---
title: "HvJ EU, 166/82, arrest van 7 februari 1984 · EEG-Verdrag art. 169 en art. 171"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 februari 1984, 166/82: EEG-Verdrag art. 169 en art. 171."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-166-82-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-166-82-arret"
---

# Arrest van het Hof van 7 februari 1984, 166/82 · EEG-Verdrag art. 169 en art. 171

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

166/82

**ECLI**

ECLI:EU:C:1984:43

**Datum**

7 februari 1984

## De zaak

**Procedure**

Beroep wegens niet-nakoming

**Zaak ingediend op**

4 juni 1982

**Advocaat-generaal**

Reischl

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Italiaans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1984, blz. 459

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Due

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [De gemeenschappelijke marktordeningen per product](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04) [Zuivelproducten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.07) [Intracommunautaire markt](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.07.01) Prijsregeling
  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Beroep wegens niet-nakoming](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.01) 152 beslissingen

## Tekst

58 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de conclusies, middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het procesverloop

1.

De Italiaanse wet nr. 306 van 8 juli 1975 (GURI nr. 194 van 23. 7. 1975, biz. 5012) bevat maatregelen ten gunste van de producentenverenigingen in de sector veeteelt alsmede regels voor de vaststelling van de producentenprijs van melk.

Deze prijs wordt voor elk verkoopjaar en voor iedere regio vastgesteld door middel van akkoorden tussen de betrokken bedrijfstakken (producenten, verwerkende bedrijven en melkcentrales) volgens de in de artikelen 8 en 9 van de wet neergelegde criteria. Wanneer de partijen dit niet eigener beweging hebben gedaan en een hunner daarom verzoekt, moet de regio ze krachtens artikel 10 bijeenroepen om over de vaststelling van de prijs te onderhandelen. Volgens ditzelfde artikel wordt de overeengekomen prijs bekendgemaakt in het Bollettino ufficiale della regione (BUR) en is hij „bindend voor de partijen bij de overeenkomst”.

Bij gebreke van een akkoord wordt de prijs vastgesteld door een bijzondere commissie, benoemd door de president van de Giunta regionale en bestaande uit vertegenwoordigers van de betrokken bedrijfstakken. Deze prijs wordt bekendgemaakt in het BUR en wordt daardoor bindend voor de partijen (artikel 11).

Artikel 12 van de wet bevat een overgangsbepaling die vorenbedoelde regels naar gelang van de situatie aanpast, ingeval de producentenverenigingen nog niet zouden functioneren.

2. Van mening dat een eenzijdig ingrijpen van een Lid-Staat in de totstandkoming van de producentenprijs van melk in strijd was met de bepalingen van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (verordening nr. 804/68 van de Raad van 27. 6. 1968, PB L 148 van 1968, blz. 13), nodigde de Commissie krachtens artikel 169 EEG-Verdrag de Italiaanse regering uit om binnen twee maanden haar opmerkingen te maken.

3. Bij brief van 4 november 1977 antwoordde de Italiaanse regering, dat het bij wet nr. 306 ingevoerde stelsel niet betekent dat de producentenprijs van melk van overheidswege wordt vastgesteld. De wet heeft tot doel de stabiliteit van de markt te bevorderen door het begunstigen van de oprichting van producentenverenigingen en het sluiten van onderlinge akkoorden.

4. Inmiddels werd de vraag, of een regeling voor de totstandkoming van de producentenprijs van melk als bedoeld in wet nr. 306, veţenigbaar is met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, aan het Hof voorgelegd door het Tribunale amministrativo regionale per il Veneto in een procedure krachtens artikel 177 EEG-Verdrag. In het arrest van 6 november 1979 (zaak 10/79, Toffoli, Jurispr. 1979, blz. 3301) heeft hét Hof geoordeeld, dat de directe of indirecte vaststelling door een Lid-Staat van de producentenprijs onverenigbaar is met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten.

5. Daarop bracht de Commissie op 26 mei 1981 het in artikel 169 EEG-Verdrag bedoelde met redenen omkleed advies uit, en verzocht zij de Italiaanse Republiek het binnen twee maanden op te volgen.

