---
title: "HvJ EU, 153/73, Holtz &amp; Willemsen GmbH, arrest van 2 juli 1974 · EEG-Verdrag art. 7 en art. 215"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 juli 1974, 153/73, Holtz & Willemsen GmbH: EEG-Verdrag art. 7 en art. 215."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-153-73-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-153-73-arret"
---

# Arrest van het Hof van 2 juli 1974, 153/73, Holtz & Willemsen GmbH · EEG-Verdrag art. 7 en art. 215

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

153/73

**ECLI**

ECLI:EU:C:1974:70

**Datum**

2 juli 1974

## De zaak

**Procedure**

Beroep wegens aansprakelijkheid ongegrond

**Zaak ingediend op**

24 juli 1973

**Advocaat-generaal**

Reischl

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1974, blz. 675

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

O'Dálaigh

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [Gemeenschappelijke marktordeningen: beginselen en instrumenten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.03) [Discriminatieverbod](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.03.03) 23 beslissingen
  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Beroep tot schadevergoeding](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.05)

    - [Leerstuk van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.05.02) [Grondslag van de aansprakelijkheid](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.05.02.01) 9 beslissingen
    - [Vordering tot vaststelling van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.05.01) [Zelfstandig karakter van het beroep tot schadevergoeding](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.05.01.01) 4 beslissingen

## Tekst

136 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten en de tijdens de schriftelijke behandeling door partijen voorgedragen argumenten kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en de procesvoering

1.

's Raads verordening nr. 136/66 van 22 september 1966 (PB nr. L 172 van 30 september 1966, blz. 30325) houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten, is sedert 1 juli 1967 van toepassing op de litigieuze Produkten, te weten koolzaad en raapzaad en daaruit vervaardigde oliën.

Oliefabrieken die in de Gemeenschap geproduceerd koolzaad gebruiken ontvangen steun waardoor zij dit produkt kunnen betrekken tegen een tot het wereldmarktniveau teruggebrachte kostprijs. De Raad stelt jaarlijks een richtprijs, een iets lagere basisinterventieprijs en een aantal per interventiecentrum verschillende afgeleide interventieprijzen vast. De basisinterventieprijs geldt voor het produktiegebied met het grootste overschot (Châteauroux). De afgeleide interventieprijzen worden vastgesteld naar gelang van de afstand tussen dit gebied en de overige interventiecentra, des dat de transportkosten in de basisinterventieprijs worden opgenomen. De steun is gelijk aan het verschil tussen de richtprijs en de prijs op de wereldmarkt. Omdat de interventieprijzen lager zijn dan de richtprijs en de producenten hun koolzaad verkopen tegen een prijs tussen de interventieprijs en de richtprijs is het voordelig in de Gemeenschap geproduceerd koolzaad te kopen en te verwerken.

Aanstonds na de inwerkingtreding van deze ordening der markten voor kool- en raapzaad en daaruit gewonnen oliën, op 12 augustus 1967, heeft de Italiaanse Regering zich tot de Commissie gewend om haar mededeling te doen van de moeilijkheden welke bij de uitvoering der basisverordening „oliën en vetten” werden ondervonden; zij verzocht de Commissie ten spoedigste vrijwaringsmaatregelen krachtens artikel 226 van het EEG-Verdrag te nemen. Toen de Commissie zich dienaangaande niet terstond uitsprak, heeft Italië alle invoer van koolzaad- en raapzaadolie uit de EEG, tijdelijk stopgezet op grond dat de Italiaanse oliefabrieken, op grote afstand van de voornaamste produktiegebieden gelegen, niet tegen de concurrentie opgewassen waren; immers het vervoer van in Frankrijk en Duitsland geproduceerd koolzaad naar hun fabrieken kost meer dan het vervoer van koolzaad- en raapzaadolie uit die landen naar Italië.

Op 11 oktober 1967 heeft de Commissie op het Italiaans verzoek afwijzend beschikt op grond dat uit de beschikbare gegevens niet kon worden afgeleid of de bedrijvigheid in de Italiaanse oliefabrieken achteruitging of met achteruitgang werd bedreigd. De Commissie gaf te kennen dat zij bij de Raad een voorstel had ingediend, daartoe strekkende dat er in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten passende „overgangs” maatregelen zouden worden genomen, waarbij aan de Italiaanse oliefabrieken een „nadere termijn” voor de aanpassing van hun beleid zou worden gelaten.

Vervolgens stelde de Raad verordening nr. 876/67 van 20 november 1967 (PB nr. L 281 van 21 november 1967, blz. 7) — tot instelling van extra steun voor in Italië verwerkt koolzaad en raapzaad — vast. Die steunverlening is nadien verlengd, laatstelijk bij 's Raads verordening nr. 1336/72 van 27 juni 1972 (PB nr. L 147 van 29 juni 1972, blz. 7) — voor het verkoopseizoen 1972/1973 — en 's Raads verordening nr. 1357/73 van 15 mei 1973 (PB nr. L 141 van 28 mei 1973, blz. 30) — voor het verkoopseizoen 1973/1974 —.

In de Gemeenschap waren de voornaamste produktiegebieden voor koolzaad in het verkoopseizoen 1970/1971:

Schleswig-Holstein: 106000 ton, Niedersachsen: 28000 ton, Bayern: 18100 ton. Noord- en Midden-Frankrijk: meer dan 300000 ton, Provence: ongeveer 50000 ton, Garonne: ongeveer 70000 ton.

Voor de Italiaanse oliefabrieken is de Provence het dichtstbijgelegen teeltgebied, voor verzoekster Noord-Frankrijk.

2.

Verzoekster exploiteert een oliefabriek te Krefeld (Uerdingen) in het Land Nordrhein-Westphalen, waar met name olie uit koolzaad en raapzaad wordt vervaardigd; haars inziens houdt het verlenen van extra steun alleen voor in de Gemeenschap geoogst en in de Italiaanse oliefabrieken verwerkt koolzaad en raapzaad schending van het EEG-Verdrag in, en wel met name overtreding van het verbod van discriminatie om met de nationaliteit verband houdende redenen (artikel 7, eerste alinea, van het Verdrag). Anderzijds behelst die discriminatie haars inziens een dienstfout begaan door de organen die met de voorbereiding en vaststelling der communautaire verordeningen zijn belast; daardoor zou haar schade zijn berokkend die haar krachtens artikel 215, tweede alinea, van het EEG-Verdrag moet worden vergoed.

Verzoekster heeft de Raad op 29 januari 1973 overeenkomstig artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag schriftelijk verzocht om vaststelling van een verordening tot toekenning van extra steun ten bedrage van 0,60 rekeneenheden/100 kg koolzaad en raapzaad, verwerkt in oliefabrieken die zich in een met de hare vergelijkbare positie bevinden. Tegelijkertijd heeft zij zich schriftelijk tot de Commissie gevend met het verzoek om met gebruikmaking van haar recht van initiatief een daartoe strekkend voorstel bij de Raad in te dienen. De Commissie heeft haar op 8 maart 1973 in antwoord hierop verzekerd dat deze aangelegenheid door haar diensten terdege zou worden onderzocht. In een brief van 23 maart 1973 gaf de Raad te kennen dat voormelde verordeningen haars inziens met het Verdrag tot oprichting van de EEG in overeenstemming waren.

Verzoekster heeft zich vervolgens met een op 16 mei 1973 ingediend beroep wegens „stilzitten” tot het Hof gewend om gedaan te krijgen dat de Raad een niet-discriminerende verordening zou vaststellen, die voortaan ook zou gelden voor in het Land Nordrhein-Westphalen gelegen oliefabrieken — zoals die van verzoekster —. Dit beroep is bij 's Hofs arrest van 15 januari 1974 niet-ontvankelijk verklaard.

Het onderhavige verzoek om schadevergoeding, ingediend op 24 juli 1973, draagt een ander karakter; het strekt tot vergoeding van de schade die aan verzoekster door de uitvoering der onderhavige discriminerende verordeningen tot nu toe is opgekomen. Zij is verstoken gebleven van een steun waarop alleen de in Italië gelegen oliefabrieken aanspraak konden maken, ofschoon haars inziens alle in de Gemeenschap gevestigde oliefabrieken er — enkel en alleen wegens de afstand ten opzichte van de produktiegebieden — van hadden dienen te profiteren.

3. De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad.

#### II — Conclusies van partijen

1.

Verzoekster concludeert dat het den Hove behage:

a) verweerders te veroordelen haar wegens schaden en interesten te betalen een bedrag van 735924 DM;

b) verweerders in de kosten te verwijzen.

2.

De Raad van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het den Hove behage:

a) het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

b) verzoekster in de kosten te verwijzen.

3.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen concludeert dat het den Hove behage:

a) het beroep te verwerpen;

b) verzoekster in de kosten te verwijzen.

#### III — Middelen en argumenten van partijen

##### A — De feiten

Verzoekster betoogt dat waar de communautaire markt voor oliën en vetten in verordening nr. 136/66 wordt geregeld, er in de algemene opzet dier ordening voor extra steun voor in de Gemeenschap geoogste en in Italië verwerkte granen geen plaats is.

