---
title: "HvJ EU, 156/77, arrest van 12 oktober 1978 · Verordening 1107/70 art. 4 en art. 3"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 oktober 1978, 156/77: verordening 1107/70 art. 4 en art. 3."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-156-77-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-156-77-arret"
---

# Arrest van het Hof van 12 oktober 1978, 156/77 · Verordening 1107/70 art. 4 en art. 3

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

156/77

**ECLI**

ECLI:EU:C:1978:180

**Datum**

12 oktober 1978

## De zaak

**Procedure**

Beroep wegens niet-nakoming gegrond

**Zaak ingediend op**

21 december 1977

**Advocaat-generaal**

Mayras

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Frans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1978, blz. 1881

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Bosco

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19)

    - [Beroep wegens niet-nakoming](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.01) [Procedure van artikel 88 EG](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.01.01) 4 beslissingen
    - [Exceptie van onwettigheid](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.06) Procedures waarin de exceptie ontvankelijk is
  - [Vervoer](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-06) [Steun in de vervoersector](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-06.02) 2 beslissingen

## Tekst

51 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten en de door partijen tijdens de schriftelijke behandeling voorgedragen argumenten kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en de schriftelijke behandeling

1.

Krachtens artikel 70 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en paragraaf 10, tweede en derde alinea, sub 2, van de „Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen” (hierna „Overeenkomst overgangsbepalingen” genoemd), hebben de Vertegenwoordigers van de regeringen der Lid-Staten van de EGKS in het kader van de Raad bijeen, op 21 maart 1955 een „Overeenkomst betreffende de invoering van directe internationale spoorwegtarieven” gesloten (hierna „Overeenkomst van 1955” genoemd; PB 1955, blz. 701), welke vervolgens bij de Overeenkomsten van 16 maart 1956 (PB 1956, blz. 130) en 23 maart 1959 (PB 1959, blz. 431) is aangevuld en gewijzigd.

De doelstellingen van de Overeenkomst van 1955 zijn met name die welke in artikel 70, tweede alinea, EGKS-Verdrag en meer in het bijzonder in paragraaf 10, tweede en derde alinea, sub 2, van de Overeenkomst overgangsbepalingen worden vermeld, namelijk:

—met betrekking tot het vervoer tussen de deelnemende Staten opheffing van de discriminaties in vrachtprijzen en vervoervoorwaarden van welke aard dan ook, welke zijn gebaseerd op het land van oorsprong of bestemming van de produkten;

—instelling voor het vervoer binnen de Gemeenschap van directe internationale tarieven waarbij rekening wordt gehouden met de totale afstand en welke een degressief karakter dragen, zonder dat vooruitgelopen wordt op de verdeling der opbrengsten tussen de belanghebbende vervoerondernemingen.

2.

Anderzijds heeft de Europese Economische Gemeenschap, vanaf 's Raads beschikking van 13 mei 1965 betreffende de harmonisatie van bepaalde voorschriften die van invloed zijn op de mededinging in het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PB 1965, blz. 1500) — gewijzigd bij 's Raads beschikking van 27 januari 1970 (PB 1970, L 23, blz. 24) —, een actie ondernomen om de dispariteiten op te heffen die de concurrentievoorwaarden op vervoergebied vervalsen.

Ter uitvoering van deze beschikking heeft de Raad de volgende besluiten vastgesteld:

—verordening nr. 1191/69 van 26 juni 1969 betreffende het optreden van de Lid-Staten ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PB 1969, L 156, blz. 1);

—verordening nr. 1192/69 van 26 juni 1969 betreffende de gemeenschappelijke regels voor de normalisatie van de rekeningstelsels van de spoorwegondernemingen (PB 1969, L 156, blz. 8);

—verordening nr. 1107/70 van 4 juni 1970 betreffende de steunmaatregelen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PB 1970, L 130, blz. 1), gewijzigd bij verordening nr. 1473/75 van 20 mei 1975 (PB 1975, L 152, blz. 1);

—beschikking van de Raad van 20 mei 1975 (75/327/EEG) betreffende de sanering van de toestand bij de spoorwegondernemingen en de harmonisatie van de voorschriften voor de financiële betrekkingen tussen deze ondernemingen en de Staten (PB 1975, L 152, blz. 3).

Deze maatregelen hebben de sanering van de spoorwegen en op lange termijn de verwezenlijking van hun financieel evenwicht op het oog. Daartoe maakt artikel 13 van de beschikking van 20 mei 1975 een onderscheid tussen:

—de in de bepaling zelf bedoelde evenwichtssubsidies,

—de compensaties die uit hoofde van de verordeningen nrs. 1191/69 en 1192/69 kunnen worden toegekend,

—de steun die kan worden toegekend uit hoofde van de categorieën steun als bedoeld in artikel 3 van verordening nr. 1107/70 en in artikel 9, lid 2, van genoemde beschikking,

—de financiële interventies als bedoeld in artikel 5, lid 1, van deze beschikking.

3.

Sedert 1971 kent de Belgische regering aan de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS) een steun toe ten einde de lasten te compenseren die voortvloeien uit de toepassing van de krachtens de Overeenkomst van 1955 vastgestelde directe internationale tarieven op EGKS-produkten. Deze steun werd aanvankelijk verleend op grond van artikel 2, lid 5, van 's Raads verordening nr. 1191/69, als compensatie voor „tariefplichten” in de zin van deze bepaling.

Artikel 2, lid 5, van verordening nr. 1191/69 luidt als volgt:

> „Onder tariefplicht in de zin van deze verordening wordt verstaan de aan de vervoerondernemingen opgelegde verplichting om door de overheid vastgestelde of goedgekeurde prijzen toe te passen, welke in strijd zijn met het commerciële belang van de onderneming en die voortvloeien uit een verplichting tot toepassing, dan wel een verbod tot wijziging van bijzondere tariefmaatregelen, met name voor bepaalde categorieën reizigers, bepaalde categorieën produkten of voor bepaalde verbindingen.
>
> Het bepaalde in de vorige alinea is niet van toepassing op verplichtingen die voortvloeien uit algemene maatregelen van prijsbeleid die voor het gehele bedrijfsleven gelden of uit maatregelen inzake algemene prijzen en vervoervoorwaarden, welke zijn getroffen met het oog op de ordening van de vervoermarkt of van een gedeelte daarvan.”