6. Bij telexbericht van 5 oktober 1981 deelde de Italiaanse regering de Commissie mee, dat zij bij het parlement een wetsontwerp zou indienen tot intrekking van artikel 11 van wet nr. 306 en vervanging van de artikelen 11 en 12.

7. Het wetsontwerp werd op 19 november 1981 aan de Commissie toegestuurd. Volgens dit ontwerp zou de bestaande regeling inzake de vaststelling van een verplichte producentenprijs van melk worden vervangen door een door de betrokken sectoriële organisaties overeen te komen referentieprijs; de bedrijven die zich daaraan hielden, zouden bij voorrang in aanmerking komen voor nationale of regionale steun of rentesubsidies. Die voorrang zou ook worden verleend aan de erkende producentenverenigingen die aan het akkoord tot vaststelling van de referentieprijs deelnemen.

8. Van mening dat de Italiaanse Republiek niet de nodige maatregelen had getroffen om aan de inbreuk een einde te maken, en dat het wetsontwerp zelfs tot een nieuwe en ernstiger eenzijdige interventie van de Lid-Staat in de totstandkoming van de producentenprijs van melk zou leiden, heeft de Commissie de Italiaanse regering op 9 maart 1982 wederom uitgenodigd om binnen een nieuwe termijn van één maand deze situatie te regulariseren.

9. Bij brief van 15 april 1982 antwoordde de Italiaanse regering de Commissie onder meer, dat de bewering in het met redenen omkleed advies van 26 mei 1981, als zou de inbreuk nog ernstiger worden, haars inziens niet gegrond is.

10. Daarop heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld, dat op 4 juni 1982 ter griffie van het Hof is ingeschreven.

11.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

Het Hof heeft de Commissie en de Italiaanse regering evenwel om opheldering verzocht over het juiste onderwerp van het beroep.

#### II — Conclusies van partijen

De Commissie concludeert dat het den Hove behage:

vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door het bij wet nr. 306/75 ingevoerde stelsel van vaste producentenprijzen van melk toe te passen, de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten.

De Italiaanse Republiek concludeert dat het den Hove behage:

de grief te verwerpen, dat zij geen passende maatregelen zou hebben getroffen om te waarborgen dat het stelsel van artikel 11 van wet nr. 306/75, in afwachting van de formele intrekking ervan, niet zal worden toegepast;

het verzoek van de Commissie, om het onderwerp van het geding uit te breiden tot de bij het Italiaanse parlement ingediende maatregelen die de in te trekken artikelen 11 en 12 van wet nr. 306/75 moeten vervangen, niet-ontvankelijk te verklaren.

#### III — Middelen en argumenten van partijen

1.

In haar verzoekschrift verwijst de *Commissie* naar het arrest-Toffoli (reeds aangehaald), waarin het Hof de regeling voor de vaststelling van de producentenprijs van melk van wet nr. 306/75 heeft getoetst aan de bepalingen van de gemeenschappelijke marktordening in die sector. De Commissie citeert rechtsoverweging 12 van dit arrest en beklemtoont inzonderheid de zinsnede dat „een nationale wettelijke regeling die, onverschillig op welke wijze, de vaststelling van een uniforme producentenprijs van melk — middels een akkoord of van overheidswege — op nationaal of regionaal niveau moet bevorderen of begunstigen, naar haar aard niet tot de aan de Lid-Staten voorbehouden bevoegdheden behoort en in strijd is met het in verordening nr. 804/68, met name artikel 3, neergelegde beginsel, dat de producentenrichtprijs voor melk wordt nagestreefd voor de melk die door de communautaire producenten tijdens het melkprijsjaar wordt verkocht, in die mate waarin de afzetmogelijkheden op de markt van de Gemeenschap en op de markten daarbuiten dit toelaten”.

