Arrest
Bij beschikkingen van 14 januari en 11 februari 1991, ingekomen bij het Hof op 18 juni daaraanvolgend, heeft het Tribunal des affaires de sécurité sociale de l'Hérault krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag.
Die vragen zijn gerezen in twee gedingen, waarin Poucet en Pistre staan tegenover respectievelijk de Caisse mutuelle régionale du Languedoc-Roussillon (hierna: „Camulrac”), orgaan belast met het beheer van het stelsel van ziekte- en moederschapsverzekering van niet in de landbouw werkzame zelfstandigen, en haar contractorgaan („organisme conventionné”) Assurances générales de France (hierna: „AGF”), en de Caisse autonome nationale de compensation de ľ assurance vieillesse des artisans te Clermont-Ferrand (hierna: „Cancava”).
In die zaken verzetten Poucet en Pistre zich tegen aan hen betekende dwangbevelen tot betaling van sociale-zekerheidspremies aan voornoemde kassen. Zonder af te dingen op het beginsel van verplichte aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid, menen zij, dat zij zich daarvoor vrij moeten kunnen wenden tot elke particuliere verzekeringsmaatschappij in de Gemeenschap en zich niet behoeven te onderwerpen aan de eenzijdig vastgestelde condities van voornoemde organen, die een machtspositie zouden bekleden die onverenigbaar is met de verdragsbepalingen betreffende de vrije mededinging.
Van oordeel, dat in die gedingen vragen rijzen over de uitlegging van het gemeenschapsrecht, heeft het Tribunal des affaires de sécurité sociale de l'Hérault de behandeling van de zaken geschorst en het Hof de volgende, in beide zaken gelijkluidende, prejudiciële vragen gesteld:
„Is een met het beheer van een bijzonder stelsel van sociale zekerheid belast orgaan te beschouwen als een onderneming in de zin van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag?
Is de machtspositie die ingevolge het nationale recht van een Lid-Staat toevalt aan een met het beheer van een bijzonder stelsel van sociale zekerheid belast orgaan, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt?”
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de hoofdgedingen, de toepasselijke bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De eerste vraag
Vooraf zij eraan herinnerd, dat het gemeenschapsrecht niet afdoet aan de bevoegdheid van de Lid-Staten met betrekking tot de inrichting van hun socialezekerheidsstelsels (arrest van 7 februari 1984, zaak 238/82, Duphar, Jurispr. 1984, blz. 523, r. o. 16).
Binnen het socialezekerheidsstelsel dat in de hoofdgedingen aan de orde is, geldt voor niet in de landbouw werkzame zelfstandigen een verplichte sociale bescherming die verschillende autonome wettelijke stelsels omvat, waaronder het stelsel van ziekte- en moederschapsverzekering voor alle niet in de landbouw werkzame zelfstandigen en het stelsel van ouderdomsverzekering voor ambachtslieden. Het zijn deze twee stelsels waarom het in de onderhavige zaken gaat.
Deze stelsels hebben een sociaal doel en berusten op het solidariteitsbeginsel.
Zij beogen al hun aangeslotenen, ongeacht hun financiële situatie en gezondheidstoestand op het moment van aansluiting, dekking te verschaffen tegen de risico's van ziekte, ouderdom, overlijden en invaliditeit.
Met betrekking tot het solidariteitsbeginsel zij opgemerkt, dat de solidariteit in het stelsel van ziekte- en moederschapsverzekering tot uiting komt in het feit dat dat stelsel wordt gefinancierd door bijdragen die evenredig zijn aan de hoogte van het arbeidsinkomen of het ouderdomspensioen — enkel degenen die een invaliditeitspensioen genieten, en gepensioneerde verzekerden met buitengewoon bescheiden middelen zijn van premiebetaling vrijgesteld—, terwijl de uitkeringen voor alle verzekerden gelijk zijn. Voorts behouden degenen die niet meer bij het stelsel zijn aangesloten, gedurende een jaar hun recht op uitkeringen om niet. Deze solidariteit impliceert een herverdeling van inkomens tussen de meest welgestelden en degenen die, gezien hun middelen en gezondheidstoestand, bij gebreke van een dergelijke regeling van de noodzakelijke sociale bescherming verstoken zouden blijven.