Hetzelfde artikel bepaalt in de leden 1 en 2:

> „1. Onder openbare dienstverplichtingen moet worden verstaan de verplichtingen die de vervoeronderneming, indien zij haar eigen commercieel belang in aanmerking zou nemen, niet of niet in dezelfde mate, noch onder dezelfde voorwaarden op zich zou nemen.
>
> 2\. De openbare dienstverplichtingen in de zin van lid 1 omvatten de exploitatieplicht, de vervoerplicht en de tariefplicht.”

4.

Wegens bezwaren van de diensten van de Commissie wijzigde de Belgische regering vervolgens de juridische grondslag van deze steun, door ze te baseren op artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1107/70 van de Raad, hetwelk luidt:

> „Onverminderd de bepalingen van verordening (EEG) nr. 1192/69 … en van verordening (EEG) nr. 1191/69 …, worden door de Lid-Staten slechts in de hierna genoemde gevallen en onder de volgende voorwaarden coördinatiemaatregelen getroffen of met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen opgelegd die de toekenning van steun uit hoofde van artikel 77 van het Verdrag ten gevolge hebben:
>
> 1.…
>
> …
>
> …
>
> 2.voor zover het de vergoeding van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen betreft:
>
> tot de inwerkingtreding van communautaire voorschriften daaromtrent, wanneer de uitkeringen worden gedaan aan vervoerondernemingen die vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren verrichten, ter compensatie van de openbare dienstverplichtingen die hun worden opgelegd door de Staat of door openbare lichamen, en die betrekking hebben
>
> —ofwel op tariefplichten die niet zijn genoemd in artikel 2, lid 5, van verordening (EEG) nr. 1191/69,
>
> —ofwel …
>
> 3.…”

In haar brief van 24 juni 1974 merkte de Commissie op:

> „Evenmin als het mogelijk is de toepassing van directe internationale spoorwegtarieven voor het vervoer van EGKS-produkten als een tariefplicht in de zin van artikel 2, lid 5, van verordening (EEG) nr. 1191/69 te beschouwen, kan ingevolge artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1107/70 een steun die deze lasten beoogt te vergoeden, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden geacht.”

Op 8 oktober 1975 nam zij terzake een definitief standpunt in, en constateerde dat de onderhavige steun onder de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag valt en dat zij noch uit hoofde van artikel 92, leden 2 en 3, van het Verdrag, noch op grond van artikel 3 van verordening nr. 1107/70 kan worden gerechtvaardigd.

5.

De Belgische regering maakte bij brief van 14 november 1975 haar opmerkingen. Na deze opmerkingen, alsmede die van de Nederlandse en de Franse regering in overweging te hebben genomen, meende de Commissie haar standpunt niet te kunnen wijzigen. Op 4 mei 1976 nam zij een op artikel 93 EEG-Verdrag gebaseerde beschikking „betreffende de steun van de Belgische regering aan de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS) voor de directe internationale spoorwegtarieven voor kolen en staal” (PB 1976, L 229, blz. 24), waarvan per brief van 6 mei 1976 kennis werd gegeven aan de Staat tot wie zij was gericht.

Artikel 1 van deze beschikking luidt:

> „De steun die door de Belgische Staat aan de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS) voor de directe internationale spoorwegtarieven van kolen en staal wordt toegekend uit hoofde van artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad van 4 juni 1970 betreffende de steunmaatregelen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren, gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1473/75 van de Raad van 20 mei 1975, is slechts verenigbaar met de gemeenschappelijke markt voor zover hij uit hoofde van artikel 4 van genoemde verordening zou worden toegekend.
>
> Het Koninkrijk België neemt de nodige maatregelen om zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen drie maanden hetzij de steun in kwestie te beëindigen hetzij de juridische grondslag van de steun te wijzigen om hem toe te kennen uit hoofde en onder de voorwaarden van artikel 4 van verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad van 4 juni 1970.”

Bovendien wordt in de laatste overweging van de beschikking opgemerkt:

> „… dat deze overwegingen de Belgische regering evenwel niet verbieden de steun in kwestie toe te kennen krachtens artikel 4 van verordening (EEG) nr. 1107/70, doch dat dit formele onderscheid van principieel belang is voor de verwezenlijking van de in het kader van het gemeenschappelijk vervoerbeleid ondernomen actie tot geleidelijke sanering van de spoorwegen.”

Artikel 4 van verordening nr. 1107/70 luidt aldus:

> „Tot het in werking treden van communautaire voorschriften overeenkomstig artikel 8 van de beschikking van de Raad van 13 mei 1965 en onverminderd het bepaalde in verordening (EEG) nr. 1191/69 en in verordening (EEG) nr. 1192/69 is artikel 3 niet van toepassing op uitkeringen, door Staten of door openbare lichamen aan spoorwegondernemingen gedaan wegens het niet tot stand komen van de harmonisatie van de voorschriften inzake de financiële betrekkingen tussen de spoorwegondernemingen en de Staten, welke in artikel 8 voornoemd is voorgeschreven ten einde de financiële zelfstandigheid van deze ondernemingen te verzekeren.”

Na de bevinding, dat de Belgische regering niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen had genomen om aan deze beschikking gevolg te geven, stelde de Commissie op 21 december 1977 krachtens artikel 93, lid 2, tweede alinea, EEG-Verdrag het onderhavige beroep in.

6. Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan na partijen te hebben verzocht om enkele preciseringen en overlegging van enkele documenten aangaande de feiten in verband met de verlening van de litigieuze steun.

#### II — Conclusies van partijen

Verzoekster concludeert dat het den Hove behage:

te verklaren dat het Koninkrijk België, door niet binnen de door de Commissie gestelde termijn gevolg te geven aan haar beschikking van 4 mei 1976 betreffende de steun van de Belgische regering aan de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS) voor de directe internationale spoorwegtarieven voor kolen en staal, een krachtens het Verdrag op hem rustende verplichting niet is nagekomen;

b) het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.”

Verweerder concludeert dat het den Hove behage:

het verzoek van de Commissie ongegrond te verklaren,

— de Commissie in de kosten te verwijzen.”