De Commissie wijst erop, dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof voor het ongedaan maken van een niet-nakoming niet voldoende is dat een wetsontwerp tot opheffing van een met het gemeenschapsrecht onverenigbare nationale bepaling bij het nationale parlement wordt ingediend. Vereist is immers dat daadwerkelijk een einde wordt gemaakt aan de onregelmatige situatie en dat de in de gemeenschapsbepalingen neergelegde verplichtingen volledig worden nagekomen. De Lid-Staten kunnen zich niet ten exceptieve op nationale bepalingen en praktijken beroepen ter rechtvaardiging van het niet of te laat nakomen van hun verplichtingen. De Italiaanse Republiek handhaaft echter de bepalingen van artikel 11 van wet nr. 306/75 en heeft geen passende maatregelen getroffen om te waarborgen dat dit artikel, in afwachting van de formele intrekking ervan, niet meer zal worden toegepast.

Tenslotte merkt de Commissie op, dat het bij het Italiaanse parlement ingediende wetsontwerp tot vervanging van het bestreden artikel 11 evenmin voldoet aan het terzake geldende gemeenschapsrecht.

2.

In haar verweerschrift betwist de *Italiaanse regering* niet, dat artikel 11 van de Italiaanse wet nr. 306/75 onverenigbaar is met de relevante bepalingen van het gemeenschapsrecht. Wat haar wordt verweten is echter, dat zij artikel 11 van wet nr. 306/75 handhaaft en geen passende maatregelen heeft getroffen om te garanderen dat dit artikel in afwachting van de formele intrekking ervan niet meer wordt toegepast. Door het indienen van het betrokken wetsontwerp bij het nationale parlement, waar het nog steeds in behandeling is, heeft de Italiaanse regering echter daadwerkelijk het met redenen omkleed advies van de Commissie willen opvolgen.

Bovendien werd artikel 11 in de praktijk slechts zeer zelden toegepast en heeft de minister van Land- en Bosbouw, na overleg met de regio's en de beroepsorganisaties, de regio's verzocht het tot hen gericht artikel 11 niet langer toe te passen. Weliswaar is dit artikel niet ingetrokken en is het formeel nog steeds van kracht, maar het is onjuist te stellen dat de Italiaanse regering niets heeft ondernomen om te garanderen dat dit artikel, in afwachting van de formele intrekking ervan, niet meer wordt toegepast.

Op een vraag van het Hof heeft de Italiaanse regering geantwoord, dat de centrale en regionale instanties overeenstemming hebben bereikt om artikel 11 niet meer toe te passen. Zij erkent dat deze overeenkomst wettelijk niet bindend is en dat de regionale instanties er niet aan zijn gehouden. Wat de toepassing van artikel 11 in het verleden betreft, heeft de Italiaanse regering het Hof een lijst overgelegd van de gevallen waarin deze bepaling werd toegepast.

De Italiaanse regering is van mening, dat de aan het nationale parlement voorgestelde maatregelen tot vervanging van de artikelen 11 en 12 van wet nr. 306/75 een einde zullen maken aan de inbreuk. Nationale maatregelen die nog niet zijn goedgekeurd en van kracht geworden, kunnen en moeten echter in de onderhavige zaak niet ter discussie staan.

3.

In repliek stelt de *Commissie,* dat ook blijkens het verweerschrift van de Italiaanse regering de litigieuze wettelijke bepalingen nog steeds van kracht zijn, daar het wetsontwerp tot formele intrekking ervan nog in behandeling is bij het Italiaanse parlement.

Bovendien meent de Commissie dat, anders dan de Italiaanse regering stelt, de maatregelen die volgens het voorstel in de plaats van de artikelen 11 en 12 zullen komen, geenszins buiten het kader van de onderhavige zaak vallen. Ook het optreden van een Lid-Staat in de loop van een niet-nakomingsprocedure als de onderhavige, inzonderheid wat de in het met redenen omkleed advies geformuleerde bezwaren betreft, maakt deel uit van de causa petendi van het krachtens artikel 169 EEG-Verdrag, tweede alinea, ingestelde beroep. Immers, in dat optreden komt, in de vorm van concludente handelingen, de rechtsopvatting van de betrokken Lid-Staat over het onderwerp van het geschil tot uitdrukking, ja zelfs zijn antwoord op de juridische argumenten die de Commissie in haar schriftelijke ingebrekestelling en in het met redenen omkleed advies heeft aangevoerd.

