabel gemaakt.

b) Aquavit en andere gedistilleerde dranken concurreren niet echt met elkaar. Hierbij is een duidelijke kruislingse elasticiteit tussen de betrokken produkten het beslissende criterium: van twee produkten kan worden gezegd dat zij met elkaar concurreren, wanneer een geringe prijsstijging van het ene produkt ertoe leidt dat een groot gedeelte van de vraag naar het andere produkt verschuift. Er is echter geen enkel bewijs geleverd waaruit zou blijken dat aquavit in deze zin concurreert met de andere gedistilleerde dranken.

c) Evenmin heeft de Commissie aangetoond dat de accijns op ander gedistilleerd dan aquavit een beschermend element omvat ten gunste van aquavit.

Van een zuivere belasting ad valorem kan niet worden aangenomen dat zij bescherming geeft tegen buitenlandse produkten.

Vergeleken met de groothandelswaarde van de verschillende produkten wordt aquavit niet lager belast dan cognac, whisky of andere gedistilleerde dranken.

#### V — Antwoorden op de vragen van het Hof en schriftelijke opmerkingen

In haar schriftelijke antwoorden op vragen van het Hof heeft de Commissie met name beklemtoond dat het eigenlijke probleem de concurrentie tussen de gedistilleerde dranken uit wijn en die uit graan is, gezien het aanmerkelijke verschil tussen de produktiekosten van deze produkten. Dit probleem is van economische aard en moet, wanneer het zich na de opheffing van de thans bestaande fiscale belemmeringen voordoet, op communautair niveau worden opgelost met de interventie-instrumenten die reeds in de verordening betreffende de gemeenschappelijke ordening van de markt in de sector wijn zijn voorzien.

Het voorstel voor een richtlijn betreffende de harmonisatie van accijnzen op alcohol (PB C 43 van 1972, blz. 25), gaat uit van het beginsel dat alle gedistilleerde dranken gelijksoortig zijn en dat de produkten aan een belastingregeling met een uniform tarief per hectoliter zuivere alcohol moeten worden onderworpen. Het voorstel voor een verordening houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ethylalcohol uit landbouwprodukten alsmede aanvullende bepalingen voor bepaalde produkten die ethylalcohol bevatten (PB C 43 van 1972, blz. 3, en PB C 309 van 1976, blz. 2), voorziet in maatregelen ten aanzien van de alcoholproduktie en in interventiemaatregelen (prijscompensatie, uit de markt nemen en verkoop aan gereserveerde sectoren), maatregelen ten aanzien van alcoholhoudende dranken (steunverlening en oplegging van vereveningsrechten), handelspolitieke maatregelen en algemene bepalingen. Dit voorstel heeft slechts gedeeltelijk betrekking op gedistilleerde dranken uit wijn, omdat de passende en noodzakelijke interventiemaatregelen ter ondersteuning van de prijs van deze produkten uitdrukkelijk worden geregeld in de communautaire regeling voor de wijnmarkt (verordening nr. 337/79 van de Raad van 5 februari 1979 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt; PB L 54 van 1979, blz. 1). De Gemeenschap beschikt al lang over de passende economische middelen om het belangrijkste probleem te kunnen regelen, te weten de compensatie van het verschil tussen de produktiekosten van alcoholhoudende en gedistilleerde dranken uit wijn enerzijds, en de produkten op basis van andere agrarische grondstoffen, met name graan, anderzijds. Deze instrumenten kunnen slechts goed functioneren indien zij op een fiscaal neutrale markt worden gebruikt. Het zou niet juist zijn de opheffing van de fiscale belemmeringen afhankelijk te stellen van de vaststelling door de Raad van de betrokken richtlijn of verordening. De geconstateerde vertraging in de voortgang van de werkzaamheden van de Raad met betrekking tot de voorstellen van de Commissie is grotendeels te wijten aan het bestaan, in de Lid-Staten, van discriminerende fiscale maatregelen, die de nationale produkten een aanvullende bescherming bieden en die stellig niet gerechtvaardigd zijn ten opzichte van concurrerende produkten uit de andere Lid-Staten.

Verenigbaar met artikel 95 zijn enerzijds de belastingen die niet alleen volgens hetzelfde tarief, maar ook volgens dezelfde structuur zowel op nationale produkten als op gelijksoortige of concurrerende geïmporteerde produkten in de zin van artikel 95 drukken, en anderzijds de nationale belastingen die, ofschoon zij qua tarief en belastingstructuur een differentiële fiscale behandeling opleveren en daardoor bepaalde soorten nationale produkten begunstigen, op niet-discriminerende wijze op de geïmporteerde produkten drukken, dat wil zeggen dat zij de gunstiger fiscale behandeling die is voorbehouden aan bepaalde gelijksoortige en/of concurrerende nationale produkten in de zin van artikel 95, uitbreiden tot geïmporteerde produkten. Het belangrijkst is de onvoorwaardelijke inachtneming van het beginsel van de fiscale neutraliteit in het intracommunautaire handelsverkeer. Deze opmerkingen zijn in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof, met name het arrest van 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen & Balle, Jurispr. 1978, biz. 1787).

