---
title: "HvJ EU, 157/79, arrest van 3 juli 1980 · Richtlijn 68/360 art. 3, EEG-Verdrag art. 48"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 juli 1980, 157/79: richtlijn 68/360 art. 3, EEG-Verdrag art. 48."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-157-79-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-157-79-arret"
---

# Arrest van het Hof van 3 juli 1980, 157/79 · Richtlijn 68/360 art. 3, EEG-Verdrag art. 48

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Eerste kamer

**Zaak**

157/79

**ECLI**

ECLI:EU:C:1980:179

**Datum**

3 juli 1980

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Magistrates' Court, Pontypridd (Verenigd Koninkrijk) beslissing van 5 september 1979

**Zaak ingediend op**

10 oktober 1979

**Advocaat-generaal**

Warner

**Opmerkingen**

Britse regering Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

Pontypridd Magistrates' Court beslissing van 14 augustus 1980

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Engels

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1980, blz. 2171

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Koopmans

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Vrij verkeer van personen en diensten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04%2C578-4.04) [Recht van toegang en verblijf](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.01)

  - [Beperkingen gerechtvaardigd uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.01.02) 6 beslissingen
  - [Wijze van uitoefening van het recht van toegang en verblijf](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.01.01) 3 beslissingen

## Tekst

75 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het procesverloop

1. Pieck is Nederlander. Uit zijn paspoort blijkt dat hij op 3 augustus 1973 voor het eerst het Verenigd Koninkrijk is binnengekomen en vervolgens bij verschillende gelegenheden aldaar verblijf heeft gehouden. Op 12 april 1976 werd zijn paspoort door het Nederlandse consulaat in Londen verlengd; bij die gelegenheid werd de vermelding van de woonplaats in het paspoort gewijzigd van „Wellington, Nieuw Zeeland” in „Cardiff, G.B.”. Pieck is sinds zijn binnenkomst in het Verenigd Koninkrijk op 3 december 1973 werkzaam als drukker bij de onderneming „Graphic Prints” te Taffs Weil bij Cardiff.

2.

Op 22 juli 1978 verliet Pieck het Verenigd Koninkrijk en keerde een week later, op 29 juli, terug. Telkens wanneer hij het Verenigd Koninkrijk binnenkwam, tekende de Immigratiedienst de datum en de plaats van binnenkomst in zijn paspoort aan, te zamen met de vermelding „given leave to enter the United Kingdom for six months”, overeenkomstig regel (Rule) 51 van de „Statement of Immigration Rules for Control on Entry (EEC and other Non-Commonwealth Nationals) (HC 81)”, vastgesteld dooide minister van Binnenlandse Zaken krachtens section 3, lid 2, van de „immigration Act 1971”.

Regel 51 luidt als volgt:

> „Bij toelating van een EEG-onderdaan mogen geen voorwaarden worden gesteld die zijn werkzaamheden in loondienst of anderszins in het Verenigd Koninkrijk beperken. De toelating geldt normaliter voor zes maanden, behalve in geval van terugkeer van iemand die in het Verenigd Koninkrijk woont of die in het bezit is van een geldige verblijfskaart (residence permit)”.

3.

Op 21 januari 1979 verstreek de periode van zes maanden waarvoor Pieck op 29 juli 1978 tot het Verenigd Koninkrijk was toegelaten. In maart 1979 vervoegde Pieck zich eigener beweging bij de politie van South Wales (South Wales Constabulary), waar hij uitlegde dat hij de toegestane verblijfsduur had overschreden en om advies vroeg. Men ried hem, zijn paspoort aan het ministerie van Binnenlandse Zaken te zenden met een verzoek om verlenging van de toelating. Pieck deed niets. Op 3 mei 1979 verzocht een politieagent hem, zijn paspoort te laten zien. Hij antwoordde: „Ik wilde het opsturen, maar ik ben het vergeten”. Op dezelfde dag werd Pieck overtreding ten laste gelegd van section 24, lid 1, sub b-i, van de Immigration Act 1971, dat luidt:

> (24) (1):„ Maakt zich schuldig aan een overtreding, welke kan worden bestraft *‚on summary conviction’* \[in een procedure zonder jury\] met een boete van ten hoogste £ 200 en/of gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden, de niet-patrial1 die ...
>
> b) hoewel slechts voor een bepaalde tijd tot.het Verenigd Koninkrijk toegelaten, opzettelijk...
>
> (i) de termijn waarvoor de toelating geldt, overschrijdt”.

De telastlegging tegen Pieck luidt als volgt:

> „Ter zake dat u, als *niet-patrial* en slechts voor een beperkte tijd tot het Verenigd Koninkrijk toegelaten, opzettelijk na 29 januari 1979, de datum waarop de toelatingstermijn verstreek, in het Verenigd Koninkrijk bent gebleven”.

Terzelfdertijd werd aan Pieck een mededeling betekend overeenkomstig section 6, lid 2, van de Immigration Act 1971, inhoudende dat, zo hij wegens bovengenoemde overtreding zou worden veroordeeld, de rechter krachtens section 3, lid b, van de Immigration Act 1971 bevoegd zou zijn een aanbeveling tot zijn uitzetting te doen.

4.

Op 12 juli 1979 verscheen Pieck voor het Pontypridd Magistrates' Court, alwaar hij het hem te lastgelègde niet ontkende, doch niettemin stelde niet schuldig te zijn. Met een beroep op artikel 48, lid 3, sub b en c, EEG-Verdrag en op de bepalingen van richtlijn nr. 68/360 betoogde hij dat de aanvankelijke toelating tot het Verenigd Koninkrijk voor de duur van zes maanden en het vereiste die toelating te doen verlengen, onverenigbaar waren met het Gemeenschapsrecht.

Bij beschikking van 5 september 1979 heeft het Magistrates' Court het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende drie vragen :

„1.Wat is bedoeld met „inreisvisum of vergelijkbare verplichting” in artikel 3, lid 2, van richtlijn nr. 68/360/EEG van de Raad van 15 oktober 1968?