Waar artikel 171 EEG-Verdrag impliceert dat het te wijzen arrest elke twijfel moet opheffen die in casu ten aanzien van het recht is gerezen, zal het Hof er volgens de Commissie niet aan kunnen ontkomen om in te gaan op de rechtsvragen achter het optreden van de Lid-Staat tijdens de precontentieuze procedure.

In het wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 11 en 12 komt de opvatting tot uiting, dat een Lid-Staat eenzijdig kan ingrijpen om een akkoord over de producentenprijs van melk te bevorderen, en dat vaststelling, per regio, van een referentieprijs voor melk via een overeenkomst tussen de producentenorganisaties van de sector, waarvan de inachtneming de bedrijven bij voorrang recht geeft op nationale of regionale steun of rentesubsidies, verenigbaar is met de gemeenschappelijke marktordening.

Deze opvatting nu mist iedere grond. Het Hof zal dus ook uitspraak moeten doen over deze afwijkende uitlegging van het gemeenschapsrecht, die concrete en verregaande consequenties kan hebben voor de maatregelen die de Italiaanse Staat eventueel ter uitvoering van 's Hofs arrest zal moeten treffen.

4.

In dupliek stelt de *Italiaanse regering* met name, dat in casu moet worden uitgemaakt of de Italiaanse Republiek het gemeenschapsrecht blijft schenden nu zij feitelijk noch rechtens de regeling voor de vaststelling van de producentenprijs van melk van artikel 11 van wet nr. 306/75 heeft opgeheven. Dit is het onderwerp van het beroep en de Commissie kan dit niet zo wijzigen of uitbreiden, dat het ook het door de Italiaanse regering bij het parlement ingediende wetsontwerp tot vervanging van de betrokken artikelen 11 en 12 omvat. Een dergelijke wijziging of uitbreiding zou zelfs niet toelaatbaar zijn indien het wetsontwerp reeds was goedgekeurd. Tot staving van haar standpunt verwijst de Italiaanse regering naar 's Hofs arrest van 10 maart 1970 (zaak 7/69, Commissie t. Italië, Jurispr. 1970, blz. 111, r.o. 5).

Het is niet juist dat, zoals de Commissie beweert, het wetsontwerp de *opinio juris* van Italië als Lid-Staat weergeeft. Het is overigens duidelijk dat niet-nakomingsprocedures betrekking hebben op reeds gepleegde inbreuken en niet op de opvattingen van een Lid-Staat.

Tenslotte wijst de Italiaanse regering erop, dat de rechtsproblematiek die de in het betrokken wetsontwerp vervatte „maatregelen” aan de orde stellen, heel wat ruimer en volkomen anders is dan die welke geleid heeft tot de onderhavige niet-nakomingsprocedure, die betrekking heeft op artikel 11 van de Italiaanse wet nr. 306/75.

5. Op een vraag van het Hof heeft de *Commissie* geantwoord, dat het beroep niet enkel genoemd artikel 11 betreft. Zij herhaalde het eerder aangehaalde citaat uit het arrest-Toffoli en merkte op, „dat het verzoekschrift dus het oog heeft op alle bepalingen van wet nr. 306/75, met name de artikelen 10 en 11, die voorzien in een overheidsinterventie om de vaststelling — middels een akkoord of van overheidswege — van een uniforme producentenprijs van melk te bevorderen”.

#### IV — Mondelinge behandeling

De regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door haar gemachtigde I. M. Braguglia, en de Commissie, vertegenwoordigd door haar gemachtigde G. Campogrande, zijn ter terechtzitting van 4 oktober 1983 in hun pleidooien gehoord.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 8 november 1983 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 4 juni 1982, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door een aantal bepalingen van wet nr. 306 van 8 juli 1975 (GURI nr. 194 van 23. 7. 1975, blz. 5012), betreffende de totstandkoming van de producentenprijs van melk, vast te stellen en te handhaven, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens verordening nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB L 148 van 1968, blz. 13).