In haar schriftelijke opmerkingen over de antwoorden van de Commissie op de vragen van het Hof stelt de Deense regering dat de Commissie, haar vroegere redenering opgevende, thans meent dat artikel 95 enkel tot een nict-discriminerende toepassing van de nationale belastingregeling op geïmporteerde produkten verplicht, doch geen verplichting oplegt met betrekking tot de belastingregeling zelf. De criteria waarop een differentiatie in het tarief van de accijns kan worden gebaseerd, berusten enkel op economische beleidsoverwegingen, voor zover de Lid-Staten hun bevoegdheden terzake hebben behouden en onverminderd een harmonisatie op communautair vlak.

Het non-discriminatievereiste brengt niet de verplichting mee, de gunstigste bijzondere nationale regeling uit te breiden tot alle ingevoerde produkten.

#### VI — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 9 en 10 oktober 1979 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Hof beantwoord door de Commissie, te dezen vertegenwoordigd door J. F. Buhl, bijgestaan door de deskundige M. Maurei, hoofdadministrateur bij het directoraat-generaal Landbouw, directoraat „Wijn, alcohol en afgeleide produkten”; en de Deense regering, te dezen vertegenwoordigd door P. Lachmann en G. Lett, advocaat.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 28 november 1979 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij verzoekschrift van 7 augustus 1978 heeft de Commissie krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk Denemarken, door bij de belasting op gedistilleerde dranken een differentieel tarief toe te passen, de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2. Tegelijkertijd heeft de Commissie met betrekking tot soortgelijke problemen beroep ingesteld tegen de Franse en de Italiaanse Republiek. In de drie gevallen bevatten de verzoekschriften enkele algemene overwegingen, waaruit blijkt dat de beroepen onderdeel zijn van een algemene actie om te verzekeren dat de betrokken staten hun verdragsverplichtingen terzake nakomen. Het lijkt derhalve gewenst, eerst enige algemene principiële vragen met betrekking tot de uitlegging van artikel 95 te verduidelijken, die de drie zaken, gelet op de bijzonderheden van de markt van gedistilleerd, gemeen hebben.

#### De uitlegging van artikel 95

3. Volgens artikel 95, eerste alinea, „heffen de Lid-Staten op produkten van de overige Lid-Staten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale produkten worden geheven.” De tweede alinea voegt daaraan toe dat „de Lid-Staten op de produkten van de overige Lid-Staten geen zodanige binnenlandse belastingen heffen, dat daardoor andere produkten zijdelings worden beschermd.”

4. In het stelsel van het Verdrag vormen de aangehaalde bepalingen een aanvulling op die betreffende de afschaffing van douanerechten en heffingen van gelijke werking. Zij hebben ten doel, het vrije verkeer tussen de Lid-Staten onder normale concurrentieverhoudingen te verzekeren door elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van produkten uit andere Lid-Staten. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, dient artikel 95 de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen nationale en geïmporteerde produkten.

5. De hoofdregel terzake wordt gevormd door de eerste alinea van artikel 95, die uitgaat van een vergelijking tussen de fiscale lasten op nationale en die op als „gelijksoortig” aan te merken geïmporteerde produkten. Zoals het Hof in zijn arrest van 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen & Balle, Jurispr. 1978, biz. 1787) heeft beklemtoond, moet deze bepaling ruim worden uitgelegd, zodat alle fiscale regelingen die inbreuk kunnen maken op de gelijkheid van behandeling van nationale of geïmporteerde produkten eronder vallen; de uitdrukking „gelijksoortige produkten” moet dus voldoende soepel worden uitgelegd. In zijn arrest van 17 februari, 1976 (zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181) heeft het Hof uitgemaakt dat als gelijksoortig dienen te worden aangemerkt „de produkten die uit verbruikersoogpurit soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen.” Voor de bepaling van het toepassingsgebied van artikel 95, eerste alinea, dienen dus niet de volstrekte identiteit, maar het soortgelijke en vergelijkbare gebruik als maatstaf te worden gehanteerd.

6. Daarnaast richt de tweede alinea van artikel 95 zich tegen elke vorm van zijdelings fiscaal protectionisme in het geval van produkten die, hoewel niet gelijksoortig in de zin van de eerste alinea, toch gedeeltelijk, indirect of potentieel in een concurrentieverhouding staan met sommige produkties van het land van invoer. Bepaalde aspecten van deze bepaling heeft het Hof reeds verduidelijkt in zijn arrest van 8 april 1968 (zaak 27/67, Fink-Frucht, Jurispr. 1968, blz. 317), waarin werd overwogen dat het voor de toepassing van de tweede alinea voldoende is dat het geïmporteerde produkt op grond van een of meer economische toepassingen concurreert met de nationale produktie, ook wanneer het niet geheel voldoet aan de in artikel 95, eerste alinea, gestelde voorwaarde van gelijksoortigheid.