2.Is het verenigbaar met de rechten die een EEG-onderdaan ontleent aan de artikelen 7 en 48 EEG-Verdrag en de richtlijnen nrs. 64/221/EEG van 25 februari 1964 en 68/360/EEG van 15 oktober 1968, dat hij bij binnenkomst in een Lid-Staat wordt toegelaten voor maximaal zes maanden?

3.(Alleen voor het geval vraag 2 bevestigend wordt beantwoord:) Wanneer een EEG-onderdaan, die voor maximaal zes maanden in een Lid-Staat is toegelaten aldaar in loondienst werkzaam is, doch nalaat een verblijfskaart (‚resident's permit’) aan te vragen en vervolgens de termijn van de toelating overschrijdt, mogen dan wegens deze wetsovertreding in die Lid-Staat sancties worden toegepast zoals gevangenisstraf en/of aanbeveling tot uitzetten?

De verwijzingsbeschikking is op 10 oktober 1979 bij het Hof ingekomen.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de regering van het Verenigd Koninkrijk, te dezen vertegenwoordigd door S. Brown, barrister, en G. Dagtoglou, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigden; door Pieck, te dezen vertegenwoordigd door A. Newman, barrister, geïnstrueerd door Spicketts, solicitors te Pontypridd; en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen te dezen vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A. McClellan als gemachtigde, bijgestaan door R. Plender, barrister.

De Director of Public Prosecutions heeft meegedeeld zich aan te sluiten bij de opmerkingen van de regering van het Verenigd Koninkrijk.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Samenvatting van de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

##### Eerste vraag

De regering van het Verenigd Koninkrijk wijst erop dat volgens artikel 3, lid 2, van richtlijn nr. 68/360 „geen inreisvisum of vergelijkbare verplichting \[kan\] worden opgelegd ...” Volgens het Verenigd Koninkrijk werkt een stelsel waarbij een „inreisvisum of vergelijkbare verplichting” té pas komt, als een soort zeef, waardoor het ontvangende land in staat wordt gesteld via zijn vertegenwoordigers in het buitenland de papieren, bedoelingen en regelingen van de betrokkene te controleren en, alvorens hij zich op reis begeeft, te beoordelen of hij tot het land kan worden toegelaten. Een visum wordt daarom nooit uitgereikt op de plaats van binnenkomst. Daarmee zou immers het gehele doel van de visumregeling worden ondergraven, daar het wezenlijke kenmerk van een visum is dat het een voorafgaande voorwaarde voor toelating is.

Uit de toepasselijke bepalingen blijkt duidelijk dat een visumregeling als door het Verenigd Koninkrijk wordt toegepast, niet geldt voor onderdanen van de EEG-landen. De regering van het Verenigd Koninkrijk verwijst met name naar de regels 8 t/m 10 van de „Statement of Immigration Rules for Control on Entry (EEC and other Non-Commonwealth Nationals) (HC 81)”; daarin wordt omschreven welke vreemdelingen een „entry clearance” nodig hebben („visa nationals”), maar onderdanen van EEG-landen behoren daar niet toe. Integendeel, regel 52 bepaalt juist:

„Een EEG-onderdaan die het Verenigd Koninkrijk wenst binnen te komen teneinde daar arbeid in loondienst te aanvaarden of te zoeken, een bedrijf te vestigen of als zelfstandige werkzaam te zijn, moet zonder arbeidsvergunning of enige andere voorafgaande toestemming worden toegelaten”.

De uitdrukking „geen inreisvisum of vergelijkbare verplichting” in artikel 3, lid 2, van richtlijn nr. 68/360 kan niet mede betrekking hebben op een aantekening, luidende „given leave to enter the United Kingdom for six months”, die op het moment en de plaats van binnenkomst in het Verenigd Koninkrijk in een paspoort wordt gestempeld, zoals het stempel dat op 29 juli 1978 in het paspoort van Pieck is geplaatst. Een dergelijk stempel beduidt slechts dat de betrokkene voor zes maanden tot het Verenigd Koninkrijk is toegelaten.

Een dergelijke toelating is evenmin een — met een visum op één lijn te stellen — vergunning. Zou het inderdaad zo een vergunning zijn en in dit opzicht onder het verbod van artikel 3, lid 2 van richtlijn nr. 68/360 vallen, dan zouden onderdanen van Lid-Staten een absoluut recht van toegang tot het grondgebied van een andere Lid-Staat hebben. Uit artikel 48 EEG-Verdrag en richtlijn nr. 64/221 blijkt duidelijk dat het vrije verkeer aan beperkingen is onderworpen.

Het voorgaande vindt voorts steun in het feit dat de uitdrukking „er kan geen inreisvisum of vergelijkbare verplichting worden opgelegd”, is bedoeld om de toepassing te verbieden van voorwaarden die onverenigbaar zijn met de regel van artikel 3, lid 1, dat de betrokkene persoon „op vertoon van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort zonder meer” moet worden toegelaten. De in het Verenigd Koninkrijk toegepaste procedure leidt niet tot dergelijke onverenigbaarheden. Van onderdanen van EEG-landen wordt niet meer geëist dan dat zij een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort kunnen tonen.

Pieck geeft een historische uiteenzetting over de betekenis van de woorden „visum” en „paspoort”. Tegenwoordig heeft het woord „visum” echter ook de betekenis van een stempel in het paspoort, dat aan de houder daarvan het recht verleent het betrokken land binnen te komen of te verlaten, eventueel op de voorwaarden die zijn vermeld in de aantekening waaruit het visum bestaat.

De twee rechthoekige stempels op bladzijde 14 van Piecks paspoort — bovendien op een bladzijde waarop bovenaan het woordt „visa” staat — vormen de formele toelating tot het Verenigd Koninkrijk, maar met een beperking voor wat de duur van het verblijf betreft, namelijk zes maanden. Pieck acht het irrelevant dat de toelating aan de grens wordt gegeven, vlak voor de binnenkomst, en niet op aanvraag bij een consulaat, voordat de houder van het paspoort naar het Verenigd Koninkrijk reist. Wat anderzijds wel relevant is, is dat de toelating wordt gegeven voordat de houder van het paspoort door de controle voor binnenkomende reizigers gaat.