2. Krachtens de artikelen 8 en 9 van bedoelde Italiaanse wet wordt de producentenprijs van melk voor elk verkoopjaar en voor iedere regio vastgesteld door middel van akkoorden tussen de betrokken bedrijfstakken (producenten, verwerkende bedrijven en melkcentrales). Indien de onderhandelingen met het oog op een dergelijk akkoord niet tijdig zijn begonnen en één van de betrokken partijen daarom verzoekt, moet de regio krachtens artikel 10 de partijen bijeenroepen om over de vaststelling van de prijs te onderhandelen. Volgens hetzelfde artikel moet de overeengekomen prijs bekend worden gemaakt in het Bollettino ufficiale della regione en is hij „bindend voor de partijen bij de overeenkomst”. Komt geen akkoord tot stand op de wijze als voorzien in artikel 10, dan wordt de prijs krachtens artikel 11 vastgesteld door een bijzondere commissie, benoemd bij besluit van de president van de regio en bestaande uit vertegenwoordigers van de betrokken partijen. Het besluit van de commissie wordt bekendgemaakt in het Bollettino ufficiale della regione en wordt daardoor „bindend voor de partijen”.

3. Van mening dat dit stelsel voor de vaststelling en bekendmaking van de producentenprijs van melk in feite een dwingende nationale regeling was, die indruiste tegen de bepalingen van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, stelde de Commissie krachtens artikel 169 EEG-Verdrag de Italiaanse Republiek bij brief van 28 juli 1977 in gebreke.

4. De Italiaanse regering antwoordde bij brief van 4 november 1977, dat het stelsel van voornoemde wet bedoeld was om via collectieve onderhandelingen te komen tot onderlinge akkoorden tussen producenten en verwerkende bedrijven, en dat de bekendmaking in het Bollettino ufficiale della regione niet ten doel had de overeengekomen prijs een bindend karakter te geven.

5. In tussentijd heeft het Hof, in antwoord op een prejudiciële vraag, door het Tribunale amministrativo regionale per il Veneto gesteld in het kader van een geschil over de toepassing van artikel 11 van vorengenoemde wet, bij arrest van 6 november 1979 (zaak 10/79, Toffoli, Jurispr. 1979, blz. 3301) voor recht verklaard, dat de directe of indirecte vaststelling door een Lid-Staat van de producentenprijs van melk onverenigbaar is met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, tot stand gebracht bij voornoemde verordening nr. 804/68 van de Raad. Volgens rechtsoverweging 12 van dit arrest „kunnen de Lid-Staten op de onder een gemeenschappelijke marktordening vallende gebieden, en met name indien die ordening op een gemeenschappelijke prijsregeling berust, niet meer door middel van eenzijdig vastgestelde nationale bepalingen ingrijpen in het prijsvormingsmechanisme, wanneer de prijzen, in dezelfde produktie- of verhandelingsfase, door de gemeenschappelijke ordening worden geregeld. Een nationale wettelijke regeling die, onverschillig op welke wijze, de vaststelling van een uniforme producentenprijs van melk — middels een akkoord of van overheidswege — op nationaal of regionaal niveau moet bevorderen of begunstigen, behoort bijgevolg naar haar aard niet tot de aan de Lid-Staten voorbehouden bevoegdheden en is in strijd met het in verordening nr. 804/68, met name artikel 3, neergelegde beginsel, dat de producentenrichtprijs voor melk wordt nagestreefd voor de melk die door de communautaire producenten tijdens het melkprijsjaar wordt verkocht, in die mate waarin de afzetmogelijkheden op de marla van de Gemeenschap en op de markten daarbuiten dit toelaten”.

6. Vervolgens richtte de Commissie op 26 mei 1981 een met redenen omkleed advies als bedoeld in artikel 169 EEG-Verdrag tot de Italiaanse Republiek en verzocht deze het advies binnen twee maanden op te volgen. In dit advies verwees de Commissie naar vorengenoemd arrest, waaruit zij de hierboven overgenomen passage citeerde, en kwam zij tot de conclusie, dat de Italiaanse Republiek, door de bij wet nr. 306/75 ingevoerde regeling voor de vaststelling van de producentenprijs van melk toe te passen, de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nakwam.

