---
title: "HvJ EU, 162/82, arrest van 23 maart 1983 · Verordening 802/68 art. 5, EEG-Verdrag art. 30"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 1983, 162/82: verordening 802/68 art. 5, EEG-Verdrag art. 30."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-162-82-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-162-82-arret"
---

# Arrest van het Hof van 23 maart 1983, 162/82 · Verordening 802/68 art. 5, EEG-Verdrag art. 30

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Vijfde kamer

**Zaak**

162/82

**ECLI**

ECLI:EU:C:1983:93

**Datum**

23 maart 1983

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Tribunal de police de Strasbourg (Frankrijk) beslissing van 15 maart 1982 1 E 790 791 792 793 794 795/81

**Zaak ingediend op**

28 mei 1982

**Advocaat-generaal**

Sir Gordon Slynn

**Opmerkingen**

Italiaanse regering Commissie

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Frans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1983, blz. 1101

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Everling

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Vrij verkeer van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02%2C578-4.02) [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04) [Oorsprong van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04.04) 6 beslissingen

## Tekst

72 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het procesverloop

1.

De artikelen 84 en 95 van de Franse Code des douanes bepalen dat voor alle in Frankrijk in te voeren goederen een gedetailleerde aangifte moet worden opgemaakt, die alle nodige gegevens bevat voor de toepassing van de douanevoorschriften en de opstelling van de invoerstatistieken. In de aangifte moet onder meer de oorsprong van de goederen worden vermeld.

Het niet in acht nemen van deze bepalingen vormt een douaneovertreding, die met een geldboete kan worden bestraft.

Verordening nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip „oorsprong van goederen” (PB L 148 van 1968, blz. 1), bepaalt in artikel 5:

> „Goederen bij de vervaardiging waarvan twee of meer landen betrokken zijn geweest zijn van oorsprong uit het land waar de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden in een daartoe ingericht bedrijf en welke verwerking of bewerking hetzij heeft geleid tot de fabricage van een nieuw produkt, hetzij een belangrijke fabricagefase uitmaakt.”

Verordening nr. 749/78 van de Commissie van 10 april 1978 betreffende de bepaling van de oorsprong van de textielprodukten van de hoofdstukken 51 en 53 tot en met 62 van het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 101 van 1978, blz. 7), vastgesteld krachtens voornoemde verordening, bepaalt in artikel 1 :

> „De textielprodukten van de hoofdstukken 51 en 53 tot en met 62 van het gemeenschappelijk douanetarief worden beschouwd als produkten van oorsprong uit een land of de Gemeenschap indien deze produkten aldaar een volledige bewerking of verwerking in de zin van artikel 2 hebben ondergaan.”

Artikel 2 luidt:

> „Als volledig worden beschouwd bewerkingen of verwerkingen :
>
> a) die tot resultaat hebben dat de verkregen produkten onder een andere tariefpost komen te vallen dan die waartoe elk van de gebruikte produkten behoort, met uitzondering evenwel van de bewerkingen of verwerkingen die zijn opgenomen in lijst A en waarop de bijzondere bepalingen van de lijst van toepassing zijn;
>
> b) die zijn opgenomen in lijst B.”

Garens van katoen, niet gereed voor de verkoop in het klein, van tariefpost 55.05 zijn vermeld in lijst A, bedoeld in artikel 2, sub a; in deze lijst wordt bij de „bewerkingen of verwerkingen die het karakter van ‚produkt van oorsprong’ verlenen” genoemd: „vervaardiging uit produkten van post 55.01 of post 55.03”. Katoenen garens komen niet voor in lijst B.

In de derde alinea van artikel 2 van verordening nr. 749/78 worden voorts een aantal bewerkingen of verwerkingen opgesomd die „steeds als ontoereikend worden beschouwd om het karakter van produkten van oorsprong te verlenen, ongeacht of er al dan niet verandering van tariefpost plaatsvindt.” Hiertoe behoren behandelingen om de bewaring in ongewijzigde staat van de produkten tijdens het vervoer en de opslag te verzekeren, eenvoudige handelingen zoals stofvrijmaken, zeven, sorteren of wassen en verandering van verpakkingen.

2.

Tussen 1978 en oktober 1980 kochten de vennootschappen Éts. Tricotage mécanique de Marmoutier en Allenbach, beide gevestigd in Frankrijk, katoenen garens niet gereed voor de verkoop in het klein (tariefpost 55.05 B II), van de vennootschap Wuppertaler Garnbleicherei und Färberei Eduard Goebel (hierna: WGF), te Wuppertal (Bondsrepubliek Duitsland), en haar vertegenwoordiger in Frankrijk, J. Deltour.

De aangifteformulieren voor deze importen werden overeenkomstig aanwijzingen van WGF opgesteld door douaneagenten, te weten de vennootschappen Woehl, Heppner en Seegmuller. Zij vermeldden als land van oorsprong de Bondsrepubliek Duitsland.

Tijdens een later onderzoek stelde de Franse douane vast, dat WGF een fabrikant van afgewerkte produkten — voornamelijk „fil d'écosse” — was, die onder meer in Egypte en de Verenigde Staten ongebleekte katoenen garens had gekocht welke vervolgens in de Bondsrepubliek Duitsland in het vrije verkeer waren gebracht. Op die garens had WGF de volgende bewerkingen toegepast;

—schroeien, voor zover dit niet reeds was gebeurd vóór de aankoop door WGF;

—merceriseren, dat wil zeggen de bewerking waarbij het katoen wordt afgekookt en tegelijkertijd gestrekt om het garen een zijdeglans te geven en beter bestand te maken tegen breuken;

—opwinden op verfklossen en verven, dit laatste in speciale machines waarmee een wasechtheid bij temperaturen van 90 o C tot het kookpunt wordt bereikt;

—heropwinden van het garen, voor onmiddellijk gebruik ter vervaardiging van kwaliteitsbreiwerk.

Van mening dat verordening nr. 749/78 niet toeliet, op grond van deze bewerkingen de Bondsrepubliek Duitsland als het land van oorsprong van de ingevoerde katoenen garens te beschouwen, omdat deze door die bewerkingen niet onder een andere tariefpost waren komen te vallen, stelde de Franse douane strafvervolging in ter zake van valse aangifte ten invoer tegen de verschillende vennootschappen en personen die voor de aangiften aansprakelijk werden geacht.

Deze vervolgingen waren er slechts enkele van een hele reeks, die voor verschillende Tribunaux de police waren ingesteld wegens onjuiste vermelding van oorsprong bij invoer van door WGF verkochte katoenen garens. In een van deze gevallen sprak het Tribunal de police te Troyes de verdachten vrij, omdat het van oordeel was dat de garens ten gevolge van de door WGF verrichte bewerkingen wezenlijke eigenschappen hadden verkregen die ze geschikt maakten voor een gebruik dat voordien niet mogelijk was, en dat artikel 2, derde alinea, van verordening nr. 749/78 ruimte liet voor een zodanige uitlegging, dat de door WGF verrichte bewerkingen, die ingrijpender waren dan die opgesomd in deze alinea, het karakter van produkt van oorsprong konden verlenen. In een ander geval veroordeelde het Tribunal de police te Tourcoing de betrokken douaneagent tot 106 geldboetes van elk FF 300 en WGF en haar directeur Hasenack tot 106 geldboetes van elk FF 200, terwijl het de Franse importeurs vrijsprak.