Zelfs wanneer het woord „inreisvisum” in beperkte zin wordt opgevat, dus in die zin dat het stempel in het paspoort erbuiten valt, aldus Pieck, is de betekenis van de term „vergelijkbare verplichting” ruim genoeg om mede dit stempel te omvatten. Uit de Franse tekst van artikel 3, lid 2, van richtlijn nr. 68/360 blijkt duidelijk dat deze bepaling niet zozeer betrekking heeft op de formele aard van de desbetreffende aantekening als wel op de opgelegde verplichting. De omstandigheid dat Pieck, net zo als alle andere EEG-werknemers verplicht is toelating tot het Verenigd Koninkrijk te vragen, en bovendien na zes maanden verplicht is verlenging van deze toelating te vragen, vormt een verplichting die op één lijn is te stellen met de verplichting van een inreisvisum.

De Commissie wijst allereerst op de beperkingen die het Gemeenschapsrecht stelt aan de bevoegdheid van Lid-Staten ten aanzien van het toezicht op vreemdelingen, voor zover het onderdanen van andere Lid-Staten betreft. Zij merkt op dat artikel 3, lid 2, van richtlijn nr. 68/360 ten doel heeft een formaliteit op te heffen die een belemmering kan vormen voor het vrije verkeer van werknemers. Dit doel blijkt niet enkel uit de plaats van de richtlijn in het stelsel van wettelijke maatregelen ter uitvoering van artikel 48 EEG-Verdrag, maar ook uit haar ontstaansgeschiedenis. Hetzelfde verbod is te vinden in de voorlopers van richtlijn nr. 68/360, en wel in artikel 2, lid 4, van richtlijn nr. 64/240 van de Raad van 25 maart 1964 (PB van 1964, blz. 981) en artikel 3, leden 2 en 3, van de richtlijn van de Raad van 16 augustus 1961 (PB van 1961, blz. 1513).

###### Volgens de eerste overweging van de considerans van laatstgenoemde richtlijn had deze ten doel

„de afschaffing van administratieve procedures en handelwijzen en van wachttijden voor het aanvaarden van beschikbare betrekkingen, die een beletsel vormen voor het vrijmaken van het verkeer van werknemers ...”

Bezien in het licht van deze doelstelling, kan een document dat door een ambtenaar van de immigratiedienst in de haven van binnenkomst wordt afgegeven, duidelijk een beletsel vormen voor het recht van de werknemer zich naar een Lid-Staat te begeven en daar te verblijven teneinde er een beroep uit te oefenen, indien de periode gedurende welke de werknemer in die staat mag blijven, erdoor wordt beperkt. Deze conclusie lijkt ook voort te vloeien uit 's Hofs arrest in zaak 118/75 (Watson en Beimann, Jurispr. 1976, blz. 1185), waarin het Hof met betrekking tot een nationale wettelijke verplichting inzake het aanmelden van de aanwezigheid van vreemdelingen, overwoog:

„dat voor zover een nationale regeling ter zake van het toezicht op vreemdelingen geen beperkingen inhoudt van het vrije personenverkeer en van het recht, door het Verdrag aan onder het gemeenschapsrecht vallende personen verleend, om het grondgebied van de Lid-Staten te betreden en er te verblijven, de toepassing van zo een op objectieve elementen gebaseerde regeling geen ingevolge artikel 7 van het Verdrag verboden discriminatie op grond van nationaliteit is” (r.o. 22).

De Commissie concludeert hieruit dat het gemeenschapsrecht weliswaar het plaatsen van aantekeningen in een paspoort op zich niet verbiedt, maar wel het plaatsen van aantekeningen of de afgifte van andere documenten aan migrerende werknemers, die de rechten die deze aan het Verdrag ontlenen, beogen te beperken.

In de diplomatieke praktijk wordt de term „inreisvisum”, op zichzelf gebruikt, soms in engere zin gebezigd ter aanduiding van een document of stempel dat aan een vreemdeling wordt uitgereikt vóór hij zich bij een ambtenaar van de immigratiedienst aanmeldt, als prealabele voorwaarde voor zijn toelating tot een staat. In deze zin wordt de term kennelijk gebruikt in een reeks „overeenkomsten tot afschaffing van visa”, die vóór de oprichting van de Europese Gemeenschappen tussen de Europese staten zijn gesloten, alsmede in bepaalde andere internationale overeenkomsten.

Zelfs wanneer het woord „visum” alléén was gebruikt en er niet over andere „vergelijkbare verplichtingen” was gesproken, zou het mogelijk zijn geweest het op te vatten in een meer algemene zin, die ook een schriftelijke toelating tot een Lid-Staat omvat. Verwante betekenissen van de term „visum” zijn die welke betrekking hebben op iedere door het bevoegde gezag gemaakte aantekening of opmerking in een paspoort, certificaat of ander officieel document, waardoor de authenticiteit ervan wordt bevestigd of een bepaald rechtsgevolg eraan wordt verbonden. Een dergelijke definitie is ruim genoeg om mede een tijdelijke toelating tot een staat te omvatten.

In de context van de richtlijn moet de term „vergelijkbare verplichting” dan betrekking hebben op documenten die, evenals een visum, beperkingen van het vrije verkeer van werknemers in het leven roepen of handhaven. Het ligt in de aard van een visum dat het deze vrijheid beperkt, aangezien het voor de houder ervan de machtiging belichaamt om een staat binnen te komen, of de duur van zijn verblijf beperkt. Hetzelfde geldt voor elk document, voor elk stempel en elke aantekening, die met een soortgelijk oogmerk bij binnenkomst in een Lid-Staat is vereist.