7. Terwijl bij de eerste alinea de vergelijking van de fiscale lasten — aan de hand van het tarief, de belastinggrondslag dan wel andere toepassingsmodaliteiten — het aangewezen beoordelingscriterium is, knoopt de tweede alinea, vanwege de moeilijkheid om genoegzaam nauwkeurige vergelijkingen tussen de betrokken produkten te maken, aan bij een meer algemeen criterium, namelijk het protectionistische karakter van een binnenlandse belastingregeling.

8. In het onderhavige geval zijn over de toepassing van het gelijksoortigheids-criterium, dat de werkingssfeer van het verbod van artikel 95, eerste alinea, bepaalt, meningsverschillen gerezen tussen partijen. Volgens de Commissie bezitten alle gedistilleerde dranken, ongeacht de voor hun vervaardiging gebruikte grondstoffen, soortgelijke eigenschappen en voldoen zij in wezen aan dezelfde behoeften van de verbruikers. Ongeacht de bijzondere kenmerken van de verschillende onder deze categorie vallende produkten en de drinkgewoonten in de verschillende gebieden van de Gemeenschap, zouden derhalve de gedistilleerde dranken als eindprodukten uit verbruikersoogpunt één algemene markt vormen. Opgemerkt zij dat deze zienswijze tot uiting komt in de door de Commissie bij de Raad ingediende voorstellen tot instelling van een gemeenschappelijke ordening van de alcoholmarkt, gebaseerd op de toepassing van een eenvormig belastingtarief voor alle betrokken produkten, afhankelijk van hun gehalte aan zuivere alcohol.

9. Deze opvatting wordt door de regeringen van de drie in rechte betrokken Lid-Staten bestreden. Huns inziens kunnen gedistilleerde dranken in verschillende categorieën worden onderverdeeld, die zich onderscheiden volgens de gebruikte grondstoffen, hun kenmerkende eigenschappen en de in de verschillende Lid-Staten geconstateerde drinkgewoonten.

10. Daaromtrent merkt de Commissie echter op, dat de waardering van de kenmerken van de verschillende alcoholische dranken evenals de drinkgewoonten naar plaats en tijd verschilt en dat deze factoren geen beoordelingscriteria kunnen opleveren die voor de Gemeenschap in haar geheel gelding bezitten. Bovendien vestigt zij de aandacht op het gevaar dat deze gewoonten ontstaan als een gevolg van de door de staten ingevoerde fiscale indelingen.

11.

Tegenover deze stellingen meent het Hof zijn standpunt te moeten bepalen als volgt. Bij de toepassing van de bepalingen van artikel 95 op de bijzondere nationale situaties waarop de door de Commissie ingestelde beroepen betrekking hebben, moet rekening worden gehouden met de algemene situatie van de markt van alcoholhoudende dranken in de Gemeenschap. Te dezen vallen drieërlei overwegingen in aanmerking te nemen :

a) in de eerste plaats mag niet uit het oog worden verloren dat alle betrokken produkten, onverschillig welke voor het overige hun bijzondere eigenschappen zijn, gemeenschappelijke generieke kenmerken vertonen. Zij zijn alle verkregen door distillatie; alle bevatten als hoofdbestanddeel voor menselijke consumptie geschikte alcohol van een betrekkelijk hoge concentratiegraad. Binnen de ruimere categorie van alcoholhoudende dranken vormen de gedistilleerde dranken derhalve een identificeerbare groep met gemeenschappelijke kenmerken;

b) ondanks die gemeenschappelijke kenmerken kan men binnen deze groep nog produkten onderscheiden die min of meer uitgesproken eigen karakteristieken vertonen. Deze vloeien voort uit de gebruikte grondstoffen (in dit opzicht kan met name worden onderscheiden tussen gedistilleerd uit wijn, vruchten, graan en suikerriet), de fabricagemethoden dan wel de toegevoegde aromatische bestanddelen. Aan de hand van deze eigen karakteristieken kunnen metterdaad typische variëteiten gedistilleerd worden omschreven, waarvan sommige zelfs worden beschermd door benamingen van oorsprong;

c) tegelijkertijd mag men niet uit het oog verliezen dat er onder de gedistilleerde dranken, naast duidelijk gedefinieerde produkten met een betrekkelijk specifiek gebruiksdoel, andere produkten bestaan met minder uitgesproken eigenschappen, die voor meer uiteenlopende doeleinden worden gebruikt. Enerzijds zijn dat de talrijke produkten op basis van zogenoemde „neutrale” alcohol, dat wil zeggen alcohol die uit allerlei grondstoffen, bijvoorbeeld melasse en aardappelen kan worden verkregen; deze produkten ontlenen hun eigen karakter uitsluitend aan de toevoeging van aromaten met een meer of minder geprononceerde smaak. Anderzijds zij erop gewezen dat er onder de gedistilleerde dranken produkten voorkomen die op zeer uiteenlopende wijze kunnen worden gedronken: puur, aangelengd of gemixt. Deze produkten kunnen dus concurreren met een meer of minder grote verscheidenheid van andere alcoholhoudende dranken met meer beperkte gebruiksmogelijkheden. Kenmerkend voor de drie bij het Hof aanhangige procedures is, dat zij elk niet enkel betrekking hebben op gedistilleerde dranken met duidelijke eigenschappen, maar ook op één of meer produkten met talrijke gebruiksmogelijkheden.