#### III — Middelen en argumenten van partijen

A — De Commissie stelt ten principale dat het onderhavige beroep de niet-nakoming door het Koninkrijk België van de krachtens artikel 93, lid 2, eerste alinea, EEG-Verdrag op hem rustende verplichting betreft en niet de rechtmatigheidstoetsing van de beschikking van 4 mei 1976. Zij betoogt dat de Belgische regering, door niet binnen de gestelde termijn aan de beschikking gevolg te geven, een verzuim heeft begaan, dat thans krachtens artikel 93, lid 2, tweede alinea, aan het Hof is voorgelegd. De door verweerder tijdens de onderhavige procedure aangevoerde argumenten zouden zich dan ook moeten beperken tot die welke in het kader van deze procedure passen (bij voorbeeld dat de beschikking niet bestaat, het feit dat deze geen termijn stelt of dat de Lid-Staat aan de beschikking gevolg heeft gegeven) en welke niet een onderzoek naar de gegrondheid van de beschikking omvatten. Indien verweerder de gegrondheid van de beschikking had willen aanvechten, had hij een beroep hij het Hof van Justitie moeten instellen overeenkomstig de procedure van artikel 173 van het Verdrag, volgens hetwelk de Lid-Staten binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling het Hof kunnen vragen de wettigheid van een beschikking van de Commissie na te gaan. Nu de Belgische regering op 6 mei 1976 in kennis is gesteld van de beschikking van 4 mei 1976, is deze termijn ruimschoots overschreden. Het zou indruisen tegen de grondgedachte van het door het Verdrag ingevoerde stelsel van geschilbeslechting en een miskenning zijn van het beginsel der rechtszekerheid dat artikel 173 van het Verdrag juist beoogt te waarborgen, als verweerder in deze omstandigheden de wettigheid van de beschikking nog aan de orde zou kunnen stellen. Ten deze moet worden opgemerkt dat artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag, zoals toegepast bij een beschikking van de Commissie houdende vaststelling dat een steunmaatregel onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, een „rechtstreekse werking” heeft in de nationale rechtsorde van de Lid-Staten. De rechtsbescherming welke de nationale rechter aan belanghebbende derden moet verlenen, wordt ernstig in gevaar gebracht indien de wettigheid van een dergelijke beschikking zelfs buiten de daartoe in artikel 173 van het Verdrag gestelde termijnen mag worden betwist. Anderzijds mag de Belgische regering de wettigheid van deze beschikking ook niet aan de orde stellen via artikel 184 van het Verdrag, welks toepassing uitdrukkelijk is beperkt tot geschillen waarbij „een verordening” van de Raad of van de Commissie in het geding is, en niet zoals in casu een „beschikking” van de Commissie. Bovendien is het bij staatssteun uitermate belangrijk dat de Commissie zeer snel haar beschikking kan nemen, dat de Lid-Staten indien zij de gegrondheid ervan willen aanvechten, dit binnen de in artikel 173 voorziene termijn doen en dat de Commissie over een betrouwbare procedure beschikt om de beschikkingen zelf te doen naleven. Met betrekking tot de ontvankelijkheid merkt de Commissie vervolgens op dat de juridische grondslag van de beschikking zuiver is. Weliswaar kent het EEG-Verdrag een bijzondere bepaling (artikel 77) welke bepaalde steunmaatregelen in de vervoersector toestaat, doch niettemin blijft deze sector ook aan de algemene verdragsbepalingen betreffende steunmaatregelen onderworpen. Een steunmaatregel waarvoor ingevolge artikel 77 van het Verdrag het algemene verbod van artikel 92 niet geldt, blijft dus onderworpen aan de in artikel 93 bedoelde procedure indien blijkt dat de bijzondere omstandigheden op grond waarvan hij is toegekend, niet beantwoorden aan de bepalingen welke die afwijking mogelijk maken. Ten gronde merkt de Commissie met name het volgende op: Voor de toepassing van artikel 92, lid 1, van het Verdrag is overigens niet vereist dat wordt „bewezen” dat de betrokken steunmaatregelen „de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalsen of dreigen te vervalsen” en dat deze steun „het handelsverkeer tussen die Lid-Staten ongunstig beïnvloedt”. De Commissie behoeft slechts vast te stellen dat de betrokken steun de mededinging kan vervalsen of dreigen te vervalsen en het handelsverkeer tussen de Lid-Staten kan beïnvloeden. Aan beide voorwaarden is in casu voldaan (vgl. de vijfde overweging van de beschikking). Enerzijds stelt de toegekende steun de NMBS in staat haar tarieven op een lager niveau te houden dan dat wat zij zou moeten toepassen, en haar klanten van een gunstiger tarief te laten profiteren. Anderzijds beïnvloedt steun die uitsluitend aan één onderneming of één tak van vervoer wordt toegekend en die bedoeld is om een verlaging van de in het internationale verkeer toegepaste prijzen mogelijk te maken, het handelsverkeer tussen de Lid- Staten automatisch in zoverre ongunstig, dat hij de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalst of dreigt te vervalsen. De omstandigheid dat de Commissie in haar beschikking heeft erkend dat de onderhavige steun uit hoofde van artikel 4 van verordening nr. 1107/70 mag worden toegekend, betekent niet dat het handelsverkeer tussen de Lid-Staten niet erdoor zou worden beïnvloed: ook steunmaatregelen met een dergelijk gevolg kunnen, indien zij binen het kader van de in het Verdrag voorziene afwijkingen blijven, bij uitzondering worden toegestaan. De