ARREST
De feiten
De feiten, het procesverloop en de conclusies, middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:
I — Overzicht van de feiten
De Franse produktio van gedistilleerd, dat wil zeggen door clistallatie verkregen, gedistilleerde dranken, likeuren en andere alcoholhoudende dranken van post 22.09 C van het gemeenschappelijk douanetarief, bedraagt circa 1230000 hl per jaar.
De wettelijke regeling inzake alcohol onderscheidt hierbij drie groepen:
a) De eerste groep omvat de gedistilleerde dranken uit wijn en vruchtenbrandewijnen met een gecontroleerde en wettelijk geregelde benaming van oorsprong; hiertoe behoren de gerenommeerde gedistilleerde dranken als cognac, armagnac en calvados. De produktie van cognac is het grootst; van 1955 tot 1975 is zij gestegen van 100000/125000 hl tot 546000 hl per jaar. De andere gedistilleerde dranken uit wijn komen op bijna 120000 hl, de vruchtenbrandewijnen op 140000 hl per jaar.
b) De tweede groep omvat de gedistilleerde dranken uit wijn of vruchtenbrandewijnen, die door kleine distillateurs („bouilleurs de cru”) uit hun eigen produktie worden gestookt. Deze produktie van circa 100000 hl per jaar is niet aan de regels betreffende de benaming van oorsprong onderworpen.
c) De derde groep omvat de gedistilleerde dranken uit graan. Er is een beperkte en gecontingenteerde produktie van jenever van 8000 hl per jaar; de produktie van ander gedistilleerd (whisky, gin, wodka) stelt weinig voor. In de overzeese departementen wordt circa 312000 hl rum geproduceerd.
Volgens de Franse wetgeving (artikelen 403 en 406 A van de Code général des impôts en de jaarlijkse begrotingswetten) worden op de verschillende alcoholhoudende dranken een accijns en een produktiebelasting geheven, waarvan het tarief voor bepaalde groepen produkten is vastgesteld als volgt:
Volgens de wet houdende de ontwerpbegroting 1980 zou het totaal aan accijns en produktiebelasting FF 7655,- moeten bedragen voor gedistilleerd uit graan, FF 5975,- voor jenever en FF 5125,-voor gedistilleerd uit wijn.
Op 14 juli 1975 heeft de Commissie de Franse regering gewezen op het feit dat de belastingregeling voor jenever — in Frankrijk wordt daarvan een behoorlijke hoeveelheid geproduceerd — de andere, merendeels geïmporteerde gedistilleerde dranken uit graan discrimineerde en dat de belastingregeling voor gedistilleerd uit graan een beschermend karakter had ten opzichte van de andere gedistilleerde dranken, in het bijzonder gedistilleerd uit wijn, dat in Frankrijk in aanzienlijke hoeveelheden wordt geproduceerd.
In haar antwoord van 25 februari 1975 bestreed de Franse regering dat de litigieuze produkten als gelijksoortig of onderling vervangbaar kunnen worden beschouwd; de gewraakte verschillen in belasting zouden dus noch onder de werkingssfeer van artikel 95, eerste alinea, noch onder die van artikel 95, tweede alinea, vallen.
Van mening dat de Franse Republiek, door een belasting toe te passen waardoor de nationale produkties werden beschermd, de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nakwam, heeft de Commissie bij brief van 16 maart 1976 tegen Frankrijk de procedure van artikel 169 ingeleid.
In haar opmerkingen van 31 mei 1976 volhardde de Franse regering bij haar standpunt, dat haar geen verdragsschending kon worden verweten. Bijgevolg bracht de Commissie op 22 december 1976 ten aanzien van de Franse Republiek het in artikel 169, eerste alinea, bedoelde, met redenen omklede advies uit. Daarin werd de Franse Republiek verzocht, binnen 45 dagen de vereiste maatregelen te nemen om een einde te maken aan de haar verweten inbreuk op artikel 95.
De Franse regering beperkte zich ertoe, op 10 januari 1977 de ontvangst van het met redenen omklede advies van de Commissie te bevestigen.
II — Schriftelijke procedure
Bij op 7 augustus 1978 ingediend verzoekschrift heeft de Commissie de aan de Franse Republiek met betrekking tot de belasting op gedistilleerd verweten niet-nakoming van de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen krachtens artikel 169, tweede alinea, EEG-Verdrag bij het Hof van Justitie aanhangig gemaakt.
De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad; de Franse regering heeft afgezien van dupliek.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft de Commissie en de Franse Republiek evenwel verzocht, schriftelijk enkele vragen te beantwoorden; daaraan is na verlenging van de gestelde termijnen gevolg gegeven.
III — Conclusies van partijen
De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
vast te stellen dat de Franse Republiek, door bij de belasting op gedistilleerd differentiële tarieven toe te passen, de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
de Franse Republiek in de kosten te verwijzen.
De regemig van de Franse Republiek concludeert dat het den Hove behage:
het door de Commissie ingediende verzoek te verwerpen:
de Commissie in de kosten te verwijzen.
IV — Door partijen schriftelijk voorgedragen middelen en argumenten
De Commissie is van mening dat de Franse belastingregeling tot gevolg heeft dat de belasting op gedistilleerde dranken omgekeerd evenredig is aan de omvang van de nationale produktie, zodat de in Frankrijk geproduceerde gedistilleerde dranken tegen die uit andere Lid-Staten worden beschermd.
De uitlegging van artikel 95 EEG-Verdrag
a) Artikel 95 dient om, na de afschaffing van de douanerechten en heffingen van gelijke werking, de laatste beperkingen op te heffen in het handelsverkeer van niet alleen de geïmporteerde produkten die identiek zijn met de nationale produkten, maar ook van de gelijksoortige of daarmee concurrerende produkten. Artikel 95 moet gevolg hebben op grond van objectieve criteria; economische of sociale beleidsoverwegingen staan daarbuiten. Op het verbod van fiscale discriminatie bestaat geen uitzondering. Als aanvullende regel voor de douane-unie laat artikel 95 geen enkele mogelijkheid voor voorwaardelijke toepassing of voor een toepassing die afhankelijk is van uitleggingscriteria die los van de communautaire regels zijn uitgewerkt. Het heeft ten doel de doorzichtigheid van de gemeenschappelijke markt te waarborgen en het beginsel van de fiscale neutraliteit op communautair niveau te verzekeren. De fiscale autonomie van de Lid-Staten is in het belang van het interne handelsverkeer van de Gemeenschap aanzienlijk beperkt; deze beperkingen gelden met name voor de vrijheid van de nationale wetgever om het belastinginstrument aan te wenden voor niet-fiscale doeleinden. Een nationale belastingregeling mag op de economische werkzaamheid van ondernemers uit de andere Lid-Staten geen bijkomende werking hebben die nadelig is voor de verwezenlijking van de gemeenschappelijke markt. De nationale wetgeving moet zich met name ter zake van de belasting op alcoholhoudende dranken aan de communautaire orde aanpassen.
b) Blijkens de rechtspraak van het Hof moet bij de bepaling van het begrip „gelijksoortige produkten” worden uitgegaan van de belasting op produkten die — in hetzelfde stadium van produktie of verhandeling — uit verbruikersoogpunt soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen; de omstandigheid dat het nationale en het ingevoerde produkt al dan niet onder een zelfde post van het gemeenschappelijk douanetarief zijn ingedeeld, is in dat verband een belangrijke beoordelingsfactor. Het Hof heeft er blijk van gegeven, zekerder en gemakkelijker te hanteren beoordelingscriteria, die zijn ontleend aan formele factoren, te prefereren boven andere maatstaven van materiële aard, die met name zijn gebaseerd op aard en kwaliteit van de produkten, gebruikte grondstoffen en fabricagemethoden. De gelijksoortigheid moet worden beoordeeld met het oog op de verbruiker en zijn behoeften: het begrip gelijksoortigheid van artikel 95 beantwoordt, ongeacht de fysische en chemische eigenschappen van de betrokken produkten, in het bijzonder aan voorwaarden van fiscale aard. Het begrip gelijksoortigheid kan niet een nationale dimensie hebben: één uniforme definitie heeft de voorkeur boven negen verschillende en tegenstrijdige definities.