12. Deze analyse van de markt van gedistilleerde dranken leidt tot een tweevoudige conclusie. In de eerste plaats komen er onder de gedistilleerde dranken, alle tezamen beschouwd, een onbepaald aantal dranken voor die als „gelijksoortige produkten” in de zin van artikel 95, eerste alinea, zijn aan te merken, hoewel dit in concrete gevallen soms moeilijk zal zijn uit te maken, gelet op de aard van de factoren die bij onderscheidingscriteria als smaak en consumentengewoonten meespelen. In de tweede plaats vertonen alle gedistilleerde dranken, zelfs waar een voldoende mate van gelijksoortigheid tussen de betrokken produkten niet kan worden vastgesteld, niettemin genoegzaam uitgesproken gemeenschappelijke kenmerken om het bestaan te aanvaarden van althans een gedeeltelijke of potentiële concurrentieverhouding. Bijgevolg kan toepassing van artikel 95, tweede alinea, in aanmerking komen in de gevallen waarin de gelijksoortigheid van de specifieke soorten gedistilleerd twijfelachtig of betwist blijft.

13. Blijkens het voorgaande kan artikel 95 in zijn geheel genomen zijn werking doen gevoelen ten aanzien van alle betrokken produkten zonder onderscheid. Het volstaat derhalve te onderzoeken of de toepassing van een bepaalde nationale belastingregeling discriminerend of, in voorkomend geval, protectionistisch is, dat wil zeggen of er een verschil in het tarief of in de toepassingsmodaliteiten van de belasting bestaat en of dat verschil een bepaalde nationale produktie kan begunstigen. Het is in dit kader dat, voor elk van de door de Commissie ingestelde beroepen, de economische verhoudingen tussen de betrokken produkten en de kenmerken van de litigieuze belastingregelingen moeten worden onderzocht.

14. In de verschillende procedures hebben partijen zich met betrekking tot het onderscheid tussen verscheidene groepen alcoholische produkten beroepen op enkele overwegingen van het Hof in het bovenaangehaalde arrest-Hansen & Balle, dat is gewezen toen de onderhavige beroepen reeds aanhangig waren. In het bijzonder is verwezen naar een passage in dat arrest, waar wordt gezegd „dat het bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht en zolang de betrokken bepalingen niet zijn eengemaakt of geharmoniseerd, het de Lid-Staten niet verboden is aan bepaalde soorten gedistilleerde dranken of bepaalde groepen producenten belastingvoordelen in de vorm van een ontheffing of vermindering van rechten toe te kennen” en „dat ... belastingfaciliteiten als deze ter bereiking van wettige economische en sociale doelen kunnen worden aangewend, zoals het gebruik van bepaalde grondstoffen door de branderijen, het behoud van de produktie van typische gedistilleerde dranken van hoge kwaliteit of het in stand houden van bepaalde categorieën bedrijven, zoals de branderijen in de landbouwsector.”

15. Omdat enkele van de in rechte betrokken regeringen zich ter rechtvaardiging van hun belastingregeling op deze overwegingen beriepen, heeft het Hof de Commissie vragen gesteld over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van differentiële belastingtarieven voor verschillende groepen alcoholhoudende dranken, en over haar voornemens terzake bij de harmonisatie van de belastingwetgevingen. De Commissie bevestigde haar zienswijze omtrent de gelijksoortigheid van alle gedistilleerde dranken, alsmede haar voornemen om de invoering — althans in principe — van een eenvormig belastingtarief in de toekomstige gemeenschapsverordeningen te verdedigen, en vestigde vervolgens de aandacht op het feit dat de problemen in verband met het gebruik van bepaalde grondstoffen, het behoud van produkties van hoge kwaliteit en de economische structuur van de produktiebedrijven — welke problemen het Hof in het aangehaalde arrest heeft vermeld —, met inachtneming van het verschil in kosten van de gebruikte grondstoffen kunnen worden opgelost door middel van steun bij de produktie of compensatieregelingen tussen producenten. Zij wees erop dat deze doelstelling voor de gedistilleerde dranken uit wijn reeds is verwezenlijkt in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt. Volgens de Commissie zouden dergelijke voorzieningen de afzetkansen van bepaalde, door hun produktiekosten benadeelde produkten kunnen waarborgen, zonder dat het nodig is daartoe gebruik te maken van differentiële belastingtarieven.

