Arrest van het Hof van 12 juli 1983, 170/78 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 170/78 ECLI:EU:C:1983:202 12 juli 1983

Zoeken

Arrest van het Hof van 12 juli 1983, 170/78EEG-Verdrag art. 95 en art. 169

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-170-78-arrest-1983-07-12

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
170/78
ECLI
ECLI:EU:C:1983:202
Datum
12 juli 1983

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Beroep wegens niet-nakoming gegrond
Zaak ingediend op
7 augustus 1978
Advocaat-generaal
Reischl, VerLoren van Themaat

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Engels
Jurisprudentie
Jurispr. 1983, blz. 2265
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Pescatore
Repertorium van het Hof

Tekst

132 paragrafen

ARREST

De feiten

De feiten, het procesverloop en de conclusies, middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

I — De feiten en het procesverloop

Bij brief van 14 juli 1976 liet de Commissie de regering van het Verenigd Koninkrijk weten, dat het grote verschil tussen de accijns op lichte, niet-mousserende wijn uit andere Lid-Staten (UKL 2,955 per gallon) en de accijns op in het Verenigd Koninkrijk gebrouwen bier (UKL 0,557 per gallon) leidde totoeen zijdelingse bescherming van dit bier en in strijd was met artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag. Bijgevolg verzocht de Commissie overeenkomstig artikel 169, eerste alinea, EEG-Verdrag de regering van het Verenigd Koninkrijk, haar opmerkingen te maken over deze met-nakoming van haar verplichtingen.

In haar antwoord van 6 oktober 1976 bestreed de regering van het Verenigd Koninkrijk inzonderheid dat er enig relevant verband bestond tussen de bierr en de wijnmarkt, en betwijfelde zij of de belasting de door de Commissie gestelde invloed op de detailhandelsprijs van deze produkten had.

Op 8 november 1977 bracht de Commissie ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk het in artikel 169, eerste alinea, EEG-Verdrag bedoelde met redenen omklede advies uit. Daarin stelde zij vast, dat de accijns op lichte, niet-mousserende, uit verse druiven verkregen wijn per 1 januari 1977 van UKL 2,955 per gallon tot UKL 3,250 per gallon was verhoogd, terwijl terzelfdertijd de accijns op bier UKL 17,424 bedroeg per 36 gallons met een stamwortgehalte van 1030o of minder, plus UKL 0,5808 per graad boven 1030o, hetgeen voor bier met een stamwortgehalte van 1038o neerkwam op een tarief van slechts UKL 0,613 per gallon. Naar volume bedroeg de accijns dus UKL 0,6084 per gallon voor. bier met een gehalte van 1037,71o, tegenover UKL 3,250 per gallon voor wijn; naar alcoholgehalte bedroeg de accijns op bier met een stamwortgehalte van 1037,71o en een alcoholgehalte van 3 volumepercenten UKL 0,2028 per gallon en per graad, tegenover een accijns van UKL 0,2955 of UKL 0,2708 op lichte, niet-mousserende wijn met een alcoholgehalte van respectievelijk 11 en 12o; de accijns op bier vertegenwoordigde gemiddeld 25 % van de detailhandelsprijs, de accijns op de meest verkochte wijnen tenminste 38 % van de detailhandelsprijs.

Volgens het advies van de Commissie bestaat er een mededingingsverhouding tussen bier en wijn, zodat door de hoogte van de accijns op wijn de consumptie van bier in het Verenigd Koninkrijk wordt beschermd. Zo gezien zou het Verenigd Koninkrijk de krachtens artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nakomen; derhalve werd het verzocht binnen een maand de nodige maatregelen vast te stellen om het met redenen omklede advies van de Commissie op te volgen.

Bij op 7 augustus 1978 ingediend verzoekschrift heeft de Commissie krachtens artikel 169, tweede alinea, EEG-Verdrag de aan het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot de nationale belasting op lichte, niet-mousserende wijn verweten niet-nakoming van de krachtens artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen bij het Hof van Justitie aanhangig gemaakt.

In haar verzoekschrift heeft de Commissie geconcludeerd dat het den Hove behage:

te verklaren dat het Verenigd Koninkrijk, door na te laten de litigieuze bepalingen betreffende de accijns op lichte, niet-mousserende wijn af te schaffen of te wijzigen, de krachtens artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

het Verenigd Koninkrijk in de kosten te verwijzen.

De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en tot veroordeling van de Commissie in de kosten.

Bij beschikking van 17 januari 1979 heeft het Hof met toepassing van artikel 37, eerste alinea, van's Hofs Statuut-EEG de Italiaanse Republiek toegestaan, zich te voegen ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.

De regering van de Italiaanse Republiek heeft het Hof verzocht, het beroep van de Commissie tegen het Verenigd Koninkrijk toe te wijzen en dienovereenkomstig uitspraak te doen.

Na sluiting van de schriftelijke procedure heeft de Commissie twee vragen van het Hof schriftelijk beantwoord; de regering van het Verenigd Koninkrijk heeft over deze antwoorden schriftelijke opmerkingen ingediend.

De rechtstreeks betrokken partijen en interveniente zijn ter terechtzitting van 9 oktober 1979 in hun pleidooien gehoord; de advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 28 november 1979 conclusie genomen.

Alvorens uitspraak te doen op het door de Commissie ingestelde beroep wegens niet-nakoming van verdragsverplichtingen, heeft het Hof op 27 februari 1980 een tussenarrest gewezen (Jurispr. 1980, blz. 417), waarvan het dictum luidt als volgt:

Verstaat dat partijen hun geschil opnieuw zullen onderzoeken in het licht van de rechtsoverwegingen van dit arrest en vóór 31 december 1980 het Hof verslag doen van het resultaat van dit onderzoek. Na die datum zal het Hof definitief beslissen, gelet op de rapporten die het dan zullen zijn aangeboden, dan wel eventueel zonder deze.

2. Houdt de beslissing ontrent de kosten aan.”

De door het Hof vastgestelde termijn voor de indiening van vernoemde rapporten is op gezamenlijk verzoek van partijen bij beschikkingen van het Hof van respectievelijk 17 december 1980 en 6 mei en 14 oktober 1981 eerste tot 30 april 1981, vervolgens tot 30 september 1981 en tenslotte tot 31 januari 1982 verlengd.

Rapporten zijn ingediend door de regering van het Verenigd Koninkrijk op 1 december en door de Commissie op 2 december 1981. Op uitnodiging van het Hof heeft de regering van de Italiaanse Republiek, interveniënte, op 1 februari 1982 schriftelijke opmerkingen over deze rapporten ingediend.

Nadat het Hof had besloten de mondelinge behandeling te heropenen, hebben partijen en interveniënte ter terechtzitting van 29 mei 1982 opnieuw mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Hof beantwoord.

De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 16 juni 1982 een aanvullende conclusie genomen.

Na sluiting van de mondeling behandeling is het Hof gebleken, dat het over bepaalde aspecten van de zaak niet voldoende was ingelicht. Het was met name van oordeel, dat het voor het wijzen van zijn arrest diende te beschikken over nadere gegevens betreffende, enerzijds, de detailhandelsprijzen en de prijzen exclusief belasting van wijn en bier van courante kwaliteit, dat wil zeggen de wijnen biersoorten die in het Verenigd Koninkrijk en — voor zover mogelijk — in de andere Lid-Staten het meest worden verkocht, en, anderzijds, het verloop sinds 1972 van de totale jaarlijkse wijnen bierconsumptie in het Verenigd Koninkrijk en in de overige Lid-Staten.

Mitsdien heeft het Hof bij beschikking van 15 juli 1982 het Verenigd Koninkrijk verzocht, een tabel over te leggen van de detailhandelsprijzen en de prijzen exclusief belasting van wijn en bier van courante kwaliteit in het Verenigd Koninkrijk sinds 1977, alsmede een tabel waaruit blijkt hoe de jaarlijkse wijn- en bierconsumptie in het Verenigd Koninkrijk zich sinds 1 januari 1972 heeft ontwikkeld.

Tevens heeft het de Commissie verzocht, een tabel over te legen van de detailhandelsprijzen en de prijzen exclusief belasting van wijn en bier van courante kwaliteit in de verschillende Lid-Staten, alsmede een tabel van de jaarlijkse wijn- en bierconsumptie sinds 1 januari 1972 in de andere Lid-Staten dan het Verenigd Koninkrijk.

De door het Hof gevraagde tabellen zijn tezamen met beknopte opmerkingen zowel door de Commissie als door de regering van het Verenigd Koninkrijk op 30 september 1982 overgelegd.

De regering van de Italiaanse Republiek, interveniente, heeft op 12 november 1982 schriftelijke opmerkingen gemaakt over de door partijen verstrekte gegevens.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, besloten zonder verdere instructie de mondelinge behandeling te heropenen.

II — Schriftelijke opmerkingen van partijen na het tussenarrest van 27 februari 1980

De Commissie is van mening dat, gelet op de rechtoverwegingen van het tussenarrest van 27 februari 1980, zowel de kenmerken van de mededingingsverhouding tussen wijn en bier als het probleem van een uit gemeenschapsoogpunt passende belastingverhouding tussen beide produkten nog tot klaarheid moeten worden gebracht.