c) De tweede alinea van artikel 95 breidt het verbod van fiscale discriminatie uit tot geïmporteerde concurrerende produkten die de nationale produkten kunnen vervangen. Deze bepaling bevestigt dat beperkingen van het handelsverkeer, bestaande in fiscale maatregelen die de nationale produkties al dan niet zijdelings beschermen tegen de concurrentie van ingevoerde produkten, niet met het Verdrag zijn te verenigen. Blijkens de rechtspraak van het Hof heeft artikel 95 de opheffing ten doel van elke discriminatie tussen ingevoerde en nationale produkten die, hoe dan ook, in de gemeenschappelijke markt het veld vinden voor een rechtmatige concurrentieslag.
d) Voor de opheffing van handelsbelemmeringen van fiscale aard behoeft niet het instrument van de harmonisatie te worden aangewend: het zou onjuist zijn het verbod van fiscale discriminatie dat voortvloeit uit artikel 95 — een bepaling met rechtstreekse werking —, afhankelijk te maken van de vaststelling van „uitvoeringsbepalingen” in harmonisatierichtlijnen als bedoeld in artikel 99 EEG-Verdrag.
De verhouding tussen de verschillende gedistilleerde dranken
a) De gelijksoortigheid van gedistilleerde dranken kan, bij gebreke van een communautaire regeling en definitie, niet worden beoordeeld volgens de wettelijke regeling van het betrokken land. De uitdrukking „gelijksoortige nationale produkten” vereist een voor alle Lid-Staten eenvormige uitlegging.
b) De indeling van produkten onder een zelfde post van het gemeenschappelijk douanetarief is een belangrijke beoordelingsfactor; het gemeenschappelijk douanetarief deelt alle gedistilleerde dranken in onder post 22.09 C. Ofschoon de hoogte van de douanerechten volgens bepaalde nadere onderscheidingen is gedifferentieerd, moet daarbij worden bedacht dat de verwantschap in heffing van postonderverdelingen en subrubrieken is gebaseerd op bijzondere overwegingen, die verband houden met de handels- of tariefpolitiek van de Gemeenschap, en dat het bestaan van dergelijke nadere onderscheidingen niet belet dat er tussen de aldus ingedeelde alcoholhoudende dranken overeenkomsten vallen vast te stellen. De indeling in tariefposten en onderverdelingen van tariefposten heeft voor de' beoordeling van de gelijksoortigheid weliswaar slechts een zuiver indicatief karakter; niettemin is de indeling van de „alcoholhoudende dranken” onder subpost C van post 22.09 een aanwijzing voor hun gelijksoortigheid, die door de andere elementen van het dossier slechts wordt bevestigd.
c) Volgens de toelichtingen op de IDR-nomenclatuur vertonen de gedistilleerde dranken, ongeacht of zij uit graan, wijn of vruchten zijn gestookt, uit verbruiksoogpunt soortgelijke eigenschappen en voldoen zij aan dezelfde eisen van de verbruikers. Deze laatste kunnen uiteraard door diverse factoren worden bepaald en beïnvloed; gewoonte, individuele voorkeur, plaatselijke of nationale tradities, sociale omstandigheden, seizoen en klimaat, en zelfs de mode; niettemin zijn de gedisstilleerde dranken uit verbruikersoogpunt geen elkaar aanvullende, maar parallelle produkten, met andere woorden gelijksoortige produkten in de zin van artikel 95, eerste alinea.
d) Omdat het verschil tussen de drie groepen waarin de Franse wettelijke regeling de gedistilleerde dranken verdeelt, slechts een kwestie van aroma is, behoeven de drinkgewoonten waarop de Franse regering zich beroept, niet in aanmerking te worden genomen, te meer niet waar deze drinkgewoonten zeer wel afhankelijk kunnen zijn van de prijs van de drank, dus indirect van de daarop drukkende belastingen.
e) Smaak, aroma en geur van de gedistilleerde dranken kunnen eindeloos variëren en daarom zijn zij niet identiek. Maar of zij nu uit wijn, vruchten of graan zijn gestookt, toch hebben zij één eigenschap gemeen waaruit hun gelijksoortigheid blijkt: alle hebben typische aromatische en smaakeigenschappen, waarmee tal van specifieke behoeften van de consument kunnen worden bevredigd.
f) Ongeacht de grondstoffen waaruit zij zijn verkregen, kunnen de verschillende gedistilleerde dranken op zeer uiteenlopende manieren worden gebruikt. Voor elk van deze gebruiksmogelijkheden blijken verschillende gedistilleerde dranken in aanmerking te komen; er is geen geval waarin niet één van de gedistilleerde dranken uit een bepaalde wijn-, een bepaalde vruchten- of een bepaalde graansoort niet kan worden vervangen door een of meer andere, die niet noodzakelijkerwijs tot één van de in de Franse wetgeving voorziene groepen behoren. Bij al hun verscheidenheid beantwoorden alle gedistilleerde dranken niettemin aan vergelijkbare behoeften.
g) Het onderzoek uit hoofde van artikel 95, eerste alinea, moet niet aan de hand van de gebruikte grondstoffen, maar van de gelijksoortigheid van de aan het eind van het produktieproces verkregen produkten geschieden.
h) De gedistilleerde dranken hebben bij al hun verscheidenheid dezelfde gebruiksdoelen; voor zover zij al dan niet gelijksoortig zijn, zijn het toch op zijn minst concurrerende substitutieprodukten als bedoeld in artikel 95, tweede alinea.
Schending van artikel 95, eerste alinea
De door de Franse belastingregeling ingestelde produktiebelasting en accijns zijn het hoogst voor de gedistilleerde dranken uit graan met een geringe produktie in Frankrijk, en aanmerkelijk lager (ongeveer 30 %) voor de gedistilleerde dranken uit wijn en vruchtenbrandewijnen, die in Frankrijk in aanzienlijke hoeveelheden worden geproduceerd.
Aldus drukt op de geïmporteerde gedistilleerde dranken een aanzienlijk hogere fiscale last; omdat het gelijksoortige produkten zijn als de nationale produkten, wordt artikel 95, eerste alinea, geschonden.
Schending van artikel 95, tweede alinea
a) Zou worden aangenomen dat het gelijksoortige karakter van de betrokken produkten betwistbaar is, is de Franse wettelijke regeling in elk geval in strijd met artikel 95, tweede alinea: door de belasting op gedistilleerde dranken uit graan en op jenever worden de gedistilleerde dranken uit wijn zijdelings beschermd.
b) De invloed van de belasting op whisky en cognac moet om belastingtechnische redenen en omwille van de duidelijkheid worden berekend over de kleinhandelsprijs exclusief belasting, en niet inclusief belasting. Vanuit concurrentieoogpunt zijn de prijzen inclusief belasting reeds door het bestaan van de discriminerende belasting vervalst. De door de Franse regering opgegeven verkoopprijzen komen niet overeen met de in Frankrijk voor de betrokken produkten toegepaste gemiddelde kleinhandelsprijzen. Het belang van de discriminatie moet niet worden beoordeeld aan de hand van het verschil tussen de invloed van de belasting op whisky en die op cognac, maar aan de hand van de verhouding tussen beider invloed.
c) De cijfers betreffende het verbruik van whisky en cognac in Frankrijk kunnen de verschillen in belasting op deze gedistilleerde dranken niet rechtvaardigen, maar kunnen wel duidelijk maken waarom de Franse regering daaraan geen einde wil maken.