3.

Voor het Tribunal de police te Straatsburg stelde de douane, dat van alle betrokkenen mocht worden verwacht dat zij redelijke moeite zouden doen om de werkelijke oorsprong van de goederen te verifiëren, en dat in casu de prijsverschillen voor iedere importeur een waarschuwing moesten zijn dat de ingevoerde katoenen garens niet van oorsprong uit de Bondsrepubliek Duitsland konden zijn. Het vereiste van vermelding van de oorsprong, ook bij goederen die zich in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer bevinden, zou door het Hof van Justitie verenigbaar zijn verklaard met artikel 30 EEG-Verdrag (arresten van 15 december 1976, zaak 41/76, Donckerwolcke, Jurispr. 1976, blz. 1921, en 28 maart 1979, zaak 179/78, Rivoira, Jurispr. 1979, blz. 1147).

De douaneagenten betoogden, dat hun niet kon worden verweten dat zij de hun opgegeven vermeldingen van oorsprong niet hadden geverifieerd. WGF, W. Hasenack en Deltour voerden aan, dat waar vaststond dat de goederen vrij en zonder invoerrechten mochten worden ingevoerd, het vereiste van vermelding van het land van oorsprong voor louter statistische doeleinden een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking was, dat voorts de door WGF uitgevoerde produkten in de Bondsrepubliek Duitsland een ingrijpende bewerking als bedoeld in artikel 5 van verordening nr. 802/68 hadden ondergaan, en dat verordening nr. 749/78 een belemmering vormde voor de werking van artikel 30 EEG-Verdrag. De Franse importeurs betoogden eveneens, dat de werkelijke oosprong van het produkt de Bondsrepubliek Duitsland was en dat in elk geval de vervoerders hun aanwijzingen voor de inklaring van de Duitse leverancier hadden gekregen.

Het Tribunal de police te Straatsburg achtte het voorshands aannemelijk, dat de douane zonder in strijd te komen met het gemeenschapsrecht mocht eisen dat de eerste oorsprong van de ingevoerde goederen werd vermeld. De bepaling van die oorsprong zou echter een probleem doen rijzen ter zake van de uitlegging van verordening nr. 749/78 van de Commissie, met name van artikel 2. Deze verordening betreft de bepaling van de omvang van de bewerking of verwerking met het oog op de tariefindeling, en niet enkel de omvang van de materiële verrichtingen die de waar ondergaat in de zin van de verordeningen nrs. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 en 1039/71 van de Commissie van 24 mei 1971 met betrekking tot het vaststellen van de oorsprong van enige textielprodukten (PB L 113 van 1971, blz. 13). Bijgevolg zou men zich kunnen afvragen, of de in artikel 2 van verordening nr. 749/78 vermelde uitzonderingen niet een door artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregel opleveren.

Derhalve heeft het Tribunal de police te Straatsburg bij vonnis van 15 maart 1982 besloten zijn uitspraak aan te houden en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen :

> „Moet het, op grond van de uitlegging van het EEG-Verdrag en met name van artikel 30, ervoor worden gehouden dat het vereiste waaraan volgens de artikelen 1 en 2 van verordening nr. 749/78 van de Commissie van 10 april 1978 bepaalde textielprodukten moeten voldoen om ze douanerechtelijk als produkten van oorsprong uit een Lid-Staat van de EEG te kunnen kwalificeren, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is?”

4.

Het verwijzingsvonnis is op 28 mei 1982 in het register van het Hof ingeschreven.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de vennootschap Wuppertaler Garnbleicherei und Färberei Eduard Goebel, W. Hasenack en J. Deltour, vertegenwoordigd door J.-C. Woog en J.-F. Durand, advocaten te Parijs; P. Allenbach en de vennootschap Allenbach, en P. Leclaire en de vennootschap Éts. Tricotage mécanique de Marmoutier, vertegenwoordigd door D. Ohi, advocaat te Straatsburg; P. Cousin en de vennootschap Woehl, J. Schmitt en de vennootschap Heppner, en J.-D. Seegmuller en de vennootschap Seegmuller, vertegenwoordigd door F. Girard, advocaat te Parijs; de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door A. Linguiti, avvocato dello Stato; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Wägenbauer.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, bij beschikking van 28 oktober 1982 besloten de zaak krachtens artikel 95 van het Reglement voor de procesvoering naar de Vijfde kamer te verwijzen en zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het Hof heeft evenwel WGF en de Commissie verzocht, vóór de mondelinge behandeling schriftelijk te antwoorden op enkele vragen betreffende de door WGF verrichte bewerkingen en de aan verordening nr. 749/78 ten grondslag liggende overwegingen.

#### II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG

##### 1. Opmerkingen van WGF, Hasenack en Deltour

WGF, Hasenack en Deltour merken op, dat ingevolge artikel 5 van verordening nr. 802/68 de oorsprong van produkten die in een bepaald land uit ingevoerde produkten worden verkregen, vooral een economisch gegeven is, aangezien daartoe een ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking is vereist. Voor textiel, en met name voor fil d'écosse, was de Commissie van oordeel, dat aan dit criterium is voldaan wanneer de produkten een volledige verwerking hebben ondergaan die beantwoordt aan een fabricagefase. Dit is het geval wanneer het produkt door die verwerking onder een andere tariefpost komt te vallen dan die waartoe elk van de gebruikte produkten behoorde.

Blijkens de considerans van verordening nr. 749/78 had de Commissie de bedoeling, bepaalde uitzonderingen te maken op de regel van artikel 5 van verordening nr. 802/68. Beziet men de bepalingen van verordening nr. 749/78, dan blijken de gevallen waarin de bewerking of verwerking niet als volledig is te beschouwen, veel talrijker te zijn dan die waarin dit wel het geval is. Met name voor de talrijke produkten van lijst A — waaronder garens van katoen, niet gereed voor de verkoop in het klein — geldt een uitzonderlijke en afwijkende regeling, die voor het verkrijgen van communautaire oorsprong veel strengere voorwaarden stelt.

Deze strenge uitzonderingsregeling is te minder gerechtvaardigd, omdat de door WGF op het garen toegepaste bewerkingen zeer omvangrijk waren. Bewerkingen als schroeien, merceriseren en verven zijn „ingrijpende bewerkingen”, „die een belangrijke fabricagefase uitmaken”, in de zin van artikel 5 van verordening nr. 802/68. Dit vindt bevestiging in de inhoud van verordening nr. 1039/71 van de Raad van 24 mei 1971 met betrekking tot het vaststellen van de oorsprong van enige textielprodukten (PB L 113 van 1971, blz. 13), volgens welke met name het „verven, voor zover deze bewerking gepaard gaat met een latere afwerking waardoor het geverfde produkt voor direct gebruik in dezelfde staat geschikt wordt gemaakt”, het produkt een nieuwe oorsprong verleent. WGF is een bedrijf dat speciaal is ingericht voor bewerkingen als verven, schroeien en merceriseren. Het gaat hier om zeer complexe procédés op hoog technisch niveau, waarmee een textielprodukt met betere technische kwaliteiten en een grotere handelswaarde kan worden verkregen, dat voor onmiddellijk gebruik geschikt is, hetgeen vóór die bewerking niet het geval was.