In het stelsel van ouderdomsverzekering komt de solidariteit tot uiting in de omstandigheid dat de bijdragen van degenen die aan het arbeidsproces deelnemen, de financiering van de pensioenen van de gepensioneerden mogelijk maken. Zij komt ook tot uiting in de toekenning van pensioenrechten zonder dat premies zijn betaald, en van pensioenrechten die niet evenredig zijn aan de betaalde premie.
Ten slotte manifesteert de solidariteit zich tussen de verschillende socialezekerheidsstelsels: die met een overschot dragen bij aan de financiering van de stelsels met structurele financiële problemen.
Uit het voorgaande vloeit voort, dat die socialezekerheidsstelsels berusten op een systeem van verplichte aansluiting, dat onmisbaar is voor de toepassing van het solidariteitsbeginsel en voor het financiële evenwicht van die stelsels.
Blijkens het dossier is het beheer van de regelingen die in het hoofdgeding aan de orde zijn, bij wet opgedragen aan sociale-zekerheidskassen, wier werkzaamheden onder overheidstoezicht staan, dat met name wordt uitgeoefend door de minister van Sociale zekerheid, de minister van Begroting en overheidsinstanties als de algemene belastinginspectie en de algemene inspectie van de sociale zekerheid.
Bij de uitoefening van hun taak passen deze kassen de wet toe en kunnen zij dus op geen enkele wijze de hoogte van de premies, het gebruik van de fondsen of de vaststelling van het niveau van de prestaties beïnvloeden. Bij het beheer van de ziekte- en moederschapsverzekering kunnen de regionale ziekenkassen bepaalde instellingen, zoals die welke in Frankrijk onder de Code de la mutualité of de Code des assurances vallen, opdragen om voor hun rekening de premies te innen en de uitkeringen te doen. Op deze instellingen, die dus slechts optreden als lasthebbers van de ziekenkassen, hebben de verwijzingsbeschikkingen echter geen betrekking.
De vraag of het begrip onderneming in de zin van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag mede omvat de met het beheer van de stelsels van sociale zekerheid belaste organen, zoals die welke door de nationale rechter zijn genoemd, moet in het licht van het voorgaande worden beoordeeld.
Volgens de rechtspraak van het Hof (zie met name arrest van 23 april 1991, zaak C-41/90, Höfner en Eiser, Jurispr. 1991, blz. I-1979, r. o. 21) omvat het begrip onderneming in de context van het mededingingsrecht elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van die eenheid en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.
De ziekenkassen of de organen die meewerken aan het beheer van de openbare dienst van de sociale zekerheid, vervullen een taak van zuiver sociale aard. Hun werkzaamheid berust immers op het beginsel van nationale solidariteit en mist ieder winstoogmerk. De betaalde uitkeringen zijn wettelijke uitkeringen, die niet afhangen van het bedrag van de premies.
Hieruit volgt, dat die werkzaamheid geen economische activiteit is en dat de ermee belaste organen geen ondernemingen zijn in de zin van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag.
Gelet op het voorgaande moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat het begrip onderneming in de zin van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag niet de organen omvat die belast zijn met het beheer van socialezekerheidsstelsels als die welke in de verwijzingsbeschikkingen zijn beschreven.
De tweede vraag
Gezien het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede prejudiciële vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
De kosten door de Franse en de Duitse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Tribunal des affaires de sécurité sociale de l'Hérault bij beschikkingen van 14 januari en 11 februari 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Het begrip onderneming in de zin van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag omvat niet de organen díe belast zijn met het beheer van socialezekerheidsstelsels als die welke in de verwijzingsbeschikkingen zijn beschreven.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
4Rechtspraak
14Europese Unie
14Hof van JustitieC-185/1422.10.2015
Werkingssfeer
Hof van JustitieC-138/1112.07.2012
Mededinging, begrip ‚onderneming’
Hof van JustitieC-350/0705.03.2009