Belgische regering doet onvoldoende recht aan het wezenlijk onderscheid tussen een „compensatie van een openbare dienstverplichting van tarifaire aard” uit hoofde van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1107/70, en een „evenwichtssubsidie” als bedoeld in artikel 4 van deze verordening. In het eerste geval is het billijk dat de spoorwegonderneming een compensatie ontvangt voor het commerciële nadeel dat zij door een tariefplicht lijdt. In beginsel kan de uit dien hoofde verleende compensatie de vervoermarkt ook niet merkbaar beïnvloeden. Een evenwichtssubsidie daarentegen kan onaanvaardbare distorsies teweegbrengen of laten voortbestaan en wordt derhalve, hoewel gemotiveerd door de noodzaak van een financieel evenwicht van de spoorwegondernemingen, tijdelijk toegekend. Het is trouwens onjuist te beweren dat het Koninkrijk België „de nadelen op internationaal niveau” niet door een verhoging van zijn nationale tarieven kan compenseren zonder de inkomsten van de NMBS te zien verminderen en tegelijkertijd het globale nadelig saldo van deze onderneming te vergroten, daar zij nu eenmaal te maken heeft met de structuur van vraag en aanbod en met de concurrentie op de nationale en internationale markt. De spoorwegen passen in het algemeen een drieledig tariefstelsel toe: algemene tarieven, gedifferentieerd op basis van drie hoofdcriteria (aard van het produkt, afstand en geladen gewicht); speciale tarieven, welke in bijzondere omstandigheden van toepassing zijn; bijzondere overeenkomsten. Een verhoging van de algemene binnentarieven door een verhoging van de terminale prijzen en de ritprijs is niet alleen mogelijk, maar moet ook worden verwezenlijkt door vooral rekening te houden met de kosten. Een dergelijke verhoging betekent evenwel niet, dat alle binnenlandse tarieven met een gelijk bedrag moeten worden verhoogd. Juist de twee andere categorieën — speciale tarieven en bijzondere overeenkomsten — maken per geval de noodzakelijke aanpassingen mogelijk en verlenen het gehele stelsel de vereiste souplesse om een snelle aanpassing van de prijs aan de wisselende omstandigheden van de vervoermarkt te vergemakkelijken. De opheffing van de onderhavige steun moet dus logischerwijze tot een verhoging van de EGKS-tarieven leiden, daar men anders het totale negatieve saldo met een bedrag gelijk aan de steun zal zien toenemen. Niettemin mag de Belgische regering voor zover de totale kosten van het spoorwegnet, met name wegens een te laag niveau van de EGKS- tarieven, niet geheel door de inkomsten worden gedekt, uit hoofde van en overeenkomstig de voorwaarden van artikel 4 van verordening nr. 1107/70 en van artikel 13 van de beschikking van 20 mei 1975 een evenwichtssubsidie toekennen. Zelfs indien de NMBS voor wat het onderhavige vervoer betreft, een onderneming was, belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang, en bijgevolg onder artikel 90, lid 2, van het EEG-Verdrag zou vallen, dan volgt hieruit nog niet dat zij niet aan artikel 92 van het Verdrag is onderworpen. Zij valt eveneens onder de verdragsbepalingen betreffende het gemeenschappelijk vervoerbeleid alsmede onder de regelingen van de Raad inzake de steunverlening aan dergelijke ondernemingen. De toepassing van deze maatregelen, welke zijn vastgesteld in verband met de noodzaak een gemeenschappelijk vervoerbeleid voor de spoorwegondernemingen te ontwikkelen, kan niet worden geacht de vervulling in feite of in rechte van de aan deze ondernemingen toevertrouwde bijzondere taak te verhinderen en uit dien hoofde de litigieuze steunverlening te rechtvaardigen. Bovendien zijn de door de Overeenkomst van 1955 aan de NMBS opgelegde verplichtingen niet op zichzelf openbare dienstverplichtingen van tarifaire aard, als bedoeld in de verordeningen nrs. 1191/69 en 1107/70. Uit artikel 2, lid 5, van verordening nr. 1191/69 volgt dat „tariefplichten” in de zin van deze verordening uitsluitend die verplichtingen zijn welke voortvloeien uit een rechtstreeks overheidsingrijpen ter beheersing van het tariefniveau, en die niet neerkomen op een overheidsingrijpen in het kader van het algemeen economisch beleid of de structuur van de vervoermarkt. Artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1107/70 heeft uitsluitend betrekking op „tariefplichten die niet zijn genoemd in artikel 2, lid 5, van verordening (EEG) nr. 1191/69”, „die hun werden opgelegd door de Staat of de openbare lichamen.” Hoewel het begrip tariefplichten in verordening nr. 1107/70 niet wordt gedefinieerd, moet het in het licht van de definitie in verordening nr. 1191/69 aldus worden uitgelegd, dat het van toepassing is op de verplichtingen die voortvloeien uit overheidsingrijpen en een rechtstreekse invloed hebben op het tariefniveau. Zulks is niet het geval bij de door de Overeenkomst van 1955 gecreëerde verplichtingen. Deze voorziet slechts in enkele algemene regels die de prijsvorming in het EGKS-vervoer betreffen, een kader scheppen voor de afwikkeling van het vervoer van kolen en staal en in gelijke mate gelden voor alle belangrijke spoorwegondernemingen in de gemeenschappelijke markt. Deze regels zijn derhalve duidelijk te onderscheiden van de eenzijdige maatregelen van de Lid-Staten; alleen deze laatste kunnen als openbare dienstverplichtingen in de zin van de twee voornoemde verordeningen en 's Raads beschikking van 13 mei 1965 worden aangemerkt.