De regering van de Franse Republiek acht de belastingregeling voor gedistilleerde dranken in Frankrijk noch in strijd met de eerste, noch met de tweede alinea van artikel 95 EEG-Verdrag.
De preteme schending van artikel 95, eerste alinea
a) Het feit dat een belastingregeling bestaat die verschillende produktengroepen onderscheidt, kan natuurlijk op zichzelf niet tot gevolg hebben dat die regeling onder de werkingssfeer van artikel 95, eerste alinea, valt: de toepassing van deze bepaling moet geschieden op basis van criteria waarmee kan worden vastgesteld of er al dan niet sprake is van gelijksoortigheid.
b) In dit verband zij in het algemeen opgemerkt dat het EEG-Verdrag geen definitie van het begrip gelijksoortigheid van produkten geeft. Bij gebreke van harmonisatie op communautair vlak zijn de nationale overheden bevoegd een fiscale indeling vast te stellen; in casu dient te worden nagegaan of de gevolgen van deze indeling verenigbaar zijn met artikel 95.
c) Bij de analyse van het begrip gelijksoortigheid dient men uit te gaan van de rechtspraak van het Hof van Justitie; daaruit blijkt enerzijds dat de formele criteria hoogstens een „belangrijke beoordelingsfactor” vormen om te bepalen of er sprake is van gelijksoortigheid, maar dat zij op zichzelf niet doorslaggevend zijn om deze aan te tonen, en anderzijds dat uiteindelijk moet worden onderzocht of de betrokken produkten uit verbruikersoogpunt soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen.
d) Bij de formele criteria en in het bijzonder bij de posten van het gemeenschappelijk douanetarief moet worden bedacht dat weliswaar onder post 22.09 alle „gedistilleerde dranken, likeuren en andere alcoholhoudende dranken” zijn ondergebracht, maar dat de hoogte van de invoerrechten daarentegen per onderverdeling is vastgesteld. Meer dan door de methode van indeling wordt de douanerealiteit dus door de onderverdelingen bepaald. Aan de hand van deze douanerealiteit bepaalt het Hof trouwens de indeling van de produkten waarover onzekerheid bestaat. Uit het feit dat binnen één tarief tussen deze groepen van dranken wordt onderscheiden, blijkt dat deze produkten ook volgens de formele criteria niet als gelijksoortig kunnen worden aangemerkt. De IDR-nomenclatuur kan volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie een hulpmiddel voor de uitlegging zijn; maar zij kan niet afdoen aan het feit dat krachtens het gemeenschappelijk douanetarief „voor de indeling in posten in de eerste plaats de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken wettelijk bepalend zijn.” De door het gemeenschappelijk douanetarief vastgestelde tariefindeling vormt dus de bevestiging, dat de gedistilleerde dranken geen gelijksoortige produkten zijn.
e) De verschillende groepen van gedistilleerde dranken vertonen bovendien uit verbruikersoogpunt geen soortgelijke eigenschappen en beantwoorden niet aan dezelfde behoeften. De verschillende produkten onderscheiden zich van elkaar door belangrijke verschillen in chemische samenstelling. Door distillatie kunnen meer dan 275 „niet-alcoholische” bestanddelen worden afgescheiden; door combinatie van deze bestanddelen verkrijgt het distillaat zijn „flavour”, dat wil zeggen zijn organoleptische eigenschappen, bestaande uit de combinatie van smaak, aroma en geur. Enkel dit verschil in chemische samenstelling kan de door de verbruiker waargenomen bijzondere organoleptische eigenschappen opleveren. Het Hof zelf heeft overwogen dat de produkten met behulp van deze eigenschappen naar behoren kunnen worden onderscheiden. Wat de behoeften van de verbruikers aangaat, zijn de gedistilleerde dranken, mede gezien de drinkgewoonten, op de markt noch concurrerende noch onderling vervangbare produkten. De organoleptische eigenschappen van de verschillende groepen van gedistilleerde dranken worden door de verbruikers duidelijk waargenomen; tevens worden deze produkten op verschillende manieren gedronken (onderscheid tussen „di-gestief” en „aperitief”, „puur” gedronken dan wel aangelengd met water of soda). Het is voor de consument kennelijk niet onverschillig welk produkt hij drinkt; elk ervan beantwoordt aan zeer bepaalde, duidelijk onderscheiden gewoonten.
f) Waar een substitutiemogelijkheid tussen de verschillende groepen van gedistilleerd ontbreekt, kan er ook geen sprake zijn van gelijksoortigheid van de produkten.
Derhalve is het middel ontleend aan schending van artikel 95, eerste alinea, voor wat de belasting van gedistilleerde dranken in Frankrijk betreft, niet gegrond.
De pretense schending van artikel 95, tweede alinea
a) Blijkens de rechtspraak van het Hof verbiedt artikel 95, tweede alinea, binnenlandse belastingen met beschermende werking tegenover een concurrerend produkt, of een met de vervaardiging van dat produkt verband houdende activiteit. In casu is alleen de pretense bescherming van nationale produkten tegenover concurrerende geïmporteerde produkten aan de orde gesteld.
b) De Franse belastingregeling voor gedistilleerd valt niet onder de werkingssfeer van artikel 95, tweede alinea; primair omdat de daarin onderscheiden produktengroepen niet met elkaar in concurrentie staan, subsidiair omdat door het relatieve niveau van de belastingen op deze groepen van produkten geen van die groepen wordt beschermd.
c) De verschillende groepen van gedistilleerd zijn geen concurrerende produkten; de uiteenlopende gebruiksdoelen van deze produkten en het feit dat het voor de consument geen substitutieprodukten zijn, hebben tot gevolg dat de consumentenvraag op de markt niet van de ene groep kan omschakelen op de andere. Een door het relatieve prijsniveau bepaalde verlegging van de consumptie zal enkel voorkomen binnen een zelfde homogene groep, waarvoor identieke verbruikersgewoonten bestaan, doch beslist niet tussen twee groepen.
d) De verschillen in de belastingtarieven voor de diverse produkten volstaan niet om het ene ten koste van het andere te beschermen. Uit een vergelijkend overzicht van het aandeel van de indirecte belasting (bijzondere rechten en bijkomende BTW) in de kleinhandelsprijs van de voornaamste dranken blijkt dat het aandeel van de indirecte belasting bij gedistilleerde dranken uit wijn 6 % lager is dan bij whisky. Dit verschil in belasting is, absoluut gezien, betrekkelijk gering; het is miniem, of zelfs non-existent indien de daadwerkelijke verhoudingen tussen deze produkten in aanmerking worden genomen. De Franse belasting op gedistilleerde dranken heeft dus niet de gewraakte beschermende werking en blijkt in feite nagenoeg neutraal. Bovendien is dit stelsel in het geheel niet discriminerend ten opzichte van de produkten uit andere landen van de Gemeenschap.
e) De pretense beschermende werking van de Franse belastingregeling voor gedistilleerde dranken wordt eveneens gelogenstraft door de ontwikkeling van het verbruik van de geïmporteerde produkten; zo is tussen 1963 en 1977 het verbruik van cognac met minder dan 35 % gestegen, dat van whisky tien maal meer.
f) De Franse belastingregeling voor gedistilleerde dranken heeft dus geen werking die in strijd is met artikel 95, tweede alinea.
V — Antwoorden op de vragen van het Hof
In haar schriftelijke antwoorden op de door het Hof gestelde vragen heeft de Commissie met name beklemtoond, dat er ten aanzien van de op communautair vlak voorbereide besluiten op het gebied van de alcoholproduktie en de harmonisatie van belastingregelingen, geen oorzakelijk verband bestaat tussen enerzijds het feit dat het voorstel voor een richtlijn betreffende de harmonisatie van de accijnzen op alcohol en het voorstel voor een verordening betreffende de marktordening van ethylalcohol uit landbouwprodukten niet tijdig zijn aanvaard, en anderzijds het feit dat het in artikel 95 EEG-Verdrag neergelgde verbod van fiscale discriminatie niet is nageleefd. Deze laatste bepaling kan reeds thans haar volle werking hebben; het zou niet juist zijn, de opheffing van de fiscale belemmeringen afhankelijk te stellen van de vaststelling door de Raad van de betrokken richtlijn of verordening.