16. Met betrekking tot deze standpunten merkt het Hof op, dat het weliswaar in het arrest-Hansen & Balle, gelet op de huidige stand van het gemeenschapsrecht, de wettigheid van ontheffing of vermindering van belasting in bepaalde gevallen heeft erkend, doch zulks onder voorwaarde dat de Lid-Staten die van deze mogelijkheid gebruik maken, dergelijke faciliteiten zonder onderscheid ook uitbreiden tot de geïmporteerde produkten die in dezelfde omstandigheden verkeren. Met nadruk wordt erop gewezen, dat de wettigheid van deze praktijken met name is erkend om het behoud mogelijk te maken van produkties of ondernemingen die, zonder deze bijzondere fiscale faciliteiten, vanwege de stijging van de produktiekosten niet meer rendabel zouden zijn. Daarentegen mogen de in het aangehaalde arrest vervatte overwegingen niet worden opgevat als een legitimatie van fiscale differentiaties met een discriminerend of protectionistisch karakter.

#### De toepasselijke wetgeving en het kader van het geding

17.

Volgens artikel 2 van de gecoördineerde wet nr. 151 van 4 april 1978 betreffende de accijns op gedistilleerd, die de ten tijde van het geding geldende Deense wettelijke regeling bevat, bedraagt deze accijns:

1.voor aquavit en snaps (hierna aangeduid als aquavit, daar de twee woorden synoniem zijn) DKR 167,50 per liter zuivere ethylalcohol, en

2.voor de „overige produkten” DKR 257,15 per liter zuivere ethylalcohol.

18. In artikel 3 van dezelfde wet worden de produkten waarvoor het in artikel 2, sub 1, vastgestelde tarief geldt, omschreven als „produkten die zijn vervaardigd uit neutrale alcohol met toevoeging van plantaardige aromaten” en bovendien „niet het karakter hebben van gin, wodka, jenever, wacholder en dergelijke, van likeur, punch, bitter en dergelijke, anijslikeuren of rum, vruchtenbrandewijn en andere produkten, waarvan de typische smaak traditioneel door distillatie of rijping ontstaat.”

19. Vooraf onderzoekt de Deense regering de verhouding tussen artikel 95, waarop de Commissie haar beroep heeft gebaseerd, en artikel 99 betreffende de harmonisatie van de fiscale wetgevingen. Zij vraagt zich af, of tenuitvoerlegging van deze harmonisatie geen voorrang moet hebben boven toepassing van artikel 95. Omdat de Lid-Staten de bevoegdheid hebben behouden, zelf hun fiscaal beleid te bepalen en belastingen vast te stellen, zou de eventuele invloed van een belastingregeling op de normale werking van de gemeenschappelijke markt moeten worden uitgeschakeld door middel van de harmonisatie van de wetgevingen als bedoeld in artikel 99. De Commissie zou niet willekeurig mogen trachten deze harmonisatie af te dwingen door toepassing van artikel 95, in plaats van de procedure van artikel 99 te volgen.

20. De ongelijkheid van de nationale belastingregelingen en met name de verschillen in de belastingtarieven, die bijzonder groot zijn bij de belasting op gedistilleerd, vormen stellig een belemmering voor het vrije goederenverkeer en de ontwikkeling van de handel tussen de Lid-Staten. Niettemin kan de tenuitvoerlegging van het in artikel 99 bedoelde harmonisatieprogramma geen voorwaarde vooraf zijn voor de toepassing van artikel 95. Want welke ook de verschillen tussen de nationale belastingregelingen zijn, artikel 95 stelt een fundamentele eis die rechtstreeks verband houdt met het verbod van douanerechten en heffingen van gelijke werking tussen Lid-Staten, aangezien het, vóór iedere harmonisatie, de afschaffing beoogt van alle nationale fiscale praktijken die tot discriminatie van ingevoerde produkten kunnen leiden of bepaalde nationale produkties bescherming kunnen bieden. De artikelen 95 en 99 blijken dus verschillende doeleinden na te streven: het eerste wil de discriminerende of protectionistische fiscale praktijken met onmiddellijke ingang afschaffen, terwijl het tweede de belemmeringen van het handelsverkeer wil verminderen, die het gevolg zijn van de dispariteiten tussen de nationale belastingregelingen, ook wanneer deze laatste op niet-discriminerende wijze worden toegepast.

21. Dit argument dient derhalve te worden verworpen, zodat het beroep moet worden beoordeeld binnen het kader waarin het door de Commissie is ingesteld, te weten dat van artikel 95.

#### Beoordeling van de gewraakte belastingregeling

22. De Commissie acht de Deense belastingregeling discriminerend ten opzichte van de uit de andere Lid-Staten ingevoerde gedistilleerde dranken, omdat voor het grootste deel van de nationale produktie, uit aquavit bestaande, een gereduceerd belastingtarief geldt, terwijl de uit de andere Lid-Staten geïmporteerde gelijksoortige of concurrerende alcoholhoudende dranken — afgezien van geringe hoeveelheden, die de in de wet vastgestelde bijzondere kenmerken van aquavit bezitten — volgens het hoogste tarief worden belast.