B — Verweerder antwoordt allereerst dat de verdragsbepalingen weliswaar uitgaan van het beginsel van de rechtszekerheid, doch evenmin te kort willen doen aan het beginsel van de billijkheid, dat wil zeggen dat ieder rechtssubject zich tegen een aantasting van zijn rechten moet kunnen verweren en tegen iedere tot hem gerichte beschikking beroep moet kunnen instellen. Daarom is het beginsel van de rechtszekerheid na het verstrijken van de termijn voor een beroep tot nietigverklaring verre van absoluut. Een eerste uitzondering op dit beginsel is voorzien in artikel 184 van het Verdrag; een tweede uitzondering werd door het Hof aanvaard in de gevoegde zaken 6 en 11/69 (Commissie/ Frankrijk, Jurisprudentie 1969, blz. 523), waaruit duidelijk kan worden afgeleid dat wanneer een litigieuze handeling rechtsgrondslag mist en als niet-bestaand moet worden aangemerkt, de exceptie van onwettigheid ook nog kan worden opgeworpen nadat de termijn van rechtstreeks beroep is verstreken. Ten slotte mag men een derde uitzondering niet vergeten, namelijk dat het Hof via artikel 177 van het Verdrag zelfs na het verstrijken van bedoelde termijn kan worden gevraagd zich uit te spreken over de geldigheid van een beschikking van de Commissie. Bovendien is het bijzonder belangrijk onderscheid te maken tussen „een met redenen omkleed advies”, als bedoeld in artikel 169 van het Verdrag, en een „besluit” ingevolge artikel 93 van het Verdrag. Enerzijds vormen beide handelingen een etappe in een procedure met eenzelfde doelstelling, namelijk de eventuele vaststelling dat een Lid-Staat verplichtingen welke krachtens het Verdrag op hem rusten, heeft geschonden. In verband met dit gemeenschappelijk kenmerk, moeten de procedures die tot een van beide handelingen leiden, een Lid-Staat dezelfde mogelijkheden tot verweer waarborgen als wanneer deze laatste overeenkomstig artikel 169 of artikel 93 van het Verdrag voor het Hof was gedaagd. Anderzijds bestaat er een fundamenteel verschil tussen de in deze bepalingen bedoelde handelingen. Wanneer de Commissie een „met redenen omkleed advies” uitbrengt, geeft zij, de betrokken Lid-Staat na deze in de gelegenheid te hebben gesteld om ter zake opmerkingen te maken, enkel te kennen dat het Verdrag is geschonden. Een „besluit” in de zin van artikel 93 daarentegen roept de rechtsregel in het leven waarvan de schending door de Commissie wordt gesteld. De Commissie maakt daarbij gebruik van de haar door artikel 93 toegekende discretionaire bevoegdheid om vast te stellen wat haars inziens een inbreuk op artikel 92 is. Een rechtstreeks beroep krachtens artikel 173 is weliswaar mogelijk, maar vanwege het rechtscheppende karakter van de ingevolge artikel 93 gegeven beschikking geeft het slechts aanvullende bescherming naast de in artikel 169 geboden waarborgen ter zake van verweer. De omstandigheid dat een rechtstreeks beroep mogelijk is, kan dus niet verhinderen dat het Hof naar analogie van de procedure van artikel 169 het gehele probleem moet onderzoeken. Met betrekking tot dit punt wijst verweerder er ten slotte op dat, gelet op het rechtscheppende karakter van de op artikel 93 gebaseerde beschikking van de Commissie, de rechtsoverwegingen van het Hof in het eerder genoemde arrest — 6 en 11/69 ook in het onderhavige geval van toepassing zijn en dat het alleszins normaal is dat het Hof in casu het probleem ten principale onderzoekt, daar het er opnieuw mee in aanraking kan komen in de vorm van een prejudiciële vraag of na een latere, doch analoge, beschikking van de Commissie. Zonder daarmee een echt verweermiddel te willen aanvoeren doch om het probleem ten gronde beter te kunnen afbakenen, merkt verweerder op dat de Commissie haar beroep ten onrechte op artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag baseert. Een eventuele procedure krachtens dit artikel kan uitsluitend de steunmaatregelen betreffen die in eerste instantie onder artikel 92 EEG-Verdrag vallen. De in artikel 2, lid 5, van verordening nr. 1191/69 bedoelde compensaties, alsmede die van de artikelen 3, lid 2, en 4 van verordening nr. 1107/70 vallen echter niet binnen het toepassingsgebied van artikel 92. Dit artikel bepaalt immers dat de daarin beschreven steunmaatregelen onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt „behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet”. Een van deze afwijkingen is nu juist vervat in artikel 77 van het Verdrag, dat „de steunmaatregelen die beantwoorden aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer of die overeenkomen met de vergoeding van bepaalde met het begrip, openbare dienst' verbonden, verplichte dienstverrichtingen” met het Verdrag verenigbaar verklaart. Met betrekking tot de zaak ten gronde merkt verweerder vervolgens op dat een procedure op grond van artikel 93 EEG-Verdrag enkel gerechtvaardigd is wanneer vaststaat dat de betrokken steun niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92 van het Verdrag, of nauwkeuriger gezegd: dat hij het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloedt; dat hij de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalst of dreigt te vervalsen. Wat de eerste van deze voorwaarden betreft, moet worden opgemerkt dat, anders dan in artikel 85, lid 1, van het Verdrag, de mogelijkheid van ongunstige beïnvloeding op zichzelf niet voldoende is: het handelsverkeer moet door de betrokken steun duidelijk en werkelijk ongunstig zijn beïnvloed. In dit opzicht wordt de Commissie een zwaardere bewijslast opgelegd dan bij artikel 85 het geval is. Zulk bewijs is in casu volstrekt niet geleverd. De Commissie zelf geeft trouwens toe dat de onderhavige steun, indien hij op artikel 4 van verordening nr. 1107/70 wordt gebaseerd, mag worden toegekend. Anderzijds is de redenering van de Commissie op een onjuiste premisse gebaseerd, namelijk dat de NMBS de lasten ten gevolge van de internationale directe tarieven kan compenseren door een verhoging van de binnenlandse tarieven, terwijl zij dankzij de litigieuze maatregel haar tarieven op een lager niveau kan houden dan zij moet toepassen. De internationale tarieven worden berekend op basis van twee nationale factoren: de nationale terminale prijs en de prijs voor het nationale traject. Het niveau van deze beide prijzen kan echter niet van het internationale tarief worden afgeleid, maar hangt af van vraag en aanbod op de nationale en internationale markt, van de mededinging op deze twee markten tussen de verschillende vervoertakken en van de kostprijs van het vervoer. Gezien de reële vrachtprijzen en het verband tussen de nationale en de internationale tarieven, draagt het huidige niveau van de binnenlandse tarieven juist het meeste bij in de inkomsten van de NMBS. Een verhoging van de nationale prijs leidt onder deze omstandigheden en gezien de huidige concurrentiesituatie, tot een zo aanzienlijke vermindering van de omvang van het spoorwegvervoer, dat dit