Verordening nr. 749/78 en de daarbij behorende lijst A leiden er dus toe, dat aan het door WGF uitgevoerde produkt de hoedanigheid van produkt van communautaire oorsprong wordt ontnomen om tegemoet te komen aan een nationaal protectionisme dat in strijd is met de geest van het Verdrag.

Er bestaat bovendien geen enkel verband tussen de beschrijving in artikel 2, derde alinea, van verordening nr, 749/78 van de technische verrichtingen die een produkt niet het karakter van produkt van oorsprong kunnen verlenen, en de door WGF op de garens toegepaste bewerkingen. Hieruit volgt a contrario, dat deze produkten kunnen worden geacht bewerkingen te hebben ondergaan die volstaan om ze het karakter van produkt van communautaire oorsprong te verlenen.

Verordening nr. 749/78, hoewel vastgesteld ter uitvoering van verordening nr. 802/68, beantwoordt noch aan de doelstellingen noch aan de vereisten hiervan, aangezien zij geen rekening houdt met de bijzondere materiële eigenschappen van het door de verwerking verkregen produkt. De Commissie heeft, zonder daartoe bevoegd te zijn, nieuwe voorschriften vastgesteld, die beperkender zijn dan die voorzien in artikel 5 van verordening rir. 802/68, en zij heeft daardoor deze laatste bepaling geweld aangedaan. Bijgevolg zijn artikel 2 en de bijlagen van verordening nr. 749/78 ongeldig.

Bovendien komt deze verordening neer op een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking. Enerzijds is zij in strijd met het arrest van het Hof van 15 december 1976 (zaak 41/76, Donckerwolcke, Jurispr. 1976, blz. 1921), doordat zij de importeur dwingt met betrekking tot de oorsprong iets anders te vermelden dan hem redelijkerwijze bekend kan zijn. Anderzijds biedt zij de nationale douane-instanties de mogelijkheid invoerbeperkende maatregelen toe te passen. Als gevolg van deze verordening kunnen de betrokken produkten slechts met een invoervergunning (Dl) in Frankrijk worden binnengebracht, ofschoon het om produkten gaat die zich in het vrije verkeer bevinden. Met de afgifte van die invoervergunning gaat in het algemeen tenminste een maand heen, en de goederen worden gedurende twee tot zes weken door de douane opgeslagen, hetgeen financiële lasten in de vorm van opslagrechten meebrengt en de bij uitstek in de textielindustrie noodzakelijke snelle verhandeling belet.

WGF, Hasenack en Deltour geven mitsdien in overweging, de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:

1\. Door in verordening nr. 749/78, onder het mom van uitvoeringsmaatregelen, voorschriften vast te stellen die beperkender zijn dan die van verordening nr. 802/68, waaraan zij uitvoering moest geven, heeft de Commissie haar bevoegdheden overschreden, zodat verordening nr. 749/78 en met name de artikelen 1 en 2 ongeldig zijn.

2\. De beperkende bepalingen van verordening nr. 749/78, door de Commissie vastgesteld met schending van verordening nr. 802/68 van de Raad, vormen een materiële, commerciële en financiële belemmering voor het vrije goederenverkeer en zijn dus door artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregelen van gelijke werking.

##### 2. Opmerkingen van P. Allenbach en de vennootschap Allenbach, en van P. Ledane en de vennootschap Ets. Tricotage mécanique de Marmoutier

De Franse importeurs van de door WGF geleverde katoenen garens, te weten de vennootschappen Allenbach en Ets. Tricotage mécanique de Marmoutier, merken vooreerst op, dat volgens de rechtspraak van het Hof het vereiste van vermelding van het land van oorsprong op de aangifte ten invoer geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is, wanneer het goederen betreft waarvoor de Lid-Staat van invoer overeenkomstig het Verdrag handelspolitieke maatregelen heeft genomen. Nu Frankrijk in het litigieuze tijdvak niet had verzocht om toepassing van artikel 115 EEG-Verdrag op uit Egypte en de Verenigde Staten van Amerika afkomstige garens, is een bij wege van nationale bepalingen ingesteld toezicht onrechtmatig en in strijd met artikel 30 EEG-Verdrag. Toekomstige vrijwaringsmaatregelen kunnen rechtens geen grondslag vormen voor een algemene en blijvende verplichting van de importeurs om een vergunning aan te vragen, noch voor een verplichting om het land van oorsprong van de ingevoerde produkten te vermelden.

Toepassing van verordening nr. 749/78 leidt er bovendien toe, dat van de importeur — in strijd met het arrest van het Hof in de zaak-Donckerwolcke — wordt verlangd, met betrekking tot de oorsprong meer te vermelden dan hem bekend is of redelijkerwijze bekend kan zijn. Gesteld dat hij kan weten dat het basisprodukt in Duitsland is bewerkt, dan kan hij onmogelijk of uiterst moeilijk te weten komen in welke staat dat basisprodukt aan WGF is geleverd, en het gaat niet aan dat hij een onderzoek instelt in het bedrijf van WGF. Door de importeur voor enorme moeilijkheden te plaatsen bij het oorsprongsonderzoek, heeft de regeling inzake de oorsprong van katoenen garens een beperking van het handelsverkeer tot gevolg — zo al niet tot doel. Een dergelijke regeling mag echter niet op commerciële bescherming zijn gericht of een instrument van protectionisme zijn. In casu komt daar nog een Franse maatregel van gelijke werking bij, namelijk het vereiste van een invoervergunning.

Wat de oorsprongcriteria betreft, gaat de Commissie in haar verordening nr. 749/78 uit van het begrip „volledige verwerking”, terwijl verordening nr. 802/68 van de Raad slechts een „ingrijpende bewerking of verwerking” vereist. Het is duidelijk dat de gestelde voorwaarde veel beperkender is. Van de alternatieve criteria van artikel 5 van verordening nr. 802/68 heeft de Commissie met opzet alleen „fabricage van een nieuw produkt” gekozen. Dit restrictieve oorsprongsbegrip en de verwijzing naar het douanetarief als beslissend criterium — betwistbaar uit het oogpunt van de „ingrijpende verwerking” — zijn in strijd met artikel 5 van verordening nr. 802/68 van de Raad, een rechtsregel van hogere rang.