Bovendien gaat het voorstel voor een richtlijn betreffende de harmonisatie van de accijnzen op alcohol (PB C 43 van 1972, blz. 25), uit van het beginsel dat alle gedistilleerde dranken gelijksoortig zijn en dat de produkten aan een belastingregeling met een uniform tarief per hectoliter zuivere alcohol moeten worden onderworpen. Het voorstel voor een verordening houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ethylalcohol uit landbouwprodukten alsmede aanvullende bepalingen voor bepaalde produkten die ethylalcohol bevatten (PB C 43 van 1972, blz. 3, en PB C 309 van 1976, blz. 2), voorziet in maatregelen ten aanzien van de alcoholproduktie en in interventiemaatregelen (prijscompensatie, uit de markt nemen en verkoop aan gereserveerde sectoren), maatregelen ten aanzien van alcoholhoudende dranken (steunverlening en oplegging van vereveningsrechten), handelspolitieke maatregelen en algemene bepalingen. Dit voorstel heeft slechts gedeeltelijk betrekking op gedistilleerde dranken uit wijn, omdat de passende en noodzakelijke interventiemaatregelen ter ondersteuning van de prijs van deze produkten uitdrukkelijk worden geregeld in de communautaire regeling voor de wijnmarkt (verordening nr. 337/79 van de Raad van 5 februari 1979 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt; PB L 54 van 1979, blz. 1). De Gemeenschap beschikt al lang over de passende economische middelen om het belangrijkste probleem te kunnen regelen, te weten de compensatie van het verschil tussen de produktiekosten van alcoholhoudende en gedistilleerde dranken uit wijn enerzijds, en de produkten op basis van andere agrarische grondstoffen, met name graan, anderzijds. Deze instrumenten kunnen slechts goed functioneren indien zij pp een fiscaal neutrale markt worden gebruikt. De geconstateerde vertraging in de voortgang van de werkzaamheden van de Raad met betrekking tot de voorstellen van de Commissie is grotendeels te wijten aan het bestaan, in de Lid-Staten, van discriminerende fiscale maatregelen, die de nationale produkten een aanvullende bescherming bieden en die stellig niet gerechtvaardigd zijn ten opzichte van concurrerende produkten uit de andere Lid-Staten.
Verenigbaar met artikel 95 zijn enerzijds de belastingen die niet alleen volgens hetzelfde tarief, maar ook volgens dezelfde structuur zowel op nationale produkten als op gelijksoortige of concurrende geïmporteerde produkten in de zin van artikel 95 drukken, en anderzijds de nationale belastingen die, ofschoon zij qua tarief en belastingstructuur een differentiële fiscale behandeling opleveren en daardoor bepaalde soorten nationale produkten begunstigen, op niet-discriminerende wijze op de geïmporteerde produkten drukken, dat wil zeggen dat zij de gunstiger fiscale behandeling die is voorbehouden aan bepaalde gelijksoortige en/of concurrerende nationale produkten in de zin van artikel 95, uitbreiden tot geïmporteerde produkten. Het belangrijkst is de onvoorwaardelijke inachtneming van het beginsel van de fiscale neutraliteit in het intracommunautaire handelsverkeer. Deze opmerkingen zijn in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof, met name het arrest van 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen & Balle, Jurispr. 1978, blz. 1787).
Harerzijds herinnert de Franse regering eraan, dat in Frankrijk gewoonlijk onderscheid wordt gemaakt tussen gedistilleerde dranken uit graan, bestemd om als aperitief te worden gedronken, en als digestiei gedronken gedistilleerde dranken uit wijn. Op grond van dat onderscheid heeft de Franse regering al zeer vroeg een differentieel belastingtarief voor deze verschillende produkten ingevoerd, en dit is vast beleid geworden.
VI — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 9 oktober 1979 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Hof beantwoord door de Commissie, te dezen vertegenwoordigd door J.-C. Séché, bijgestaan door de deskundige M. Maurei, hoofdadministrateur bij het directoraat-generaal Landbouw, directoraat „Wijn, alcohol en afgeleide produkten”; en de regering van de Franse Republiek, te dezen vertegenwoordigd door N. Museux, bijgestaan door de deskundige M. Corrèze, onderdirecteur bij de centrale administratie van het ministerie van Begroting, directoraat-generaal Belastingen.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 28 november 1979 conclusie genomen.
In rechte
Bij verzoekschrift van 7 augustus 1978 heeft de Commissie krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht, vast te stellen dat de Franse Republiek, door bij de belasting op bepaalde gedistilleerde dranken een differentieel tarief toe te passen, de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Tegelijkertijd heeft de Commissie met betrekking tot soortgelijke problemen beroep ingesteld tegen het Koninkrijk Denemarken en tegen de Italiaanse Republiek. In de drie gevallen bevatten de verzoekschriften enkele algemene overwegingen, waaruit blijkt dat de beroepen onderdeel zijn van een algemene actie om te verzekeren dat de betrokken staten hun verdragsverplichtingen terzake nakomen. Het lijkt derhalve gewenst, eerst enige algemene principiële vragen met betrekking tot de uitlegging van artikel 95 te verduidelijken, die de drie zaken, gelet op de bijzonderheden van de markt van gedistilleerd, gemeen hebben.
De uitlegging van artikel 95
Volgens artikel 95, eerste alinea, „heffen de Lid-Staten op produkten van de overige Lid-Staten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale produkten worden geheven.” De tweede alinea voegt daaraan toe dat „de Lid-Staten op de produkten van de overige Lid-Staten geen zodanige binnenlandse belastingen heffen, dat daardoor andere produkten zijdelings worden beschermd.”
In het stelsel van het Verdrag vormen de aangehaalde bepalingen een aanvulling op die betreffende de afschaffing van douanerechten en heffingen van gelijke werking. Zij hebben ten doel, het vrije verkeer tussen de Lid-Staten onder normale concurrentieverhoudingen te verzekeren door elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van produkten uit andere Lid-Staten. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, dient artikel 95 de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen nationale en geïmporteerde produkten.
De hoofdregel terzake wordt gevormd door de eerste alinea van artikel 95, die uitgaat van een vergelijking tussen de fiscale lasten op nationale en die op als „gelijksoortig” aan te merken geïmporteerde produkten. Zoals het Hof in zijn arrest van 10 oktober 1978 (zaak 148/77, Hansen & Balle, Jurispr. 1978, biz. 1787) heeft beklemtoond, moet deze bepaling ruim worden uitgelegd, zodat alle fiscale regelingen die inbreuk kunnen maken op de gelijkheid van behandeling van nationale of geïmporteerde produkten eronder vallen; de uitdrukking „gelijksoortige produkten” moet dus voldoende soepel worden uitgelegd. In zijn arrest van 17 februari 1976 (zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181) heeft het Hof uitgemaakt dat als gelijksoortig dienen te worden aangemerkt „de produkten die uit verbruikersoogpunt soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen.” Voor de bepaling van het toepassingsgebied van artikel 95, eerste alinea, dienen dus niet de volstrekte identiteit, maar het soortgelijke en vergelijkbare gebruik als maatstaf te worden gehanteerd.