De Raad antwoordt dat de ordening der markten in deze sector juist — in verband met de afhankelijkheid der Gemeenschap ten opzichte van de wereldmarkt voor oliën en vetten en het grote belang dat in sommige streken met de teelt van oliehoudende graansoorten gemoeid is — van de andere marktordeningen moet worden onderscheiden omdat zij geen stelsel van aan de grens toegepaste heffingen behelst, doch een systeem volgens hetwelk er ter compensatie van het verschil tussen de richtprijs van de Gemeenschap en de wereldmarktprijs basissteun en voor in de Gemeenschap geoogste en in Italië geraffineerde zaden extra steun wordt verleend.

Deze extra steun vindt zijn verklaring in het feit dat er voor de markt voor oliën en vetten, anders dan voor andere marktordeningen, geen overgangsfase is voorzien en dat er in Italië al heel gauw moeilijkheden ontstonden die de vrees wettigden dat de markt aldaar door in Frankrijk geraffineerde olie zou worden overspoeld. Verzoekster heeft trouwens zelf erkend dat er aan de moeilijkheden der Italiaanse oliefabrieken iets moest worden gedaan.

Ofschoon het comité voor oliën en vetten — bij de Commissie — had betoogd dat deze maatregelen niet aan de Italiaanse oliefabrieken alleen, doch aan alle oliefabrieken uit de Gemeenschap ten goede moesten komen, is uit de gedachtenwisselingen binnen dit lichaam wel gebleken dat wijziging van dit systeem geen eenvoudige zaak was, dat de buiten Italië gevestigde oliefabrieken geen werkelijke schade hadden geleden en dat het bedrag van de extra steun niet te hoog was omdat het de Italiaanse exporteurs slechts tot de export van een geringe hoeveelheid olie in staat stelde.

De bezwaren betroffen dus alleen de formele en „schijnbaar discriminerende” aard van deze extra steunverlening: er zou van een op de nationaliteit gebaseerde discriminatie sprake zijn ook al was niet bewezen dat daaraan voor de buiten Italië gevestigde oliefabrieken nadelige gevolgen verbonden waren.

Verzoekster zegt voor repliek dat de Raad door van de verlening van extra steun aan de Italiaanse oliefabrieken een bestanddeel van de marktordening in de sector oliën en vetten te maken in strijd is geraakt met de basisverordening nr. 136/66 volgens welke deze steunverlening volgens nationale criteria bij wege van uitzondering alleen mogelijk is voor olie gewonnen uit druivepitten of lijnzaad. Het feit dat de Italiaanse Regering in strijd met het Verdrag de invoer van olie uit koolzaad en raapzaad heeft stopgezet heeft de instellingen van de Gemeenschap tot de gewraakte steunmaatregel gebracht. Er wordt thans ook geen basissteun voor koolzaad meer uitgekeerd, terwijl de extra steun ten behoeve van de Italiaanse oliefabrieken nog steeds van kracht is.

Het ontbreken van een overgangsfase rechtvaardigt op zichzelf nog niet een discriminerende regeling gedurende acht seizoenen achter elkaar. De moeilijkheden waarvoor de Italiaanse oliefabrieken zich geplaatst hebben gezien zijn door de Commissie onvoldoende zwaarwegend geacht toen zij in haar beschikking van 11 oktober 1967 het door Italië krachtens artikel 226 van het EEG-Verdrag gedane verzoek om vrijwaringsmaatregelen verwierp. In zijn verweerschrift heeft de Raad die moeilijkheden al evenmin geconstateerd; hij heeft alleen zijn „beduchtheid” voor zulke moeilijkheden uitgesproken.

Verzoekster heeft de noodzaak van speciale maatregelen ten behoeve van de Italiaanse oliefabrieken nimmer toegegeven. De moeilijkheden van de bedrijven moesten worden toegeschreven aan het feit dat zij op geruime afstand van de produktiegebieden waren gelegen, zodat er alleen ruimte was voor algemene maatregelen — extra steun voor de ver van deze gebieden gelegen oliefabrieken behelzende —.

Ten slotte blijkt bij lezing van de gezamenlijke processenverbaal van de zittingen van het comité voor oliën en vetten dat men allerwegen voorbehouden heeft gemaakt tegen de ten behoeve van Italië genomen discriminerende maatregelen. De Commissie heeft zelf meermalen uitdrukking gegeven aan haar wens tot beëindiging van de verlening van extra steun — waarvan het discriminerend karakter haar niet was ontgaan —.

##### B — De ontvankelijkheid

Verzoekster betoogt dat de omstandigheid dat de oorsprong der veroorzaakte schade in verordeningen van de Raad moet worden gezocht, aan de ontvankelijkheid van het beroep niet in de weg staat. In artikel 215, tweede alinea, volgens hetwelk de Gemeenschap overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben de schade moet vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt, wordt tussen de verschillende soorten communautaire handelingen niet onderscheiden. Volgens het recht van de Lid-Staten kan met betrekking tot normatieve handelingen een beroep wegens overheidsaansprakelijkheid worden ingesteld.

In de tweede plaats staat het feit dat de litigieuze steun nog niet ongeoorloofd werd verklaard al evenmin aan de ontvankelijkheid van een schadevergoedingsactie in de weg. Het eerder ingediende beroep wegens „stilzitten” strekte niet tot nietigverklaring van de verordeningen waarbij de extra steun is ingesteld, doch tot toepassing van een soortgelijke niet-discriminerende regeling op bepaalde oliefabrieken.

Ten slotte is een beroep tot schadevergoeding geen verkapt verzoek om nietigverklaring. Het kan op zich zelf niet voor de toekomst werken. En door er op grond van zijdelingse effecten tegen op te komen zou men in strijd geraken met de rechtsbescherming die in artikel 215, tweede alinea, wordt gewaarborgd.

De Raad zegt voor antwoord dat tot niet-ontvankelijkheid dient te worden geconcludeerd wanneer een schadevordening in werkelijkheid strekt tot wijziging of aanvulling van een communautaire verordening waartegen verzoekster noch krachtens artikel 173 noch op grond van artikel 175 van het Verdrag kan opkomen. Weliswaar heeft het Hof deze stelling niet tot de zijne gemaakt in de zaak 5-71 „Zuckerfabrik Schöppenstedt”, in de zaak 4-69 „Lütticke” en in de zaken 9-71 en 11-71 „Compagnie d'approvisionnement, de transport et de crédit” en „Grands moulins de Paris” waarin de onderscheiden eisende partijen tegen huns inziens onjuiste normatieve handelingen waren opgekomen. In casu gaat het echter om een normatieve handeling die verzoekster zelf uitdrukkelijk gegrond en in overeenstemming met het Verdrag en basisverordening nr. 136/66 acht.

Anderzijds kan de Gemeenschap niet aansprakelijk worden gesteld voor algemene en in abstracto genomen besluiten, dat wil zeggen voor legislatieve handelingen zoals verordeningen, zolang verzoekers daardoor niet rechtstreeks en individueel worden geraakt. Aansprakelijkheidsacties, ingesteld wegens de geldelijke gevolgen van zulke normatieve handelingen, zijn niet-ontvankelijk omdat de bestreden handelingen de verzoekster niet rechtstreeks raken en haar geen bijzondere schade kunnen toebrengen — en dat zijn de voorwaarden voor iedere aansprakelijkheid —.

Verzoekster zegt voor repliek dat zij nimmer uitdrukkelijk heeft erkend dat de litigieuze verordeningen in overeenstemming zijn met de ordening der markten in de sector oliën en vetten. Zij heeft alleen maar toegegeven dat de grote afstand tussen deze fabrieken en de produktiegebieden een belangrijk criterium voor de verlening van extra steun vormt.

Voldoende gekwalificeerde schending van een hogere rechtsregel is geen voorwaarde voor de ontvankelijkheid, doch voor de gegrondheid van het beroep; dit blijkt uit de plaats waar de overweging waarin dit beginsel wordt gehuldigd in voormeld arrest 5-71 voorkomt. Anderzijds heeft Advocaat-Generaal Roemer er in zijn conclusie in de gevoegde zaken 63 tot 69-72 („Wehrhahn”) op gewezen dat men om in beroep te komen alleen schending van het discriminatieverbod behoeft in te roepen. En dit is juist de grief die verzoekster in deze zaak heeft opgeworpen.

##### C — Ten principale

###### a) Onwettigheid en discriminerend karakter van extra steun

Verzoekster meent dat de verordening houdende toekenning van extra steun alleen aan de Italiaanse oliefabrieken schending inhoudt van artikel 7 van het EEG-Verdrag waarin discriminatie op grond van de nationaliteit wordt verboden.

Volgens de Raad miskent verzoekster de betekenis van het discriminatieverbod van artikel 7 dat in werkelijkheid pas speelt wanneer verschil in behandeling op materiële discriminatie neerkomt.

Verzoekster heeft voorts niet in het minst aangetoond dat de Raad zich aan „voldoende gekwalificeerde” schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel heeft schuldig gemaakt. Tot staving van deze stelling verklaart zij dat waar toekenning van extra steun haar rechtvaardiging vond in de grote afstand tussen de fabrieken en de produktiegebieden, haar dezelfde behandeling had moeten ten deel vallen als aan deze Italiaanse bedrijven, immers zij bevindt zich even ver van die produktiegebieden. Maar alleen met behulp van dit criterium — de afstand ten opzichte van de produktiegebieden — kan niet worden bewezen dat verzoekster zich in een zelfde positie bevindt als de Italiaanse bedrijven.