Volgens het arrest van het Hof van 26 januari 1977 (zaak 49/76, Gesellschaft für Überseehandel, Jurispr. 1977, biz. 41) is het ondoelmatig en ontoereikend, voor de toepassing van de algemene criteria van verordening nr. 802/68 te steunen op de douanenomenclatuur, een louter abstract gegeven. De door WGF verrichte behandeling is vrij ingewikkeld en vormt dus een ingrijpende bewerking, zij heeft een belangrijke functie in het produktieproces van het garen en verandert het voorkomen en de intrinsieke eigenschappen — weerstand en stevigheid — van het afgewerkte produkt. Het gaat daarbij om de laatste bewerkingen van het produkt voordat dit wordt verkocht, en om een economisch verantwoorde bewerking, zonder welke het garen onbruikbaar zou zijn. Deze bewerking vindt plaats in een daartoe speciaal ingericht bedrijf. Door alleen de ter vervaardiging van katoenen garens gebruikte basisprodukten in aanmerking te nemen, miskent verordening nr. 749/78 noodzakelijkerwijze de voorschriften van artikel 5 van verordening nr. 802/68.

Allenbach en Leclaire en de vennootschappen Allenbach en Éts. Tricotage mécanique de Marmoutier geven mitsdien in overweging de vraag te beantwoorden als volgt:

Op grond van het EEG-Verdrag, met name de artikelen 9 e.V., 30, 110 en 115, en van andere bepalingen van gemeenschapsrecht moet het ervoor worden gehouden dat het vereiste om bij de inklaring de oorsprong van de goederen te vermelden, onrechtmatig is en een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking oplevert.

In ieder geval stelt verordening nr. 749/78 criteria ter bepaling van de oorsprong van goederen vast, die strijdig zijn met de algemene regels van verordening nr. 802/68 en maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen vormen.

##### 3. Opmerkingen van P. Cousin en de vennootschap Woebl, J. Schmitt en de vennootschap Heppner, en J.-D. Seegmuller en de vennootschap Seegmuller

De douaneagenten P. Cousin en de vennootschap Woehl, J. Schmitt en de vennootschap Heppner, en J.-D. Seegmuller en de vennootschap Seegmuller, betogen dat door hetgeen de douane voor het Tribunal de police heeft aangevoerd, elke betekenis wordt ontnomen aan het — onder meer door het Hof in het arrest-Donckerwolcke gebezigde — begrip „redelijkerwijze”. Volgens de douane zou de douaneagent immers verplicht zijn, een onderzoek in te stellen naar de juistheid van de hem gegeven aanwijzingen, en zou hij zonder meer aansprakelijk zijn, ongeacht of hij de oorsprong rechtens van de goederen kon kennen. Deze benadering is niet enkel in strijd met het arrest van het Hof in de zaak-Donckerwolcke, maar ook met de toezeggingen van de Franse douane in een brief aan de vereniging van douaneagenten, dat tegen deze laatsten — behalve in geval van persoonlijke schuld — in de regel geen vervolging zou worden ingesteld. Zij is tevens in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid, door het Hof verwoord in zijn arrest van 9 juli 1981 (zaak 169/80, Gondrand, Jurispr. 1981, blz. 1931).

De bepalingen van verordening nr. 749/78 kunnen nauwelijks verhelen dat het hier gaat om regels die afwijken van het in artikel 5 van verordening nr. 802/68 vervatte beginsel. Terwijl in verordening nr. 802/68 de keuze wordt gelaten tussen twee voorwaarden, te weten de fabricage van een nieuw produkt of het doorlopen van een belangrijke fabricagefase, stelt verordening nr. 749/78 deze voorwaarden cumulatief: geëist wordt immers dat de produkten een volledige verwerking hebben ondergaan die een fabricagefase uitmaakt. WGF heeft zeer veel toegevoegd aan de waarde van het ingevoerde garen en commercieel gezien is het produkt nieuw in die zin, dat het bestemd is om aan een andere categorie handelaren te worden verkocht.

Bij de wettigheidstoetsing van verordening nr. 749/78 moet er rekening mee worden gehouden, dat het hier om een afwijkende regeling gaat: ofwel is verordening nr. 749/78 een regeling ter uitvoering van verordening nr. 802/68, en dan mag zij niets bevatten wat afwijkt van artikel 5 van laatstgenoemde verordening, ofwel bevat zij bepalingen die derogeren aan verordening nr. 802/68, en dan konden deze enkel krachtens artikel 235 EEG-Verdrag worden vastgesteld.

Zo tenslotte verordening nr. 749/78 geen maatregel van gelijke werking is, dan levert in elk geval de praktijk van de Franse autoriteiten een dergelijke verboden maatregel op, doordat vervolging is ingesteld tegen personen die te goeder trouw waren en in de onmogelijkheid verkeerden de werkelijke oorsprong van de goederen te achterhalen.

Cousin, Schmitt en Seegmuller alsmede de vennootschappen Woehl, Heppner en Seegmuller geven mitsdien in overweging, de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:

Verordening nr. 749/78 is onwettig omdat zij is vastgesteld door een onbevoegde instantie en zonder dat de daartoe door artikel 235 EEG-Verdrag voorgeschreven procedure is gevolgd.

Ongeacht de oorsprong van goederen die, na in het vrije verkeer te zijn gebracht, in een ander land van de Gemeenschap voor verbruik worden bestemd, is elke strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting tot vermelding van de werkelijke of vermoedelijke eerste oorsprong, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, wanneer de vervolgde persoon zich kan verweren met een beroep op nauwkeurige aanwijzingen en vermeldingen. De verplichting met het oog op de vermelding van de oorsprong der goederen tot verificatie over te gaan, brengt niet mee dat de opsteller van de aangifte gehouden is, de omvang van de in het land van uitvoer van de goederen verrichte bewerking te bepalen.

##### 4. Opmerkingen van de regering van de Italiaanse Republiek

De regering van de Italiaanse Republiek merkt op, dat het onderhavige probleem in de rechtspraak van het Hof al is opgelost (arrest van 15 december 1976, zaak 41/76, Donckerwolcke, Jurispr. 1976, blz. 1921). Het gaat thans om een meer specifieke beoordeling, in verband met de bepalingen van verordening nr. 749/78.

De wettigheid van het vereiste van vermelding van het land van oorsprong, is erkend. In de textielsector is de vermelding van oorsprong van beslissend belang voor een doeltreffend beheer van het gemeenschapsbeleid, gebaseerd op de instelling van vrijwillig aanvaarde uitvoerquota, die strikt over de verschillende Lid-Staten zijn verdeeld, en om eventueel vrijwaringsmaatregelen overeenkomstig artikel 115 EEG-Verdrag mogelijk te maken. Het vereiste zou evenwel in strijd kunnen komen met artikel 30, indien van de importeur wordt verlangd meer te vermelden dan hem bekend is of redelijkerwijze bekend kan zijn.

Het valt dan ook moeilijk in te zien, hoe de artikelen 1 en 2 van verordening nr. 749/78 in strijd zouden kunnen komen met artikel 30. Waar zij nauwkeurige, in alle Lid-Staten geldende criteria ter vaststelling van de oorsprong vaststellen, dragen zij integendeel bij tot het scheppen van betere voorwaarden voor de nakoming van de aangifteverplichting. De eventuele onevenredigheid van deze verplichting kan nooit het gevolg zijn van de toepassing van deze verordening, doch alleen van bijzondere omstandigheden, die in concreto moeten worden beoordeeld.