A — De kenmerken van de mededingingsverhouding

a) Wat het fabricageprocédé betreft, bestaan er ontegenzeglijk verschillen tussen het oogsten van verse druiven en van gerst en hop; bovendien kunnen gerst en hop meer dan een jaar worden opgeslagen, zodat bier op elk ogenblik kan worden gebrouwen, terwijl wijn wettelijk slechts uit verse druiven of verse druivemost mag worden bereid, zodat de gisting onmiddellijk na de druivenpluk moet beginnen. De gistingsprocessen van wijn en bier verlopen grotendeels op dezelfde wijze: in beide gevallen worden de in de plantaardige stof aanwezige suikers blootgesteld aan de werking van gist, die deze suikers „opeet”, waarbij alcohol en koolzuurgas worden gevormd; bij wijn evenwel werkt de gist onmiddellijk in op de van nature in de druif aanwezige suikers, terwijl bij bier de hop een speciale bewerking moet ondergaan alvorens de gist erop kan inwerken. In het algemeen kunnen zowel wijn als bier op industriële wijze worden bereid. Voor de grootste brouwerijen en de belangrijkste en modernste producenten van tafelwijn werkt deze schaalvergroting vanzelfsprekend kostenbesparend. De verschillen tussen de fabricageprocédés van wijn en bier zijn dus op zichzelf niet relevant. Waarschijnlijk bestaat er tussen een groot wijnbedrijf en een kleine wijnbouwer die op traditionele wijze wijn bereidt, een groter onderscheid dan tussen eerstgenoemd bedrijf en een brouwerij.

b) Wat de natuurlijke eigenschappen betreft, heeft de advocaatgeneraal in zijn eerste conclusie in deze zaak vastgesteld, dat vanuit het gezichtspunt van de consument bier en wijn voor hetzelfde gebruik zijn bestemd, aangezien zij dezelfde kenmerken vertonen; bijgevolg concurreren zij met elkaar, ondanks het verschil in alcoholgehalte en produktie-kosten. In casu moet ter vergelijking worden uitgegaan van een „klassieke” tafelwijn uit de Gemeenschap, met een alcoholgehalte van 10 tot 12 volumepercenten, en een „klassiek” Brits bier met een alcoholgehalte van 3,5 tot 3,6 volumepercenten, dat wil zeggen normale wijn- en biersoorten, die het meest representatief zijn voor elk van deze dranken en het meest in trek zijn bij het grote publiek. Afgezien van schommelingen ten gevolge van de inflatie, onbestendige wisselkoersen en wijzigingen in de belastingregeling, blijven de prijzen zowel van courante tafelwijnen als van de meest gevraagde biersoorten betrekkelijk stabiel. De verschillen tussen de natuurlijke eigenschappen van wijn en bier zijn dus van weinig belang in de onderhavige zaak, die betrekking heeft op de door de importeur of de binnenlandse producent betaalde en vervolgens in de detailhandelsprijs aan de consument doorberekende indirecte belastingen.

c) Het maakt weinig uit, dat wijn als een landbouwprodukt en bier als een industrieel produkt wordt ingedeeld. Beide dranken worden verkregen door gisting en hun ingrediënten zijn zelf landbouwprodukten. Voor courante tafelwijnen is de betrekkelijke stabiliteit van de pro-duktie- en consumptieprijzen weliswaar een gevolg van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, terwijl zij voor veelgevraagde biersoorten is toe te schrijven aan het feit dat hun bestanddelen, die beter houdbaar zijn en gemakkelijker kunnen worden opgeslagen, het hele jaar door worden verwerkt en zelf onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid vallen.

d) De prijsopbouw van gewone tafelwijn uit de Gemeenschap verschilt van wijngaard tot wijngaard; de prijs omvat de produktiekosten — die worden bepaald door de bodemgesteldheid en de omvang en de mate van modernisering van het wijnbouwbedrijf en beïnvloed door de financiële tussenkomsten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid —, de distributiekosten — daaronder begrepen de transportkosten bij uitvoer, de kosten voor het bottelen enzovoort — en een winstmarge, afhankelijk van voornoemde kosten en van vraag en aanbod op de markt.

Ook in het geval van een typisch Brits bier varieert de prijsstructuur in zekere mate van brouwerij tot brouwerij: zij omvat de produktiekosten — afhankelijk van de omvang en de mate van modernisering van het bedrijf —, de distributiekosten — die voornamelijk door plaatselijke omstandigheden worden bepaald en waarvan de kosten voor het bottelen en inblikken een klein gedeelte vertegenwoordigen — en een winstmarge, afhankelijk van voornoemde kosten en van vraag en aanbod op de markt.

De structuur van de Britse markt leidt tot verdere dispariteiten:

90 % van het bier wordt verkocht in tapperijen („pubs”), die meestal eigendom zijn van of worden gecontroleerd door de brouwerij die het bier levert, en in arbeidersclubs; 75 % van het bier wordt rechtstreeks uit het vat verkocht, zodat er geen kosten voor het bottelen zijn, terwijl nagenoeg alle wijn in flessen wordt aangeboden;

35 % van de wijn wordt geschonken in restaurants, waar de prijs met een flinke winst van de restauranthouder wordt verhoogt;

65 % van de wijn wordt thuis verbruikt;

de enige plaatsen waar de detailhandelsprijzen van wijn en bier neutraal en derhalve vrij doorzichtig zijn, zijn de supermarkten en speciaalzaken.

Wegens de structuur van de Britse markt kan geen steekhoudende vergelijking worden gemaakt tussen de verkoopprijzen van courante wijnen onderling, noch tussen die van wijn en bier. Zoals het Hof heeft verklaard, is een bruikbare en enigszins objectieve vergelijking alleen mogelijk door de invloed van de fiscale last te beoordelen in verhouding tot het alcoholgehalte van de betrokken dranken.

B — De passende belastingverhouding

a) De beslissende maatstaf voor een vergelijking tussen de over elk van de betrokken produkten geheven belasting is de invloed van de accijns per graad alcohol bij gelijke hoeveelheden wijn en bier. Dit vergelijkingscriterium bewijst echter niet méér dan dat wijn zwaarder wordt belast dan bier en dat deze binnenlandse belasting in strijd met artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag een zijdelingse bescherming biedt aan bier. Het kan echter niet bijdragen aan de keuze van een passende methode voor de belasting van alle alcoholische produkten. De verhouding tussen belasting en alcoholgehalte is het enige valabele criterium aan de hand waarvan kan worden vastgesteld, dat de belasting op de twee produkten ongelijk is en dus vermoedelijk een beschermende werking heeft; het betekent evenwel niet, dat toepassing van een naar alcoholgehalte berekende belasting de juiste methode is om wijn en bier concreet te belasten. De Commissie hanteert deze vergelijkingmaatstaf om vast te stellen of artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag, ongeacht de daadwerkelijk aangewende belastingmethode, al dan niet wordt geschonden in Lid-Staten die slechts één van beide dranken produceren en de andere invoeren.

b) Wanneer in een Lid-Staat die aanzienlijke hoeveelheden wijn én bier produceert, de ingevoerde wijn even zwaar wordt belast of in dezelfde mate van belasting wordt vrijgesteld als binnenlandse wijn en het ingevoerde bier fiscaal op dezelfde wijze wordt behandeld als bier van eigen fabrikaat, is er ten aanzien van geen van beide produkten sprake van fiscale discriminatie in de zin van artikel 95. De verhouding tussen de accijns op wijn en de accijns op bier moet worden vastgesteld bij wege van een harmonisatie overeenkomstig artikel 99 EEG-Verdrag.

c) Wanneer een Lid-Staat geen wijn produceert en de ingevoerde wijn met het binnenlandse bier concurreert, en wanneer de verhouding tussen de accijns op een bepaald volume ingevoerde wijn en die op een gelijk volume binnenlands bier overeenkomt met de verhouding tussen hun onderscheiden alcoholgehalten, kan men niet zeggen dat de ingevoerde wijn zwaarder wordt belast dan het binnenlandse bier. Wordt deze verhouding echter verbroken en de ingevoerde wijn zwaarder belast, dan rijst het vermoeden dat bier zijdelings wordt beschermd, ook al kan dit beschermend effect niet aan de hand van nauwkeurige cijfers worden aangetoond.

d) De invloed van de accijns per graad alcohol van elk der twee betrokken dranken geeft, vanuit gemeenschapsoogpunt en voor de toepassing van artikel 95, tweede alinea, een aanwijzing omtrent de passende verhouding op grond waarvan kan worden vastgesteld, of de ingevoerde drank zwaarder wordt belast en deze zwaardere fiscale last waarschijnlijk een beschermend effect heeft.

C — Toepassing op de onderhavige zaak

a) Uitgaande van de feiten in de onderhavige zaak, ligt de verhouding tussen de belasting op een courant bier met een alcoholgehalte van 3,5 à 3,6o en een courante tafelwijn met een alcoholgehalte van 10 à 12o tussen 1 : 2,8 en 1 : 3,4. Aangezien de meeste tafelwijnen slechts een alcoholgehalte hebben van 9 à 10o en niet van 10 à 12o, bedraagt de aanvaardbare belastingverhouding — dat wil zeggen de verhouding waarbeneden er geen vermoeden van discriminatie kan bestaan — 1 :2,8. Deze verhouding vindt voorts haar rechtvaardiging in de ongunstiger concurrentiepositie van ingevoerde wijn.

b) Uit het feit dat de verhouding in het Verenigd Koninkrijk groter is dan 1 :2,8, volgt dat wijn daar zwaarder wordt belast dan bier, zodat kan worden vermoed dat bier zijdelings wordt beschermd.

c) Tussen 1973 en 1981 varieerde de belastingverhouding in het Verenigd Koninkrijk als volgt: 1 : 4,2, 1 : 3,2, 1 :4,2, 1 : 5,6, 1 : 5,3, 1 : 4,9 en 1 : 4,2. Zelfs zonder een nauwkeurige referentiestandaard ter bepaling van het punt waarop het beschermend effect begint te spelen, is het duidelijk dat bij de inleiding van de procedure dit punt in het Verenigd Koninkrijk ruim was overschreden. Ook al is de door het Hof in zijn arrest geconstateerde beschermende tendens minder sterk, zij is nog niet verdwenen.