onvermijdelijk zal resulteren in een vermindering van de inkomsten van de NMBS. Anderzijds is het praktisch en operationeel onmogelijk om de lasten van de directe internationale tarieven die de concurrentiekracht sterk aantasten, door middel van speciale tarieven en bijzondere overeenkomsten te verminderen. Bovendien is het niet juist om een inkomstendeficit dat door internationale verplichtingen die geen rekening houden met de effectieve kosten van het internationale vervoer, wordt veroorzaakt, af te wentelen op de gebruikers van het binnenlandse net middels een niet aan de effectieve vervoerkosten en marktverhoudingen gerelateerde verhoging van de binnentarieven. Wat de tweede van de bovengenoemde voorwaarden betreft, kan men het door artikel 92 verlangde bewijs ter zake van inbreuken op de mededingingsregels vergelijken met het bewijs dat artikel 85, lid 1, verlangt ten aanzien van „onderling afgestemde feitelijke gedragingen”: in het kader van artikel 92 moet de Commissie de concrete of althans dreigende concrete gevolgen aantonen. Op dit punt is de Commissie nog steeds in gebreke gebleven. Daar bovendien ook volgens haar eigen opvatting de onderhavige steun wel krachtens artikel 4 van verordening nr. 1107/70 mag worden verleend, kan er in casu geen sprake zijn van „de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalsen of dreigen te vervalsen”. Integendeel, in plaats van de mededinging te vervalsen heeft deze steun juist ten doel een aan de NMBS toegebracht werkelijk economisch nadeel te compenseren en een toestand die door de verplichte en met haar commercieel belang strijdige toepassing van directe internationale tarieven ongunstig is beïnvloed, goed te maken. Bovendien moet zelfs in de veronderstelling dat de toegekende steun niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag, toepassing worden gegeven aan artikel 90, lid 2, aangezien de NMBS immers een onderneming is, belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang. Uit laatstgenoemde bepaling volgt dat de NMBS slechts aan onverschillig welke verdragsbepaling — en dus ook aan de artikelen 85 tot en met 94 — is onderworpen, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de haar toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert. Dit is in casu het geval, aangezien de Belgische Staat het door de directe internationale tarieven veroorzaakte omvangrijke inkomstendeficit van de NMBS onmogelijk goed kan maken door een verhoging van de binnenlandse tarieven, en een evenwichtssubsidie — naar de Commissie zelf erkent — in wezen van tijdelijke aard is. Voor een definitie van de „tariefplichten” waarop artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1107/70 betrekking heeft, moet men te rade gaan bij de algemene definitie van „openbare dienstverplichting” in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1191/69, die — aldus uitdrukkelijk lid 2 van dit artikel — ook de tariefplicht omvat. Blijkens deze algemene definitie omvat het begrip tariefplicht in ruime zin, zoals bedoeld in voornoemd artikel 3, lid 2 — in tegenstelling tot het begrip tariefplicht in enge zin in artikel 2, lid 5, van verordening nr. 1191/69 — , iedere verplichting met betrekking tot tarieven, die „de vervoeronderneming, indien zij haar eigen commercieel belang in aanmerking zou nemen, niet of niet in dezelfde mate, noch onder dezelfde voorwaarden op zich zou nemen.” De verplichting uit de Overeenkomst van 1955 beantwoordt exact aan deze definitie. In de eerste plaats is de Commissie zelf zich ervan bewust dat de Overeenkomst van 1955 onvoldoende rekening houdt met bepaalde kostenelementen en aldus tegen het commerciële belang van de spoorwegen ingaat. In de tweede plaats schrijft de Overeenkomst van 1955 niet alleen maar een berekeningsmethode voor de internationale tarieven voor: zij legt ook het niveau ervan vast door ze te koppelen aan de binnentarieven, welke door de NMBS niet vrij en naar goeddunken kunnen worden vastgesteld. De voorschriften van de Overeenkomst van 1955 zijn verre van „algemeen”. Zij gelden enkel de gebruikers van de spoorwegen, niet die van andere middelen van vervoer; zij richten zich specifiek tot een aantal nauwkeurig aangegeven ondernemingen en hebben slechts op EGKS-produkten betrekking: het zijn dus alleszins „bijzondere” voorschriften. Bovendien mag uit de omstandigheid dat deze uit de Overeenkomst van 1955 voortvloeiende tarieven ter uitvoering van het EGKS-Verdrag dienen, niet worden geconcludeerd dat zij geen tariefplichten zouden zijn. Niet valt in te zien waarom een verplichting ingevolge het EGKS-Verdrag geen tariefplicht zou kunnen zijn, wanneer zij voor het overige alle kenmerken van een dergelijke verplichting vertoont. Ook maakt artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1107/70 geen enkel onderscheid tussen openbare dienstverplichtingen welke in de Lid-Staten krachtens hun eigen normatieve bevoegdheid dan wel krachtens een gemeenschapsbesluit worden opgelegd. Bovendien vloeit de aan de NMBS opgelegde tariefplicht niet direct of indirect voort uit een gemeenschapsbesluit, aangezien de Overeenkomst van 1955 in werkelijkheid geen handeling van de Raad is, doch een volkenrechtelijke overeenkomst die weliswaar in paragraaf 10 van de Overeenkomst overgangsbepalingen is voorzien, doch door de vertegenwoordigers van de Lid-Staten der EGKS in alle vrijheid is opgesteld en goedgekeurd. De Overeenkomst van 1955 gaat verder dan paragraaf 10 van de Overeenkomst overgangsbepalingen en artikel 70 EGKS-Verdrag waaraan genoemde paragraaf uitvoering geeft, omdat zij in haar voorschriften voor de prijsvorming in het internationale spoorwegvervoer geen rekening houdt met de transportkosten voor het gehele spoorwegnet, en met name omdat internationaal vervoer nu eenmaal iets anders is dan binnenlands vervoer. De Overeenkomst van 1955 staat de spoorwegondernemingen niet toe — een mogelijkheid die andere vervoerondernemingen wel hebben — bij hun prijsstelling voor het internationale alsmede voor het nationale vervoer rekening te houden met de kosten van elk van deze vervoercategorieën. De Overeenkomst van 1955 beperkt zich dus niet tot een loutere toepassing van het discriminatieverbod: zij gaat verder en bevat een tariefplicht welke aanleiding kan, zo niet moet, geven tot compenserende vergoedingen. De Commissie zelf erkent trouwens dat de Overeenkomst van 1955 doordrenkt is met de tariefpolitieke opvattingen van de regeringen en de spoorwegen uit de jaren 1950, terwijl die sindsdien toch fundamentele veranderingen hebben ondergaan. Door aan de Lid-Staten voor te stellen de Overeenkomst van 1955 te vervangen door een nieuwe overeenkomst met realistische verplichtingen voor de spoorwegen, geeft zij stilzwijgend toe dat die Overeenkomst voor de spoorwegen verplichtingen bevat die meer zijn dan alleen maar een toepassing van de non-discriminatiebepaling van het EGKS-Verdrag.