De moeilijkheden, door de Italiaanse oliefabrieken bij de bevoorrading met koolzaad en raapzaad tegen concurrerende prijzen ondervonden, zijn pas na de inwerkingtreding van de marktordening voor oliën en vetten ingetreden en bekend geworden en noopten de Gemeenschap terstond corrigerend op te treden. De weigering der Commissie een beschikking krachtens artikel 226 van het EEG-Verdrag te nemen wilde geenszins zeggen dat er geen moeilijkheden bestonden en hield alleen verband met het feit dat er reeds extra steun voor de Italiaanse oliefabrieken was voorzien.

Mocht verordening nr. 876/67 voor verzoekster rampzalige gevolgen hebben gehad, dan is er nog geen sprake van een kwalijk geval of van ernstige discriminatie als door de Advocaat-Generaal Roemer bedoeld in zijn conclusie in de zaken 63 tot 69-72. Hoogstens zou verzoekster moeten afzien van de voordelen die haar, naar zij meent, hadden moeten worden toegekend. Zulk een afstand van voordelen mocht met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen der Gemeenschap van haar worden verlangd. Echter is nimmer gesteld dat de Duitse oliefabrieken zich geplaatst zagen voor moeilijkheden die konden worden vergeleken met die welke de Italiaanse oliefabrieken kennelijk op hun weg vonden.

Volgens de Commissie zou men alleen aanspraak mogen maken op schadevergoeding ex artikel 215, tweede alinea, wanneer de instellingen van de Europese Economische Gemeenschap in het kader hunner niet-contractuele aansprakelijkheid en optredend krachtens hun eigen overheidsgezag een jegens verzoekster op hen rustende verplichting zouden hebben geschonden door een voldoende gekwalificeerde inbreuk te begaan waaruit voor haar, als normaal gevolg, ernstige geldelijke schade — precies ten bedrage van de gevorderde som — zou zijn voortgevloeid.

Overeenkomstig artikel 1 juncto artikel 3, lid 2, van verordening nr. 876/67 zou de extra steun, ongeacht nationaliteit, worden uitgekeerd aan ieder die in een op Italiaans grondgebied gelegen oliefabriek in de Gemeenschap geproduceerde zaden verwerkt. Ook Duitse bedrijven die in Italië zaden verwerkten konden dus van de steun profiteren.

Het bijzonder discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, van het EEG-Verdrag behelst een beperking die pas na afloop van de overgangsperiode bedoeld in artikel 8 — 31 december 1969 — geldt. De extra steun is in werkelijkheid een overgangsmaatregel. Anders dan maatregelen genomen in andere agrarische sectoren heeft de basisverordening nr. 136/66 ten doel rechtstreeks, dus niet via een bijzondere overgangsregeling, een gemeenschappelijke regeling op het stuk van de prijzen tot stand te brengen. De rechtstreekse toepassing van een zo strenge regel zou voor de concurrentiepositie der Italiaanse oliefabrieken tot noodlottige gevolgen hebben geleid, waaraan men later door de toekenning van extra steun het hoofd heeft geboden. Een onvoorwaardelijke uitsluiting van overgangsmaatregelen zou ook niet in de lijn liggen van artikel 40, lid 3.

Ook al mocht men de geldende steunregeling discriminerend achten, dan nog konden verzoeksters aanspraken op schadevergoeding pas na 1 januari 1970 zonder meer op schending van artikel 40, lid 3, worden gebaseerd.

Alleen een voldoende gekwalificeerde inbreuk kan aanleiding geven tot een schadevergoedingsactie ex artikel 215, tweede alinea, van het EEG-Verdrag. De normatieve werkzaamheid van de wetgever met betrekking tot de regeling der marktordeningen impliceert een ruime beoordelingsmarge en brengt mede dat hij de plicht — en het recht — heeft bepaalde prioriteiten vast te stellen en sommige belangen bij andere te laten voorgaan.

In zijn voormeld arrest 5-71 heeft het Hof de schending van het discriminatieverbod beperkt tot gevallen waarin van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel en van willekeurige behandeling sprake was. Zodanige discriminatie is feitelijk ten enenmale ongerechtvaardigd en, uit doelmatigheidsoogpunt bezien, ongerijmd. Het gaat er dus om of verzoekster tussen 1970 en 1972 op discriminerende wijze is behandeld, zodat het wenselijk is dat zij haar bewering met argumenten en bewijsmiddelen staaft.

Van discriminatie in de zin van artikel 40, lid 3, is sprake wanneer de wetgever van de Gemeenschap in materiële en niet slechts in formele zin voor feitelijk gelijkliggende situaties een verschillende regeling heeft gegeven dan wel dezelfde regelen op ongelijke feitelijke situaties toepast. Verzoekster zou dan ten opzichte van derden feitelijk in het nadeel zijn zonder dat die ongelijke behandeling door objectieve verschillen van enig belang wordt gerechtvaardigd.

Verzoekster brengt hiertegen in dat de tegenwerping der Commissie volgens welke de extra steun, ongeacht nationaliteit, zou worden uitgekeerd aan een ieder die in een op Italiaans grondgebied gelegen oliefabriek zaden verwerkt, van zuiver formele aard en niet ter zake is, aangezien de extra steun „wezenlijk” ten voordele van de Italiaanse oliefabrieken strekt.

Anderzijds heeft de Raad zelf welbewust afgezien van een overgangsregeling zoals die voor andere marktordeningen bestaat. Hij mocht dus niet alsnog ten profijte van één der Lid-Staten bij een op aandrang van die staat vastgestelde verordening eenzijdig zulk een overgangsregeling tot stand brengen. In ieder geval is in artikel 8, lid 1, van het EEG-Verdrag voor de overgangsregelingen een periode van in totaal twaalf iaar voorzien, zodat er in ieder geval een schadevergoedingsactie mocht worden ingesteld voor zover het om de tijd na 1 januari 1970 gaat.

De Raad wijst er in zijn conclusie van dupliek op dat verordening nr. 876/67 wel degelijk deel uitmaakt van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten; dit blijkt wel uit het feit dat zij op grond van artikel 36 van verordening nr. 136/66 is vastgesteld. Waar verzoekster in de overwegingen van de considerans van verordening nr. 136/66 meende te lezen dat het toekennen van extra steun op nationale grondslag dan wel volgens nationale criteria met het Verdrag dan wel met de marktordening onverenigbaar is, zij opgemerkt dat in verordening nr. 876/67 geen nationale steun, doch een Gemeenschapssteun is voorzien die niet anders dient te worden beoordeeld dan de in verordening nr. 136/66 voorziene basissteun.

Het verbod van artikel 7 van het Verdrag geldt „onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld”. Doen zich bii de verwezenlijking van de gemeenschappelijke markt dus bijzondere situaties voor, dan kan een bijkomstige, op de nationaliteit gebaseerde discriminatie van voorbijgaande aard gerechtvaardigd zijn.

De Commissie betoogt in haar conclusie van dupliek dat de ingestelde extra steun bedoeld is ter compensatie van economisch nadeel, door in Italië gelegen koolzaad verwerkende fabrieken geleden — of te lijden — vanaf het ogenblik waarop uit de vroegere nationale markten de gemeenschappelijke marktordening voorzien in verordening nr. 136/66 is ontstaan.

Op het terrein van het gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft het discriminatieverbod zijn bijzondere formulering gevonden in artikel 40, lid 3, van het EEG-Verdrag; dit is de enige waarborgnorm en de enige maatstaf om de handelingen der communautaire organen op hun rechtmatigheid te toetsen.

Het discriminatieverbod van dit artikel is slechts één der grondbeginselen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, afhankelijk van en samenhangend met andere gebiedende eisen, zoals de noodzaak de bestaande nationale markten tot één gemeenschappelijke marktordening te versmelten en daarbij, economisch gezien, zo rationeel mogelijk te werk te gaan, ten einde ernstige duurzame benadeling van de daarbij betrokken kringen te vermijden.

Het discriminatieverbod is dus enigszins betrekkelijk van aard.

###### b) De positie welke verzoekster ten opzichte van haar Italiaanse concurrenten inneemt

Verzoekster betoogt dat zij, op grote afstand van de produktiegebieden gevestigd, geen wezenlijk andere postitie inneemt dan een Italiaanse oliefabriek die op 350 kilometer afstand van de voornaamste teeltgebieden voor koolzaad in Zuid-Frankrijk is gelegen. En in de verordeningen betreffende de verlening van extra steun wordt met het oog op een verschillende behandeling van. de Italiaanse oliefabrieken juist allereerst de afstand dier fabrieken ten opzichte van de gebieden waar koolzaad wordt geproduceerd als maatstaf gehanteerd.

Volgens de Raad zal verzoekster er zich nader over moeten uitlaten waarom zij oliehoudende zaden van herkomst uit derde landen enerzijds en uit de Gemeenschap anderzijds heeft verwerkt, onder welke condities zij haar aankopen van in de Gemeenschap geoogste oliehoudende zaden heeft gedaan, in welke streken in de Gemeenschap zij heeft ingekocht en hoeveel zij aan vervoerkosten heeft moeten betalen. Uit de door haar overgelegde theoretische becijfering kan niet worden afgeleid of en in hoeverre zij zich in eenzelfde positie bevond als de Italiaanse oliefabrieken.