De opmerkingen van de regering van het Verenigd Koninkrijk kunnen worden samengevat als volgt:

A — De vergelijkingsmaatstaf

a) De Commissie heeft nog steeds niet duidelijk gemaakt, wat men bij een normale mededingingsverhouding als „een gelijke fiscale last” op wijn en bier zou kunnen beschouwen.

b) Deze vraag is onderzocht door het Fiscaal en financieel comité (Comité-Neumark), dat in een in 1962 bij de Commissie ingediend rapport heeft verklaard dat, wanneer er een vermoeden bestaat dat een nationaal produkt zijdelings wordt beschermd tegen een produkt uit een andere staat, de twee belastingen moeten worden vergeleken met de prijs exclusief belasting van de betrokken produkten.

c) Een vergelijkingsmaatstaf die gebaseerd is op het alcoholgehalte, is volstrekt irrelevant voor de voorkeur van de consument voor een van beide dranken; die maatstaf zegt niets over de vraag, of een bepaalde belastingverhouding een van deze dranken beschermt. Niets wijst erop, dat bier zijdelings wordt beschermd wanneer men wijn op basis van het alcoholgehalte zwaarder belast.

d) In de praktijk wordt in geen enkele Lid-Staat over alle alcoholische dranken belasting geheven volgens een vast tarief per graad alcohol. De Commissie zelf is geen voorstandster van een dergelijke maatstaf.

e) In zoverre de fabricageprocédés en de natuurlijke eigenschappen van de twee dranken van elkaar verschillen, kunnen zij niet als uitgangspunt worden genomen voor een methode ter beoordeling van de invloed van de belasting op elk van beide. Er bestaat geen bevredigend uitgangspunt voor de beantwoording van de vraag, of op beide produkten een even zware fiscale last rust. De minst onbevredigende of misleidende vergelijkingsmaatstaf is volgens het Co-mité-Neumark de invloed van de belasting op de consumptie-uitgaven.

f) De consumentenprijzen voor wijn lopen weliswaar ver uiteen, doch dit geldt evenzeer voor het alcoholgehalte. In het Verenigd Koninkrijk worden alle wijnen met een alcoholgehalte von 8,5 tot 15o volgens hetzelfde tarief per hectoliter belast. Deze belasting is volkomen in overeenstemming met de aanbevelingen van de Commissie in haar voorstellen voor de harmonisatie van de belasting op alcoholische dranken. Het gevolg is evenwel, dat de fiscale last per graad alcohol meer dan 70 % groter is voor wijn met een alcoholgehalte van 8,5o dan voor wijn met een alcoholgehalte van 15o.

g) Evenzo wordt de belasting over de toegevoegde waarde gewoonlijk als de meest neutrale indirecte belasting beschouwd, omdat zij op de door de consument betaalde prijs berust: het bedrag van de BTW op een in een restaurant verkochte fles wijn van voortreffelijke kwaliteit is vele malen hoger dan dat van de BTW op een in een supermarkt verkochte fles eenvoudige tafelwijn, ook al kunnen zij precies hetzelfde alcoholgehalte hebben. Aangezien de BTW verenigbaar is met het EEG-Verdrag, kan dus ook niet worden gesteld, dat volgens artikel 95 de verhouding tussen de fiscale last en het alcoholgehalte steeds gelijk moet zijn.

h) Om de invloed van de belasting per prijseenheid op wijn en bier te kunnen vergelijken, zou men de gemiddelde prijs van wijn moeten vaststellen, maar dit zou al evenzeer noodzakelijk zijn indien men bij de vergelijking moest uitgaan van het alcoholgehalte. Iedere berekening van een gemiddelde prijs bevat uiteraard een foutmarge, doch zij is niettemin nauwkeuriger en minder variabel dan de bepaling van een gemiddeld alcoholgehalte.

i) Een nivellering van de fiscale last op wijn en bier, berekend op basis van het alcoholgehalte, zou in ieder geval enkel van belang kunnen zijn voor de opheffing overeenkomstig artikel 99 EEG-Verdrag van de belemmeringen die voor het handelsverkeer voortvloeien uit de dispariteiten tussen nationale belastingstelsels; zij is niet relevant met het oog op de vaststelling van discriminerende of protectionistische belastingpraktijken in de zin van artikel 95. Blijkens de rechtspraak van het Hof worden met de artikelen 95 en 99 geheel verschillende doeleinden nagestreefd.

B — De resultaten van de verschillende ve rgelijkingsm e t hoden

a) Aangenomen dat de minst misleidende vergelijkingsgrondslag de invloed van de belasting per eenheid van de gemiddelde prijs is, dan leidt het fiscale beleid van het Verenigd Koninkrijk niet tot een dermate verschillende behandeling, dat bier daardoor wordt beschermd. Tijdens het betrokken tijdvak bedroeg de bestreden accijns 23 % van de detailhandelsprijs van bier en 24 % van de prijs van wijn. Thans vertegenwoordigt hij voor in andere Lid-Staten geproduceerde wijnen een nog kleiner gedeelte van de prijs en vrijwel zeker een kleiner percentage van de consumptie-uitgaven dan voor bier het geval is. Bijgevolg kan het door het Verenigd Koninkrijk over wijn geheven recht niet worden beschouwd als een zodanige binnenlands belasting, „dat daardoor andere produkties zijdelings worden beschermd.”

b) In zijn eerste conclusie in de onderhavige zaak constateerde de advocaatgeneraal, dat de overgelegde statistieken bewezen dat het verbruikersgedrag tot dan toe niet door de hogere belasting op wijn was beïnvloed, want er bleek duidelijk uit, dat de accijns geen enkele invloed had gehad op het verbruik van wijn en bier.

c) Zelfs in het — onwaarschijnlijke — geval dat bij de vergelijking wordt uitgegaan van de invloed van de belasting per graad gemiddeld alcoholgehalte, kan de huidige verhouding niet als onverenigbaar met uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen worden beschouwd. Aangezien het gemiddelde alcoholgehalte van tafelwijn rond 12o ligt en dat van bier bij benadering 3o bedraagt, moet de verhouding tussen de accijns op een bepaald volume ongeveer 4 : 1 zijn; op het ogenblik bedraagt deze verhouding in het Verenigd Koninkrijk 4,2 : 1. Een zo gering verschil kan niet beslissend zijn, te minder daar de Commissie zelf veeleer aan een maximumverhouding denkt dan aan een vaste verhouding tussen de verschillende belastingtarieven.

d) De Commissie acht het wenselijk, dat op gedistilleerd in verhouding tot het alcoholgehalte een hoger belastingtarief wordt toegepast dan op likeurwijnen. Zij erkent dus blijkbaar, dat de toepassing van een verhoudingsgewijs hoger belastingtarief op dranken met een hoger alcoholgehalte om redenen van sociale aard gerechtvaardigd is. Dan moet echter ook een relatief hoger belastingtarief voor wijn dan voor bier aanvaardbaar zijn.

e) Mocht volgens een bepaald criterium het belastingtarief voor wijn aanzienlijk hoger blijken te zijn dan voor bier, dan nog moet rekening worden gehouden met hetgeen de Italiaanse regering in een andere zaak voor het Hof heeft betoogd, namelijk dat er slechts sprake is van een inbreuk op artikel 95, wanneer de vaststelling van uiteenlopende belastingtarieven uitsluitend tot doel heeft, belemmeringen in de weg te leggen aan produkten die om objectieve redenen niet in het binnenland kunnen worden voortgebracht: het is evenwel zeer wel mogelijk, in het Verenigd Koninkrijk wijn te produceren.

C — De tendens

De wijzigingen van de respectieve belastingtarieven hebben tussen 1972 en 1979 inderdaad geleid tot een veel sterkere verhoging voor wijn dan voor bier. Op 27 maart 1980 is het recht op bier met een stamwortgehalte tot 1030o evenwel verhoogd van UKL 10,65 tot UKL 13,05 per hl en het recht op wijn met ee, i alcoholgehalte tot 15o van UKL 71,49 tot UKL 81,82 per hl. Op 11 maart 1981 is het recht op bier nogmaals verhoogd, na tot UKL 18 per hl, en dat op wijn tot UKL 95,80 per hl. Sinds 1972 zijn de belastingtarieven dus verhoogd met 168,5 % voor gewoon bier met een stamwortgehalte van 1030o en met 168,4 % voor wijn. De door het Hof geconstateerde beschermende tendens is dus volledig verdwenen.

D — De terugwerkende kracht van het arrest

Mocht het Hof — hoe onwaarschijnlijk ook — beslissen dat het fiscale beleid van het Verenigd Koninkrijk in enigerlei opzicht in strijd was met artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag, dan zouden daaruit met terugwerkende kracht bepaalde individuele rechten kunnen ontstaan, tenzij het Hof overeenkomstig het beginsel van zijn arrest van 8 april 1976 (zaak 43/75, Defrenne, Jurispr. 1976, blz. 455) deze terugwerkende kracht beperkt.

De regering van de Italiaanse Republiek, interveniente, meent dat in het arrest van 27 februari 1980 definitief is vastgesteld, dat bier en wijn met elkaar concurreren en dat wijn in het Verenigd Koninkrijk zwaarder wordt belast dan bier; de enige vraag die nog moet worden beantwoord, is dus of het verschil in fiscale last dusdanig is, dat bier. daardoor wordt beschermd. Dienaangaande heeft het Hof overwogen, dat uit de ontwikkeling van de twee betrokken belastingregelingen een protectionistische tendens blijkt tegenover de import van wijn in het Verenigd Koninkrijk; bijgevolg moet de zwaardere fiscale last op wijn in het Verenigd Koninkrijk, worden getoetst aan het criterium van de — uit gemeenschapsoogpunt — „passende” belastingverhouding.