Voor wat de functie van nationale administratieve documenten betreft, vestigt de Commissie vervolgens de aandacht op het parallellisme tussen het vrije verkeer van personen en dat van goederen. Nationale regelingen die het vereiste van inof uitvoervergunningen of enige andere soortgelijke procedure handhaven, zij het ook als een loutere formaliteit, vormen een belemmering voor het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap (gevoegde zaken 51 t/m 54/71, International Fruit Company, Jurispr. 1971, blz. 1107, r.o. 9). Evenzeer onverenigbaar met het vrije verkeer van personen is het, om werknemers die onder artikel 48 van het Verdrag vallen, te onderwerpen aan een controle bij binnenkomst, die onder meer bestaat in het geven van toelating tot de Lid-Staat. Vandaar dat de Lid-Staten ten aanzien van eenieder die de in het EEG-Verdrag neergelegde rechten geniet, niet langer de bevoegdheid hebben al dan niet toegang tot hun grondgebied te verlenen.

Mitsdien heeft de uitdrukking „inreisvisum of vergelijkbare verplichting” in artikel 3, lid 2 van richtlijn nr. 68/360 van 15 oktober 1968 betrekking op ieder document, aantekening, stempel of certificaat, hoe ook genoemd of omschreven, dat aan een onderdaan van een Lid-Staat wordt gegeven in verband met zijn binnenkomst in een Lid-Staat, hetzij als vereiste voor toelating, hetzij als bewijs van toelating, en dat in enigerlei mate of in enigerlei opzicht een beperking vormt van de door het Verdrag toegekende vrijheid van het personenverkeer.

##### Tweede vraag

De regering van bet Verenigd Koninkrijk wijst erop dat het enige effect van de aantekening „given leave to enter the United Kingdom for six months” is, dat aan de betrokkene kenbaar wordt gemaakt dat hij op regelmatige wijze is toegelaten. Hieruit volgt dat zo iemand over een termijn van zes maanden beschikt om een verblijfskaart te verkrijgen; hierop heeft hij, behoudens overwegingen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, een absoluut recht.

Uit de feiten van deze zaak blijkt dat Pieck door de in het Verenigd Koninkrijk gevolgde praktijk niet op een dwaalspoor is gebracht. De regering van het Verenigd Koninkrijk wijst er bovendien op, dat de „Statements of Immigration Rules”, officiëel gepubliceerde en gemakkelijk verkrijgbare stukken, een duidelijke uiteenzetting van de situatie bevatten. Zo bepaalt regel 34 van de „Statement of Immigration Rules for Control after Entry (EEC and other Non-Commonwealth Nationals) (HC 82)”:

„Wanneer degene die voor zes maanden is toegelaten, in dienstbetrekking treedt, moet hem een verblijfskaart worden verstrekt. De geldigheidsduur van de verblijfskaart wordt beperkt tot de duur van de werkzaamheden, wanneer deze naar verwachting minder dan 12 maanden bedragen. In alle andere gevallen dient de verblijfskaart vijf jaar geldig te zijn. Normaliter zal geen verblijfskaart worden gegeven wanneer de betrokkene aan het einde van de periode van zes maanden waarvoor hij was toegelaten, nog geen werk heeft gevonden of wanneer hij gedurende die tijd ten laste van de openbare middelen is gekomen”.

Wat het tijdsverloop tot de afgifte van een verblijfskaart betreft, kan niet worden gesteld dat deze kaart op het tijdstip en de plaats van binnenkomst moet worden afgegeven. Integendeel, de artikelen 4, lid 3, 6, lid 3 en 8 van richtlijn nr. 68/360 en artikel 5, leden 1 en 2, van richtlijn nr. 64/221 impliceren duidelijk dat er enige tijd mag verstrijken tussen de binnenkomst van de betrokkene en de afgifte van de verblijfskaart. Een periode van zes maanden is in dit opzicht geen onredelijk korte tijd; zij is zelfs twee keer zo lang als in de meeste andere Lid-Staten.

Ten slotte verwijst de regering van het Verenigd Koninkrijk naar het arrest van het Hof in zaak 8/77 (Sagulo e.a., Jurispr. 1977, blz. 1495, r.o. 11 en 12) ter bevestiging van haar stelling dat het vereiste voor onderdanen van EEG-landen om zich van een verblijfskaart te voorzien, geen element van discriminatie op grond van nationaliteit bevat.

Pieck merkt op dat het recht op afgifte van een verblijfskaart aan het eind van de periode van zes maanden, geenszins automatisch is, zoals blijkt uit regel 34 van de „Statement of Immigration Rules for Control after Entry” (HC 82). Dat de administratie te dezen een discretionaire bevoegdheid heeft, blijkt met name uit regel 4, die luidt als volgt:

„In de volgende paragrafen worden de belangrijkste groepen personen behandeld die tijdelijk kunnen worden toegelaten en die om verlenging van hun toelating kunnen verzoeken, alsmede de beginselen die bij de behandeling van hun aanvraag om toelating of verlenging van toepassing zijn. Bij de beslissing daarover moet met alle relevante feiten rekening worden gehouden; het feit dat verzoeker voldoet aan de in deze regeling gestelde formele vereisten voor verblijf of verder verblijf in de beoogde hoedanigheid, behoeft de beslissing niet per se in zijn voordeel te doen uitvallen. Van belang is bij voorbeeld of hij de termijn waarvoor en voorwaarden waaronder hij is toegelaten, in acht heeft genomen; of het, gezien zijn persoonlijkheid, gedrag en contacten, onwenselijk is verder verblijf toe te staan; of hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid; of hij, zo hem wordt toegestaan de gewenste tijd te blijven, wellicht niet naar een ander land kan worden teruggezonden”.

Het ontbreken van een automatisch recht op een verblijfskaart en de strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting om verlenging van de aanvankelijke toelating aan te vragen, zijn onverenigbaar met de rechten die door het Verdrag worden toegekend.

Met betrekking tot de aanvankelijke toelating voor de duur van zes maanden, stelt Pieck zich op het standpunt dat dit zowel in strijd is met het beginsel van het vrije verkeer van personen, neergelegd in artikel 3, sub c, van het Verdrag als onverenigbaar met het in artikel 48, lid 3, sub c, van het Verdrag gegarandeerde recht op verblijf. Een aanvankelijke toelating voor zes maanden is een „administratieve procedure” of „handelwijze” in de zin van artikel 49, sub b, dan wel een „andere beperking” in de zin van artikel 49, sub c. Het is met name in strijd met de in artikel 1 van richtlijn nr. 68/360 neergelegde verplichting, bezien in het licht van artikel 49 van het Verdrag.