Verzoekster vergist zich wanneer zij stelt dat een oliefabriek te Ravenna bij verwerking van in Duitsland geproduceerd koolzaad aldaar raapkoeken kan verkopen tegen een prijs die per 100 kg 6,73 DM beneden haar eigen prijs was gelegen. Zou verzoekster de door haar geproduceerde olie niet in Duitsland hebben verkocht doch in Italië, waar de marktprijs veel hoger was (110,55 DM tegen 99 DM per 100 kg), dan zou zij een belangrijk hogere winst hebben behaald, zelfs na aftrek van de kosten van vervoer van haar fabriek naar Italië (±5,30 DM per 100 kg), hetgeen zijn verklaring vindt in het feit dat het vervoer van 400 kg olie veel minder kost dan dat van de daarvoor benodigde ton koolzaad. Met de aldus gemaakte winst had zij, zelfs wanneer zij haar raapkoeken in Duitsland goedkoper had verkocht, nog beter zaken kunnen doen dan haar Italiaanse concurrente.

Verzoekster antwoordt dat zij zich zowel qua afstand als wat de vervoerkosten betreft in dezelfde positie bevond als een te Venetië gevestigde oliefabriek. Koolzaad uit Schleswig-Holstein en Niedersachsen wordt deels per spoor of over de weg, doch ook deels per schip — tot de Rijnmond en dan verder per aak — vervoerd.

Het ligt op de weg van de Raad en de Commissie — die hebben gesteld dat er ook bij gelijke afstand van verschillende vervoerkosten sprake zou zijn — zich nader uit te laten over de concrete vervoermogelijkheden voor koolzaad bestemd voor in Venetië gevestigde oliefabrieken; in werkelijkheid kunnen de Italiaanse oliefabrieken goedkoper vervoeren.

Weliswaar is Italië, wat koolzaad betreft, een van de grootste verbruikerlanden van de Gemeenschap. Maar het verbruik van raapzaad is ook in de Bondsrepubliek Duitsland zeer aanzienlijk. De Italiaanse markt was tot in 1967 bijna het uitsluitend domein van de Italiaanse olieindustrie. Dat pleit niet voor een ongelijke behandeling binnen de gemeenschappelijke markt. Wanneer er van „domeinen” op nationale schaal sprake is, moeten zij de mogelijkheid van concurrentie aanvaarden. De Italiaanse olie-industrie is aangewezen op de invoer van olichoudende zaden van herkomst uit derde landen en Franse produktiegebieden. Verzoekster bevindt zich in eenzelfde positie. Zij heeft haar behoeften voor slechts ongeveer 12 % in Nordrhein-Westphalen kunnen dekken en moet ook zelf invoeren uit verafgelegen gebieden in de Gemeenschap — zoals Schleswig-Holstein of Noord-Frankrijk — of uit derde landen.

Thans zijn de Italiaanse oliefabrieken, dank zij extra steun ad 9 rekeneenheden/ton, in staat in de Gemeenschap aanzienlijk hogere prijzen te betalen dan de Duitse bedrijven. Dat heeft er toe geleid dat de tevoren te verwaarlozen export van koolzaad uit Schleswig-Holstein naar Italië thans zeer omvangrijk is. Deze verlegging van het handelsverkeer is teweeggebracht door de ontwikkeling der mededinging die van de extra steun het gevolg is geweest.

Ten aanzien van de vraag of die steunverlening haar bevoorradingspositie, wat koolzaad betreft, heeft bemoeilijkt merkt verzoekster op dat haar aandeel in de communautaire produktie van ongeveer 4 % in 1969 tot minder dan 1 % in 1972 is gedaald. In hetzelfde tijdvak is het percentage van de Italiaanse oliefabrieken zeer gestegen. De Gemeenschapspreferentie die men door vaststelling van een beneden de richtprijs gelegen interventieprijs heeft geschapen komt niet aan verzoekster ten goede: koolzaad uit de Gemeenschap dat langs de natuurlijke aanvoerwegen ter bevoorrading van haar fabriek had kunnen en moeten dienen, vond thans — als gevolg van de extra steun — zijn weg naar Italië.

Het staat niet aan verzoekster de vragen van de Raad te beantwoorden. Voor haar concurrentienadeel, begroot op 0,60 rekeneenheid/100 kg, is kennisneming van de condities waaronder verzoekster heeft ingekocht, van haar bevoorradingsgebieden en van de door haar bedongen prijzen van weinig belang. Het komt ten deze aan op de voorwaarden — in abstracto — die ertoe hebben geleid dat verzoekster niet langer „dicht bij huis” oliehoudende zaden kon betrekken — en op de algemene marktsituatie —.

Voor de aankoop van koolzaad in Schleswig-Holstein gaat de extra steun — 31,10 DM — het verschil in vrachtprijs (13 DM) tussen een transport van Noord-Duitsland naar Krefeld enerzijds en een transport van Noord-Duitsland naar Ravenna anderzijds verre te boven. Alleen daaruit blijkt al van sterke discriminatie in materiële zin.

Het tegenargument van de Raad, die meent dat verzoekster, gezien de marktprijzen, haar olie tegen 110,55 DM per 100 kg te Milaan had kunnen verkopen — in plaats van tegen 99 DM in Duitsland — berust op een transportkostencijfer van 5,30 DM per 100 kg; dit moet echter zijn 9,80 DM per 100 kg, terwijl de bijkomende kosten de resterende 1,75 DM ruimschoots dekken.

De Raad brengt hiertegen in dat verzoekster niet dient uit te gaan van de verkoopprijzen in het gebied van Châteauroux, dat weliswaar op gelijke afstand van Ravenna en van Uerdingen ligt, doch niet het dichtstbijgelegen gebied is waar zij zelf en de Italiaanse olie-industrie zich normaliter bevoorraden.

Anderzijds heeft verzoekster in de jaren 1966-1972 steeds minder oliehoudende zaden uit de Gemeenschap verwerkt. Nochtans is de door haar verwerkte hoeveelheid koolzaad in absolute cijfers met vrijwel 50 % gestegen:

jaar 1969 31000 ton,

jaar 1972 45800 ton.

Zij heeft dus bij haar bevoorrading geen moeilijkheden ondervonden en geen winst gederfd. In werkelijkheid verlangt zij geen vergoeding van nadeel, doch verhoging — achteraf — van haar winstmarge door een speciale gemeenschapssubsidie.

In haar conclusie van dupliek betoogt de Commissie dat verzoekster door in haar exposé alleen met de afstandsfactor te werken en de transportkosten te vergelijken haar werkelijke concurrentiepositie niet weergeeft.

Met de litigieuze extra steun in Italië had men juist tweeërlei concurrentienadeel op het oog:

het wezenlijke prijsnadeel bij aankoop van zaden in de Gemeenschap (bevoorradingsprobleem) ;

de daaruit voortvloeiende nadelige prijspositie bij de verkoop van olie gewonnen uit zaden uit de Gemeenschap (mededingingsprobleem).

Gezien de aan de interventieprijzen voor koolzaad verbonden verkoopgarantie hebben deze prijzen het effect van minimummarktprijzen. Anderzijds zijn ze „geregionaliseerd”: hun niveau wijzigt zich naar gelang de produktie- en consumptiegebieden. Door voor de produktiegebieden lagere prijzen vast te stellen dan voor de consumptiegebieden en de gebieden met een tekort heeft men deze laatste gebieden willen begunstigen. De opzet der interventieprijzen komt vooral tot uitdrukking in het feit dat de kostprijzen (franco fabriek) voor de Italiaanse oliebedrijven hoger zijn dan voor dichter bij de produktiegebieden gelegen concurrerende oliefabrieken. Niet alleen wordt dit nadeel door de bij verwerking dezer zaden verleende steun niet goedgemaakt; integendeel, het word er nog groter door omdat de concurrentiepositie van dicht bij de produktiegebieden gelegen oliefabrieken verder wordt versterkt.

Om uit te maken of verzoekster ook voor extra steun in aanmerking moest worden gebracht, dient dus allereerst te worden nagegaan op welke condities zij het door haar verwerkte koolzaad uit de Gemeenschap heeft kunnen aanvoeren.

De Commissie wijst er op dat verzoekster heeft geweigerd zich nader over haar positie uit te laten. Op grond van de gegevens voor het seizoen 1973/1974 vergelijkt zij de kostprijzen (franco fabriek) voor koolzaad uit de Gemeenschap (bevoorradingssituatie) :

1\. voor verzoekster: De voor haar geldende interventieprijs, die te Düsseldorf, is afgeleid van de prijs voor het productiegebied Dijon. Deze prijzen bedroegen voor 100 kg koolzaad 19,1 rekeneenheden te Dijon en 19,79 te Düsseldorf (verordening EEG nr. 1704/73, PB nr. L 175 van 29 juni 1973, blz. 1). Verzoekster is dus in staat het door haar benodigde koolzaad in de streek Dijon — Strasbourg tegen dezelfde prijscondities te kopen als te Düsseldorf zelf. Zij bevindt zich dus in dezelfde positie als een dichtbij de produktiegebieden gelegen oliefabriek uit de streek Dijon — Strasbourg. Omdat bovendien de werkelijke marktprijzen voor koolzaad ongeveer 0,60 rekeneenheden per 100 kg boven de interventieprijzen lagen (berekening van de Commissie) resulteert er voor verzoekster een kostprijs van 19,79 + 0,60 = 20,39 rekeneenheden per 100 kg koolzaad uit de Gemeenschap. Deze prijs is 0,67 rekeneenheden per 100 kg lager dan de richtprijs (berekend overeenkomstig verordening nr. 1360/73, PB nr. L 141);

2\. voor een oliefabriek uit de streek van Venetië: De Rhônevallei is het dichtstbijgelegen produktiegebied. Voor het traject Lyon — Venetië zijn de laagste vervoerkosten 1,47 rekeneenheden per 100 kg. Gaat men eveneens van een met (gemiddeld) 0,60 rekeneenheden per 100 kg verhoogde marktprijs uit, dan komt men op een kostprijs van 19,33 + 0,60 + 1,47 = 21,40 rekeneenheden per 100 kg. Verzoekster is dan 1,01 rekeneenheden per 100 kg in het voordeel. Omdat deze prijs van 21,40 rekeneenheden per 100 kg bovendien hoger is dan de richtprijs ligt de prijs voor op de wereldmarkt gekocht koolzaad voor de Venetiaanse oliefabriek beneden die van koolzaad uit de Gemeenschap en in plaats van — met verzoekster — door de aankoop van zaden uit de Gemeenschap van een (vergeleken met de verwerking van tegen de wereldmarktprijs gekocht koolzaad) preferentiële prijs te profiteren is een Venetiaanse oliefabriek gedwongen op de wereldmarkt te kopen.