7. Bij telexbericht van 5 oktober 1981 aan de Commissie zegde de Italiaanse regering toe, dat zij bij het Italiaanse parlement een ontwerp van wet houdende intrekking van artikel 11 van wet nr. 306/75 zou indienen. De tekst van dit ontwerp werd de Commissie toegezonden bij brief van 19 november daaropvolgende. Volgens de definitieve versie ervan zou de vaststelling van de prijs door de regionale commissie, zoals voorzien in artikel 11, worden vervangen door een stelsel van tussen de betrokken sectoriële organisaties overeen te komen referentieprijzen; bedrijven die zich aan deze prijzen hielden, zouden bij voorrang in aanmerking komen voor nationale of regionale steun- of rentesubsidies.

8. Van mening dat de nieuwe regeling, zoals neergelegd in het betrokken wetsontwerp, de in het met redenen omkleed advies geconstateerde inbreuk nog ernstiger maakte, drong de Commissie bij brief van 9 maart 1982 er bij de Italiaanse regering op aan, het wetsontwerp zo snel mogelijk te vervangen door een ander, strekkende tot opheffing van artikel 11, en dit laatste in tussentijd niet meer toe te passen. Tevens verzocht zij haar de nodige maatregelen te treffen teneinde bij de publikatie van de melkprijzen in de Bollettini regionali elke onduidelijkheid omtrent de privaatrechtelijke aard van de prijsvaststelling te vermijden.

9. De Italiaanse regering antwoordde de Commissie bij brief van 15 april 1982, waarin zij er onder meer op wees, dat het in het wetsontwerp voorziene stelsel geen dwingende bepalingen bevatte en volledig in overeenstemming was met het vrije spel van vraag en aanbod.

10. Na deze briefwisseling heeft de Commissie op 4 juni 1982 het onderhavige beroep ingesteld. In haar verzoekschrift citeert zij wederom de twaalfde rechtsoverweging van voornoemd arrest. Voorts vermeldt zij de over het wetsontwerp gevoerde briefwisseling en stelt zij, dat indiening van een wetsontwerp bij het parlement op zichzelf niet volstaat om de niet-nakoming ongedaan te maken, dat de Italiaanse regering geen enkele passende maatregel heeft getroffen om te garanderen dat artikel 11 van wet nr. 306/75 in afwachting van de formele afschaffing ervan niet zou worden toegepast, en dat de in het ontwerp voorgestelde wijziging de niet-nakoming niet ongedaan kan maken.

11. In haar verweerschrift vat de Italiaanse regering het betoog van de Commissie aldus op, dat de haar verweten niet-nakoming hierin bestaat, dat zij artikel 11 van wet nr. 306/75 heeft gehandhaafd en geen maatregelen heeft getroffen om te garanderen dat dit artikel, in afwachting van de formele opheffing ervan niet meer zou worden toegepast. Dienaangaande beklemtoont de Italiaanse regering, dat het artikel in de praktijk slechts zeer zelden is toegepast en dat de bevoegde minister, na overleg met de regio's en de beroepsorganisaties, de regio's heeft verzocht het artikel voortaan niet meer toe te passen. Voorts betoogt de Italiaanse regering, dat het onderhavige beroep geen betrekking kan hebben op het wetsontwerp en dat dit derhalve buiten de discussie dient te blijven.

12. In repliek heeft de Commissie geen commentaar gegeven op de wijze waarop de Italiaanse regering de haar verweten niet-nakoming omschrijft. Wel stelt zij dat het onderhavige beroep ook het bij het Italiaanse parlement ingediende wetsontwerp betreft. Haars inziens omvat de „causa petendi” van een beroep krachtens artikel 169, tweede alinea, ook dat wat een Lid-Staat tijdens de niet-nakomingsprocedure onderneemt ten aanzien van de materie waarop die procedure en de in het met redenen omkleed advies geformuleerde bezwaren betrekking hebben.

13. In dupliek heeft de Italiaanse regering erkend, dat de Italiaanse Republiek door het invoeren en formeel handhaven van het stelsel van artikel 11 van wet nr. 306/75 het gemeenschapsrecht heeft geschonden. Zij heeft het Hof echter verzocht, het beroep voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

14. In haar schriftelijk antwoord op een vraag van het Hof heeft de Commissie verduidelijkt dat, wat de huidige tekst van de betroliken wet betreft, het beroep gericht is tegen de artikelen 10 en 11. Ter terechtzitting heeft zij erop gewezen, dat de bepalingen van artikel 10 betreffende de oproeping van partijen en de bekendmaking van de overeengekomen prijs, naar haar mening interventies van de regionale autoriteiten mogelijk maken die zich niet verdragen met het gemeenschapsrecht. De Italiaanse regering blijft er evenwel bij, dat het beroep slechts artikel 11 kan betreffen.