23. De Commissie voert daarbij de volgende cijfers aan, die door de Deense regering niet worden betwist. Op een totale consumptie van 9240000 liter zuivere alcohol gedurende 1977 — het referentiejaar — gold voor 5787000 liter het lagere tarief; daarvan werd 5728000 liter in Denemarken geproduceerd, terwijl slechts 59000 liter werd ingevoerd, waarvan ongeveer 34000 liter uit de Bondsrepubliek Duitsland en de rest uit derde landen. Van de andere gedistilleerde dranken, waarvan de consumptie gedurende het referentiejaar 3452000 liter, uitgedrukt in zuivere alcohol, bedroeg, was 1118000 liter afkomstig van de binnenlandse produktie, terwijl 2334000 liter werd ingevoerd.

24. Volgens de Commissie tonen deze cijfers aan, dat het lagere tarief bijna uitsluitend ten goede komt aan een soort gedistilleerd dat het grootste deel van de nationale produktie vormt, terwijl het hogere tarief van toepassing is op alle andere alcoholhoudende dranken, merendeels (dat wil zeggen voor ongeveer twee derde) ingevoerde produkten. Al bij al zou deze belastingregeling derhalve duidelijk discriminerend zijn voor de ingevoerde gedistilleerde dranken. Zij zou als zodanig in strijd zijn met artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, volgens hetwelk een Lid-Staat op produkten van de overige Lid-Staten geen hogere binnenlandse belastingen mag heffen dan die welke op gelijksoortige nationale produkten worden geheven. Voor het geval de gelijksoortigheid van aquavit en de andere in de Deense wet bedoelde gedistilleerde dranken niet zou worden erkend, is de Commissie van mening dat door het in die wet ingestelde differentiële tarief in elk geval de nationale produktie van aquavit zijdelings wordt beschermd in de zin van artikel 95, tweede alinea.

25. De Deense regering bestrijdt de opvatting van de Commissie, als zouden alle door distillatie verkregen alcoholhoudende dranken zijn aan te merken als „gelijksoortige” produkten in de zin van artikel 95, eerste alinea. Zij meent dat het Verdrag de Lid-Staten niet verbiedt, met het oog op de toepassing van differentiële belastingtarieven onderscheid te maken tussen de verschillende soorten gedistilleerd. In het arrest-Hansen & Balle (reeds aangehaald) zou het Hof van Justitie zelf hebben erkend dat de Lid-Staten bevoegd zijn bij de belasting op alcohol bepaalde differentiaties aan te brengen. De Deense regering meent dat de Deense staat dus gerechtigd is, verschillende tarieven te handhaven, gebaseerd op de bijzondere typische eigenschappen van de produkten, die tot een van beide, in haar belastingwetgeving ingestelde categorieën behoren. De Deense regering is van mening dat de consumentengewoonten een geschikt criterium opleveren om aquavit te onderscheiden van alle andere alcoholhoudende dranken. Tot staving van deze stelling legt zij marktonderzoeken over, waaruit blijkt dat aquavit ingevolge de Deense voedingsgewoonten hoofdzakelijk tijdens de maaltijd bij typische gerechten wordt gedronken, zodat het niet kan worden beschouwd als een produkt dat op één lijn staat met andere gedistilleerde dranken.

26. Daarenboven vestigt de Deense regering de aandacht op het feit dat de gewraakte belastingregeling geen enkel onderscheid maakt tussen ingevoerde en nationale produkten. Ongeacht hun herkomst, zouden de produkten worden belast volgens het tarief dat overeenkomt met hun indeling in de wettelijk vastgestelde belastingcategorieën; voor ingevoerde aquavit zou dus hetzelfde tarief gelden als voor Deense aquavit, terwijl voor de andere Deense alcoholhoudende dranken hetzelfde tarief geldt als voor de ingevoerde. Het marktaandeel van de verschillende produkten is volgens de Deense regering van geen enkel belang voor de vraag of de wet in overeenstemming is met artikel 95. Aldus zou er in het systeem van de Deense wet geen enkel verband blijken te bestaan tussen het feit dat een waar de grens overschrijdt, en de toepassing van een hoger tarief.

27. De Deense regering merkt nog op, dat voor alcoholhoudende dranken gedurende enige tijd een gemengde belastingregeling heeft bestaan, waarbij naast een specifiek recht een „ad valorem” berekend recht werd toegepast. De ingevolge de huidige regeling geheven accijns zou in feite niets anders zijn dan een aangepaste belasting „ad valorem”. Dit zou verklaren waarom voor aquavit, dat een goedkoop produkt is, een gunstiger tarief geldt dan voor de andere gedistilleerde dranken, waarvan de produktiekosten hoger zijn. Niets zou Denemarken overigens beletten de oude regeling weer in te voeren; een belasting volgens die methode zou erop neerkomen dat aquavit nog minder wordt belast, terwijl de belastingdruk op gedistilleerde dranken met een hoge kostprijs, zoals whisky en cognac, zou toenemen.