Pieck betwist het argument dat in het hoofdgeding door de vervolgende instantie naar voren is gebracht, als zou de tot zes maanden beperkte toelating een noodzakelijke administratieve voorziening zijn voor het toezicht op EEG-onderdanen, voor zover dit betekent dat zij zich bij verlenging van hun verblijf of voor het aanvragen van een verblijfskaart bij de immigratiedienst moeten melden. De enige meldingsplicht die het gemeenschapsrecht toelaat, is de in artikel 8, lid 2, van de richtlijn omschreven verplichting. Deze bepaling heeft echter alleen betrekking op werknemers die arbeid verrichten waarvan de te verwachten duur niet meer dan drie maanden bedraagt, en op bepaalde seizoenarbeiders.

Bovendien maken de aanvankelijke toelating voor een beperkte periode evenals de verplichting om verlenging van deze toelating aan te vragen, in zoverre inbreuk op artikel 7 van. het Verdrag dat een dergelijke beperking niet geldt voor Britse onderdanen.

De Commissie merkt allereerst op dat het recht van de onderdanen van een Lid-Staat om het grondgebied van een andere Lid-Staat binnen te komen en er te verblijven, door het Verdrag of, al naar het geval, door de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen rechtstreeks wordt toegekend aan eenieder die onder de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt: vgl. de arresten in de zaken 48/75 (Royer, Jurispr. 1976, blz. 511), 118/75 (Watson en Beimann, ibid., blz. 1197 en 1200) en 8/77 (Sagulo e.a., Jurispr. 1977, blz. 1503). Het bestaan van deze rechten is niet afhankelijk van de toestemming van de betrokken Lid-Staat.

Vervolgens zet de Commissie uiteen, onder welke voorwaarden de Lid-Staten krachtens richtlijn nr. 68/360 verblijfskaarten moeten afgeven. De artikelen 8 en 6, lid 3, geven speciale regels voor bepaalde groepen werknemers, waaronder zij die tijdelijk werk verrichten. Voor alle andere gevallen bepaalt artikel 6, lid 1, dat de verblijfskaart een geldigheidsduur moet hebben van ten minste vijf jaar te rekenen vanaf de datum van afgifte, en dat hij zonder meer moet kunnen worden verlengd. In artikel 4, lid 2, en in de bijlage bij de richtlijn worden nadere regels gegeven over de vorm van de verblijfskaart.

Gelet op het dwingende karakter van deze bepalingen, mogen de Lid-Staten geen andere verblijfsvergunningen dan de hier genoemde verblijfskaart verlangen of de toelating tot zes maanden beperken. Richtlijn nr. 64/221 is voor dit punt niet relevant.

De Commissie concludeert, dat wanneer een EEG-onderdaan bij binnenkomst in een Lid-Staat toelating krijgt om gedurende een periode van slechts zes maanden te blijven, dit onverenigbaar is met de rechten die de artikelen 7 en 48 van het Verdrag alsmede richtlijn nr. 68/360 een EEG-onderdaan garanderen.

##### Derde vraag

Alvorens deze vraag te beantwoorden, merkt de regering van het Verenigd Koninkrijk op, dat aan Pieck op 3 mei 1979 niet enkel een overtreding van artikel 24 van de „Immigration Act 1971” ten laste is gelegd, maar ook diefstal van een dameshandtas. Op 12 juli 1979 heeft hij dit laatste feit bekend; hem werd een proeftijd met verplicht reclasseringscontact opgelegd en hij werd veroordeeld tot betaling van een schadeloosstelling van £ 1,50 en van £ 15 proceskosten.

Wat de overtreding van artikel 24 van de „Immigration Act 1971” betreft, beweert de regering van het Verenigd Koninkrijk niet dat een dergelijke lichte overtreding in het geval van een werknemer kan worden bestraft met „maatregelen waaronder ... een aanbeveling tot uitzetting”. Zij meent echter dat, indien zulk een overtreding moet worden beschouwd als een opzettelijke en van van minachting voor de wet getuigende weigering zich te melden, dit in uitzonderingsgevallen alleen reeds voldoende is om een gevangenisstraf te rechtvaardigen. Bij de bepaling van de strafmaat kan de rechter daarmee op gepaste wijze rekening houden evenals met alle andere relevante misdragingen.

Pieck stelt zich op het standpunt dat een EEG-werknemer die voor een beperkte periode is toegelaten, van rechtswege aanspraak kan maken op verlenging van die toelating en op afgifte van een verblijfskaart. Het verblijfsrecht wordt rechtstreeks door het Verdrag toegekend en staat daarom los van de afgifte van een verblijfskaart. Het enkele in gebreke blijven bij het vervullen van de nationale formaliteiten betreffende toegang, verplaatsing en verblijf van vreemdelingen, kan geen inbreuk opleveren op de veeistenr van openbare orde en openbare veiligheid en kan daarom evenmin een uitzettingsbevel rechtvaardigen (arrest in zaak 48/75, Royer, Jurispr. 1976, blz. 497, r.o. 31 t/m 33 en 38 t/m 40). Hetzelfde dient te gelden ten aanzien van een aanbeveling tot uitzetting (arrest in zaak 30/77, Bouchereau, Jurispr. 1977, blz. 1999, r.o. 16).

In dit geval ware een gevangenisstraf zozeer onevenredig aan de ernst van de overtreding, dat zij een belemmering zou vormen voor het vrije personenverkeer (arrest in zaak 118/75, Watson en Belmann, Jurispr. 1976, blz. 1185).