15. Bijgevolg dient het Hof, alvorens de zaak ten gronde te onderzoeken, zich uit te spreken over de ontvankelijkheid van de verzoeken van de Commissie, teneinde het onderwerp van het beroep te bepalen.

#### De ontvankelijkheid

16. Dienaangaande zij erop gewezen dat, volgens vaste rechtspraak van het Hof, het onderwerp van een beroep krachtens artikel 169 wordt afgebakend door de in dit artikel bedoelde precontentieuze fase van de niet-nakomingsprocedure en door het petitum van het verzoekschrift, en dat het met redenen omkleed advies van de Commissie en het verzoekschrift op dezelfde overwegingen en middelen dienen te berusten.

17. Dit volstaat om het ontwerp van wet houdende vervanging van artikel 11 van wet nr. 306/75, buiten het debat te plaatsen. Dit wetsontwerp, dat aan de Commissie is meegedeeld nadat deze haar met redenen omkleed advies had uitgebracht, is in de precontentieuze procedure niet aan de orde geweest en kan derhalve in het kader van het onderhavige beroep niet door het Hof worden onderzocht.

18. Daarentegen kan de Italiaanse regering niet worden gevolgd, waar zij stelt dat het beroep enkel betrekking heeft op artikel 11 van wet nr. 306/75, met uitsluiting van alle andere bepalingen hiervan.

19. Volgens de schriftelijke ingebrekestelling betreft de aan de Italiaanse Republiek verweten niet-nakoming de „Italiaanse wettelijke bepalingen betreffende de vaststelling van de melkprijzen per regio”. In de conclusies van het met redenen omkleed advies en het verzoekschrift is sprake van de „bij wet nr. 306/75 ingevoerde regeling voor de vaststelling van de producentenprijzen van melk”, en in de aanhef van het verzoekschrift omschrijft de Commissie het onderwerp van het beroep als het vaststellen en handhaven van „een aantal bepalingen van wet nr. 306 van 8 juli 1975 betreffende de vaststelling van de producentenprijs van melk”. Ook al geven deze formuleringen niet met de gewenste mate van duidelijkheid aan, op welke bepalingen de procedure precies betrekking heeft, zij doen wel uitkomen dat het daarbij om méér gaat dan enkel om artikel 11.

20. Na de toezending van het wetsontwerp aan de Commissie hebben de discussies tussen partijen en de argumenten van de Commissie zich weliswaar toegespitst op artikel 11 en de wijziging die volgens het ontwerp daarin zou worden aangebracht, doch uit de verwijzing — niet enkel in het met redenen omkleed advies, maar ook in het verzoekschrift — naar 's Hofs arrest van 6 november 1979 en met name uit de aanhaling van rechtsoverwegingen uit dit arrest blijkt, dat het beroep niet alleen betrekking heeft op de prijsvaststelling van overheidswege overeenkomstig artikel 11, maar ook op de andere bepalingen van de betrokken wet, voor zover zij erop zijn gericht de vaststelling van een uniforme prijs middels een akkoord te bevorderen en te begunstigen.

21. Het feit dat de Commissie in repliek niet is ingegaan op wat de Italiaanse regering in haar verweerschrift had aangevoerd over het beperkte karakter van het beroep, levert onvoldoende grond voor de conclusie dat de Commissie inderdaad het onderwerp van het beroep dienovereenkomstig zou hebben beperkt.