Het antwoord op de gestelde vraag moet derhalve een bevestiging inhouden van de beginselen van het arrest van 15 december 1976, met uitsluiting van de mogelijkheid dat verordening nr. 749/78 tot een bij artikel 30 EEG-Verdrag verboden situatie zou leiden.

##### 5. Opmerkingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen

De Commissie merkt vooreerst op, dat het wegens de uiteenlopende uitleggingen waartoe de noodzakelijkerwijs zeer algemene formulering van verordening nr. 802/68 kon leiden, noodzakelijk is gebleken uitvoeringsbepalingen vast te stellen. Verordening nr. 749/78 komt tegemoet aan de noodzaak van uitlegging van artikel 5 van verordening nr. 802/68, door te preciseren welke verwerkingen een textielprodukt het karakter van produkt van oorsprong uit een bepaald land of uit de Gemeenschap verlenen. De keuze van het in verordening nr. 749/78 gebruikte systeem is ingegeven door de overweging, dat dit ook al was gekozen voor de toepassing van de algemene preferenties ten gunste van de ontwikkelingslanden, en wel in verordening nr. 2966/77 van de Commissie van 23 december 1977 betreffende de definitie van het begrip „produkt van oorsprong” voor de toepassing van de door de Europese Economische Gemeenschap voor bepaalde produkten uit ontwikkelingslanden verleende tariefpreferenties (PB L 350 van 1977, blz. 1).

In het onderhavige geval verlenen de verrichte bewerkingen — „schroeien, merceriseren, opwinden voor het verven en heropwinden” — de katoenen garens niet het karakter van „produkt van oorsprong”.

De vraag van het Tribunal de police te Straatsburg heeft uitsluitend betrekking op de uitlegging van artikel 30, en zij betreft met name niet de verenigbaarheid van verordening nr. 749/78 met artikel 5 van verordening nr. 802/68. Aangezien het Tribunal geen vraag heeft gesteld over verordening nr. 802/68, behoeft niet te worden onderzocht, hoe artikel 5 van deze verordening moet worden uitgelegd. Het Tribunal dient evenwel attent te worden gemaakt op de mogelijkheid, dat artikel 5 van verordening nr. 802/68 van toepassing was op importen vóór de inwerkingtreding, op 1 mei 1978, van verordening nr. 749/78.

Het Hof heeft erkend, dat de gemeenschapsinstellingen over een zekere ruimte beschikken bij de uitoefening van hun wetgevende taak, voor zover de betrokken maatregelen het vrije handelsverkeer ten goede komen. Indien volgens de economische criteria van verordening nr. 802/68 bepaalde verwerkingen of bewerkingen het karakter van produkt van oorsprong uit de betrokken Lid-Staat verlenen, terwijl dit volgens de bijzondere regel van verordening nr. 749/78 is uitgesloten, dan is laatstgenoemde verordening daarom nog niet strijdig met artikel 30. Deze verordening is een uitvoeringsregeling van artikel 5 van verordening nr. 802/68, waarvan de algemene criteria op uiteenlopende wijze zijn uitgelegd. De door verordening nr. 749/78 aangebrachte verduidelijking wordt ongetwijfeld gekenmerkt door een gebrek aan soepelheid. Daartegenover staat, dat de verordening haar doel volkomen bereikt in zoverre zij stellig voor rechtszekerheid zorgt. Bijgevolg heeft de Commissie de aan de uitoefening van haar taak gestelde grenzen niet miskend.

Overigens is niet duidelijk, hoe de regeling zoals gewijzigd bij verordening nr. 749/78, het handelsverkeer zou kunnen belemmeren. Garens van katoen, niet gereed voor de handel in het klein, die in Duitsland in het vrije verkeer zijn gebracht, doch van oorsprong zijn uit de Verenigde Staten of Egypte, kunnen vrij en zonder betaling van invoerrechten in Frankrijk worden ingevoerd, aangezien Frankrijk geen vrijwaringsmaatregelen heeft genomen op grond van artikel 115 EEG-Verdrag.

De Commissie geeft mitsdien in overweging, de vraag van het Tribunal de police te Straatsburg te beantwoorden als volgt:

Artikel 30 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is op verordening nr. 749/78 van de Commissie, vastgesteld ter uitvoering van verordening nr. 802/68 van de Raad en van toepassing vanaf 1 mei 1978, volgens welke garens van katoen, niet gereed voor de verkoop in het klein (tariefpost 55.05), slechts als van oorsprong uit een bepaald land worden beschouwd wanneer zij zijn vervaardigd uit produkten van post 55.01 of post 55.03 van het GDT.

#### III — Antwoorden op vragen van het Hof

1.

In antwoord op vragen van het Hof heeft WGF de volgende toelichtingen verstrekt over de door haar verrichte bewerkingen:

Het schroeien van het ongebleekte garen is een afwerkingsprocédé waarbij kleine pluisjes en kleine (vezeltjes die uit het getwijnde garen uitsteken, worden weggebrand. Het katoenen garen wordt daardoor gladder, voelt zachter aan en ziet er mooier uit. Het schroeien gebeurt door het garen door een gasvlam te halen.

Het merceriseren is de bewerking waarbij het katoen wordt afgekookt en tegelijkertijd gestrekt. Het dient om het garen een zijdeglans te geven en beter bestand te maken tegen breuk.

Voor het verven maakt WGF gebruik van een van de modernste systemen, waarmee tot 800 kg kan worden geverfd, dat is uitgerust met een computer die ervoor zorgt dat voortdurend de juiste kleuren worden verkregen, en waarmee een wasechtheid tot 80 o of zelfs tot het kookpunt kan worden bereikt. Met deze bewerking weet WGF te bereiken dat het garen veel beter bestand is tegen transpiratie en wrijving. Het door WGF aangeboden kleurengamma is uniek in Europa.

Door deze bewerkingen neemt de waarde van het afgewerkte produkt ten opzichte van het ongebleekte garen met 159 % toe. Alleen het verven brengt reeds een waardevermeerdering van 99 % mee.

Deze afwerkingsprocédés leiden tot een beslissende wijziging van de ongebleekte garens qua uiterlijk aanzien, slijtvastheid en wasbaarheid. Het ongebleekte garen is als zodanig niet voor een bepaald gebruik geschikt. Het garen wordt eerst na afwerking bruikbaar, bij voorbeeld voor de fabricage van kousen, T-shirts en pullovers met rolkraag.

2.

De *Commissie* heeft in antwoord op een desbetreffende vraag de redenen uiteengezet die haar ertoe hadden doen besluiten om in het kader van verordening nr. 749/78 voor de communautaire tariefindeling te kiezen en bewerkingen als schroeien, merceriseren, verven er heropwinden uit te sluiten van de categorie van bewerkingen die het karakter van produkt van oorsprong verlenen.