De Commissie verwijst naar het arrest in zaak 8/77 (Sagulo e.a., Jurispr. 1977, blz. 1495), waarin werd beklemtoond dat dwangmaatregelen in verhouding moeten staan tot de inbreuk op nationale, overeenkomstig richtlijn nr. 68/360 vastgestelde bepalingen (r.o. 6). Verder is van de sancties waarmee de niet-naleving van de aanmeldings- en registratieformaliteiten wordt bedreigd, uitzetting stellig onverenigbaar met de bepalingen van het Verdrag (arrest in zaak 118/75, Watson en Belmann, Jurispr. 1976, blz. 1185, r.o. 20).

Ten slotte impliceert het door de Commissie voorgestelde antwoord op de tweede vraag, namelijk dat toelating voor een periode van zes maanden onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, dat het antwoord op de derde vraag ontkennend moet luiden.

#### III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 8 mei 1980 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door Pieck, voor de mondelinge behandeling vertegenwoordigd door A. Newman, barrister; de regering van het Verenigd Koninkrijk, voor de mondelinge behandeling vertegenwoordigd door S. Brown, barrister; en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, voor de mondelinge behandeling vertegenwoordigd door A. McClellan als gemachtigde en R. Plender, barrister.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de regering van het Verenigd Koninkrijk onder meer opgemerkt, dat — anders dan uit de verklaring van Pieck naar voren komt, waarin uitsluitend wordt verwezen naar regel 4 van de „Statement of Immigration Rules for Control after Entry (EEC and other Non-Commonwealth Nationals) (HC 82)” — de bevoegde Britse instanties geen enkele discretionaire bevoegdheid hebben ten aanzien van EEG-onderdanen. Afdeling II van de Rules, getiteld „Nationals of EEC-countries”, bepaalt immers in regel 32:

„Deze afdeling van de Rules is uitsluitend van toepassing op onderdanen van België, Denemerken, Frankrijk, Duitsland, Italië, Luxemburg en Nederland en hun gezinnen en stelt, in de mate als hierna aangegeven, de regels van afdeling I van deel A ter zijde. Voor het overige zijn de delen A en Β evenzo van toepassing op onderdanen van deze landen als op onderdanen van andere landen.”

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 4 juni 1980 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij beschikking van 5 september 1979, ingekomen ten Hove op 10 oktober daaropvolgend, heeft het Pontypridd Magistrates' Court krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof drie vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 7 en 48 van het Verdrag alsmede van 's Raads richtlijnen nr. 64/221 van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid (PB van 1964, blz. 850), en nr. 68/360 van 15 oktober 1968 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der Lid-Staten en van hun familie binnen de Gemeenschap (PB L 257 van 1968, blz. 13).

2. Voor de nationale rechter is een strafvervolging ingesteld tegen een Nederlands onderdaan, wonend in Cardiff, Wales, en aldaar in loondienst werkzaam, aan wie ten laste wordt gelegd dat hij, hoewel geen „patrial” (Brits onderdaan met recht van woonplaats in het Verenigd Koninkrijk) en slechts tot het Verenigd Koninkrijk toegelaten voor een verblijf van beperkte duur, opzettelijk de toegestane duur van dat verblijf heeft overschreden. Verdachte beschikte niet over een verblijfskaart; bij zijn laatste binnenkomst op Brits grondgebied op 29 juli 1978, was in zijn paspoort de aantekening gestempeld: „given leave to enter the United Kingdom for six months”.

#### De eerste vraag

3. In de eerste plaats vraagt de verwijzende rechter welke de betekenis is van de uitdrukking „inreisvisum of vergelijkbare verplichting” in artikel 3, lid 2, van richtlijn nr. 68/360.

4. Het Hof heeft reeds herhaaldelijk vastgesteld dat het recht van onderdanen van een Lid-Staat om het grondgebied van een andere Lid-Staat binnen te komen en er met de in het Verdrag genoemde oogmerken te verblijven, rechtstreeks voortvloeit uit het Verdrag of, al naar het geval, uit de ter uitvoering daarvan gegeven bepalingen.

5. Volgens haar considerans heeft richtlijn nr. 68/350 tot doel maatregelen inzake de opheffing van de nog bestaande beperkingen ten aanzien van de verplaatsing en het verblijf binnen de Gemeenschap, vast te stellen die in overeenstemming zijn met de rechten en de bevoegdheden welke aan de onderdanen van de Lid-Staten worden toegekend bij verordening nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257 van 1968, blz. 2). Hiertoe stelt de richtlijn de voorwaarden vast waaronder de onderdanen van de Lid-Staten het recht om het grondgebied van hun staat van herkomst te verlaten teneinde op het grondgebied van een andere Lid-Staat arbeid in loondienst te aanvaarden, alsmede hun recht van toegang en van verblijf in laatstgenoemde staat, kunnen uitoefenen.

6. Dienaangaande bepaalt artikel 3, lid 1, van de richtlijn dat de Lid-Staten de personen op wie verordening nr. 1612/68 van toepassing is, op vertoon van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort zonder meer op hun grondgebied toelaten. Lid 2 voegt hieraan toe dat aan die werknemers geen inreisvisum of vergelijkbare verplichting kan worden opgelegd.

7. Tijdens de procedure voor het Hof heeft de Britse regering staande gehouden dat de term „inreisvisum” uitsluitend betrekking heeft op een inreisvergunning die de reiziger vóór zijn aankomst bij de grens wordt gegeven in de vorm van een aantekening in zijn paspoort of van een afzonderlijk document. Een stempel houdende toelating tot het grondgebied, dat op het tijdstip van binnenkomst in het paspoort wordt geplaatst, zou daarentegen niet als een inreisvisum of vergelijkbaar document zijn te beschouwen.

8. Deze stelling kan niet worden aanvaard. Voor de toepassing van de richtlijn, die de afschaffing van de beperkingen op de verplaatsing en het verblijf van gemeenschapswerknemers binnen de hele Gemeenschap tot doel heeft, is het tijdstip waarop een vergunning om het grondgebied van een Lid-Staat te betreden, wordt gegeven en in een paspoort of ander document wordt aangetekend, niet van belang. Bovendien mag het door het gemeenschapsrecht toegekende recht van gemeenschapswerknemers om het grondgebied van een Lid-Staat binnen te komen niet afhankelijk worden gesteld van de afgifte van een vergunning van die strekking door de instanties van die Lid-Staat.