#### IV — Mondelinge procedure

Overwegende dat partijen ter terechtzitting van 28 juni 1978 mondelinge opmerkingen hebben gemaakt;

dat de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 september 1978 conclusie heeft genomen;

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat de Commissie bij op 21 december 1977 ingesteld beroep het Hof verzoekt vast te stellen dat „het Koninkrijk België, door niet binnen de door de Commissie gestelde termijn gevolg te geven aan haar beschikking van 4 mei 1976 betreffende de steun van de Belgische regering aan de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen NMBS voor de directe internationale spoorwegtarieven voor kolen en staal, een krachtens het Verdrag op hem rustende verplichting niet is nagekomen”;

2. Overwegende dat de Commissie in haar beschikking van 4 mei 1976 (PB 1976, L 229, blz. 24) in artikel 1 heeft vastgesteld dat de steun, die door het Koninkrijk België aan de NMBS wordt toegekend uit hoofde van artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad van 4 juni 1970 betreffende de steunmaatregelen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren — gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1473/75 van 20 mei 1975 (PB 1975, L 152, blz. 1) —, slechts verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt voor zover hij uit hoofde van artikel 4 van genoemde verordening zou worden toegekend;

3. dat zij voorts heeft beschikt dat het Koninkrijk België de nodige maatregelen neemt om zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen drie maanden hetzij de steun in kwestie te beëindigen, hetzij de rechtsgrondslag ervan te wijzigen in die zin dat hij uit hoofde en onder de voorwaarden van artikel 4 van verordening nr. 1107/70 wordt toegekend;

4. dat de Commissie, toen het Koninkrijk België aan deze beschikking geen gevolg had gegeven, krachtens artikel 93, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag het onderhavige beroep bij het Hof heeft ingesteld;

#### De ontvankelijkheid van het beroep

5. Overwegende dat het Koninkrijk België als verweer voert dat het beroep niet-ontvankelijk is, daar het geen rechtsgrondslag zou vinden in artikel 93, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag;

6. dat het ter staving van dit verweer betoogt dat de in artikel 3, lid 2, alsmede in artikel 4 van verordening nr. 1107/70 bedoelde compensaties steunmaatregelen in de zin van artikel 77 van het Verdrag zijn en krachtens deze bepaling zijn onttrokken aan het toepassingsgebied van artikel 92, waarvan het eerste lid uitdrukkelijk bepaalt dat het van toepassing is „behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet”;

7. dat waar het onderhavige optreden van de Commissie niet binnen het kader van artikel 92 van het Verdrag kan worden gerechtvaardigd, artikel 93 geen geldige rechtsgrondslag voor het onderhavige beroep zou kunnen verschaffen;

8. Overwegende dat, ofschoon de Belgische regering in haar verweerschrift deze exceptie als „een eenvoudige opmerking” voorstelt, die niet „als verweermiddel is gemaakt, maar enkel om het probleem ten gronde beter te kunnen afbakenen”, toch moet worden onderzocht of zij gegrond is;

9. Overwegende dat weliswaar het Koninkrijk België met deze exceptie in wezen stelt dat de beschikking van de Commissie van 4 mei 1976 een bevoegdheidsgebrek aankleeft, doch dat dit gebrek, als behorende tot de in artikel 173 van het Verdrag genoemde gebreken, op de hierna te noemen gronden niet in het kader van de onderhavige procedure kan worden onderzocht;

10. dat daarenboven de toepasselijkheid van artikel 77 van het Verdrag, volgens hetwelk steun aan het vervoer uitsluitend in duidelijk omschreven gevallen, waarin de algemene belangen van de Gemeenschap niet worden geschaad, met het Verdrag verenigbaar is, niet tot gevolg kan hebben dat steun aan het vervoer wordt onttrokken aan het algemene stelsel van het Verdrag ter zake van steunmaatregelen van Staten en de daarbij voorziene controleprocedures;

11. dat artikel 2 van verordening nr. 1107/70, in welks artikel 3, lid 1 — dat niet bij genoemde verordening nr. 1473/75 is gewijzigd — de gevallen en voorwaarden worden genoemd waarin een uit hoofde van artikel 77 van het Verdrag toegekende steun ingevolge deze bepaling te rechtvaardigen ware, in deze zin preciseert dat „de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag van toepassing (zijn) op de steunmaatregelen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren”;

12. dat waar het onderhavige optreden van de Commissie is gemotiveerd met de vaststelling dat de litigieuze steun onder het verbod van artikel 92 van het Verdrag valt, het daaropvolgend ingestelde beroep zijn rechtsgrondslag in artikel 93, lid 2, tweede alinea, vindt;

13. dat derhalve de door het Koninkrijk België opgeworpen exceptie van nietontvankelijkheid ongegrond is;

#### Ten gronde

14. Overwegende dat het Koninkrijk België in wezen betoogt dat het inleiden van de procedure ex artikel 93 van het Verdrag ten aanzien van de litigieuze steun in casu te minder gerechtvaardigd is, omdat de Commissie niet heeft aangetoond dat deze steun niet voldoet aan de voorwaarden voor onverenigbaarheid, genoemd in artikel 92, lid 1;

15. dat het Koninkrijk België aldus de gegrondheid van het beroep betwist door alsnog de wettigheid van de beschikking van 4 mei 1976, waarbij de Commissie de onverenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt heeft vastgesteld, in geding te brengen;

16. dat de Commissie betoogt dat de Belgische regering, door niet binnen de in artikel 173, derde alinea, van het Verdrag gestelde termijn van twee maanden beroep tot nietigverklaring tegen deze beschikking in te stellen, haar recht heeft verwerkt om de wettigheid ervan binnen het kader van de onderhavige procedure te bestrijden;