Artikel 5 van verordening nr. 802/68 vereist een uitlegging van de gebruikte criteria, waarvoor in de verordening geen nadere aanwijzingen zijn te vinden. Bijgevolg waren bij de vaststelling van uitvoeringsmaatregelen verscheidene methodes denkbaar, die elk reeds in het verleden in bepaalde gevallen waren aangewend. Een eerste methode bestaat erin, de ingrijpende verwerking of bewerking nauwkeurig te beschrijven; als tweede methode kan het percentage toegevoegde waarde worden bepaald dat noodzakelijk wordt geacht om van een ingrijpende verwerking of bewerking te kunnen spreken; de derde methode is die van de wijziging van tariefpost, zo nodig aangevuld met andere criteria. Deze laatste methode heeft de Commissie in verordening nr. 749/78 gekozen.

De keuze van dit systeem is niet ingegeven door overwegingen van economische aard, doch door de praktische voordelen die het biedt. Een gelijkaardig systeem wordt sinds 1971 aangewend voor de toepassing van de algemene preferenties ten gunste van de ontwikkelingslanden, en de ondernemingen zijn er bijgevolg mee vertrouwd (vgl. verordening nr. 2966/77 van de Commissie van 23 december 1977 betreffende de definitie van het begrip „produkt van oorsprong” voor de toepassing van de door de Europese Economische Gemeenschap voor bepaalde produkten uit ontwikkelingslanden verleende tariefpreferenties — PB L 350 van 1977, blz. 1). Een uit een ontwikkelingsland ingevoerd textielprodukt moet zowel voldoen aan de bepalingen van de textielakkoorden, met inbegrip van de oorsprongregels van verordening nr. 749/78, als aan de in het stelsel van algemene preferenties gestelde voorwaarden voor preferentiële toegang, daaronder begrepen de regels inzake oorsprong. Bovendien kan het gekozen systeem eenvoudig worden toegepast en biedt het de ondernemingen rechtszekerheid.

In de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 749/78 is sprake van het begrip „volledige verwerking die een fabricagefase uitmaakt”. Voor wat textiel betreft, is het douanetarief zo opgezet, dat elke fabricagefase (katoen, niet gekaard en niet gekamd — katoen, gekaard of gekamd — garen — weefsel — kleding) overeenkomt met een andere tariefpost. De Commissie was van oordeel, dat schroeien, merceriseren en verven geen werkelijk „ingrijpende” bewerkingen zijn, omdat het produkt zowel ervoor als erna een katoenen garen is. In ieder geval kan hier geen sprake zijn van een „volledige verwerking”, de term waarmee in verordening nr. 749/78 de uitdrukking „ingrijpende verwerking of bewerking” in artikel 5 van verordening nr. 802/68 wordt verduidelijkt.

#### IV — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 12 januari 1983 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door P. Cousin en de vennootschap Woehl, J. Schmitt en de vennootschap Heppner en J.-D. Seegmuller en de vennootschap Seegmuller, vertegenwoordigd door F. Girard, advocaat; P. AUenbach en de vennootschap AUenbach en L. Leclaire en de vennootschap Ets. Tricotage mécanique de Marmoutier, vertegenwoordigd door G. Bollecker, advocaat; W. Hasenack en de vennootschap Wuppertaler Garnbleicherei und Färberei Eduard Goebel en J. Deltour, vertegenwoordigd door J.-C. Woog en J.-F. Durand, advocaten; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Wägenbaur.

De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 9 februari 1983 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij vonnis van 15 maart 1982, ingekomen ten Hove op 28 mei daaropvolgende, heeft het Tribunal de police te Straatsburg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 30 EEG-Verdrag en de geldigheid van verordening nr. 749/78 van de Commissie van 10 april 1978 betreffende de bepaling van de oorsprong van de textielprodukten van de hoofdstukken 51 en 53 tot en met 62 van het gemeenschappelijk douanetarief (PB C 101 van 1978, blz. 7) teneinde te kunnen beoordelen of strafvervolgingen ter zake van onjuiste aangifte van oorsprong bij de invoer van katoenen garens verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.

2. Deze vervolgingen zijn ingesteld tegen een Duitse leverancier van katoenen garens en zijn vertegenwoordiger in Frankrijk, tegen twee Fanse afnemers van deze leverancier en tegen de douaneagenten die waren belast met de douaneformaliteiten voor verschillende importen in Frankrijk van katoenen garens uit de Bondsrepubliek Duitsland, wegens overtreding van de Franse douanebepalingen, volgens welke de oorsprong van ingevoerde goederen op de aangifteformulieren moet worden vermeld met het oog op de opstelling van de invoerstatistieken.

3. De leverancier, de vennootschap Wuppertaler Garnbleicherei und Färberei Eduard Goebel (hierna: WGF), te Wuppertal (Bondsrepubliek Duitsland), leverde jarenlang — en zo ook tussen 1978 en oktober 1980 — aan verscheidene Franse afnemers, waaronder de vennootschappen Ets. Tricotage mécanique de Marmoutier en AUenbach, beide gevestigd in Frankrijk, garens van katoen, niet gereed voor de verkoop in het klein, van post 55.05 B II van het gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GDT). De aangiften ten invoer werden volgens aanwijzingen van WGF opgesteld door douaneagenten, waaronder de vennootschappen Woehl, Heppner en Seegmuller, en vermeldden als land van oorsprong de Bondsrepubliek Duitsland.

4. Bij een later onderzoek stelde de Franse douane vast, dat WGF — een bewerkingsbedrijf voor textielprodukten — onder meer in Egypte en de Verenigde Staten ongebleekte katoenen garens kocht en deze, nadat zij in de Bondsrepubliek Duitsland in het vrije verkeer waren gebracht, verscheidene bewerkingen deed ondergaan — namelijk verven en veelal ook schroeien en merceriseren — alvorens ze aan de gebruikers te verkopen. Van oordeel dat, gelet op verordening nr. 749/78 van de Commissie, de Bondsrepubliek Duitsland niet op grond van deze bewerkingen als het land van oorsprong van de katoenen garens kon worden beschouwd, stelde de Franse douane voor diverse Tribunaux de police strafvervolgingen in tegen WGF en de verschillende vennootschappen en personen die bij de importen waren betrokken.

5. Het Tribunal de police te Troyes oordeelde in een van die strafzaken, dat de door WGF verrichte bewerkingen ingrijpende bewerkingen waren op grond waarvan de garens als van oorsprong uit Duitsland waren te beschouwen, en sprak bijgevolg de verdachten vrij. In een andere zaak veroordeelde het Tribunal de police te Tourcoing WGF en haar directeuren wegens even zovele garenimporten tot 106 geldboetes van elk FF 200 en de betrokken douaneagent tot 106 geldboetes van elk FF 300 — waarvoor WGF. en haar directeur bovendien hoofdelijk aansprakelijk werden gesteld —, terwijl de betrokken Franse importeurs werden vrijgesproken.

6.

Het Tribunal de police te Straatsburg, waarvoor een overeenkomstige strafzaak dient, heeft het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

> „Moet het, op grond van de uitlegging van het EEG-Verdrag en met name van artikel 30, ervoor worden gehouden dat het vereiste waaran volgens de artikelen 1 en 2 van verordening nr. 749/78 van de Commissie van 10 april 1978 bepaalde textielprodukten moeten voldoen om ze douanerechtelijk als produkten van oorsprong uit een Lid-Staat van de EEG te kunnen kwalificeren, een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is?”