28. Met betrekking tot de toepassing van artikel 95, tweede alinea, betoogt de Deense regering dat het echte alternatief voor de consument bestaat in de keuze tussen aquavit en bier enerzijds en wijn anderzijds, terwijl de onderlinge subsitutiemogelijkheden bij aquavit en de andere gedistilleerde dranken te verwaarlozen zouden zijn. Voor de toepassing van artikel 95, tweede alinea evenwel zou een „duidelijke kruislingse elasticiteit” tussen de produkten het beslissende criterium zijn, dat wil zeggen dat bij een geringe prijsstijging voor een produkt een groot gedeelte van de vraag zich naar een ander produkt verplaatst. De Deense regering wijst in dit verband op de criteria die het Hof bij de toepassing van de mededingingsregels van het Verdrag heeft gehanteerd voor de afbakening van de relevante markten. Daarentegen zou de Commissie geen enkel bewijs hebben aangebracht voor het bestaan van een protectionistische werking, welke voorwaarde is voor de toepasselijkheid van artikel 95, tweede alinea.

29. In de in haar verweerschrift opgenomen „subsidiaire conclusies” verzoekt de Deense regering het Hof de eventuele vaststelling van de niet-nakoming van de verdragsverplichtingen te beperken tot de produkten die vanwege hun bijzondere verwantschap met aquavit uit fiscaal oogpunt daarmee gelijkgesteld zouden moeten worden, en het beroep voor het overige te verwerpen.

30. Wat het verweer van de Deense regering betreft, dient al aanstonds het argument te worden verworpen, dat de litigieuze regeling niets anders zou zijn dan een aangepaste belasting „ad valorem”. Elke belastingregeling moet immers naar haar eigen merites aan artikel 95 worden getoetst, en niet door vergelijking met een regeling die voorheen van toepassing is geweest of die er eventueel voor in de plaats zou kunnen komen. Bovendien moet worden gewezen op het tegenstrijdige in het ter zake door de Deense regering ingenomen standpunt. Immers, onder de gedistilleerde dranken waarvoor ingevolge artikel 3 van de Deense wet het hoogste accijnstarief geldt, bevinden zich verschillende produkten die op basis van neutrale alcohol worden vervaardigd en daarom evenals aquavit als goedkope dranken zijn aan te merken. Onder een belastingregeling „ad valorem” zouden zij dus hetzelfde fiscale voordeel moeten genieten als aquavit. Het feit dat deze produkten fiscaal worden gelijkgesteld met produkten die door een hogere kostprijs worden gekennmerkt, bewijst dat de thans vigerende belastingregeling niet de kenmerken van een belastingregeling „ad valorem” vertoont.

31. De beoordeling van de verenigbaarheid van de Deense belastingregeling met artikel 95 levert een bijzonder probleem op, doordat het in de Deense wetgeving voorziene gunstige tarief slechts ten goede komt aan één, nauwkeurig in de wet omschreven produkt, met uitsluiting van alle andere gedistilleerde dranken. De vraag is dus, of er een gelijksoortigheids- dan wel een concurrentieverhouding bestaat tussen één bijzonder produkt en een onbepaald aantal andere produkten, waarvan sommige wel, en andere niet in de wet zijn genoemd.

32. Te dezen zij in de eerste plaats opgemerkt dat onder de produkten waarop het hoogste tarief van toepassing is, verscheidene met name genoemde dranken voorkomen die nagenoeg dezelfde kenmerken vertonen als aquavit, doordat zij gewoonlijk op basis van neutrale alcohol worden vervaardigd en hun typische smaakeigenschappen aan de toevoeging van aromaten te danken hebben. Het is aannemelijk dat deze produkten juist wegens hun gelijksoortigheid uitdrukkelijk zijn vermeld onder de gedistilleerde dranken waarop het hogere accijnstarief van toepassing is. Voor wat deze dranken betreft, kan er dus geen twijfel aan bestaan dat inbreuk is gemaakt op artikel 95, eerste alinea.

33. Met betrekking tot het grote aantal andere alcoholhoudende dranken waarop ingevolge de Deense wetgeving het hoogste accijnstarief van toepassing is, kan onmogelijk met zekerheid worden vastgesteld, hoevele ervan als „gelijksoortige” gedistilleerde dranken als aquavit in de zin van artikel 95, eerste alinea, kunnen worden aangemerkt, en bij hoevele ervan het om produkten gaat die, zonder gelijksoortig te kunnen worden genoemd, als substitutieprodukt met aquavit concurreren in de zin van de tweede alinea van dat artikel.

34. Het Hof acht het voor de oplossing van het onderhavige geschil niet nodig ter zake uitspraak te doen. Want ook al zou er twijfel bestaan over de vraag, in hoeverre de vele alcoholhoudende dranken die door de Deense wetgeving in de zwaarst belaste categorie zijn ingedeeld, in de zin van artikel 95, eerste alinea, gelijksoortig zijn met aquavit, in elk geval kan in redelijkheid niet worden betwist dat al die dranken zonder uitzondering althans gedeeltelijk concurreren met het door de Deense regeling begunstigde produkt.