Door de gemeenschappelijke ordening der markten nam verzoekster dus bij de aankoop van koolzaad in de Gemeenschap een wezenlijk andere — en gunstiger — uitgangspositie in dan een oliefabriek in het gebied van Venetië.

De Commissie beziet vervolgens de concurrentiepositie bij de afzet van olie gewonnen door de verwerking van koolzaad uit de Gemeenschap. Volgens haar berekening wordt olie van zaad uit de Gemeenschap door oliefabrieken gelegen in de omgeving van de produktiegebieden tegen de volgende condities aangeboden:

aanbodsprijs Venetië voor 41 kg olie gewonnen uit 100 kg koolzaad, verwerkt te Hamburg: 9,41 rekeneenheden per 100 kg koolzaad, Bordeaux: 9,27 rekeneenheden per 100 kg koolzaad, Dunkerque: 9,44 rekeneenheden per 100 koolzaad, Venetië: 9,90 rekeneenheden per 100 kg koolzaad.

Uit deze aanbodsprijzen blijkt dat een nabij Venetië gelegen oliefabriek wat de prijzen betreft duidelijk in het nadeel is ten opzichte van verkopers met dezelfde capaciteit die dichter bij de produktiegebieden zijn gelegen. Verzoekster bevindt zich niet in die positie. Een soortgelijke berekening leidt te Düsseldorf voor 41 kg olie gewonnen uit 100 kg zaad tot een aanbodsprijs van 8,89 rekeneenheden.

Verzoekster bevindt zich dus niet wezenlijk in dezelfde situatie als een oliefabriek in de streek van Venetië, zodat zij ten onrechte een zelfde behandeling verlangt.

Wat het vervoer betreft: zij kon zich zonder bezwaar bevoorraden door aanvoer per schip, zowel vanuit het gebied Dijon — Strasbourg — Châlons s/M als vanuit Schleswig-Holstein. Daarentegen kon een Venetiaanse oliefabriek alleen terecht in de Rhônevallei — vervoer per trein over ±1000 km — of in de streek van Bordeaux, Noord-Frankrijk en Schleswig-Holstein — vervoer per schip, kosten 1,30-1,60 rekeneenheden per 100 kg koolzaad —.

Trouwens, voor de concurrentiepositie van een bepaalde oliefabriek komen de vervoerkosten alleen volledig tot hun recht wanneer men ze beziet in verband met de mogelijke kostprijzen van koolzaad uit de Gemeenschap, zodat er in de onderhavige constellatie zelfs bij gelijkblijvende vervoerkosten niet tot discriminatie ten nadele van verzoekster kan worden geconcludeerd.

Zodanige discriminatie zou betekenen dat zij wegens de prijzen onvoldoende koolzaad uit de Gemeenschap heeft kunnen betrekken. Maar zelfs dan zou verweerster alleen aansprakelijk kunnen worden gesteld wanneer haar interventieprijzen de prijzen en mededingingsvoorwaarden op de markt voor koolzaad hadden beïnvloed. De Commissie heeft echter aangetoond dat een Venetiaanse oliefabriek in beginsel stellig een ongunstiger concurrentiepositie inneemt, hetgeen niet geldt voor verzoekster die er in zoverre veel beter aan toe is.

Voorts is in de gemeenschappelijke ordening van markten voor oliehoudende zaden de ontwikkeling der werkelijke markt- en aanbodsprijzen een kwestie van vraag en aanbod, zodat het zeer wel mogelijk is dat verzoekster op een gegeven ogenblik de door haar verlangde hoeveelheid koolzaad uit de Gemeenschap niet heeft kunnen vinden ter plaatse waar — en tegen de prijs die — zij zich had voorgesteld. Doch hetzelfde zou het geval geweest zijn met iedere willekeurige Italiaanse oliefabriek, immers extra steun geeft geen absolute waarborg voor de bevoorrading.

Dat verzoekster allereerst koolzaad uit derde landen heeft verwerkt wil niet zeggen dat de structuur van de prijzen in de Gemeenschap haar de aankoop van koolzaad in de Gemeenschap onmogelijk heeft gemaakt: tal van door haar niet onthulde redenen kunnen haar hebben doen besluiten van de aankoop van koolzaad van communautaire herkomst af te zien.

###### c) Het nadeel

Verzoekster stelt dat de geleden schade moet worden gezocht in het feit dat zij wegens de afstand van haar fabriek ten opzichte van de produktiegebieden geen steun heeft ontvangen. De schade zou gelijk zijn aan de totale hoeveelheid koolzaad uit de EEG die zij heeft verwerkt gedurende jaren:

1969: 21700 ton, 1970: 12 ton, 1971: 3900 ton, 1972: 7900 ton, of wel 33512 ton over deze vier jaren vermenigvuldigd met een percentage (wegens steun) van 0,60 per 100 kg.

De Raad wijst er op dat verzoekster voor de 33512 ton koolzaad uit de Gemeenschap die zij in de jaren 1969-1972 heeft verwerkt, 0,60 rekeneenheid per 100 ton calculeert, hetgeen neerkomt op een schade van 201072 rekeneenheden of wel 735924 DM, terwijl die schade volgens haar brief van 29 januari 1973 slechts een tiende daarvan, namelijk 20072 rekeneenheden zou hebben bedragen.

Voorts heeft zij niet bewezen dat zij inderdaad 33512 ton zaad uit de Gemeenschap heeft verwerkt. Het cijfer van 0,60 rekeneenheid per 100 kg berustte op de veronderstelling dat zulks alleen reeds uit de afstand van haar bedrijf en van een Italiaanse oliefabriek ten opzichte van een bepaald punt zou kunnen worden afgeleid. En bij gebreke van andere relatiefactoren kan het er onmogelijk voor worden gehouden dat de te vergoeden schade werkelijk is geleden.

De Commissie merkt harerzijds op dat het er zolang verzoekster ondanks de in Italië verleende extra steun in staat bleef — op de markten van de Gemeenschap of op de wereldmarkt — produkten door haar bij verwerking van in de Gemeenschap geproduceerd zaad verkregen onder normale omstandigheden en met winst te verhandelen en zolang de ontwikkeling in deze industriële sector noch qua omzet noch uit winstoogpunt tot verlies heeft geleid, voor moet worden gehouden dat haar door de discriminatie die jegens haar zou zijn begaan geen materiële schade is opgekomen die aanleiding tot een schadeactie kon geven. Zij kon het bewijs dier schade ook slechts leveren door overlegging van haar boekhouding, aan de hand waarvan haar tegenwoordige en haar vroegere positie konden worden vergeleken. De gegevens die zij in haar beroepschrift verstrekt zijn ten enenmale onvoldoende en met name met haar becijfering inzake de raapkoeken heeft zij generlei bewijs bijgebracht.

De aanvraag van steun ten bedrage van 0,60 rekeneenheid per 100 kg verwerkt koolzaad is niet gemotiveerd. Verzoekster heeft de door haar opgevoerde transportkosten niet gepreciseerd en er geen rekening mede gehouden dat de aan Italiaanse oliefabrieken toegekende compensatie alleen gold voor de transportkosten af-Italiaanse grens.

Voorts zou moeten worden nagegaan in hoeverre de in Italië verleende extra steun werkelijk de aan verzoekster opgekomen schade heeft veroorzaakt, ofschoon de Italiaanse oliefabrieken in hoofdzaak voor de Italiaanse markt werken, en in hoeverre haar verliezen niet meer normaal konden worden genoemd. Ten slotte zou moeten worden onderzocht in hoeverre verzoekster wellicht zelf tot het ontstaan van bepaalde verliezen aanleiding heeft gegeven door pas in 1973 de aandacht der Commissie op bedoelde situatie te vestigen ofschoon deze problematiek haar sedert 1967 bekend was.

Verzoekster antwoordt hierop dat men haar schadebegroting blijkbaar verkeerd heeft begrepen; de schadeoorzaak is in werkelijkheid gelegen in ernstige materiële discriminatie.

Zij baseert haar schadebegroting op overwegingen van de considerans der verordeningen tot instelling van extra steun. Voor die begroting geeft niet de wijze van berekening de doorslag, doch alleen de vraag of haar stelling gegrond was.