#### De toepasselijke gemeenschapsregeling

7.

Artikel 5 van verordening nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip „oorsprong van goederen” (PB L 148 van 1968, blz. 1), bepaalt:

> „Goederen bij de vervaardiging waarvan twee of meer landen betrokken zijn geweest, zijn van oorsprong uit het land waar de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden in een daartoe ingericht bedrijf en welke verwerking of bewerking hetzij heeft geleid tot de fabricage van een nieuw produkt, hetzij een belangrijke fabricagefase uitmaakt.”

Krachtens artikel 14 van deze verordening kan de Commissie, volgens de in de leden 2 en 3 van dit artikel omschreven procedure en na advies van het Comité oorsprong van goederen, de bepalingen vaststellen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van voornoemd artikel 5.

8.

Op grond hiervan heeft de Commissie verordening nr. 749/78 vastgesteld, volgens welke de in deze verordening bedoelde textielprodukten als van oorsprong uit een land of uit de Gemeenschap worden beschouwd, indien zij aldaar „een volledige bewerking of verwerking in de zin van artikel 2 hebben ondergaan.” Laatstgenoemd artikel luidt:

> „Als volledig worden beschouwd bewerkingen of verwerkingen:
>
> a) die tot resultaat hebben dat de verkregen produkten onder een andere tariefpost komen te vallen dan die waartoe elk van de gebruikte produkten behoort, met uitzondering evenwel van de bewerkingen of verwerkingen die zijn opgenomen in lijst A en waarop de bijzondere bepalingen van de lijst van toepassing zijn,
>
> b) die zijn opgenomen in lijst B.”

9. Deze bepaling wordt aangevuld door twee, in bijlage van de verordening opgenomen lijsten, A en B. Lijst A noemt de bewerkingen of verwerkingen die een verandering van tariefpost meebrengen, doch aan de daaraan onderworpen produkten niet of slechts onder bepaalde voorwaarden het karakter van produkten van oorsprong verlenen. Daartegenover noemt lijst B de bewerkingen of verwerkingen die geen verandering van tariefpost meebrengen, doch de daaraan onderworpen produkten niettemin het karakter van produkten van oorsprong verlenen. De produkten in geding — garens van katoen, niet gereed voor de verkoop in het klein, van post 55.05 van het GDT — komen enkel voor in lijst A en moeten, om het karakter van produkt van oorsprong te verkrijgen, behalve aan de algemene regel ook aan de volgende voorwaarde voldoen: „vervaardiging uit produkten van post 55.01 of post 55.03”, te weten katoen, niet gekaard en niet gekamd, of afval van katoen (rafelingen daaronder begrepen), niet gekaard en niet gekamd.

10. Garens van katoen, niet gereed voor de verkoop in het klein, of het nu gaat om ongebleekt garen of om geschroeid, gemerceriseerd en geverfd garen, vallen steeds onder post 55.05 van het GDT. Bijgevolg hebben schroeien, merceriseren en verven niet tot gevolg, dat het aldus bewerkte produkt onder een andere tariefpost dan die van het basisprodukt komt te vallen. Aangezien deze bewerkingen, toegepast op ongebleekt garen, niet in bijlage B bij verordening nr. 749/78 zijn vermeld, sluit deze verordening dus uit, dat bedoelde bewerkingen het katoenen garen een nieuwe oorsprong kunnen verlenen.

11. Hieraan zij toegevoegd dat, naar WGF heeft opgemerkt, vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 479/78 de Duitse oorsprong van de door haar geleverde katoenen garens nooit is betwist en dat de Franse autoriteiten eerst na de inwerkingtreding en op grond van deze verordening zijn overgegaan tot strafvervolgingen ter zake van onjuiste aangifte van oorsprong.

12. In deze omstandigheden wenst het Tribunal de police te Straatsburg blijkens zijn verwijzingsvonnis in wezen te vernemen, in de eerste plaats of verordening nr. 749/78 van de Commissie geldig is, voor zover zij uitsluit dat uit derde landen ingevoerde ongebleekte katoenen garens door bewerkingen als schroeien, merceriseren en verven het karakter van produkt van oorsprong uit de Gemeenschap verkrijgen, en in de tweede plaats of artikel 30 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat strafvervolgingen, op grond van die verordening ter zake van onjuiste aangifte van oorsprong ingesteld, maatregelen zijn van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen en dat het beperkingen stelt aan de sancties die in het kader van die vervolgingen kunnen worden opgelegd.

#### De geldigheid van verordening nr. 749/78

13. Volgens de verdachten in de strafzaak voor de nationale rechter is verordening nr. 749/78 van de Commissie ongeldig, omdat zij uitsluit dat door de bewerkingen waarom het in casu gaat, het karakter van produkt van communautaire oorsprong wordt verkregen. Enerzijds zou deze uitsluiting in strijd zijn met artikel 30 EEG-Verdrag, anderzijds zou de Commissie met deze regeling de haar bij 's Raads verordening nr. 802/68 verleende bevoegdheden hebben overschreden.

14. De Commissie — ondersteund door de Italiaanse regering — voert aan, dat zij een wettig en regelmatig gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de onnauwkeurige termen van artikel 5 van verordening nr. 802/68 uit te leggen door vaststelling van een eenvoudig en duidelijk criterium, dat bovendien strookt met de criteria van verordening nr. 2966/77 van de Commissie van 23 december 1977 betreffende de definitie van het begrip „produkt van oorsprong” voor de toepassing van de door de Europese Economische Gemeenschap voor bepaalde produkten uit ontwikkelingslanden verleende tariefpreferenties (PB L 350 van 1977, blz. 1). Verordening nr. 749/78 zou geen enkele belemmering inhouden voor het handelsverkeer van produkten die in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn gebracht, en dus niet in strijd zijn met artikel 30 EEG-Verdrag.

15. Dienaangaande zij vooreerst opgemerkt dat, zoals het Hof heeft verklaard in de arresten van 31 januari 1979 (zaken 34/78, Yoshida Nederland, en 114/78, Yoshida GmbH, Jurispr. 1979, blz. 115 en 151), de Commissie bij de vaststelling van uitvoeringsbepalingen op grond van artikel 14 van verordening nr. 802/68 van de Raad, niet de bevoegdheden mag overschrijden die de Raad haar met het oog op de tenuitvoerlegging van de in deze verordening gegeven regels heeft toegekend, en, nauwkeuriger gezegd, dat zij bijzondere criteria van oorsprong moet vaststellen, die in overeenstemming zijn met de objectieve criteria van artikel 5 van verordening nr. 802/68 van de Raad, die de rechtsgrondslag vormt van de uitvoeringsverordening en de bron van de bevoegdheden krachtens welke de Commissie deze heeft vastgesteld.