Daarnaast richt de tweede alinea van artikel 95 zich tegen elke vorm van zijdelings fiscaal protectionisme in het geval van produkten die, hoewel niet gelijksoortig in de zin van de eerste alinea, toch gedeeltelijk, indirect of potentieel in een concurrentieverhouding staan met sommige produkties van het land van invoer. Bepaalde aspecten van deze bepaling heeft het Hof reeds verduidelijkt in zijn arrest van 8 april 1968 (zaak 27/67, Fink-Frucht, Jurispr. 1968, blz. 317), waarin werd overwogen dat het voor de toepassing van de tweede alinea voldoende is dat het geïmporteerde produkt op grond van een of meer economische toepassingen concurreert met de nationale produktie, ook wanneer het niet geheel voldoet aan de in artikel 95, eerste alinea, gestelde voorwaarde van gelijksoortigheid.
Terwijl bij de eerste alinea de vergelijking van de fiscale lasten — aan de hand van het tarief, de belastinggrondslag dan wel andere toepassingsmodaliteiten — het aangewezen beoordelingscriterium is, knoopt de tweede alinea, vanwege de moeilijkheid om genoegzaam nauwkeurige vergelijkingen tussen de betrokken produkten te maken, aan bij een meer algemeen criterium, namelijk het protectionistische karakter van een binnenlandse belastingregeling.
In het onderhavige geval zijn over de toepassing van het gelijksoortigheidscriterium, dat de werkingssfeer van het verbod van artikel 95, eerste alinea, bepaalt, meningsverschillen gerezen tussen partijen. Volgens de Commissie bezitten alle gedistilleerde dranken, ongeacht de voor hun vervaardiging gebruikte grondstoffen, soortgelijke eigenschappen en voldoen zij in wezen aan dezelfde behoeften van de verbruikers. Ongeacht de bijzondere kenmerken van de verschillende onder deze categorie vallende produkten en de drinkgewoonten in de verschillende gebieden van de Gemeenschap, zouden derhalve de gedistilleerde dranken als eindprodukten uit verbruikersoogpunt één algemene markt vormen. Opgemerkt zij dat deze zienswijze tot uiting komt in de door de Commissie bij de Raad ingediende voorstellen tot instelling van een gemeenschappelijke ordening van de alcoholmarkt, gebaseerd op de toepassing van een eenvormig belastingtarief voor alle betrokken produkten, afhankelijk van hun gehalte aan zuivere alcohol.
Deze opvatting wordt door de regeringen van de drie in rechte betrokken Lid-Staten bestreden. Huns inziens kunnen gedistilleerde dranken in verschillende categorieën worden onderverdeeld, die zich onderscheiden volgens de gebruikte grondstoffen, hun kenmerkende eigenschappen en de in de verschillende Lid-Staten geconstateerde drinkgewoonten.
Daaromtrent merkt de Commissie echter op, dat de waardering van de kenmerken van de verschillende alcoholische dranken evenals de drinkgewoonten naar plaats en tijd verschilt en dat deze factoren geen beoordelingscriteria kunnen opleveren die voor de Gemeenschap in haar geheel gelding bezitten. Bovendien vestigt zij de aandacht op het gevaar dat deze gewoonten ontstaan als een gevolg van de door de staten ingevoerde fiscale indelingen.
Tegenover deze stellingen meent het Hof zijn standpunt te moeten bepalen als volgt. Bij de toepassing van de bepalingen van artikel 95 op de bijzondere nationale situaties waarop de door de Commissie ingestelde beroepen betrekking hebben, moet rekening worden gehouden met de algemene situatie van de markt van alcoholhoudende dranken in de Gemeenschap. Te dezen vallen drieërlei overwegingen in aanmerking te nemen:
a)in de eerste plaats mag niet uit het oog worden verloren dat alle betrokken produkten, onverschillig welke voor het overige hun bijzondere eigenschappen zijn, gemeenschappelijke generieke kenmerken vertonen. Zij zijn alle verkregen door distillatie; alle bevatten als hoofdbestanddeel voor menselijke consumptie geschikte alcohol van een betrekkelijk hoge concentratiegraad. Binnen de ruimere categorie van alcoholhoudende dranken vormen de gedistilleerde dranken derhalve een identificeerbare groep met gemeenschappelijke kenmerken;
b)ondanks die gemeenschappelijke kenmerken kan men binnen deze groep nog produkten onderscheiden die min of meer uitgesproken eigen karakteristieken vertonen. Deze vloeien voort uit de gebruikte grondstoffen (in dit opzicht kan met name worden onderscheiden tussen gedistilleerd uit wijn, vruchten, graan en suikerriet), de fabricagemethoden dan wel de toegevoegde aromatische bestanddelen. Aan de hand van deze eigen karakteristieken kunnen metterdaad typische variëteiten gedistilleerd worden omschreven, waarvan sommige zelfs worden beschermd door benamingen van oorsprong;
c)tegelijkertijd mag men niet uit het oog verliezen dat er onder de gedistilleerde dranken, naast duidelijk gedefinieerde produkten met een betrekkelijk specifiek gebruiksdoel, andere produkten bestaan met minder uitgesproken eigenschappen, die voor meer uiteenlopende doeleinden worden gebruikt. Enerzijds zijn dat de talrijke produkten op basis van zogenoemde „neutrale” alcohol, dat wil zeggen alcohol die uit allerlei grondstoffen, bijvoorbeeld melasse en aardappelen kan worden verkregen; deze produkten ontlenen hun eigen karakter uitsluitend aan de toevoeging van aromaten met een meer of minder geprononceerde smaak. Anderzijds zij erop gewezen dat er onder de gedistilleerde dranken produkten voorkomen die op zeer uiteenlopende wijze kunnen worden gedronken: puur, aangelengd of gemixt. Deze produkten kunnen dus concurreren met een meer of minder grote verscheidenheid van andere alcoholhoudende dranken met meer beperkte gebruiksmogelijkheden. Kenmerkend voor de drie bij het Hof aanhangige procedures is, dat zij elk niet enkel betrekking hebben op gedistilleerde dranken met duidelijke eigenschappen, maar ook op één of meer produkten met talrijke gebruiksmogelijkheden.
Deze analyse van de markt van gedistilleerde dranken leidt tot een tweevoudige conclusie. In de eerste plaats komen er onder de gedistilleerde dranken, alle tezamen beschouwd, een onbepaald aantal dranken voor die als „gelijksoortige produkten” in de zin van artikel 95, eerste alinea, zijn aan te merken, hoewel dit in concrete gevallen soms moeilijk zal zijn uit te maken, gelet op de aard van de factoren die bij onderscheidingscriteria als smaak en consumentengewoonten meespelen. In de tweede plaats vertonen alle gedistilleerde dranken, zelfs waar een voldoende mate van gelijksoortigheid tussende betrokken produkten niet kan worden vastgesteld, niettemin genoegzaam uitgesproken gemeenschappelijke kenmerken om het bestaan te aanvaarden van althans een gedeeltelijke of potentiële concurrentieverhouding. Bijgevolg kan toepassing van artikel 95, tweede alinea, in aanmerking komen in de gevallen waarin de gelijksoortigheid vaa de specifieke soorten gedistilleerd twijfelachtig of betwist blijft.
Blijkens het voorgaande kan artikel 95 in zijn geheel genomen zijn werking doen gevoelen ten aanzien van alle betrokken produkten zonder onderscheid. Het volstaat derhalve te onderzoeken of de toepassing van een bepaalde nationale belastingregeling discriminerend of, in voorkomend geval, protectionistisch is, dat wil zeggen of er een verschil in het tarief of in de toepassingsmodaliteiten van de belasting bestaat en of dat verschil een bepaalde nationale produktie kan begunstigen. Het is in dit kader dat, voor elk van de door de Commissie ingestelde beroepen, de economische verhoudingen tussen de bestrokken produkten en de kenmerken van de litigieuze belastingregelingen moeten worden onderzocht.