De vragen van Raad en Commissie zijn niet ter zake, alleen de volgende uitgezonderd: „heeft verzoekster er rekening mede gehouden dat de aan Italiaanse oliefabrieken geboden compensatie alleen de kosten van vervoer per spoor af-Italiaanse grens betrof?”; deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. In het door de Commissie bij de Raad ingediende voorstel voor het seizoen 1972/1973 is regionaal gedifferentieerde extra steun (0,60 rekeneenheid per 100 kg koolzaad voor Venetië) voorzien en de Commissie dient zich aan die wijze van berekening gebonden te achten.

Dat de aan Italiaanse oliefabrieken geboden compensatie alleen de werkelijke kosten van vervoer per spoor af-Italiaanse grens betrof is een novum. De Commissie dient ook uiteen te zetten op grond waarvan dit gemiddeld bedrag aan de onderscheiden oliefabrieken op verschillende wijze is uitgekeerd. Dit is trouwens in strijd met de bewering dat aan de fabriek te Ravenna een „forfaitaire terugbetaling” zou zijn gedaan „ten naaste bij overeenkomend met de kosten van vervoer overzee vanuit de Noord-franse havens”.

In haar brief van 29 januari 1973 heeft verzoekster zich nimmer op een schade van 20072 rekeneenheden beroepen, doch wel degelijk een cijfer van 201072 rekeneenheden genoemd.

Ten slotte heeft verzoekster bewijs geleverd van de verwerking in haar fabrieken van 33512 ton zaad uit de Gemeenschap.

De Raad brengt hiertegen in dat het niet aangaat dat verzoekster tracht zich achter een abstracte berekening van haar schade te verschuilen.

De Advocaat-Generaal Roemer heeft er in zijn conclusie in de gevoegde zaken 63-69/72 op gewezen dat het internationaal recht geen abstracte schadeberekening kent. Het steunbedrag van 0,60 rekeneenheid per 100 kg verwerkte oliehoudende zaden berust op een fictieve becijfering. De vaststelling van het bedrag der aanvullende steun dient te worden overgelaten aan de beoordeling van de bevoegde communautaire organen belast met het economisch beleid. In het voorstel der Commissie voor een verordening van de Raad inzake de verlening van steun ten bedrage van 0,60 rekeneenheid per 100 kg oliehoudend zaad ten behoeve van oliefabrieken in het gebied van Trento-Alto Adige is slechts regionalisatie van de extra steun — alleen voor Italië — voorzien. Men mag in geen geval alleen uitgaan van het feit dat de afstanden van een Italiaanse oliefabriek en van verzoeksters onderneming ten opzichte van een bepaald Frans produktiegebied, hemelsbreed gemeten, gelijk zijn, om daaruit af te leiden dat de zo belangrijke vervoerscondities, afgezien van de afstand als zodanig, voor verzoekster en bedoelde Italiaanse fabriek dezelfde zijn.

De Commissie wijst er op dat het er in dit geding op aan komt of de schade welke verzoekster wenst te zien vergoed als bijzonder ernstig is te beschouwen.

Verzoekster meent dat de door haar geleden schade alleen voortvloeit uit het feit dat zij tot nu toe verstoken is gebleven van extra steun die haar krachtens het beginsel van gelijke behandeling zou toekomen. Evenwel kan discriminatie niet zonder meer met schade op één lijn worden gesteld. Denkbaar is dat een steunregeling, ook al behelst zij discriminatie, nochtans geen schade veroorzaakt wanneer de steun wordt uitgekeerd aan oliefabrieken die voor een heel andere markt werken en hun koolzaad op andere markten betrekken. Bij de behandeling van dergelijke schadevergoedingsacties die reeds voor het Hof hebben gediend hebben verzoeksters zich steeds op bijzondere schade beroepen (zoals in de zaken 63 tot 69-72: verlies van marktaandelen).

Verzoekster doet dat niet; zij stelt schade te hebben geleden door de prijsverhoging voor koolzaad in Noord-Duitsland of door onvoldoende profijt van de verkoop van raapkoeken in Zuid-Duitsland, doch betoogt terzelfder tijd die schade niet te willen inroepen. De onderhavige zaak strekt er alleen toe dat bepaalde extra steun haar voor activiteiten in het verleden alsnog zal worden uitgekeerd. Zij wenst dus haar aanspraak op de extra steun te zien erkend en vraagt niet om vergoeding van schaden en interesten. Een zogenaamde „abstracte” schadeberekening verandert daaraan niets. Zodanige berekening kan alleen het bedrag der in geval van werkelijke benadeling geleden schade betreffen. Andere ten deze toepasselijke bepalingen kent het Gemeenschapsrecht niet. Verzoekster is niet gehouden de weg van artikel 215, tweede alinea, te bewandelen om aan de door haar verlangde subsidie een individuele juridische grondslag te geven. Genoemd artikel dekt alleen schade waarbij het enerzijds om meer gaat dan om het recht op uitkering van beweerdelijk verschuldigde steun en die bovendien in gevallen als het onderhavige als buitengewoon en bijzondere ernstig moet zijn aan te merken.

In processueel opzicht kan hieraan worden toegevoegd dat alleen de bestuursorganen van de Lid-Staten ten aanzien van de rechthebbende beslissen over de vraag of — en tot welk bedrag — men op bepaalde uit het Gemeenschapsrecht voortvloeiende steun aanspraak mag maken. Verzoekster had kunnen stellen dat het haar uitgekeerde steunbedrag te laag was en bij de bevoegde nationale rechter in beroep kunnen gaan. Het Hof van Justitie had kunnen nagaan of een verzoek ex artikel 177 van het EEG-Verdrag gegrond is. Met haar onderhavig beroep tot schadevergoeding slaat verzoekster deze beide etappes over.

Ten slotte betwist de Commissie dat een steunverlening berekend naar 0,60 rekeneenheid per 100 kg koolzaad voor een exacte vergoeding van verzoeksters eventueel mededingingsnadeel nodig en onontbeerlijk was. Het staat aan verzoekster — en niet aan verweerster — te bewijzen dat de Venetiaanse oliefabrieken steeds zulke extra steun hebben ontvangen. In werkelijkheid is de extra steun aan de desbetreffende oliefabrieken op zodanige wijze uitgekeerd dat de werkelijke vervoerkosten af-grens vrijwel volledig zijn terugbetaald zonder dat het totaal bedrag der uitkeringen in Italië het toegestaan steunbedrag te boven gaat.

###### d) De „fout”

Verzoekster betoogt dat een „fout” der communautaire instanties, zoals die in het recht der meeste Lid-Staten als voorwaarde wordt gesteld voor de mogelijkheid de administratie wegens plichtverzuim tot schadevergoeding aan te spreken, wel degelijk is begaan. Zij is gelegen in het eenvoudig vast te stellen objectieve feit dat bepaalde rechtsregels niet zijn geëerbiedigd, ofschoon de betrokken communautaire instanties zodanig verzuim hadden kunnen beseffen en vermijden omdat het in casu ging om een inbreuk op het discriminatieverbod en genoemde instanties zich er zelf rekenschap van gaven dat de verleende steun een discriminerend karakter droeg.

De Commissie antwoordt hierop dat de instellingen van de Gemeenschap tijdig kennis hadden moeten dragen van de bijzondere handelspositie van verzoekster en van de beweerdelijk door haar geleden uitzonderlijke verliezen, wilde zij kunnen vaststellen of men door beperking van de extra steun tot Italië willekeurig heeft gehandeld.

Verzoekster heeft tot nu toe niet bewezen of aangetoond dat zij jegens de Europese Economische Gemeenschap een op een dienstfout dier Gemeenschap berustende aanspraak kan inroepen.

Verzoekster zegt voor repliek dat de Raad zich over de vraag of er een dienstfout is begaan niet heeft uitgesproken. Het doet er voorts weinig toe of men verzoeksters handelspositie precies kent; integendeel, het gaat er maar om of de instellingen van de Gemeenschap er zich rekenschap van hebben gegeven — of hadden kunnen geven — dat de extra steun een inbreuk behelsde op het discriminatieverbod en daardoor schade toebracht aan oliefabrieken die in gelijke omstandigheden verkeerden als de Italiaanse bedrijven. Deze conclusie volgt uit de processenverbaal van de zittingen van het Comité voor oliën en vetten en uit de verklaringen van de Commissie.

Ten slotte kan men, gezien het lot dat beschoren is geweest aan de stappen die verzoekster in haar brief aan de Raad van 29 januari 1973 heeft ondernomen, zich voorstellen dat eerdere stappen al evenmin tot wijziging van deze onwettige gedragslijn zouden hebben geleid. De vakorganisaties hebben trouwens telken jare op deze kwestie gewezen en verzoekster heeft steeds weer geloof geschonken aan de ondubbelzinnige verklaringen der Commissie dat er van verdere verlenging van de geldingsduur der uitzonderingsmaatregel geen sprake kon zijn;

Overwegende dat het Hof na beëindiging van de schriftelijke behandeling bij brief van 24 januari 1974 partijen een aantal vragen heeft gesteld, waarop in hoofdzaak als volgt is geantwoord:

De Commissie heeft statistieken geproduceerd waaruit blijkt dat de uitvoer van koolzaad uit Duitsland naar Italië van 1000 ton in 1969 is gestegen tot 34000 ton in 1972, terwijl in datzelfde tijdvak de produktie in Duitsland van 158000 tot 246000 ton is gestegen. De uitvoer uit Frankrijk naar Italië zou in 1967 31000 ton en in 1972 223000 ton hebben belopen. De uitvoer van olie naar Italië zou in dezelfde periode sterk zijn gestegen, terwijl die uit Italië voor en na vrijwel nihil bedroeg.