A — Opmerkingen over het rapport van de Britse regering

a) Het betoog, dat wijn en bier wegens de grote verschillen in fabricageprocédés en eigenschappen elkaar wel erg moeilijk kunnen vervangen, is lijnrecht in tegenspraak met de bevindingen van's Hofs arrest. Deze verschillen kunnen hooguit in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de passende belastingverhouding, dat wil zeggen een verhouding die het normale functioneren van de mededinging tussen beide produkten niet beïnvloedt.

b) Het nieuwe argument, dat een relatief hoger belastingtarief voor wijn dan voor bier op sociale gronden kan worden gerechtvaardigd, is onaanvaardbaar en ongegrond. Dit argument treedt buiten het in het tussenarrest van het Hof uitgezette kader. Wanneer eenmaal is vastgesteld dat twee produkten met elkaar concurreren, kan een belastingstelsel dat het nationale produkt tegenover het ingevoerde produkt beoogt te beschermen, in geen geval ten aanzien van artikel 95 EEG-Verdrag worden gerechtvaardigd op grond van overwegingen die verband houden met eventueel door de nationale wetgever nagestreefde doeleinden op sociaal gebied. Dergelijke overwegingen moeten bovendien in communautair verband worden beoordeeld; gaat het om de verhouding tussen een landbouwprodukt zoals wijn en een industrieel produkt zoals bier, dan kan — gelet op de vereisten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid — hooguit een rechtvaardiging worden gevonden voor een het landbouwprodukt begunstigend belastingtarief.

c) De argumenten, ontleend aan de opmerkingen van de Italiaanse regering in een andere zaak, vallen kennelijk buiten het bestek van het onderhavige geschil, zoals omschreven in het arrest van 27 februari 1980. Wat er ook van zij, ofschoon artikel 95 de Lid-Staten stellig toelaat, op grond van rechtmatige overwegingen van economisch beleid ongelijke belastingen op gelijksoortige of concurrerende produkten te handhaven, zij kunnen dit enkel doen wanneer al die produkten in het binnenland worden of kunnen worden geproduceerd. In dit verband moet worden nagegaan of, gelet op de concrete geografische en klimatologische omstandigheden en de daadwerkelijk bestaande technische uitrusting, de betrokken goederen op een gezonde economische basis kunnen worden geproduceerd zodra de fiscale belemmeringen zijn opgeheven. Nuchter bekeken, kan niet van een potentiële wijnproduktie in het Verenigd Koninkrijk worden gesproken.

d) Al evenmin terzake is het argument, dat het Britse belastingstelsel niet protectionistisch kan worden genoemd, omdat de laatste jaren de fiscale last op beide produkten met hetzelfde percentage is toegenomen. Aan het bestaan van een protectionistische tendens, dat objectief wordt bewezen door het feit dat in het verleden de belasting op wijn veel sneller is gestegen dan die op bier, wordt niet afgedaan door het enkele feit dat er sinds kort geen verschil meer tussen de relatieve verhogingen bestaat.

B — De passende belastingverhouding

a) De discussie moet zich beperken tot de toepassing van artikel 95; een mogelijke harmonisatie van de nationale wettelijke accijnsregelingen in de zin van artikel 99 is in casu niet aan de orde. Bijgevolg dient alleen te worden gezien naar de specifieke kenmerken van het huidige Britse stelsel en dan lijdt het geen twijfel, dat de keuze van het volumecriterium voor de belasting op wijn en bier op zichzelf geenszins in strijd is met artikel 95. De vraag is, onder welke voorwaarden het Britse systeem, dat uitsluitend op het volume van het produkt en niet op zijn prijs of alcoholgehalte is gebaseerd, kan worden geacht aan de vereisten van artikel 95 te voldoen. Onder een dergelijk stelsel kan volgens de Italiaanse regering alleen bij gelijkheid van belasting van een met artikel 95, tweede alinea, verenigbare verhouding worden gesproken: op een bepaald volume wijn moet dezelfde belasting drukken als op een gelijk volume bier.

b) Dat in dat geval geen rekening wordt gehouden met de werkelijke verschillen in de prijs en het alcoholgehalte van wijn en bier, is slechts een logisch gevolg van de keuze door de nationale wetgever van het volume als enig criterium. Indien de belasting de mededinging niet mag beïnvloeden, dan heeft dit logischerwijs ook te gelden voor belastingverhouding tussen wijn en bier.

c) De keuze tussen wijn en bier wordt niet bepaald door de wens, aan een zo groot mogelijke hoeveelheid alcohol te komen tegen een zo laag mogelijke prijs. De twee produkten concurreren met elkaar, omdat het allebei dranken zijn met een laag alcoholgehalte, die bij de maaltijd of als dorstlesser worden genuttigd. De verschillen die de consument ertoe brengen aan een van beide dranken de voorkeur te geven, hebben niets te doen met het alcoholgehalte, doch houden verband met de algemene kenmerken (met name smaak en aroma) van de twee produkten. Wordt op basis van het gemiddelde alcoholgehalte een ongelijke belasting geheven over produkten waarbij dit gehalte geen werkelijke of beslissende, in de ogen van de consument kenmerkende, eigenschap is, dan kan de reden of het doel daarvan alleen maar zijn wijn ten opzichte van bier in een nadeliger concurrentiepositie te brengen.

d) Gesteld dat op grond van de verschillen tussen wijn en bier zelfs onder een op het volume gebaseerd belastingstelsel mag worden afgeweken van het criterium dat gelijke volumes binnenlands bier en ingevoerde wijn even zwaar moeten worden belast, dan moet deze afwijkingsmarge strikt worden beoordeeld met inachtneming van alle door de consument als belangrijk beschouwde specifieke eigenschappen van elk van de produkten, en niet van één enkele, willekeurig gekozen eigenschap. Voor de toepassing van artikel 95, tweede alinea, moet gelijkheid van belastingtarief tenminste het richtsnoer zijn, en dient elke afwijking van deze gelijkheid passend te worden gerechtvaardigd.

e) In geen geval kan een rechtvaardiging worden gevonden voor een belastingverhouding tussen gelijke hoeveelheden wijn en bier, die groter is dan de verhouding tussen hun respectieve alcoholgehalten.

f) Een belastingverhouding die overeenkomt met de verhouding tussen de onderscheiden alcoholgehalten, kan niet worden beschouwd als de in het tussenarrest van het Hof bedoelde „gepaste verhouding”; zij is slechts de bovenste grens die niet zonder duidelijke schending van artikel 95, tweede alinea, kan worden overschreden. Ongeacht het in de praktijk gehanteerde criterium, is er geen denkbare grond voor een nog grotere ongelijkheid tussen de belastingtarieven voor wijn en voor bier.

g) Het verschil in alcoholgehalte alleen kan geen overeenkomstig verschil in belastingtarief rechtvaardigen. Onder een op hoeveelheid gebaseerd belastingstelsel kan aan de kwalitatieve kenmerken van de betrokken produkten slechts belang worden gehecht, wanneer zij gevolg hebben voor de hoeveelheden die onder dezelfde omstandigheden van elk produkt worden verbruikt. Het alcoholgehalte van wijn en van bier is op zichzelf niet bepalend voor het gebruik ervan; integendeel, de verklaring waarom onder dezelfde omstandigheden gewoonlijk meer bier dan wijn wordt geconsumeerd, moet in de algemene kenmerken van elk van deze produkten worden gezocht. De consumentengewoonten in de gehele Gemeenschap in aanmerking genomen, leert de ervaring dat deze verhouding stellig niet groter kan zijn dan 1 : 1,5. Voorts staat artikel 95, tweede alinea, in de weg aan iedere vorm van fiscaal protectionisme, ook indien daardoor niet alle ingevoerde concurrerende produkten, doch slechts sommige daarvan worden benadeeld. Een op grond van het gemiddelde alcoholgehalte van wijn berekende belastingverhouding kan dus in geen geval passend zijn; een dergelijke verhouding zou de neutraliteit van de belasting ten aanzien van de mededinging hooguit kunnen waarborgen in het geval van wijn met een alcoholgehalte gelijk aan of hoger dan het gemiddelde; met betrekking tot wijn met een alcoholgehalte beneden het gemiddelde kan deze neutraliteit niet worden verzekerd. Gesteld dat het alcoholgehalte als — zij het te restrictieve en te eenzijdige — maatstaf moet worden gehanteerd, dan moet dus in elk afzonderlijk geval bij de berekening van de passende belastingverhouding tussen wijn en bier het minimumalcoholgehalte als uitgangspunt worden genomen. Bier ondervindt de meeste directe concurrentie van lichtere wijnen met een alcoholgehalte van 9 à 10o; bijgevolg mag, gelet op het normale alcoholgehalte van bier (3,7o), de belastingverhouding zelfs op deze grondslag niet veel afwijken van 2:1. Rekening houdende met alle kenmerken van de twee produkten, moet deze verhouding op een nog lager niveau — 1,5 : 1 — worden bepaald.

h) Zelfs indien het gerechtvaardigd ware, één enkel van de talrijke kenmerken van wijn en bier als de enige referentiestandaard ter vaststelling van de passende belastingverhouding te kiezen, zou logischerwijs niet alleen rekening moeten worden gehouden met de in het eindprodukt aanwezige alcohol, doch met alle suikers en andere alcoholvormende stoffen in de ongegiste most c.q. wort waaruit de twee dranken worden bereid. Dit gegeven is stellig relevanter dan alleen de in het eindprodukt aanwezige alcohol en even nauwkeurig meetbaar. Een vergelijking tussen extracten van ongegiste most en wort van courante wijnen biersoorten laat een verhouding zien van ongeveer 1,8 : 1.