22. In deze omstandigheden dient te worden aangenomen, dat het beroep, wat de vigerende Italiaanse wet betreft, betrekking heeft op artikel 11 alsook op artikel 10 voor zover dit de oproeping van de belanghebbende partijen dooide regio en de bekendmaking van de overeengekomen prijs in het Bollettino ufficiale della regione voorschrijft. Mitsdien zijn er termen aanwezig om de bezwaren van de Commissie tegen deze bepalingen te onderzoeken en het beroep voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

#### Ten gronde

23. In zijn voornoemd arrest van 6 november 1979 heeft het Hof voor recht verklaard, dat een nationale wettelijke regeling die, onverschillig op welke wijze, de vaststelling van een uniforme producentenprijs van melk — een akkoord of van overheidswege — op nationaal of regionaal niveau moet bevorderen of begunstigen, naar haar aard niet behoort tot de aan de Lid-Staten voorbehouden bevoegdheden en in strijd is met het in verordening nr. 804/68, met name artikel 3, neergelegde beginsel, dat de producentenrichtprijs voor melk wordt nagestreefd voor de melk die door de communautaire producenten wordt verkocht. De argumenten die de Italiaanse regering in de onderhavige procedure heeft aangevoerd, kunnen er niet toe leiden, dat deze uitlegging van de gemeenschapsbepalingen wordt gewijzigd.

24. Uit die uitlegging volgt, dat artikel 11 van wet nr. 306/75, dat voorziet in de vaststelling van een uniforme producentenprijs van melk door een commissie benoemd bij besluit van de president van de betrokken regio, in strijd is met het gemeenschapsrecht. Voorts is — zoals de Italiaanse regering overigens heeft erkend — noch het feit dat dit artikel in de praktijk zeer zelden is toegepast, noch het bestaan van overeenstemming tussen de centrale en de regionale instanties om het verder buiten toepassing te laten, voldoende om deze inbreuk ongedaan te maken.

25. Om dezelfde redenen staat het gemeenschapsrecht in de weg aan elke wettelijke regeling die voorziet in de tussenkomst van een nationale of regionale overheidsinstantie om de totstandkoming van een uniforme producentenprijs van melk te bevorderen of te begunstigen. Dit is echter juist wat artikel 10 doet, volgens hetwelk de partijen door de regio worden bijeenroepen en de overeengekomen prijs in het Bollettino ufficiale della regione moet worden bekendgemaakt.

26. Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek, door wet nr. 306 van 8 juni 1975 in te voeren en te handhaven, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens verordening nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, voor zover artikel 10 van genoemde wet bepaalt, dat de regio de belanghebbende partijen bijeenroept om over de vaststelling van de producentenprijs van melk te onderhandelen, en dat de overeengekomen prijs in het Bollettino ufficiale della regione wordt bekendgemaakt, en voor zover artikel 11 bepaalt dat, bij gebreke van overeenstemming, de prijs wordt vastgesteld door een door de president van de regio benoemde commissie.

#### Kosten

27. Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Volgens paragraaf 3, eerste alinea, van hetzelfde artikel evenwel kan het Hof de proceskosten geheel of gedeeltelijk compenseren indien partijen onderscheidenlijk op één of meer punten in het ongelijk zijn gesteld.

28. Aangezien beide partijen op een aantal punten in het ongelijk zijn gesteld, zijn er termen aanwezig om de kosten te compenseren.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende, verklaart:

1\. Door wet nr. 306 van 8 juli 1975 in te voeren en te handhaven, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens verordening nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, voor zover artikel 10 van voornoemde wet bepaalt, dat de regio de belanghebbende partijen bijeenroept voor onderhandelingen over de vaststelling van de producentenprijs van melk en de overeengekomen prijs in het Bollettino ufficiale della regione wordt bekendgemaakt, en voor zover artikel 11 bepaalt dat, bij gebreke van overeenstemming, de prijs wordt vastgesteld dooreen door de president van de regio benoemde commissie.

2\. Het beroep is voor het overige niet-ontvankelijk.

3\. Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

3

EEG-Verdrag art. 169 6 voorkomens

EEG-Verdrag art. 171 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 177 1 voorkomen

## Rechtspraak

4

### Europese Unie

4

Hof van Justitie C-234/91 01.12.1993

#### [Wet inzake arbeidsmarktbijdrage](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-234-91-arrest)

Hof van Justitie 257/86 21.06.1988

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 14, EEG-Verdrag art. 95](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-257-86-arrest)

Conclusie van advocaat-generaal Mischo 200/85 01.10.1986

#### [EEG-Verdrag art. 95 en art. 169](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-200-85-conclusie)