Op een ten gerieve van de Commissie opgemaakte kaart zijn de verschillende produktiecentra en het goederenverkeer in 1971/1972 aangegeven. Duidelijk blijkt dat Italië, waar vrijwel geen koolzaad wordt geproduceerd 21/2 maal zoveel overzee invoert als langs de weg. De Bondsrepubliek, die ten naaste bij 250000 ton produceert, importeert 119000 ton uit derde landen en exporteert 68000 ton naar Italië. Frankrijk, dat als belangrijkste produktieland van de EEG, bijna 600000 produceert, heeft voor de oliewinning twee grote centra, Duinkerken en Dieppe; het importeert 236000 ton uit derde landen en exporteert 82000 ton naar Italië.

Verzoekster verstrekt nadere gegevens over haar aankopen en corrigeert de cijfers van haar request. In 1969 kocht zij 31000 ton koolzaad, waarvan 20000 in de Gemeenschap, vooral in Duitsland (5700) en Frankrijk (13600), in 1970 17000 ton, waarvan 14000 in de Gemeenschap, en wel alleen in Duitsland, in 1971 33000 ton, waarvan 19000 in de Gemeenschap, te weten in Duitsland 10500, in Nederland 4000 en in Frankrijk 4000 ton en in 1972 46000 ton, waarvan 24000 in de Gemeenschap, te weten in Duitsland ten naaste bij 20000, in Nederland 3000 en in Frankrijk 1000 ton.

Verzoekster kon zich in Frankrijk onvoldoende bevoorraden in verband met het feit dat de Italiaanse kopers bijzonder veel Frans koolzaad aankochten „ondanks de ten dele minder gunstige positie die zij, wat de vervoerprijzen betreft, innamen en ofschoon zij veel hoger boden dan de marktsituatie en hun kostprijscalculatie gedoogden.”

De door de Commissie bij dupliek overgelegde berekeningen acht verzoekster onhanteerbaar omdat ze berusten op de interventieprijzen voor het jaar 1973 en de voor Italië aangehouden vervoerkosten te hoog worden geacht. Volgens haar eigen berekening is de kostprijs van 41 kg olie voor een te Düsseldorf gevestigde oliefabriek verkregen uit 100 kg koolzaad slechts 0,11 tot 0,48 rekeneenheid lager dan de kostprijs van een Venetiaanse oliefabriek, zodat het concurrentievoordeel van laatstgenoemde fabriek zou liggen tussen 7/8 en de helft van de extra steun (0,8 rekeneenheid);

Overwegende dat op 16 maart 1974 tot de mondelinge behandeling is overgegaan, alwaar verzoekster was vertegenwoordigd door dr. J. Gündisch, advocaat te Hamburg, de Raad van de Europese Gemeenschappen door haar juridisch adviseur professor D. Vignes, als gemachtigde, bijgestaan door H.-J. Rabe, advocaat te Hamburg, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen door haar juridisch adviseur P. Kalbe, als gemachtigde;

Overwegende dat partijen tijdens de mondelinge behandeling de hieronder in samenvatting weergegeven nieuwe gegevens hebben verstrekt:

De Raad heeft betoogd dat de verhouding tussen koolzaad uit de Gemeenschap en de totale hoeveelheid door verzoekster verwerkt koolzaad voor alle in de Gemeenschap gelegen oliefabrieken dezelfde is (ongeveer 70 %); voorts is bij het openstellen der grenzen in 1967 binnen enkele weken uit Duitsland en Frankrijk gelijkelijk 1/3 van de nationale jaarproduktie naar de Italiaanse markt afgevloeid. Ten slotte heeft de Raad aangekondigd dat de litigieuze regeling het komend seizoen niet zal worden verlengd en dat hij zich zal gaan beraden over een geheel nieuwe verordening — met een anders opgezette regeling voor koolzaad en daaruit gewonnen olie —;

Verzoekster heeft er op gewezen dat, anders dan zij in het beroepschrift heeft gesteld, voor in de streek van Venetië gelegen oliefabrieken niet de Rhône het dichtstbijgelegen produktiegebied is, maar de Garonne, vanwaar het koolzaad haar over zee wordt toegezonden;

Overwegende dat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van 8 mei 1974 zijn conclusie heeft genomen;

### Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat verzoekster bij op 24 juli 1973 ingekomen beroepschrift vergoeding vordert van schade die haar zou zijn opgekomen door een onrechtmatige gedraging van Raad en Commissie, daarin bestaande dat er — in het kader van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten, tot stand gebracht bij 's Raads verordening nr. 136/66 van 22 september 1966 (PB nr. L 172 van 30 september 1966, blz. 3025) — krachtens 's Raads verordening nr. 876/67 van 20 november 1967 (PB nr. L 281 van 21 november 1967, biz. 7) telken jare alleen voor in de Gemeenschap geoogst en in Italië verwerkt koolzaad en raapzaad extra steun is toegekend;

dat verzoekster bij wege van vergoeding van schaden en interesten betaling vordert van een bedrag van 735924 DM, overeenkomende met het bedrag waarop zij in de jaren 1969-1972 aanspraak zou hebben gehad wanneer de extra steun aan alle oliefabrieken uit de Gemeenschap zou zijn toegekend — in dier voege dat daarvoor alleen de afstand ten opzichte van de produktiegebieden bepalend zou zijn —;

dat toepassing der gewraakte verordeningen schending zou inhouden van het discriminatieverbod dat in de artikelen 7, eerste alinea, en 40, lid 3, tweede alinea, van het EEG-Verdrag besloten ligt;

#### De ontvankelijkheid

2.

Overwegende dat de Raad het beroep niet-ontvankelijk acht omdat het in werkelijkheid niet gericht zou zijn op vergoeding ener aan haar optreden te wijten schade, doch — nadat verzoekster in een eerdere zaak (134-73) in haar daartoe strekkend verzoek bij arrest van 15 januari 1974 niet-ontvankelijk verklaard is — wederom op wijziging ener communautaire regeling;

dat ontvankelijkverklaring van het beroep zou indruisen tegen een in het Verdrag voor de behandeling van contentieuze zaken voorziene regeling, en wel met name tegen artikel 175, derde alinea, volgens hetwelk particulieren niet bevoegd zijn tegen het uitblijven van een verordening in beroep te komen;

3. Overwegende evenwel dat de schadevergoedingsactie van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag is voorzien als een zelfstandige beroepsweg waaraan binnen het systeem der rechtsmiddelen een bijzondere functie toekomt en toepassingsvoorwaarden zijn gesteld die op zijn specifieke doelstelling zijn afgestemd;

4.

dat men met de zelfstandigheid van deze beroepsmogelijkheid alsook met de goede werking van het gehele stelsel der in het Verdrag geschapen rechtsmiddelen in strijd zou komen door een grond tot niet-ontvankelijkheid gelegen te achten in het feit dat een schadevergoedingsactie in bepaalde omstandigheden kan leiden tot een dergelijk resultaat als een beroep wegens stilzitten der administratie ex artikel 175;

dat de schadevergoedingsactie van het beroep wegens stilzitten der administratie verschilt doordien zij niet strekt tot het nemen van een bepaalde maatregel, doch tot vergoeding van schade door een instelling bij de vervulling van haar taak veroorzaakt;

5.

dat met deze vordering alleen toekenning van schadevergoeding is beoogd, dat wil zeggen een uitkering die is bestemd om alleen ten aanzien van de verzoekster te werken;

dat het beroep derhalve ontvankelijk is;

#### Ten principale

6.

Overwegende dat verzoekster aan haar beroep allereerst het feit ten grondslag legt dat de extra steun aan de Italiaanse oliefabrieken een met artikel 7, eerste alinea, van het Verdrag strijdige discriminatie op grond van de nationaliteit zou behelzen;

dat zij betoogt dat zij krachtens artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag, dat het algemeen beginsel van artikel 7 in het kader van het landbouwbeleid uitwerkt, voor dezelfde steun in aanmerking had moeten worden gebracht als in Noord-Italië gevestigde oliefabrieken wanneer de speciaal ten gunste van de Italiaanse oliefabrieken voorziene behandeling niet op de nationaliteit zou hebben berust doch op de grote afstand waarop zij zich ten opzichte van de produktiegebieden bevinden;

dat verzoekster aan haar beroep niet ten grondslag legt dat Raad en Commissie tot extra steun voor de Italiaanse oliefabrieken hebben besloten casu quo die steun voorgesteld, doch het feit dat zulk een regeling niet ook op haar van toepassing is;

7.

Overwegende dat krachtens artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag en de algemene beginselen waarnaar in deze bepaling wordt verwezen, voor een aansprakelijkstelling van de Gemeenschap een aantal voorwaarden moet zijn vervuld, betreffende de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, de werkelijk geleden schade en een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade;

dat de Gemeenschap, gezien artikel 215, tweede alinea, waar het een normatieve handeling betreft die economische beleidskeuzen impliceert, voor schade door zodanige gedraging aan particulieren opgekomen slechts aansprakelijk kan worden gesteld wanneer sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een te hunner bescherming gegeven hogere rechtsregel;

8.