i) Wordt het alcoholgehalte als enige maatstaf genomen, dan mag de passende belastingverhouding niet groter zijn dan 2,8 : 1. Aangezien het meest gewone bier een alcoholgehalte van ten minste 3,7o heeft, moet deze verhouding zelfs nog iets worden verlaagd, tot bij benadering 2,5 :1.

j) De gemiddelde detailhandelsprijs kan niet de enige referentiestandaard zijn. Het Hof heeft deze benadering in zijn tussenarrest verworpen. In ieder geval speelt onder een op het volume gebaseerd belastingstelsel de prijs of de waarde van de produkten per definitie geen rol; voor de duurste en de goedkoopste wijnen geldt één enkel belastingtarief, evenals voor de meest uitgelezen en de meest ordinaire bieren. Het zou niet stroken met de opzet van het stelsel, indien op de gemiddelde detailhandelsprijs alleen een beroep werd gedaan om voor de twee concurrerende produkten de belasting naar volume op een verschillend peil vast te stellen. De vaststelling van een belastingverhouding op basis van de gemiddelde wijnprijs zou leiden tot discriminatie van goedkopere wijnen waarvan de prijs beneden het gemiddelde ligt. Zulks kan niet als verenigbaar met de vereisten van artikel 95 worden beschouwd. Ook al zou een dergelijke belastingheffing neutraal zijn voor de concurrentiepositie van sommige ingevoerde wijnen, het discriminerende en protectionistische karakter van de belasting ten opzichte van deze wijnen wordt daardoor niet opgeheven of goedgemaakt. Dat het rekening houden met de gemiddelde prijs volstrekt onaanvaardbaar is, wordt bevestigd door het feit dat de goedkopere wijnen, omdat zij lichter zijn, het gemakkelijkst met bier kunnen concurreren. De prijzen op grond waarvan het gemiddelde wordt berekend, zijn niet homogeen: sommige hebben betrekking op de directe verkoop in tapperijen, andere op de verkoop in restaurants en nog andere op de afzet via speciaalzaken of supermarkten: aangezien in deze verschillende gevallen de kosten aanzienlijk uiteenlopen, zou een volgens deze methode berekend gemiddelde volstrekt geen betekenis hebben. Een louter rekenkundig gemiddelde van detailhandelsprijzen of alcoholgehalten zegt niets. In elk geval zou het gemiddelde zodanig moeten worden gewogen, dat rekening wordt gehouden met de daadwerkelijke omzet van de verschillende wijn- en biersoorten naar gelang van hun prijs en alcoholgehalte.

k) Wanneer men het huidige Britse belastingstelsel, met een belastingverhouding tussen wijn en bier van meer dan 5 : 1 bij gelijke volumes, toetst aan de volgens objectieve criteria bepaalde passende verhouding, is het zonneklaar dat het discriminerend is en tot doel heeft de nationale bierproduktie te beschermen.

III — Toelichtingen en schriftelijke opmerkingen van partijen na de beschikking van 15 juli 1982

De Commissie heeft het Hof twee reeksen tabellen overgelegd.

a) De eerste geeft voor de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland, België en Luxemburg de consumptieprijzen, het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde en van de accijns, en de consumptieprijzen exclusief belasting voor wijn en bier, uitgedrukt in de nationale valuta, voor de jaren 1977-1981. In het geval van Denemarken hebben de gegevens uitsluitend betrekking op bier, terwijl voor Griekenland geen fiscale gegevens beschikbaar waren. Bij deze cijfers moet voor ogen worden gehouden, dat de voor elk jaar opgegeven consumptieprijzen gemiddelden zijn, berekend aan de hand van de consumptieprijzen die elke maand op een bepaald aantal verkooppunten in verschillende steden verspreid over elk van de betrokken Lid-Staten, zijn genoteerd en die als gemiddelde verkoopprijzen zijn te beschouwen. Voorts zijn dé in de verschillende Lid-Staten verbruikte bier- en wijnsoorten zeer verscheiden en loopt hun alcoholgehalte sterk uiteen; de in de tabel opgenomen bier- en wijnsoorten zijn bijgevolg niet steeds vergelijkbaar. Het Britse en het Ierse bureau voor de statistiek hebben geen prijzen meegedeeld, de informatie is afkomstig uit niet-officiële bronnen. Uit deze informatie blijkt met name, dat er aanzienlijke prijsverschillen bestaan tussen de in tapperijen verkochte typische bieren (dat wil zeggen bieren met een stamwortgehalte van 1038o) — dit naar gelang van de streek, het soort gelegenheid en de bar waar het bier wordt getapt — en tussen de in detailzaken verkochte typische bieren. Bijgevolg kan zeer moeilijk één enkele representatieve prijs worden bepaald; de door het Verenigd Koninkrijk genoemde prijs — 60 pence per „pint” (0,568 liter) ofwel UKL 1,06 per liter — staat onderaan op de hypothetische prijsschaal van bier van courante kwaliteit, verkocht in een tapperij of in een detailzaak. Voor wijn geeft de in een gespecialiseerd tijdschrift gepubliceerde prijzenselectie een zeer algemeen beeld zowel van de ontwikkeling gedurende een bepaalde periode van de prijzen van tafelwijnen in het Verenigd Koninkrijk als van het — vaak zeer brede — gamma van deze prijzen op een bepaald ogenblik. Eeen detailhandelsprijs van UKL 3 per liter kan redelijkerwijs als de normale prijs voor een „gewone wijn” worden beschouwd. De belasting bedraagt thans UKL 25,84 per hl bier met een stamwortgehalte van 1038o en UKL 106,80 per hl wijn. De accijns vertegenwoordigt 39 % van de prijs exclusief belasting bij courant bier van UKL 1,60 per liter, en 69,3 % van de prijs exclusief belasting bij wijn van UKL 3 per liter. De druk van de accijns op de wijnprijzen is ruim twee vijfden zwaarder dan die op de bierprijzen. Om tot een gelijke belastingdruk op de twee produkten te komen, zou het recht op wijn moeten worden verlaagd van UKL 106,20 per hl tot ongeveer UKL 60 per hl. Bij deze berekeningen heeft de Commissie zich gebaseerd op de accijnstarieven die in het Verenigd Koninkrijk gelden sinds de wijzigingen bij de begroting van 1982. De accijnsverhouding tussen wijn en bier bedraagt thans 4,175 : 1, tegenover 5:1 ten tijde van de instelling van het onderhavige beroep. Deze cijfers, aldus de Commissie, bevestigen dat in het Verenigd Koninkrijk sprake is van een voortdurende ernstige schending van artikel 95 EEG-Verdrag, ondanks de aanpassingen van de accijnstarieven voor wijn en bier bij de opeenvolgende begrotingen. Zij wijst er evenwel op, dat wegens het specifieke karakter van de accijns op wijn en bier de vaststelling van een verhouding tussen deze twee rechten op basis van de prijs uiterst hachelijk en niet zeer bruikbaar is, vooral omdat de wijnprijzen een breed gamma bestrijken. Voorts moet er rekening mee worden gehouden, dat het voor de belastingdiensten technisch onmogelijk is, de voortdurende prijswijzigingen bij te houden die aan een hele reeks factoren zijn toe te schrijven en bij wijn, naar gelang van de oorsprong van het produkt, inzonderheid aan de schommelingen van de wisselkoersen. Overeenkomstig's Hofs redenering in zijn tussenarrest van 27 februari 1980, moet het ervoor worden gehouden, dat alleen de beoordeling van de invloed van de fiscale last in verhouding tot het alcoholgehalte van de betrokken dranken een criterium oplevert dat een enigszins objectieve vergelijking tussen de belastingtarieven voor wijn en bier mogelijk maakt.

b) De Commissie heeft het Hof eveneens tabellen overgelegd betreffende de produktie, de in- en uitvoer, het totale binnenlandse verbruik en het gemiddelde verbruik per inwoner van bier en wijn in alle Lid-Staten behalve Griekenland in dejaren 1972-1981.