9. Weliswaar hebben de betrokken werknemers geen onbeperkt recht op toelating. Het enige voorbehoud evenwel dat artikel 48 van het Verdrag maakt ten aanzien van het recht van vrij verkeer op het grondgebied van de Lid-Staten, heeft betrekking op beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid. Dit voorbehoud moet niet worden gezien als een voorafgaande voorwaarde voor de verkrijging van het recht op toelating en verblijf, maar als een mogelijkheid om in individuele gevallen, waarin de omstandigheden zulks rechtvaardigen, de uitoefening van een rechtstreeks aan het Verdrag ontleend recht te beperken. Het vormt dus geen rechtvaardiging voor administratieve maatregelen die in algemene zin andere formaliteiten aan de grens verlangen dan het eenvoudige vertoon van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort.

10. Op de eerste vraag dient derhalve te worden geantwoord, dat artikel 3, lid 2, van richtlijn nr. 68/360, waarbij het de Lid-Staten wordt verboden aan gemeenschapswerknemers die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, een inreisvisum of vergelijkbare verplichting op te leggen, aldus moet worden uitgelegd, dat de uitdrukking „inreisvisum of vergelijkbare verplichting” betrekking heeft op iedere formaliteit waarbij toestemming wordt gegeven het grondgebied van een Lid-Staat te betreden en die komt naast de controle aan de grens van het paspoort of de identiteitskaart, ongeacht de plaats of het tijdstip waarop of de vorm waarin die toestemming wordt gegeven.

#### De tweede vraag

11. Met zijn tweede vraag wenst de nationale rechter te vernemen of de aanvankelijke toelating voor de duur van zes maanden, die aan een gemeenschapsonderdaan bij diens binnenkomst in een Lid-Staat wordt gegeven, verenigbaar is met de artikelen 7 en 48 van het Verdrag alsmede met de richtlijnen nrs. 64/221 en 68/360.

12. Artikel 4 van richtlijn nr. 68/360 bepaalt dat de Lid-Staten het recht van verblijf op hun grondgebied toekennen aan de in de richtlijn bedoelde personen, en voegt hieraan toe dat dit recht door de afgifte van een bijzonder verblijfsdocument „wordt vastgesteld”. Deze bepaling moet worden uitgelegd in het licht van de considerans van de richtlijn, volgens welke de regeling die van toepassing is op het verblijf, de positie van de werknemers van de andere Lid-Staten zoveel mogelijk in overeenstemming dient te brengen met die van nationale onderdanen.

13. Gelijk het Hof reeds overwoog in het arrest van 14 juli 1977 in zaak 8/77 (Sagulo e.a., Jurispr. 1977, blz. 1495), heeft de afgifte van het in voornoemd artikel 4 bedoelde bijzondere verblijfsdocument slechts declaratoire werking en kan zij voor vreemdelingen die aan artikel 48 of overeenkomstige bepalingen van het Verdrag rechten ontlenen, niet worden gelijkgesteld met een verblijfsvergunning zoals voor vreemdelingen in het algemeen is voorzien en bij de afgifte waarvan de nationale instanties over een discretionaire bevoegdheid beschikken. Het Hof leidde hieruit af, dat een Lid-Staat van een door het gemeenschapsrecht beschermde persoon niet mag verlangen dat hij in het bezit is van een verblijfsvergunning in plaats van het document bedoeld in artikel 4 van richtlijn nr. 68/360.

14. Het antwoord op de tweede vraag blijkt dus reeds in voornoemd arrest door het Hof te zijn gegeven.

#### De derde vraag

15. In de derde plaats wordt gevraagd of een Lid-Staat tegen een gemeenschapsonderdaan die de in de verblijfsvergunning genoemde termijn heeft overschreden strafrechtelijke maatregelen kan nemen, waaronder gevangenisstraf of een aanbeveling tot uitzetting.

16. In voornoemd arrest van 14 juli 1977 heeft het Hof reeds overwogen dat de toepassing van strafsancties of andere dwangmaatregelen is uitgesloten, voor zover een door het gemeenschapsrecht beschermde persoon zich niet voegt naar de nationale voorschriften die voor een zodanige persoon het bezit van een verblijfsvergunning in plaats van het in richtlijn nr. 68/360 bedoelde document voorschrijven, aangezien de nationale instanties de miskenning van een met het gemeenschapsrecht onverenigbaar voorschrift niet met sancties mogen treffen.

17. Gelet evenwel op de door de nationale rechter vastgestelde omstandigheden van het geval en in het licht van het zojuist op de tweede vraag gegeven antwoord, kan de derde vraag ook aldus worden verstaan, dat daarin het probleem aan de orde wordt gesteld, of het feit dat een gemeenschapsonderdaan op wie de voorschriften inzake het vrije verkeer van werknemers van toepassing zijn, nalaat zich te voorzien van het in artikel 4 van richtlijn nr. 68/360 bedoelde bijzondere verblijfsdocument, kan worden gesanctioneerd met straffen, waaronder gevangenisstraf of een aanbeveling tot uitzetting.

18. Als sanctie op de niet-nakoming van de ter vaststelling van het verblijfsrecht van een door het gemeenschapsrecht beschermde werknemer vereiste formaliteiten, is uitzetting stellig onverenigbaar met het Verdrag, aangezien die maatregel, zoals het Hof reeds in ander verband heeft verklaard, de ontkenning is van het door het Verdrag verleende en gewaarborgde recht.

19. Wat nu de andere straffen betreft, zoals geldboete en gevangenisstraf, ofschoon de nationale instanties op overtreding van de bepalingen betreffende verblijfsdocumenten sancties kunnen stellen die vergelijkbaar zijn met die welke van toepassing zijn bij lichte overtredingen door eigen onderdanen, is het niettemin niet gerechtvaardigd een straf op te leggen die zozeer onevenredig is aan de ernst van de overtreding, dat zij tot een hinderpaal voor het vrije personenverkeer zou worden. Dit zou met name het geval zijn indien die sanctie gevangenisstraf omvatte.