17. Overwegende dat artikel 93 van het Verdrag, dat aan de Commissie de noodzakelijke bevoegdheid verleent om toe te zien op de toepassing en de naleving van de beginselen van artikel 92, in het tweede lid een bijzondere procedure vaststelt, welke die instelling de mogelijkheid biedt zich, buiten het uitzonderlijke en bijzondere geval bedoeld in de derde alinea van deze bepaling, uit te spreken over de verenigbaarheid met het Verdrag van steunmaatregelen door de Staten of met staatsmiddelen bekostigd, alsmede, ingevolge lid 3, over elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen, en eventueel te bepalen dat deze moeten worden opgeheven of gewijzigd;

18. dat daartoe de eerste alinea van lid 2 voorschrijft dat indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben' aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel volgens artikel 92 niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, „zij bepaalt dat de betrokken Staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn”;

19. Overwegende dat zodanige beschikking volgens artikel 189, vierde alinea, van het Verdrag „verbindend (is) in al haar onderdelen voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk is gericht”;

20. dat wanneer de Lid-Staat tot wie de beschikking is gericht, er geen gevolg aan meent te kunnen geven omdat zij voldoende rechtsgrond zou missen, hij de wettigheid ervan kan betwisten met gebruikmaking, onder de aldaar bepaalde voorwaarden, van een der door artikel 173 van het Verdrag geboden rechtsmiddelen;

21. dat waar beroepstermijnen de rechtszekerheid beogen te waarborgen en moeten voorkomen dat gemeenschapshandelingen die rechtsgevolgen teweeg brengen, te allen tijde in geding kunnen worden gebracht, het is uitgesloten dat de Lid-Staat die de peremptoire termijn van artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag heeft laten verstrijken zonder met het daarbij geboden rechtsmiddel de wettigheid van de tot hem gerichte beschikking van de Commissie te bestrijden, deze langs de omweg van artikel 184 kan aanvechten in een krachtens artikel 93, lid 2, tweede alinea door de Commissie aanhangig gemaakte beroepsprocedure;

22. dat enerzijds de in artikel 184 van het Verdrag bedoelde exceptie volgens deze bepaling is beperkt tot geschillen „waarbij een verordening van de Raad of van de Commissie in het geding is”, en in geen geval door de Lid-Staat, die adressaat van een individuele beschikking is, kan worden opgeworpen;

23. dat anderzijds uit de tekst van artikel 93, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag, met name de woorden „in afwijking van de artikelen 169 en 170”, volgt dat het daar bedoelde beroep slechts betrekking kan hebben op het verzuim van de betrokken Lid-Staat gevolg te geven aan een beschikking van de Commissie waarin hem wordt opgedragen om binnen een bepaalde termijn een steunmaatregel op te heffen of te wijzigen, terwijl in het geval van de artikelen 169 en 170 het beroep wordt ingesteld tegen elke niet-nakoming door een Lid-Staat van een der krachtens het Verdrag op hem rustende verplichting;

24. dat het zo gezien niet met de beginselen van de door het Verdrag ingestelde rechtsmiddelen te verenigen ware en de stabiliteit van dit stelsel alsmede het daaraan ten grondslag liggende beginsel van de rechtszekerheid zou worden aangetast, wanneer de Lid-Staat tot wie een krachtens artikel 93, lid 2, eerste alinea, gegeven beschikking is gericht, ook na het verstrijken van de in artikel 173, derde alinea, bedoelde termijn de geldigheid ervan zou kunnen betwisten bij gelegenheid van het in de tweede alinea van dezelfde bepaling voorziene beroep;

25. dat weliswaar ook na de in artikel 173, derde alinea, bepaalde termijn de geldigheid van een gemeenschapshandeling via de prejudiciële procedure van artikel 177 van het Verdrag in geding kan worden gebracht, doch dat dit niet wegneemt dat deze procedure, die voor alle handelingen van de instellingen is voorzien en uitsluitend beantwoordt aan de behoeften van de nationale rechterlijke instanties, andere doeleinden nastreeft en aan andere voorschriften is onderworpen dat die welke voor het in artikel 93 van het Verdrag bedoelde beroep gelden, en niet een afwijkingvan het beginsel van rechtsverwerking kan rechtvaardigen, voortvloeiende uit het verstrijken van de beroepstermijnen, zonder tegelijkertijd artikel 173 van zijn juridische betekenis te beroven;

26. Overwegende dat in het onderhavige geval het Koninkrijk België niet bestrijdt geen gevolg te hebben gegeven aan de beschikking van de Commissie van 4 mei 1976;

27. dat mitsdien het Koninkrijk België een krachtens artikel 93 juncto artikel 189 van het Verdrag op hem rustende verplichting niet is nagekomen;

28. dat het beroep derhalve gegrond is;

#### Ten aanzien van de kosten

29. Overwegende dat ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering de in het ongelijk gestelde partij in de kosten moet worden verwezen;

30. dat verweerder in het ongelijk is gesteld;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende, verstaat:

1\. Door aan de beschikking van de Commissie van 4 mei 1976 betreffende de steun van de Belgische regering aan de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS) voor de directe internationale spoorwegtarieven voor kolen en staal niet binnen de door haar gestelde termijn gevolg te geven, is het Koninkrijk België een krachtens het Verdrag op hem rustende verplichting niet nagekomen.

2\. Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten van het geding.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

14

verordening 1107/70 art. 4 12 voorkomens

verordening 1107/70 art. 3 11 voorkomens

EEG-Verdrag art. 93 10 voorkomens

EEG-Verdrag art. 92 8 voorkomens

verordening 1191/69 art. 2 8 voorkomens

EEG-Verdrag art. 173 4 voorkomens

EEG-Verdrag art. 184 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 77 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 169 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 189 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 85 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 90 1 voorkomen

verordening 1107/70 art. 2 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Gulmann C-74/91 15.09.1992

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 26, EEG-Verdrag art. 173](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-74-91-conclusie)

## Rechtsleer

3

Usher, John: The Interrelationship of Articles 173, 177 and 184 EEC, European Law Review 1979 p.36-39 (EN)

Van Rijn, Thomas: L'exception d'illégalité, Cahiers de droit européen 1980 p. 190-205 (FR)

Banu, Mihai: Jurisprudenţǎ europeanǎ istoricǎ, Revista română de drept al afacerilor 2011 nº 1 p.153-156 (RO)