De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft het Hof verscheidene stukken overgelegd.

a) Een eerste tabel geeft de representatieve prijzen voor een „pint” bier, omgerekend in prijzen per liter, voor de jaren 1977-1982, ontleend aan de verslagen die elk jaar door de administratie van de douane en accijnzen aan het Parlement worden voorgelegd. Deze prijzen zijn redelijk representatief voor de prijs van bier uit het vat, getapt in een openbare gelegenheid, en zijn niet als gemiddelde prijzen te beschouwen. Zij zijn gebaseerd op een studie van de ontwikkeling van de prijzen van de binnenlandse brouwerijen. De tabel vermeldt eveneens het aandeel van de accijns en van de belasting over de toegevoegde waarde in elke prijs, alsmede de prijzen exclusief accijns en BTW.

b) De verslagen van de administratie van de douane en accijnzen bevatten geen informatie betreffende de representatieve prijzen voor wijn. Het gros van de detailverkoop van tafelwijn komt niet voor rekening van één welbepaalde categorie van detailzaken en een aanzienlijk gedeelte van de totale verkoop van tal van wijnen vindt met name plaats in restaurants tegen prijzen die sterk verschillen van die welke voor dezelfde wijnen worden gevraagd in andere soorten detailzaken, zoals de „off-licence”-zaken (slijterijen zonder tapvergunning). De — in de zin van's Hofs beschikking — „in het Verenigd Koninkrijk het meest verkochte en verbruikte”, uit een Lid-Staat afkomstige tafelwijnen zijn twee uit Duitsland ingevoerde wijnen („Blue Nun” en „Goldener Oktober”). Het Verenigd Koninkrijk produceert voor deze twee tafelwijnen tabellen met de „off-licence”-prijzen, het bedrag van de accijns en van de belasting over de toegevoegde waarde en de prijzen exclusief accijns en BTW.

c) De gegevens betreffende deze twee wijnen zouden evenwel niet vergelijkbaar zijn met die betreffende bier. De twee betrokken merken vertegenwoordigen slechts een klein gedeelte van de totale Britse markt voor tafelwijn, terwijl de cijfers voor bier betrekking hebben op een groot aantal merken die tezamen een aanzienlijk percentage van het totale verbruik van dit produkt uitmaken.

d) Een vierde tabel geeft de gemiddelde prijzen van bier en tafelwijn, rekening houdende met alle vormen van detailverkoop aan de consument, daaronder begrepen die in restaurants, zoals opgetekend door het Britse centrale bureau voor de statistiek. Deze tabel vermeldt eveneens voor elke gemiddelde consumptieprijs het bedrag van de accijns en van de belasting over de toegevoegde waarde en de prijs exclusief accijns en BTW.

e) De gegevens betreffende bierprijzen tonen aan, dat de „gemiddelde” bierprijs iets hoger is dan de „normale” prijs. Wat wijn betreft, is tafelwijn „van gemiddelde prijs” even representatief voor de totale verkoop van tafelwijn als de in het Verenigd Koninkrijk „meest verkochte en verbruikte” wijn, zoals bedoeld in de motivering van's Hofs beschikking.

f) Een vijfde tabel bevat gegevens betreffende de hoeveelheid en de waarde van de import van tafelwijn in het Verenigd Koninkrijk in 1980, het laatste jaar waarvoor volledige informatie voorhanden is. Blijkens deze tabel was de gemiddelde waarde van de in 1980 uit andere Lid-Staten in het Verenigd Koninkrijk ingevoerde tafelwijn ongeveer 10 % hoger dan de gemiddelde waarde van alle importen, na verhoging van de waarde van de importen uit derde landen met het maximumbedrag van de daarop toepasselijke douanerechten. De marge tussen importprijs en consumptieprijs varieert slechts in geringe mate naar gelang van de oorsprong van een tafelwijn; de in de vierde tabel opgegeven cijfers betreffende de prijzen exclusief accijns en BTW van alle tafelwijnen zijn bijgevolg ongeveer 10% lager dan de cijfers die kunnen worden beschouwd als representatief voor de gemiddelde prijzen van uit andere Lid-Staten ingevoerde tafelwijnen.

g) Een zesde tabel geeft de netto hoeveelheden tafelwijn en bier, waarover in het Verenigd Koninkrijk in elk jaar van 1972 tot en met 1981 belasting is geheven. Deze gegevens worden algemeen aanvaard als de beste beschikbare consumptie-index.

De regering van de Italiaanse Republiek, interveniente, merkt over de door partijen aan het Hof verstrekte informatie het volgende op:

a) het enige valabele criterium voor een vergelijking tussen bier en wijn is de hoogte van de belasting op deze produkten per volume-eenheid. In het uiterste geval zou men de verhouding tussen de belasting en het alcoholgehalte als maatstaf kunnen nemen. Consumptieprijzen en met name gemiddelde prijzen worden door zoveel onzekere factoren beïnvloed, dat zij geen rationele grondslag kunnen vormen voor een vergelijking tussen de op de twee concurrerende produkten rustende fiscale last.

b) Zelfs de vergelijking van de consumptieprijzen brengt de aanzienlijke fiscale discriminatie van wijn aan het licht. Bij bier vertegenwoordigt de accijns 39 of 42 % van de prijs, naar gelang de consument in een tapperij voor een liter gewoon bier, representatief voor het grootste gedeelte van de markt, UKL l,06ofUKL 1,03 betaalt. De consumptieprijzen voor gewone wijn van courante kwaliteit lopen sterk uiteen. Volgens de gegevens van de Commissie betaalt de consument voor veel van deze wijnen tot ongeveer UKL 3 per liter. De fiscale last bedraagt dus ten minste 69 % en is derhalve veel hoger dan die op bier. De twee door het Verenigd Koninkrijk genoemde Duitse witte wijnen kunnen niet worden beschouwd als typisch, veelgevraagd of representatief voor de Britse markt, te minder omdat zij slechts een klein gedeelte van deze markt vertegenwoordigen. De door de Britse regering verstrekte informatie laat bijgevolg geen bruikbare vergelijking toe. Heel wat Franse en Italiaanse wijnen worden in het Verenigd Koninkrijk verkocht tegen aanzienlijk lagere prijzen dan de prijs per liter van de twee Duitse wijnen waarvan de Britse regering uitgaat. De prijzen van laatstgenoemde wijnen bevinden zich bovenaan op de door de Commissie aangegeven prijzenschaal. Worden de consumptieprijzen als criterium gehanteerd, dan moet rekening worden gehouden met het door de Commissie opgegeven prijzengamma, blijkens hetwelk de consumptieprijs van vele in het Verenigd Koninkrijk gedronken tafelwijnen ongeveer UKL 3 per liter of minder bedraagt. In het kader van artikel 95 EEG-Verdrag is de enige steekhoudende vergelijking die tussen de prijs van gewone wijn en die van gewoon bier. Hiervan uitgaande, vertegenwoordigt de accijns bij de goedkoopste wijn 160 % van de prijs, tegenover slechts 39 tot 42 % bii bier.

c) Bij de vergelijking dient men niet van gemiddelde prijzen uit te gaan. De door het Verenigd Koninkrijk genoemde gemiddelde wijnprijs is hoe dan ook geenszins representatief voor de prijs van een eenvoudige, veel gedronken wijn, al was het maar omdat hij de aanzienlijke bedieningskosten omvat. De door het Verenigd Koninkrijk verstrekte informatie biedt geen enkele betrouwbare beoordelingsgrondslag voor de oplossing van het onderhavige geding.

d) De door het Verenigd Koninkrijk opgegeven gemiddelde prijs voor ingevoerde tafelwijn is veel te hoog. Hij komt overeen met een consumptieprijs van UKL 2,56 voor 1980 en UKL 2,99 voor 1982, dat wil zeggen met prijzen die aanzienlijk hoger zijn dan de in de tabellen van de Commissie vermelde consumptieprijzen voor Italiaanse wijnen. Zelfs indien de door het Verenigd Koninkrijk genoemde gemiddelde importwaarde wordt aanvaard, kan deze in ieder geval tussen 1980 en 1982 geen noemenswaardige wijzigingen hebben ondergaan. Wordt ook voor 1982 van de gemiddelde waarde van UKL 0,7388 uitgegaan, dan kan de gemiddelde consumptieprijs voor tafelwijn niet meer bedragen dan UKL 3 per liter, hetgeen overeenkomt met een accijnsdruk van ongeveer 69,3 % bij wijn, tegenover bij benadering 39 tot 42 % bij bier. De discriminatie is dus evident, zelfs wanneer de consumptieprijzen als maatstaf worden gehanteerd en, in het geval van wijn, de zeer hoge consumptieprijs van UKL 3 per liter als uitgangspunt wordt genomen.

e) Worden onder een bepaald belastingstelsel — zoals in het Verenigd Koninkrijk — wijn en bier uitsluitend naar volume belast, dan moet logischerwijze ook de juiste verhouding tussen de belastingtarieven voor de twee produkten op zuiver kwantitatieve criteria berusten. De verhouding tussen de belasting op een bepaald volume wijn en de belasting op een zelfde volume bier moet dus nagenoeg een gelijkheid zijn. Een welomschreven en beperkte afwijking van deze theoretische gelijkheid kan alleen gerechtvaardigd zijn, voor zover er strikt op wordt toegezien, dat tussen de twee tarieven geen groter verschil bestaat dan tussen de normaal van elk van beide produkten onder gelijke omstandigheden geconsumeerde hoeveelheden, zodat over de gewoonlijk verbruikte hoeveelheid wijn en de gewoonlijk verbruikte hoeveelheid bier een gelijk bedrag aan belasting wordt geheven. De verhouding tussen de in regel van elk van beide produkten geconsumeerde hoeveelheden bedraagt bij benadering 1:1,5. Uit de in artikel 95 EEG-Verdrag neergelegde beginselen kan worden afgeleid, dat de verhouding tussen de in het Verenigd Koninkrijk op gelijke volumes van de twee produkten toegepaste tarieven niet mag afwijken van de verhouding tussen de normaal verbruikte hoeveelheden.

IV — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 15 maart 1983 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Hof beantwoord door de Commissie, vertegenwoordigd door A. McClellan, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door P. Archer, en de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door M. Conti.

De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 10 mei 1983 conclusie genomen.

In rechte

1.

Bij verzoekschrift van 7 augustus 1978 heeft de Commissie krachtens artikel 169 EEG-Verdrag bij het Hof beroep ingesteld teneinde te doen vaststellen dat het Verenigd Koninkrijk, door op lichte, niet-mousserende, uit verse druiven bereide wijn (hierna: wijn) een verhoudingsgewijs hogere accijns te heffen dan op bier, de krachtens artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2.