In de verschillende procedures hebben partijen zich met betrekking tot het onderscheid tussen verscheidene groepen alcoholische produkten beroepen op enkele overwegingen van het Hof in het bovenaangehaalde arrest-Hansen & Balle, dat is gewezen toen de onderhavige beroepen reeds aanhangig waren. In het bijzonder is verwezen naar een passage in dat arrest, waar wordt gezegd „dat het bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht en zolang de betrokken bepalingen niet zijn eengemaakt of geharmoniseerd, het de Lid-Staten niet verboden is aan bepaalde soorten gedistilleerde dranken of bepaalde groepen producenten belastingvoordelen in de vorm van een ontheffing of vermindering van rechten toe te kennen” en „dat... belastingfaciliteiten als deze ter bereiking van wettige economische en sociale doelen kunnen worden aangewend, zoals het gebruik van bepaalde grondstoffen door de branderijen, het behoud van de produktie van typische gedistilleerde dranken van hoge kwaliteit of het in stand houden van bepaalde categorieën bedrijven, zoals de branderijen in de landbouwsector.”
Omdat enkele van de in rechte betrokken regeringen zich ter rechtvaardiging van hun belastingregeling op deze overwegingen beriepen, heeft het Hof de Commissie vragen gesteld over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van differentiële belastingtarieven voor verschillende groepen alcoholhoudende dranken, en over haar voornemens terzake bij de harmonisatie van de belastingwetgevingen. De Commissie bevestigde haar zienswijze omtrent de gelijksoortigheid van alle gedistilleerde dranken, alsmede haar voornemen om de invoering — althans in principe — van een eenvormig belastingtarief in de toekomstige gemeenschapsverordeningen te verdedigen, en vestigde vervolgens de aandacht op het feit dat de problemen in verband met het gebruik van bepaalde grondstoffen, het behoud van produkties van hoge kwaliteit en de economische structuur van de produktiebedrijven — welke problemen het Plof in het aangehaalde arrest heeft vermeld —, met inachtneming van het verschil in kosten van de gebruikte grondstoffen kunnen worden opgelost door middel van steun bij de produktie of compensatieregelingen tussen producenten. Zij wees erop dat deze doelstelling voor de gedistilleerde dranken uit wijn reeds is verwezenlijkt in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt. Volgens de Commissie zouden dergelijke voorzieningen de afzetkansen van bepaalde, door hun produktiekosten benadeelde produkten kunnen waarborgen, zonder dat het nodig is daartoe gebruik te maken van differentiële belastingtarieven.
Met betrekking tot deze standpunten merkt het Hof op, dat het weliswaar in het arrest-Hansen & Balle, gelet op de huidige stand van het gemeenschapsrecht, de wettigheid van ontheffing of vermindering van belasting in bepaalde gevallen heeft erkend, doch zulks onder voorwaarde dat de Lid-Staten die van deze mogelijkheid gebruik maken, dergelijke faciliteiten zonder onderscheid ook uitbreiden tot de geïmporteerde produkten die in dezelfde omstandigheden verkeren. Met nadruk wordt erop gewezen, dat de wettigheid van deze praktijken met name is erkend om het behoud mogelijk te maken van produkties of ondernemingen die, zonder deze bijzondere fiscale faciliteiten, vanwege de stijging van de produktiekosten niet meer rendabel zouden zijn. Daarentegen mogen de in het aangehaalde arrest vervatte overwegingen niet worden opgevat als een legitimatie van fiscale differentiaties met een discriminerend of protectionistisch karakter.
Onderwerp en kader van het onderhavige geding
De bewoordingen waarin de Commissie haar beroep tegen de Franse Republiek heeft ingekleed, vragen om enkele inleidende opmerkingen omtrent het onderwerp van het geschil. Terwijl de Commissie volgens de conclusies van haar verzoekschrift het Hof vraagt, vast te stellen dat de Franse Republiek, „door bij de belasting op gedistilleerd differentiële tarieven toe te passen”, haar verplichtingen uit artikel 95 EEG-Verdrag niet is nagekomen, blijkt uit de inhoud van het verzoekschrift zelf en het latere verloop van de zaak, dat het beroep in feite slechts enkele onderdelen van de Franse wetgeving terzake betreft, namelijk de differentiële belasting op jenever en andere door distillatie van graan verkregen alcoholhoudende dranken enerzijds en op gedistilleerde dranken uit wijn en vruchtenbrandewijnen anderzijds. Concreter gezegd, de Commissie spreekt vooral over het verschil in belasting op twee typische en welbekende produkten : whisky en cognac.
De Franse regering heeft zich tegen deze wijze van probleemstelling verzet, omdat de door de Commissie gehanteerde belastingcategorieën noch met de terminologie van de Franse wetgeving, noch met de Franse fiscale praktijk zouden overeenstemmen.
Deze preliminaire tegenwerping van de Franse regering is gerechtvaardigd. Het lijkt derhalve dienstig, de inhoud van de door de Commissie in geding gebrachte artikelen — namelijk de artikelen 403 en 406 van de „Code general des impôts” — in herinnering te roepen teneinde het onderwerp van het geschil te omschrijven in termen die overeenkomen met de redactie van de Franse wetgeving. Omdat deze wetgeving als uitvloeisel van de achtereenvolgende begrotingswetten jaarlijks wijziging ondergaat, wordt zij hierna geciteerd in de redactie, geldend op de dag van de terechtzitting van het Hof.
Volgens artikel 403 van de Code général des impôts worden alle gedistilleerde dranken belast met een accijns („droit de consommation”), waarvan het tarief wordt bepaald per hectoliter zuivere alcohol. In hetzelfde artikel worden de tarieven vastgesteld, in de eerste plaats voor enkele met name genoemde produkten (op geen waarvan de onderhavige procedure betrekking heeft) en vervolgens voor „alle andere produkten”. Het voor deze algemene categorie vastgestelde tarief bedraagt FF 4270/hl.
Ingevolge artikel 406 van de Code wordt op sommige alcoholhoudende dranken bovendien een produktiebelasting („droit de fabrication”) geheven, waarvan het tarief per hectoliter zuivere alcohol is vastgesteld op de volgende bedragen:
—FF 2110 „voor alcoholhoudende dranken verkregen door distillatie van graan, en het onder dezelfde-benaming als deze dranken verkochte gedistilleerd, met uitzondering van jenever”, en
—FF 710 „voor alle andere dranken op basis van alcohol, die als aperitief kunnen worden gedronken, alsmede voor aperitieven op basis van wijn, voor vermout, likeurwijnen en daarmee gelijkgestelde dranken zonder gecontroleerde benaming van oorsprong, en natuurlijke zoete wijnen die aan de belastingregeling voor gedistilleerd en jenever zijn onderworpen.”
Blijkens het voorgaande geldt voor alle gedistilleerde dranken, inclusief gedistilleerd uit wijn en vruchtenbrandewijn, gelijkelijk dezelfde accijns, maar wordt op jenever en andere gedistilleerde dranken uit graan daarenboven de produktiebelasting geheven.
Het beroep van de Commissie blijkt dus slechts betrekking te hebben op drie soorten produkten die dan wel belangrijk en representatief mogen zijn, doch waarmee de gehele reeks van onder de Code des impôts vallende alcoholhoudende produkten bij lange niet is uitgeput. In het bijzonder heeft het beroep geen betrekking op de „anijslikeuren” die fiscaal gelijk zijn gesteld met de alcoholhoudende dranken verkregen door distillatie van graan, noch op de categorie „aperitieven”, waarvoor dezelfde regeling geldt als voor jenever.
Ofschoon het wellicht beter ware geweest de belastingregeling voor alcoholhoudende dranken in Frankrijk in haar geheel te onderzoeken, met name om het probleem van de gelijksoortigheid van de verschillende produkten in zijn algemeenheid te kunnen beoordelen, kan niet worden betwist dat de Commissie een objectieve voorstelling heeft gegeven van de elementen van het geschil voor wat betreft de fiscale behandeling van de door haar geselecteerde groepen produkten, namelijk gedistilleerde dranken uit graan, jenever en gedistilleerde dranken uit wijn en vruchtenbrandewijnen.