35. Zoals hiervóór gezegd, hebben immers de in de Deense wetgeving bedoelde gedistilleerde dranken, als door distillatie verkregen produkten, voldoende kenmerken met aquavit gemeen om althans in bepaalde omstandigheden de consument een alternatief te bieden. Wegens hun sterk uiteenlopende eigenschappen kunnen deze dranken naar gelang de omstandigheden in concurrentie treden met aquavit. Het feit dat aquavit in Denemarken door de consument bij voorkeur bij bepaalde typische gerechten wordt gedronken, sluit niet uit dat deze drank ook voor andere doeleinden kan worden gebruikt en dus althans gedeeltelijk in een substitutieverhouding staat met een onbepaald aantal andere soorten gedistilleerd. Mitsdien kan worden gesteld dat voor zover de gedistilleerde dranken waarop het hogere accijnstarief wordt toegepast, geen gelijksoortige dranken in de zin van artikel 95, eerste alinea, zijn, zij in elk geval met aquavit concurreren, als bedoeld in artikel 95, tweede alinea.

36. Op zichzelf beschouwd vertoont de door de Deense wetgeving vastgestelde belastingregeling onmiskenbare discriminerende of protectionistische trekken. Hoewel zij geen enkel formeel onderscheid naar de herkomst van de produkten maakt, is zij dusdanig ingericht, dat het grootste deel van de nationale produktie van gedistilleerd in de gunstigste belastingcategorie valt, terwijl de ingevoerde produkten nagenoeg alle tot de zwaarst belaste categorie behoren. Deze kenmerken van de regeling worden niet ongedaan gemaakt door de omstandigheid dat op een miniem deel van het ingevoerde gedistilleerd het gunstigste tarief wordt toegepast, terwijl omgekeerd een bepaald gedeelte van de nationale produktie in dezelfde belastingcategorie valt als de ingevoerde gedistilleerde dranken. De belastingregeling blijkt dus dusdanig te zijn opgezet, dat zij goeddeels ten voordele van een typisch nationale produktie werkt en het ingevoerde gedistilleerd in dezelfde mate benadeelt.

37. Concluderend moet worden vastgesteld dat de in het Koninkrijk Denemarken op gedistilleerde dranken toegepaste belastingsregeling, zoals vervat in de gecoördineerde wet van 4 april 1978, onverenigbaar is met de eisen van artikel 95 EEG-Verdrag, zonder dat daarbij behoeft te worden onderscheiden tussen de eerste en de tweede alinea van dat artikel. Bijgevolg behoeft niet meer te worden ingegaan op de in het verweerschrift van de Deense regering opgenomen subsidiaire conclusies.

#### Kosten

38. Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen.

39. Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende,

1\. Verstaat dat het Koninkrijk Denemarken, door krachtens de Deense wettelijke regeling, thans gecoördineerd bij wet nr. 151 van 4 april 1978, bij de accijns op gedistilleerd een differentieel tarief toe te passen, met betrekking tot de uit de overige Lid-Staten ingevoerde produkten de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2\. Verwijst het Koninkrijk Denemarken in de kosten van de procedure.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

3

EEG-Verdrag art. 95 16 voorkomens

EEG-Verdrag art. 169 4 voorkomens

EEG-Verdrag art. 99 2 voorkomens

## Rechtspraak

8

### Europese Unie

8

Hof van Justitie C-230/89 18.04.1991

#### [EEG-Verdrag art. 95 en art. 169](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-230-89-arrest)

Hof van Justitie 120/88 26.02.1991

#### [Invoer, niet-belastingplichtigen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-120-88-arrest)

Hof van Justitie C-119/89 26.02.1991

#### [Invoer, niet belastingplichtigen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-119-89-arrest)

## Rechtsleer

7

Easson, Alex: The Spirits, Wine and Beer Judgments: A Legal Mickey Finn?, European Law Review 1980 p.318-330 (EN)

Barents, René: The Prohibition of Fiscal Discrimination in Article 95 of the EEC Treaty, Common Market Law Review 1980, Volume 17, Issue 3, p. 437-449 (EN)

Berlin, Dominique: Portée des dispositions fiscales du traité de Rome et harmonisation des fiscalités indirectes - A propos de quelques arrêts récents de la Cour de justice des CE, Revue trimestrielle de droit européen 1980 p.635-661 (FR)

Audretsch, H.A.H.: 'de gustibus non est disputandum', S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1981 p.338-343 (NL)

Kovar, Robert: Journal du droit international 1981 p.132-145 (FR)

**Bekijk de 2 andere verwijzingen**

Swansen, Steven R.: The Concepts of Similarity and Indirect Protection under EEC Treaty Article: The Alcohol Cases, Vanderbilt Journal of Transnational Law 1982 p.277-307 (EN)

Rasmussen, Hjalte: The Aftermath of the Akvavit Case, European Law Review 1984 p.66-67 (EN)