Op 27 februari 1980 heeft het Hof een tussenarrest gewezen (Jurispr. 1980, blz. 417), waarin het zich vooreerst uitsprak over enkele rechtspunten betreffende de uitlegging van artikel 95 en vervolgens overging tot een voorlopig onderzoek van bepaalde vragen die op dat tijdstip nog niet rijp leken voor een definitieve oplossing. Alvorens uitspraak te doen op het door de Commissie ingestelde beroep, gelastte het Hof partijen, hun geschil opnieuw te onderzoeken in het licht van de rechtsoverwegingen van het arrest en vóór een bepaalde datum verslag te doen hetzij over de door hen gevonden oplossing van het geschil, hetzij over hun respectieve standpunten. Het Hof behield zich voor, na die datum definitief te beslissen, gelet op de rapporten die het dan zouden zijn aangeboden, dan wel eventueel zonder deze.

3.

Gevolg gevend aan dit arrest, hebben partijen het geschil eerst in bilateraal overleg onderzocht. Vervolgens heeft de Commissie getracht een oplossing te vinden in het kader van onderhandelingen binnen de Raad, bij wege van een algemene regeling van het probleem van de belasting op alcoholische dranken. In afwachting van het resultaat van deze onderhandelingen is de door het Hof bij zijn arrest van 27 februari 1980 bepaalde termijn op verzoek van partijen meermaals verlengd. Aangezien deze laatste niet tot een minnelijke schikking konden komen, hebben zij op 1 respectievelijk 2 december 1981 hun verslagen neergelegd. De Italiaanse regering, interveniënte, is in de gelegenheid gesteld, haar opvatting kenbaar te maken.

4.

Partijen hebben ter terechtzitting van 19 mei 1982 mondelinge opmerkingen gemaakt. Aangezien de tot dan toe verstrekte informatie nog ontoereikend was om het geschil te kunnen beslissen, heeft het Hof bij beschikking van 15 juli 1982 krachtens de artikelen 45 en 60 van het Reglement voor de procesvoering uitbreiding van de instructie bevolen. Het heeft partijen verzocht om nadere gegevens betreffende de consumptieprijzen en de prijzen exclusief belasting van wijn en bier van courante kwaliteit, dat wil zeggen van de wijnen biersoorten die in het Verenigd Koninkrijk en in de overige Lid-Staten het meest worden verkocht en verbruikt. Voorts heeft het verzocht om gegevens betreffende de ontwikkeling van het totale jaarlijkse wijn- en bierverbruik in de Gemeenschap.

5.

Partijen hebben deze vragen beantwoord en ter terechtzitting van 15 maart 1983 wederom mondelinge opmerkingen gemaakt.

Ten gronde

6.

Er zij aan herinnerd, dat de in het arrest van 27 februari 1980 onderzochte en ten dele onbeantwoord gebleven vragen betrekking hadden op, enerzijds, de kenmerken van de mededingingsverhouding tussen wijn en bier en, anderzijds, de keuze van een vergelijkingsgrondslag en de bepaling van een passende belastingverhouding tussen beide produkten. Deze twee vragen moeten thans opnieuw worden onderzocht, rekening houdende met de tijdens de twee aanvullende instructiefasen verstrekte informatie.

De mededingingsverhouding tussen wijn en bier

7.

In zijn arrest van 27 februari 1980 heeft het Hof beklemtoond, dat de tweede alinea van artikel 95 van toepassing is op de fiscale behandeling van produkten die, ofschoon niet beantwoordend aan het gelijksoortigheidscnterium van de eerste alinea van dit artikel, niettemin gedeeltelijk dan wel potentieel concurreren met bepaalde produkten van het land van invoer. Het voegde hieraan toe, dat, om te bepalen of er een mededingingsverhouding in de zin van artikel 95, tweede alinea, bestaat, niet alleen moet worden gezien naar de huidige marktsituatie, maar ook naar de ontwikkelingsmogelijkheden in het kader van het vrije goederenverkeer binnen de Gemeenschap en het verdere substitutiepotentieel van produkten, die door de toeneming van het handelsverkeer aan de dag kan treden, zodat in overeenstemming met de in artikel 2 van het Verdrag neergelegde doelstellingen de complementariteit van de economieën van de Lid-Staten volledig tot ontwikkeling kan komen.

8.

Met betrekking tot het vraagstuk van de mededinging tussen wijn en bier overwoog het Hof, dat deze beide dranken tot op zekere hoogte aan dezelfde behoeften kunnen voldoen en dat men dan ook dient te erkennen dat zij elkaar in zekere mate kunnen vervangen. Bij de vraag in hoeverre dit mogelijk is, mag men zich niet beperken tot de drinkgewoonten in één Lid-Staat of in een bepaalde streek. Deze gewoonten, die naar tijd en plaats wezenlijk kunnen verschillen, kunnen immers niet als een vast gegeven worden beschouwd; het fiscale beleid van een Lid-Staat mag dus niet dienen om bestaande drinkgewoonten te bestendigen, teneinde de verkregen voorsprong van nationale industrieën die aan deze gewoonten tegemoet trachten te komen, te consolideren.

9.

Het Hof erkende evenwel dat, gelijk de regering van het Verenigd Koninkrijk terecht had aangevoerd, tussen wijn en bier dermate grote verschillen bestaan, dat hun fabricageprocédés en natuurlijke eigenschappen moeilijk kunnen worden vergeleken. Daarom verzocht het partijen om nadere informatie, teneinde de twijfel omtrent de kenmerken van de mededingingsverhouding tussen de twee produkten weg te nemen.

10.

De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft zich in haar latere verklaringen niet over deze vraag uitgelaten. De Commissie heeft als haar mening te kennen gegeven, dat de verschillen in de produktievoorwaarden, waaraan het Hof een zeker belang had gehecht, vanuit het oogpunt van de prijsstructuur van de twee produkten en inzonderheid wanneer het gaat om de mededingingsverhouding tussen bier en wijnen van courante kwaliteit, niet van belang zijn.

11.

De Italiaanse regering heeft in dit verband betoogd, dat het niet aangaat, bier te vergelijken met wijnen met een gemiddeld alcoholgehalte en nog minder met wijnen met een hoger alcoholgehalte. Haars inziens zijn het de lichtste wijnen, met een alcoholgehalte van ongeveer 9o, dat wil zeggen de meest gevraagde en goedkoopste wijnen, die daadwerkelijk met bier concurreren. Zij meent dan ook dat, wanneer het erom gaat de invloed van de belasting te meten in verhouding tot het alcoholgehalte of de prijs van de produkten, laatstbedoelde wijnen als term van vergelijking moeten worden gekozen.

12.

Het Hof acht deze opmerking van de Italiaanse regering juist. Gezien de grote verschillen in kwaliteit, en dus in prijs, die men bij wijn aantreft, dient bij de bepaling van de beslissende mededingingsverhouding tussen bier — een populaire en veel verbruikte drank — en wijn te worden uitgegaan van de wijnen die bij het grote publiek het meest in trek zijn, en dat zijn in het algemeen de lichtste en goedkoopste soorten. Bijgevolg zijn deze wijnen het passende uitgangspunt voor fiscale vergelijkingen op grond van het alcoholgehalte of de prijs van de twee betrokken dranken.

De bepaling van een passende belastingverhouding

13.

Wat de keuze van een vergelijkingsmethode ter bepaling van een passende belastingverhouding betreft, meent de Commissie dat de methode die de meeste zekerheid biedt, bestaat in het gebruik van een criterium dat zowel aanknoopt bij het volume als bij het alcoholgehalte van de betrokken dranken. Een belasting die de verhouding 1 : 2,8 op basis van volume (overeenkomend met een belastingverhouding van 1 : 1 op basis van het alcoholgehalte) te boven gaat, zou volgens de Commissie het „vermoeden” doen ontstaan dat bier zijdelings wordt beschermd.

14.

Onder verwijzing naar de conclusies van het in 1963 door het Fiscaal en financieel comité (Comité-Neumark) aan de Commissie aangeboden verslag heeft de regering van het Verenigd Koninkrijk er nogmaals op gewezen, dat een adequate vergelijking gebaseerd moet zijn op de invloed van de belasting op de prijzen exclusief belasting van de twee betrokken produkten. Volgens haar verdient een vergelijking op basis van de gemiddelde prijzen de voorkeur boven een vergelijking op basis van het gemiddelde alcoholgehalte. Er zou geen sprake zijn van een discriminerende of protectionistische handelspraktijk, wanneer komt vast te staan dat de belasting op twee concurrerende produkten een gelijk percentage van de gemiddelde prijs van deze produkten vertegenwoordigt. De regering van het Verenigd Koninkrijk meent, dat volgens dit criterium het Britse belastingstelsel geen beschermende werking heeft.

15.

De Italiaanse regering betwist de argumenten van het Verenigd Koninkrijk en van de Commissie op dit punt. Voor de oplossing van het geschil, zo stelt zij, is van belang dat wijn een landbouwprodukt is en bier een industrieel produkt. Volgens haar vereist het gemeenschappelijk landbouwbeleid de instelling van een belastingtarief dat gunstiger is voor het landbouwprodukt, en het zou derhalve niet met dit beleid stroken wanneer de gevolgen van communautaire steunmaatregelen voor de wijnproduktie volledig teniet werden gedaan door een nationaal belastingstelsel.

16.

Volgens de Italiaanse regering kent de Commissie ook te veel belang toe aan het alcoholgehalte van de twee betrokken dranken. Haars inziens is het doorslaggevende criterium de beoordeling van de invloed van de belasting in verhouding tot het volume van de twee dranken, en wel om twee redenen: in de eerste plaats is het Britse belastingstelsel gebaseerd op het volume van de produkten; in de tweede plaats wordt, daar beide dranken een laag alcoholgehalte hebben en geschikt zijn voor bij de maaltijd of als dorstlesser, de keuze van de consument niet bepaald door het alcoholgehalte van de twee produkten, doch door hun algemene eigenschappen zoals smaak en aroma, zodat zij voor dezelfde doeleinden en in nagenoeg gelijke hoeveelheden worden verbruikt. De ervaring zou leren, dat de consumptieverhouding tussen bier en wijn, zo al niet precies gelijk, in ieder geval niet hoger is dan 1,5 :1.