Er blijkt uit, dat alle alcoholhoudende dranken waarop de Commissie het oog heeft, gelijkelijk met een zelfde accijns worden belast, maar dat op jenever en de andere door distillatie van graan verkregen alcoholhoudende dranken bovendien een produktiebelasting wordt geheven die niet van toepassing is op de gedistilleerde dranken uit wijn en op vruchtenbrandewijnen. Tussen partijen is eveneens onbestreden dat er in Frankrijk geen produktie van enig belang van jenever en ander gedistilleerd uit graan bestaat. Het is deze omstandigheid die de Commissie tot het oordeel brengt dat de belastingregeling in strijd is met de bepalingen van artikel 95, aangezien sommige in Frankrijk geproduceerde gedistilleerde dranken er fiscaal door worden begunstigd, terwijl op uit andere Lid-Staten geïmporteerde gelijksoortige of concurrerende produkten een extra belasting wordt geheven.
Bij de verdediging van de gewraakte fiscale regeling voert de Franse regering haar betoog langs twee lijnen :
—vooreerst bestrijdt zij dat de in het beroep bedoelde produkten gelijksoortig zijn in de zin van artikel 95, eerste alinea;
—daarnaast bestrijdt zij dat er tussen deze produkten een voldoende gekarakteriseerde concurrentieverhouding bestaat die de toepassing van artikel 95, tweede alinea, zou kunnen rechtvaardigen.
Volgens de Franse regering zouden dus de door de Franse wetgeving en fiscale praktijk ingevoerde indelingen uit het oogpunt van het Verdrag gerechtvaardigd zijn en zou op grond van de uit artikel 95 voortvloeiende vereisten niets zijn in te brengen tegen de vaststelling van differentiële belastingtarieven voor de verschillende groepen.
De toepassing van de gewraakte belastingregeling
Overeenkomstig het hiervóór weergegeven standpunt meent de Commissie dat alle gedistilleerde dranken in geding „gelijksoortige” produkten zijn in de zin van artikel 95, eerste alinea. De krachtens de Franse fiscale wetgeving toegepaste belastingmodaliteiten zouden dus onverenigbaar zijn met de nondiscriminatieregel van artikel 95, eerste alinea. De Commissie meent steun te vinden voor haar opvatting in de douane-indeling van de betrokken produkten, die als „gedistilleerde dranken, likeuren en andere alcoholhoudende dranken” alle zijn ingedeeld onder post 22.09 C van het gemeenschappelijk douanetarief en die in de desbetreffende toelichting bij de IDR-nomenclatuur onder een gemeenschappelijke definitie vallen. Deze definitie immers omschrijft „gedistilleerde dranken” als produkten welke zijn verkegen „door distillatie van spontaan gegiste natuurlijke vloeistoffen zoals wijn en appeldrank of van gegiste vruchten, moeren, granen en andere dergelijke plantaardige produkten.” Bovendien herinnert de Commissie aan de termen waarin het Hof van Justitie in zijn hiervoor aangehaald arrest-Rewe het begrip gelijksoortigheid heeft gedefinieerd.
Voor wat artikel 95, tweede alinea, betreft, merkt de Commissie op dat dooide structuur van de Franse belastingregeling de gedistilleerde dranken uit graan worden benadeeld; zij worden nagenoeg uitsluitend uit andere Lid-Staten geïmporteerd, terwijl de nationale produktie van deze produkten te verwaarlozen is. De voornaamste nationale produkten, namelijk gedistilleerde dranken uit wijn en vruchtenbrandewijnen, worden daarentegen bevoordeeld doordat daarover geen produktiebelasting verschuldigd is. Hieruit zou blijken dat deze belastingregeling, zelfs indien er geen sprake zou zijn van gelijksoortigheid tussen de gedistilleerde dranken uit wijn en vruchtenbrandewijnen enerzijds en de gedistilleerde dranken uit graan anderzijds, de nationale produktie zijdelings een concurrentievoordeel verzekert.
Daartegenover betoogt de Franse, regering dat bij gebreke van een definitie van het begrip gelijksoortigheid in het Verdrag en in afwachting van gemeenschappelijke harmonisatievoorschriften de nationale autoriteiten bevoegd zijn een fiscale indeling vast te stellen, onverminderd uiteraard hun gehoudenheid de uit artikel 95 voortvloeiende verplichtingen na te komen. Zij acht de gevolgen van de in de Franse fiscale wetgeving vastgestelde indeling met deze vereisten verenigbaar.
Met betrekking tot de aanwijzingen die aan het gemeenschappelijk douanetarief kunnen worden ontleend, wijst de Franse regering op het feit dat tariefpost 22.09 C zelf ook weer is onderverdeeld en dat produkten als gin of whisky anders worden behandeld dan de „andere” gedistilleerde dranken, waaronder gedistilleerde dranken uit wijn en vruchtenbrandewijnen. De indeling van het gemeenschappelijk douanetarief zou dus veeleer steun geven aan de opvatting dat niet alle gedistilleerde dranken gelijksoortige produkten zijn.
Met betrekking tot de criteria die voor de indeling van de produkten kunnen dienen, is de Franse regering van mening dat het de „flavour” van het distillaat is — dat wil zeggen een samenstel van organoleptische kenmerken, bestaande uit de combinatie van smaak, aroma en geur — die uit het oogpunt van de behoeftenbevrediging van de consument ten grondslag ligt aan de indeling van produkten die noch gelijksoortig, noch ook substitueerbaar of concurrerend zijn in de zin van artikel 95. De juistheid van dat criterium zou uitdrukkelijk zijn erkend in het arrest van 29 mei 1974 (zaak 185/73, König, Jurispr. 1974, blz. 607), waarin het Fïof bij de afbakening van onderverdeling 22.09 A (ethylalcohol) van het gemeenschappelijk douanetarief ten opzichte van onderverdeling 22.09 C V (andere alcoholhoudende dranken) is uitgegaan van de aanwezigheid van „aromatische bestanddelen of kenmerkende smaakeigenschappen” in alcoholhoudende dranken.
Meer in het bijzonder betoogt de Franse regering dat de Franse fiscale wetgeving is gebaseerd op het onderscheid tussen enerzijds „digestieven”, dat wil zeggen dranken die na de maaltijd worden gedronken en waartoe met name de gedistilleerde dranken uit wijn en vruchtenbrandewijnen zoals cognac, armagnac en calvados behoren, en anderzijds „aperitieven” die vóór de maaltijd worden gedronken en waartoe vooral de gedistilleerde dranken uit graan behoren, die meestal met water worden aangelengd, zoals whisky, gin en anijslikeuren. Met betrekking tot deze laatste groep dranken wijst de Franse regering erop, dat zij, ofschoon typisch Frans, toch op dezelfde voet als gedistilleerde dranken uit graan zijn onderworpen aan de produktiebelasting, zodat er in zoverre geen sprake zou zijn van ongelijke behandeling. In hetzelfde verband wijst de Franse regering nog op het identificatiecriterium dat, ook in fiscaal opzicht, door de benamingen van oorsprong wordt gevormd; hiermee zou de Commissie bij de inkleding van haar beroep in het geheel geen rekening hebben gehouden.
Wat de toepassing van artikel 95, tweede alinea, betreft, stelt de Franse regering dat er geen enkele concurrentieverhouding bestaat tussen de produkten die tot de verschillende, door de Franse fiscale wetgeving ingestelde belastingcategorieën behoren; een verschil in belasting zou dan ook geen verschuiving van de consumptie van de ene groep naar de andere ten gevolge hebben. Een echte concurrentieverhouding zou alleen bestaan tussen whisky en de aperitieven met anijssmaak, die juist wel in dezelfde belastingcategorie vallen. De door de Commissie bestreden regeling zou overigens geen enkele beschermende werking hebben; volgens de Franse regering blijkt zulks uit de statistiek van het verbruik van cognac en whisky in Frankrijk, waaruit valt af te leiden dat terwijl het verbruik van cognac tussen 1963 en 1977 slechts weinig is gestegen (van 33361 hl tot 44745 hl), het verbruik van whisky gedurende dezelfde periode op spectaculaire wijze is toegenomen (van 34104 hl tot 117379 hl).