Overwegende dat 's Raads op 1 oktober 1966 in werking getreden verordening nr. 136/66/EEG van 22 september 1966 sedert 1 juli 1967 van toepassing is op koolzaad en raapzaad en daaruit gewonnen olie;

dat deze verordening er toe strekt om met behulp van een stelsel van basisinterventieprijzen en afgeleide interventieprijzen de kosten voor in de verschillende gebieden geproduceerd koolzaad aan het vervoer naar de oliefabrieken verbonden, te neutraliseren;

9. dat de Italiaanse Regering, toen de openstelling van de grenzen tussen de landen der Gemeenschap als gevolg van de inwerkingtreding van verordening nr. 136/66 in Italië tot moeilijkheden aanleiding had gegeven, met name doordien olie uit in Frankrijk geproduceerd koolzaad op de Italiaanse markt veel goedkoper werd aangeboden dan in Italië geproduceerde olie, de Commissie om machtiging tot het nemen van vrijwaringsmaatregelen krachtens artikel 226 van het Verdrag heeft verzocht;

10.

dat de Raad, nadat dit verzoek door de Commissie bij besluit van 11 oktober 1967 was afgewezen, bij verordening nr. 876/67, vastgesteld krachtens artikel 36 van verordening nr. 136/66, „extra steun” ten bedrage van 0,675 rekeneenheid per 100 kilogram heeft ingesteld voor „in de Gemeenschap voortgebracht koolzaad en raapzaad, dat in de loop van het verkoopseizoen 1967/1968 in een op Italiaans grondgebied gelegen olieslagerij” — ter verwerking — „onder controle is geplaatst”;

dat in de considerans van verordening nr. 876/67 de verlening van deze extra steun wordt gemotiveerd door de overweging „dat, in afwachting van een grondiger bestudering van de oorzaken van de moeilijkheden” die in Italië waren geconstateerd „in de sector van de industrie die oliehoudende zaden verwerkt” en van „de produktievoorwaarden in de Gemeenschap, aan deze moeilijkheden in het lopende verkoopseizoen kan worden tegemoet gekomen door een extra steun te verlenen”;

11.

dat deze steunverlening voor de verkoopseizoenen 1968/1969 tot en met 1973/1974 is verlengd bij 's Raads verordeningen nrs. 842/68 (PB nr. L 152/2), 1382/69 (PB nr. L 178/4), 1221/70 (PB nr. L 141/26), 1052/71 (PB nr. L 115/6), 1336/72 (PB nr. L 147/6) en 1357/73 (PB nr. L 141/30), des dat het steunbedrag voor de seizoenen 1968/1972 op 0,850 rekeneenheid per 100 kg en met ingang van het seizoen 1972/1973 op 0,800 rekeneenheid is gebracht;

dat in de considerans van al deze verordeningen, de laatste uitgezonderd, de gelijkluidende overweging voorkomt „dat het onderzoek naar de oorzaken van \[de in Italië geconstateerde\] … moeilijkheden en van de produktievoorwaarden in de Gemeenschap, gezien de vooruitzichten voor de ontwikkeling van de markt voor zaden, aanleiding geeft de extra steun voor het betrokken verkoopseizoen … te handhaven”;

dat in de considerans van verordening nr. 1357/73 wordt overwogen „dat de extra steun voor het verkoopseizoen 1973/1974 nog dient te worden gehandhaafd totdat de behandeling van de problemen in verband met de mobiliteit van de oliehoudende zaden in de uitgebreide Gemeenschap is afgerond”;

12.

dat verweersters hebben betoogd dat de moeilijkheden waaraan men door middel van deze verordening het hoofd heeft willen bieden met name ook zijn veroorzaakt door het feit dat het vervoer van 100 kg koolzaad uit Frankrijk naar Italië duurder is dan dat van de 41 kg olie welke daarin voorkomt, zodat Franse olie, ondanks het stelsel waarvan men zich in verordening nr. 136/66 heeft bediend om de kosten verbonden aan het vervoer van dat zaad te neutraliseren, tegen een veel lagere prijs op de Italiaanse markt kan worden gebracht dan olie, in dat land uit in Frankrijk geoogst zaad gewonnen;

dat de omstreden extra steun dus is bedoeld om het mededingingsnadeel te compenseren dat voor Italiaanse oliefabrieken die niet in de nabijheid van de produktiegebieden der Gemeenschap zijn gelegen, uit de gemeenschappelijke ordening der markten voortvloeit;

13.

Overwegende dat de in artikel 40 van het Verdrag omschreven doelstellingen, te weten de totstandbrenging van een gemeenschappelijk landbouwbeleid en een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten, medebrengen dat er voor producenten en verbruikers van landbouwprodukten gemeenschappelijke regelen en normen moeten worden vastgesteld en dat er van discriminatie op grond van de nationaliteit of naar de plaats van vestiging der oliefabrieken geen sprake mag zijn;

dat er wat betreft de verschillende bestanddelen van de gemeenschappelijke ordening der markten, beschermende maatregelen, subsidies, steunmaatregelen en dergelijke, alleen streeksgewijze of in verband met andere produktie-of verbruikscondities mag worden gedifferentieerd wanneer ter verzekering van een evenredige verdeling van voor-en nadelen voor betrokkenen volgens objectieve maatstaven wordt tewerk gegaan en tussen de Lid-Staten niet in territoriale zin wordt onderscheiden;

dat dan ook het verlenen van extra steun aan de in één bepaalde Lid-Staat gevestigde oliefabrieken, behoudens voor de betrokken nationale markt in haar geheel geldende omstandigheden, in beginsel met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid onverenigbaar is;

14.

Overwegende evenwel dat een gemeenschappelijke ordening der markten mogelijkerwijs aanvankelijk niet geheel op artikel 39 van het Verdrag blijkt te zijn afgestemd en leemten te vertonen welke de stabiliteit van de markt op een gedeelte van de Gemeenschap in gevaar kunnen brengen;

dat het weliswaar op de weg van de verantwoordelijke instellingen ligt met de geboden diligentie naar de oorzaken van zodanige moeilijkheden te zoeken en, ten einde het hoofd te bieden aan de gebleken onvolkomenheden, zo spoedig mogelijk verordeningen welke een gemeenschappelijke ordening der markten behelzen vast te stellen, doch dat het hun niettemin vrijstaat om, in afwachting daarvan, voorlopige maatregelen te nemen die beperkt blijven tot die Lid-Staten waar de markt meer in het bijzonder in moeilijkheden geraakt is;

15.

Overwegende dat dit schijnt op te gaan voor verordening nr. 876/67 en de verordeningen waarbij de geldingsduur harer bepalingen is verlengd;

dat ofschoon de door verweersters gegeven verklaring volgens welke het feit dat Franse olie ver beneden de kostprijs der Italiaanse oliefabrieken aan de markt kon komen zijn oorzaak zou hebben gevonden in het verschil tussen de kosten verbonden aan het vervoer van in Frankrijk verwerkte olie en aan dat van koolzaad uit de Franse produktiecentra niet in allen dele vermag te bevredigen, nochtans vaststaat dat de totstandbrenging van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten een voor de Italiaanse markt in oliehoudende produkten nadelige nieuwe situatie heeft geschapen;

dat de Raad dan ook een voorlopige maatregel mocht nemen ten einde aan de tot Italiaanse oliefabrieken beperkt blijvende moeilijkheden het hoofd te bieden;

16. dat verzoekster niet heeft gesteld dat zich destijds op de Duitse markt, met name wat haar betreft, vergelijkbare moeilijkheden hebben voorgedaan;

17.

Overwegende dat al moge de Raad derhalve artikel 40, lid 3, van het Verdrag niet hebben geschonden, anderzijds dient te worden erkend dat het voorlopig karakter van een maatregel als hierbedoeld zou dreigen teloor te gaan wanneer hij er toe zou leiden dat de ondernemingen van een Lid-Staat duurzaam van de gemeenschappelijke marktordening worden uitgesloten;

dat, gezien de aard der op te lossen problemen, dit voorlopig karakter door de Raad is inachtgenomen nu hij deze maatregelen na het seizoen 1973/1974 heeft beëindigd;

dat het beroep derhalve rechtens ongenoegzaam gegrond is, zodat het moet worden verworpen;

#### Ten aanzien van de kosten

18.

Overwegende dat het Hof volgens artikel 69, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering de proceskosten wegens bijzondere redenen kan compenseren;

dat verzoekster in casu genoegzame redenen had het Hof om een uitspraak nopens de litigieuze situatie te verzoeken;

dat er in deze omstandigheden aanleiding bestaat verzoekster niet in alle kosten van het geding te verwijzen, doch alleen de aan haar zijde gevallen kosten te haren laste te brengen;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende:

1\. verwerpt het beroep;

2\. verstaat dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

9

EEG-Verdrag art. 7 5 voorkomens

EEG-Verdrag art. 215 4 voorkomens

EEG-Verdrag art. 226 4 voorkomens

EEG-Verdrag art. 40 4 voorkomens

EEG-Verdrag art. 175 2 voorkomens

verordening 136/66 art. 36 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 8 1 voorkomen

verordening 876/67 art. 3 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Hof van Justitie 253/84 15.01.1987

#### [EEG-Verdrag art. 178 en art. 215](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-253-84-arrest)

## Rechtsleer

1

Gündisch, Jürgen: Außenwirtschaftsdienst des Betriebs-Beraters / Recht der Internationalen Wirtschaft 1974 p.558-559