20. Uit het voorgaande volgt dat, zo een gemeenschapsonderdaan op wie de regeling inzake het vrije verkeer van werknemers van toepassing is, nalaat zich te voorzien van het in artikel 4 van richtlijn nr. 68/360 bedoelde speciale verblijfsdocument, dit niet kan worden bestraft met een aanbeveling tot uitzetting of met straffen tot gevangenisstraf toe.

#### De kosten

21. De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

uitspraak doende op de door het Pontypridd Magistrates' Court te Mid Glamorgan, Wales, bij beschikking van 5 september 1979 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1\. Artikel 3, lid 2, van richtlijn nr. 68/360 van de Raad van 15 oktober 1968, waarbij het de Lid-Staten wordt verboden aan gemeenschapswerknemers die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, een inreisyisum of vergelijkbare verplichting op te leggen, moet aldus worden uitgelegd, dat de uitdrukking „inreisvisum of vergelijkbare verplichting” betrekking heeft op iedere formaliteit waarbij toestemming wordt gegeven het grondgebied van een Lid-Staat te betreden en die komt naast de controle aan de grens van het paspoort of de identiteitskaart, ongeacht de plaats of het tijdstip waarop of de vorm waarin die toestemming wordt gegeven.

2\. De afgifte van het in artikel 4 van richtlijn nr. 68/360 van de Raad van 15 oktober 1968 bedoelde bijzondere verblijfsdocument heeft slechts declaratoire werking en kan voor vreemdelingen die aan artikel 48 of overeenkomstige bepalingen van het Verdrag rechten ontlenen, niet worden gelijkgesteld met een verblijfsvergunning, zoals voor vreemdelingen in het algemeen is voorzien en bij de afgifte waarvan de nationale instanties over een discretionaire bevoegdheid beschikken. Een Lid-Staat mag van een door het gemeenschapsrecht beschermde persoon niet verlangen dat hij in het bezit is van een verblijfsvergunning in plaats van het document bedoeld in artikel 4, lid 2 van richtlijn nr. 68/360 juncto de bijlage daarvan.

3\. Laat een gemeenschapsonderdaan op wie de regeling inzake het vrije verkeer van werknemers van toepassing is, na zich te voorzien van het in artikel 4 van richtlijn nr. 68/360 bedoelde speciale verblijfsdocument, dan kan dit niet worden bestraft met een aanbeveling tot uitzetting of met straffen tot gevangenisstraf toe.

### Voetnoten

- 1 Een patriat is een Brits onderdaan met recht van woonplaats in het Verenigd Koninkrijk (n.v.d.v.).
- 2 Bij voorbeeld de overeenkomst van 5 februari 1947 tussen het Verenigd Koninkrijk en België (UKTS 4 (1947), Cmd. 7038), vervangen door de overeenkomst van 1 april I960 (UKTS 40 (1960), Cmd. 1091).
- 3 Vgl. de Europese overeenkomst over de afschaffing van visa voor vluchtelingen, Trb. 1959, nr. 153; de slotakte en overeenkomst van de intergouvernementele conferentie over de vaststelling van een reisdocument voor vluchtelingen (1947, UKTS 3 (1947), Cmd. 7033); de paragrafen 8 t/m 10 van de bijlage bij het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1951, nr. 131); artikel 5 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963 (Trb. 1965, nr. 40).
- 4 Vgl. Sirey, Dictionnaire de la terminologie du droit international, 1960 Black's Law Dictionary, 168; Jowitt's Dictionary of English Law, 1968; Luke T. Lee, Consular Law and Practice, 1961.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

14

richtlijn 68/360 art. 3 uitgelegd 10 voorkomens

EEG-Verdrag art. 48 uitgelegd 8 voorkomens

richtlijn 68/360 art. 4 uitgelegd 8 voorkomens

EEG-Verdrag art. 7 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 3 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 49 1 voorkomen

richtlijn 64/221 art. 5 1 voorkomen

richtlijn 64/240 art. 2 1 voorkomen

richtlijn 64/240 art. 3 1 voorkomen

richtlijn 68/350 art. 3 1 voorkomen

richtlijn 68/360 art. 1 1 voorkomen

richtlijn 68/360 art. 6 1 voorkomen

richtlijn 68/360 art. 8 1 voorkomen

## Rechtspraak

2

### Europese Unie

2

Conclusie van advocaat-generaal Jacobs C-312/91 22.04.1993

#### [EEG-Verdrag art. 95 en art. 36](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-312-91-conclusie)

Hof van Justitie 299/86 25.02.1988

#### [EEG-Verdrag art. 95 en art. 100](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-299-86-arrest)

## Rechtsleer

9

Wyatt, Derrick: Article 48: Permissible Entry Formalities for Nationals of Member States, European Law Review 1980 p.380-388 (EN)

Evans, A.C.: Immigration Control and European Community Nationals, The Scots Law Times 1980 p.249-250 (EN)

Druesne, Gérard: Revue trimestrielle de droit européen 1980 p.774-778 (FR)

Barav, Ami: Court Recommendation to Deport and the Free Movement of Workers in EEC Law, European Law Review 1981, p. 139-161 (EN)

Evans, A.: Deportation and European Community Law. Recent Cases, The Journal of the Law Society of Scotland 1981 p.186-187 (EN)

**Bekijk de 4 andere verwijzingen**

Boonk, H.: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1981 p.499-502 (NL)

Rinoldi, Dino: Brevi note in materia di diritto di soggiorno dei cittadini degli Stati membri delle Comunità europee sul territorio di un altro Stato membro, Diritto comunitario e degli scambi internazionali 1981 p.68-79 (IT)

X: Alcance de las restricciones imponibles por los Estados miembros al libre desplazamiento de los ciudadanos comunitarios sobre su territorio, Gaceta Jurídica de la CEE - Boletín 1989 nº 42 p.7-10 (ES)

Groenendijk, C.A.: Rechtspraak Vreemdelingenrecht in 100 uitspraken (Ed. Ars Aequi Libri - Nijmegen) 2001 nº 96 (NL)