De door partijen aan de tekst van postonderverdeling 22.09 C ontleende argumenten kunnen in casu geen concludente aanwijzing geven. Weliswaar vat deze onderverdeling alle gedistilleerde dranken samen in één algemene categorie, aangeduid als „gedistilleerde dranken, likeuren en andere alcoholhoudende dranken”, maar zij is zelf ook weer onderverdeeld (rum, gin, whisky, wodka) en eindigt met een restgroep die de „andere” alcoholhoudende dranken omvat. Deze voor de buitenlandse handel van de Gemeenschap bedoelde onderverdeling kan echter geen passende indeling vormen voor de toepassing van artikel 95 EEG-Verdrag in het onderhavige geval, te meer waar de Franse Code général des impôts op een geheel ander indelingssysteem berust dan het gemeenschappelijk douanetarief. Tenslotte kan evenmin een argument worden ontleend aan 's Hofs arrest in de zaak-König, aangezien daar de in onderverdeling 22.09 C opgenomen gedistilleerde dranken als groep moesten worden afgebakend tegenover de tot onderverdeling 22.09 A behorende niet-gedenatureerde ethylalcohol. Dat arrest levert dus geen enkele aanwijzing voor de draagwijdte van eventuele onderverdelingen binnen de groep gedistilleerde dranken.
De door de Franse regering voorgestane onderscheiding in aperitieven en digestieven kan evenmin als ter zake dienend worden aanvaard. Ook artikel 406 van de Code général des impôts deelt de door distillatie van graan verkregen dranken niet als „aperitieven” in; de beide soorten drank worden er slechts naast elkaar genoemd in de groep produkten waarvoor een zelfde produktiebelasting geldt. In feite houdt de onderscheiding in aperitieven en digestieven geen rekening met de verschillende omstandigheden waarin de betrokken produkten kunnen worden gedronken: vóór, tijdens of na de maaltijd, of ook zonder enig verband daarmee; bovendien blijkt dezelfde drank, afhankelijk van de voorkeur van de consument, zonder onderscheid als aperitief dan wel als digestiei te kunnen worden gedronken. Ten behoeve van de toepassing van artikel 95 EEG-Verdrag kan dus aan de onderscheiding waarop de Franse fiscale praktijk berust, geen objectieve waarde worden toegekend.
Hetzelfde geldt voor het onderscheidingscriterium verband houdend met de smaak van de verschillende gedistilleerde dranken, ter bepaling van de eigenschappen van de onderhavige produkten voor de toepassing van de fiscale wetgeving. Hiermee wil niet zijn gezegd dat er geen echte smaakverschillen zouden bestaan tussen de verschillende alcoholhoudende produkten, maar wel dat dit criterium naar tijd en plaats te veel varieert om op zichzelf een voldoende betrouwbare onderscheidingsgrondslag op te leveren voor de omschrijving van fiscale categorieën die in de gehele Gemeenschap kunnen worden erkend. Hetzelfde geldt voor de drinkgewoonten, die eveneens per streek en zelfs per sociaal milieu verschillen, zodat zij geen onderscheidingscriteria opleveren die aan de doeleinden van artikel 95 beantwoorden.
Indelingen die op de smaak van de produkten en op de drinkgewoonten zijn gebaseerd, zijn des te moeilijker vast te stellen, omdat het hier gaat om produkten als whisky en jenever die op de meest verschillende manieren kunnen worden gedronken: puur, aangelengd of gemixt. Juist door deze flexibiliteit in het gebruik kunnen deze dranken worden geacht gelijksoortig te zijn met een bijzonder groot aantal andere alcoholhoudende dranken of met deze althans gedeeltelijk in een concurrentieverhouding te staan.
Na overweging van al deze factoren meent het Hof zich ter oplossing van het onderhavige geschil niet te moeten uitspreken over de vraag of de betrokken gedistilleerde dranken al dan niet, gedeeltelijk of geheel, gelijksoortige produkten zijn in de zin van artikel 95, eerste alinea, wanneer in redelijkheid niet kan worden betwist dat zij althans gedeeltelijk concurreren met de nationale produkten waarop het beroep betrekking heeft, en niet kan worden ontkend dat de Franse belastingregeling een beschermend karakter heeft in de zin van artikel 95, tweede alinea.
Zoals immers hiervóór is opgemerkt, hebben de gedistilleerde dranken uit graan, met inbegrip van jenever, als distillatieprodukten voldoende eigenschappen gemeen met de andere gedistilleerde dranken om de verbruiker althans in sommige omstandigheden een alternatief te bieden. Wegens hun eigenschappen kunnen gedistilleerde dranken uit graan alsmede jenever in de meest uiteenlopende omstandigheden worden gedronken en tegelijkertijd concurreren met de dranken die in de Franse belastingpraktijk als „aperitieven” en „digestieven” worden aangemerkt, terwijl zij daarenboven zijn te gebruiken in omstandigheden waarvoor de twee genoemde groepen zich niet lenen.
Bij deze concurrentie- en substitutieverhouding tussen de betrokken dranken treedt het protectionistische karakter van de door de Commissie gewraakte belastingregeling duidelijk aan de dag. Deze regeling onderscheidt zich immers hierdoor, dat een wezenlijk deel van de nationale produktie, te weten de gedistilleerde dranken uit wijn en vruchtenbrandewijnen, in de gunstigste belastingcategorie zijn ingedeeld, terwijl op tenminste twee soorten produkten die nagenoeg geheel uit andere Lid-Staten worden geïmporteerd, een zwaardere belasting — produktiebelasting genaamd — drukt. De omstandigheid dat een ander nationaal produkt — anijslikeur — op dezelfde wijze wordt benadeeld, ontneemt de regeling niet haar beschermend karakter voor wat de fiscale behandeling van de gedistilleerde dranken uit wijn en de vruchtenbrandewijnen betreft, en doet niet af aan het feit dat deze dranken tenminste gedeeltelijk in concurrentie staan met de geïmporteerde produkten in geding. De omstandigheid dat het marktaandeel van whisky ondanks de fiscale benadeling kon groeien, bewijst niet dat de beschermende werking ontbreekt.
Concluderend moet mitsdien worden vastgesteld dat, voor wat de belasting op jenever en andere door distillatie van graan verkregen dranken enerzijds en op gedistilleerde dranken uit wijn en vruchtenbrandewijnen anderzijds betreft, de in de Franse Republiek krachtens de bepalingen van de Code général des impôts toegepaste belastingregeling onverenigbaar is met de vereisten van artikel 95 EEG-Verdrag.
Kosten
Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering
moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verweerster in het ongelijk is gesteld, dient zij in kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1. Door krachtens de artikelen 403 en 406 van de Code général des impôts bij de accijns op gedistilleerd een differentieel tarief toe te passen op enerzijds jenever en andere door distillatie uit graan verkregen alcoholische dranken, en anderzijds op gedistilleerde dranken uit wijn en vruchtenbrandewijnen, is de Franse Republiek met betrekking tot de uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten de ingevolge artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2. De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
3Rechtspraak
7Europese Unie
7Hof van JustitieC-230/8918.04.1991
EEG-Verdrag art. 95 en art. 169
Hof van Justitie252/8603.03.1988
Zesde richtlijn 77/388 art. 33, EEG-Verdrag art. 95
Hof van Justitie356/8509.07.1987