16. Waar de door de Commissie bij verordening nr. 749/78 vastgestelde bijzondere criteria van oorsprong in de eerste plaats zijn ontleend aan de tariefindeling van de verwerkte produkten, moet eraan worden herinnerd dat, gelijk het Hof heeft verklaard in het arrest van 26 januari 1977 (zaak 49/76, Gesellschaft für Überseehandel, Jurispr. 1977, blz. 41), men er met het oog op de toepassing van verordening nr. 802/68 niet mee kan volstaan, de criteria ter bepaling van de oorsprong van goederen te zoeken in de tariefindeling van de verwerkte produkten, aangezien het GDT een geheel eigen functie heeft, die geen verband houdt met de bepaling van de oorsprong van produkten. Wil de bepaling van de oorsprong van goederen beantwoorden aan de doelstellingen en eisen van verordening nr. 802/68, dan moet zij integendeel zijn gebaseerd op een objectief en werkelijk onderscheid tussen basisprodukt en verwerkt produkt, voornamelijk verband houdend met beider specifieke materiële eigenschappen.

17. Dit betekent echter niet, dat de Commissie bij de uitoefening van de bevoegdheid die de Raad haar met het oog op de toepassing van artikel 5 van verordening nr. 802/68 heeft toegekend, niet over een beoordelingsvrijheid zou beschikken om de abstracte begrippen van deze bepaling met betrekking tot specifieke verwerkingen of bewerkingen te preciseren. De Commissie heeft de verandering van tariefpost slechts genomen als basisregel, gerechtvaardigd enerzijds door het belang van de rechtszekerheid en anderzijds door de problemen bij de omschrijving van een veelvoud van economische situaties. Zij heeft deze basisregel aangevuld en gecorrigeerd door middel van voornoemde lijsten A en B, teneinde rekening te houden met het bijzondere karakter van specifieke verwerkingen of bewerkingen. De keuze van een dergelijk systeem is op zichzelf niet onverenigbaar met artikel 5 van verordening nr. 802/68.

18. In casu staat vast, dat verordening nr. 749/78 uitsluit dat de bewerkingen in geding, toegepast op ongebleekt garen, dit het karakter van produkt van oorsprong verlenen. Onder de bewerkingen of verwerkingen van lijst B, die de daaraan onderworpen produkten het karakter van produkten van oorsprong verlenen zonder verandering van tariefpost, komt echter wel voor het „bedrukken of verven met verdere afwerking (bleken, appreteren, ... impregneren, sanforiseren, merceriseren) van ongebleekte weefsels of van ongebleekt brei- en haakwerk”. Evenzo noemde reeds verordening nr. 1039/71 van de Commissie van 24 mei 1971 met betrekking tot het vaststellen van de oorsprong van enige textielprodukten (PB L 113 van 1977, blz. 13) — nadien vervangen door verordening nr. 749/78 — als bewerking die aan weefsels en aan brei- en haakwerk het karakter van produkten van oorsprong verleent, het „verven, voor zover deze bewerking gepaard gaat met een latere afwerking waardoor het geverfde produkt voor direct gebruik in dezelfde staat geschikt wordt gemaakt.”

19. Deze beoordeling van het verven, gepaard met verdere afwerking, van weefsels en stoffen staat in duidelijk contrast met de strenge criteria voor de bepaling van de oorsprong van katoenen garens. Deze laatste komen immers niet alleen niet voor in lijst B, doch bovendien kunnen zij volgens lijst A slechts dan als van oorsprong uit een bepaald land worden beschouwd, indien zij daar zijn vervaardigd uit katoen of afval van katoen, niet gekaard en niet gekamd.

20. De Commissie heeft niet duidelijk gemaakt waarom, in verband met de bijzondere kenmerken van de betrokken produkten en bewerkingen, een dergelijk verschil in behandeling tussen verven en andere bewerkingen van weefsels en stoffen enerzijds en van katoenen garens anderzijds gerechtvaardigd zou kunnen zijn.

21. Het lijkt dan ook tegenstrijdig en discriminerend te zijn, dat verordening nr. 749/78 strengere criteria vaststelt voor de bepaling van de oorsprong van katoenen garens dan van die van weefsels en stoffen. Ofschoon de Commissie over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt bij de toepassing van de algemene criteria van artikel 5 van verordening nr. 802/68 op specifieke bewerkingen en verwerkingen, mag zij niet zonder objectieve rechtvaardigingsgronden volstrekt verschillende oplossingen voor gelijksoortige bewerkingen en verwerkingen kiezen.

22. Mitsdien moet worden vastgesteld, dat verordening nr. 749/78 van de Commissie van 10 april 1978 betreffende de bepaling van oorsprong van de textielprodukten van de hoofdstukken 51 en 53 tot en met 62 van het gemeenschappelijk douanetarief, ongeldig is voor zover zij uitsluit dat ongebleekte katoenen garens die geverfd en eventueel ook gemerceriseerd en geschroeid worden, daardoor het karakter verkrijgen van produkt van oorsprong uit het land waar die bewerkingen hebben plaatsgevonden.

23. Gelet op het voorgaande, behoeft niet meer te worden onderzocht of deze verordening verenigbaar is met artikel 30 EEG-Verdrag.

24. In zoverre de vraag van het Tribunal de police te Straatsburg voorts betrekking heeft op de uitlegging van artikel 30 EEG-Verdrag, teneinde te kunnen vaststellen of door de nationale autoriteiten op grond van verordening nr. 749/78 ingestelde strafvervolgingen met dit artikel verenigbaar zijn en of het beperkingen stelt aan de sancties die in het kader van die vervolgingen kunnen worden opgelegd, is zij niet meer relevant. Het feit immers dat de verordening, voor zover betrekking hebbend op de bewerkingen en verwerkingen in geding, ongeldig is verklaard, verhindert dat zij, binnen de grenzen van deze ongeldigverklaring, door de nationale autoriteiten wordt toegepast. Het is dus niet nodig dit onderdeel van de vraag te beantwoorden.

#### Kosten

25. De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door het Tribunal de police te Straatsburg bij vonnis van 15 maart 1982 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Verordening nr. 749/78 van de Commissie van 10 april 1978 betreffende de bepaling van de oorsprong van de textielprodukten van de hoofdstukken 51 en 53 tot en met 62 van het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 101 van 1978, blz. 7), is ongeldig voor zover zij uitsluit dat ongebleekte katoenen garens die geverfd en eventueel ook gemerceriseerd en geschroeid worden, daardoor het karakter verkrijgen van produkt van oorsprong uit het land waar die bewerkingen hebben plaatsgevonden.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

8

verordening 802/68 art. 5 20 voorkomens

EEG-Verdrag art. 30 13 voorkomens

verordening 749/78 art. 2 6 voorkomens

EEG-Verdrag art. 115 3 voorkomens

verordening 749/78 art. 1 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 235 2 voorkomens

verordening 802/68 art. 14 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van de advocaat-generaal C-661/15 30.03.2017

#### [Douane-unie, communautair douanewetboek](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-661-15-conclusie)

## Rechtsleer

3

Usher, J.A.: The Origin of Cotton Yarn, European Law Review 1983 p.251-253

Feenstra, J.J.: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1984 p.163-165

Possen: Uitspraken van de tariefcommissie 1984 p.185-186