17.

De Italiaanse regering komt tot de slotsom, dat de twee criteria, gebaseerd op respectievelijk volume en alcoholgehalte, moeten worden gecombineerd in die zin dat, ofschoon de twee dranken in beginsel gelijk moeten worden belast op basis van volume, het feit dat wijn zwaarder wordt belast op basis van het alcoholgehalte, op zichzelf al voldoende bewijst dat het betrokken belastingstelsel discriminerend is en een beschermende werking heeft.

18.

Uit de gedachtenwisseling tussen partijen na het arrest van 27 februari 1980 is gebleken, dat weliswaar geen van de ter bepaling van de belastingverhouding tussen de twee betrokken produkten gehanteerde vergelijkingscriteria op zichzelf betrouwbare resultaten kan opleveren, doch dat niettemin elk van de drie aangewende methoden — dat wil zeggen de toetsing van de fiscale last aan het volume, het alcoholgehalte en de prijs van de produkten — bruikbare gegevens kan verschaffen voor de beoordeling van het omstreden belastingstelsel.

19.

Onweersproken is dat wanneer men de belasting op wijn en bier naar volume vergelijkt, wijn zowel relatief als absoluut zwaarder wordt belast dan bier. Niet alleen is — gelijk het Hof reeds opmerkte in zijn arrest van 27 februari 1980 — de belasting op wijn ten opzichte van die op bier aanzienlijk verhoogd toen het Verenigd Koninkrijk het vroegere douanerecht door een accijns verving, doch ook in de jaren waarop de onderhavige zaak betrekking heeft — 1976 en 1977 —, blijkt de belasting op wijn, naar volume berekend, gemiddeld vijf maal zo hoog te zijn geweest als die op bier, hetgeen anders gezegd neerkomt op een extra fiscale last van — in ronde cijfers — 400 %.

20.

Wat de vergelijking op basis van het alcoholgehalte betreft, heeft het Hof in zijn arrest van 27 februari 1980 reeds overwogen dat het alcoholgehalte weliswaar slechts een ondergeschikte rol speelt bij de keuze van de consument tussen de twee betrokken dranken, maar dat het niettemin een betrekkelijk betrouwbaar vergelijkingscriterium vormt. Opgemerkt zij, dat het belang van dit criterium door de Raad is erkend in het kader van zijn nog niet afgesloten werkzaamheden in verband met de harmonisatie van de belasting op alcohol en de verschillende soorten alcoholische dranken.

21.

Uitgaande van de door het Hof reeds aanvaarde gegevens, blijkt dat in het Verenigd Koninkrijk tijdens de periode in geding er op wijn een belasting drukte die, op basis van het alcoholgehalte, ruim tweemaal zo zwaar was als die op bier, dat wil zeggen een extra fiscale last van ten minste 100 %.

22.

Wat het criterium van de invloed van de belasting op de prijs exclusief belasting betreft, heeft het Hof zich wegens het heterogene karakter van de door partijen verstrekte informatie zeer moeilijk een oordeel kunnen vormen. De beoordeling van dit criterium, waaraan de regering van het Verenigd Koninkrijk het allergrootste belang toekende, werd inzonderheid bemoeilijkt door de onvolledigheid van de door de Commissie verstrekte inlichtingen, bestaande uit lijsten van verkoopprijzen, die verder echter geen enkele aanduiding bevatten omtrent het respectieve aandeel in die prijzen van de accijns, de BTW en de prijs exclusief belasting.

23.

In antwoord op de beschikking van 15 juli 1982, waarbij het Hof partijen had verzocht om informatie betreffende de consumptieprijzen en de prijzen exclusief belasting van de in het Verenigd Koninkrijk meest verkochte en verbruikte wijn- en biersoorten, heeft de Britse regering slechts gegevens verstrekt over twee Duitse wijnen („Goldener Oktober” en „Blue Nun”), die ongetwijfeld in ruime mate worden geconsumeerd, doch nauwelijks representatief zijn voor de situatie van de wijnmarkt binnen de Gemeenschap.

24.

De Commissie en de Italiaanse regering hebben de relevantie van deze keuze van de Britse regering betwist en gedetailleerde gegevens betreffende Italiaanse wijnen overgelegd; de Commissie heeft getracht gemiddelde prijzen te bepalen, terwijl de Italiaanse regering overeenkomstig haar hiervóór uiteengezette zienswijze de invloed van de belasting op de prijs van een typisch Brits bier heeft vergeleken met de invloed van de belasting op de prijs van de goedkoopste Italiaanse wijn waarvan grote hoeveelheden op de Britse markt worden aangeboden.

25.

Volgens de berekeningen van de Commissie, die betrekking hebben op de huidige situatie van de Britse markt en waarvan de juistheid door de regering van het Verenigd Koninkrijk niet wordt betwist, drukt er op wijn een extra fiscale last van ongeveer 58 en 17 %, terwijl de berekeningen van de Italiaanse regering met betrekking tot de goedkoopste wijn een extra fiscale last op wijn van maximaal 286 % te zien geven. Deze bevindingen worden indirect bevestigd door het onderzoek van de Britse regering naar de verkoopprijzen van de twee voornoemde Duitse wijnen. In het geval van een van deze wijnen bestaat er immers, wat de invloed van de belasting op de prijs betreft, een vrijwel exacte pariteit tussen bier en wijn. Dit voorbeeld leert, dat alle goedkopere wijnen die in het Verenigd Koninkrijk op de markt worden gebracht, in verhouding tot hun prijs zwaarder worden belast dan bier. Uit de door de Commissie overgelegde prijslijsten blijkt echter dat op de Britse markt een aanzienlijk aantal wijnen, waaronder nagenoeg alle Italiaanse wijnen, tot deze categorie behoren en bijgevolg een extra fiscale last dragen die groter wordt naarmate zij goedkoper zijn.

26.

Na onderzoek van de door partijen verstrekte informatie is het Hof tot de overtuiging gekomen, dat wanneer men uitgaat van de wijnen die goedkoper zijn dan die welke door het Verenigd Koninkrijk als voorbeeld zijn gekozen, en waarvan verscheidene soorten in grote hoeveelheden pp de Britse markt worden verkocht, men moet concluderen dat juist wijnen die wegens hun prijs het meest direct met de nationale bierproduktie concurreren, aanzienlijk zwaarder worden belast.

27.

Uit het grondige onderzoek dat het Hof heeft verricht, blijkt dus duidelijk dat, welk vergelijkingscriterium men ook hanteert en zonder dat het nodig is aan het ene of het andere de voorkeur te geven, het belastingstelsel van het Verenigd Koninkrijk tot gevolg heeft, dat op uit andere Lid-Staten ingevoerde wijn een zodanige extra fiscale last drukt, dat de nationale bierproduktie daardoor wordt beschermd, in zoverre deze produktie uit het oogpunt van de mededinging het meest relevante referentiepunt vormt. Aangezien deze bescherming het opvallendst is ten opzichte van de meest courante wijnen, leidt het Britse belastingstelsel ertoe, dat wijn het stempel krijgt opgedrukt van een luxeprodukt dat wegens de erop drukkende fiscale last voor de consument nauwelijks een echt alternatief kan zijn voor de typische binnenslands geproduceerde drank.

28.

Uit het voorgaande volgt, dat het Verenigd Koninkrijk, door op lichte, niet-mousserende, uit verse druiven bereide wijn een verhoudingsgewijs hogere accijns te heffen dan op bier, de krachtens artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is gekomen.

Kosten

29.

Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Volgens artikel 69, paragraaf 3, kan het Hof evenwel wegens bijzondere redenen de proceskosten geheel of gedeeltelijk compenseren.

30.

In casu dient van deze mogelijkheid gebruik te worden gemaakt. Tijdens de procedure is immers gebleken, dat de Commissie het onderhavige beroep heeft ingesteld zonder vooraf een behoorlijk onderzoek te hebben verricht, zodat het Hof herhaaldelijk om inlichtingen heeft moeten vragen en de procedure heeft moeten verlengen. Bijgevolg dient elk der partijen de eigen kosten te dragen, met uitzondering van de Italiaanse regering, wier kosten ten laste van het Verenigd Koninkrijk komen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende:

1. Verklaart dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, door op lichte, niet-mousserende, uit verse druiven bereide wijn een verhoudingsgewijs hogere accijns te heffen dan op bier, de krachtens artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2. Verstaat dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen en het Verenigd Koninkrijk ieder de eigen kosten zullen dragen, en verwijst het Verenigd Koninkrijk in de door de Italiaanse Republiek gemaakte kosten.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

4
EEG-Verdrag art. 9514 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1694 voorkomens
EEG-Verdrag art. 992 voorkomens
EEG-Verdrag art. 21 voorkomen

Rechtspraak

2

Europese Unie

2

Hof van Justitie356/8509.07.1987

EEG-Verdrag art. 95 en art. 169

Bekijk de 2 documenten

Rechtsleer

4
Baines, Priscilla: Research Note of the House of Commons - Library - International Affairs Section 1983 nº 148 9 p. (EN)
X: European Intellectual Property Review 1983 News section p.172-174 (EN)
Minor, Jackie: Assuntos europeus 1984 nº 1 p.103-104 (EN)
Easson, Alex: Cheaper Wine or Dearer Beer? Article 95 Again, European Law Review 1984 p.57-64 (EN)