Arrest van het Hof van 20 juni 2024, C-135/23 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Unie Eerste kamer C-135/23 ECLI:EU:C:2024:526 20 juni 2024

Zoeken

Arrest van het Hof van 20 juni 2024, C-135/23Intellectuele eigendom, auteursrecht en naburige rechten, mededeling aan het publiek, begrip, louter beschikbaar stellen van faciliteiten, beschikbaarstelling in appartementen van televisietoestellen met een kamerantenne voor het ontvangen van signalen en uitzendingen, winstoogmerk, beginsel van technologische neutraliteit

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-135-23-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Unie
Samenstelling
Eerste kamer
Zaak
C-135/23
ECLI
ECLI:EU:C:2024:526
Datum
20 juni 2024

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Rechter in eerste aanleg Potsdam (Duitsland) beslissing van 1 februari 2023 20 C 63/22
Zaak ingediend op
7 maart 2023
Advocaat-generaal
Szpunar
Opmerkingen
Franse, Oostenrijkse regering Commissie

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Duits
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Ziemele
Repertorium van het Hof

Tekst

73 paragrafen

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

20 juni 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele eigendom – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29/EG – Artikel 3, lid 1 – Mededeling aan het publiek – Begrip – Louter beschikbaar stellen van faciliteiten – Beschikbaarstelling in appartementen van televisietoestellen met een kamerantenne voor het ontvangen van signalen en uitzendingen – Winstoogmerk – Beginsel van technologische neutraliteit”

In zaak C‑135/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Amtsgericht Potsdam (rechter in eerste aanleg Potsdam, Duitsland) bij beslissing van 1 februari 2023, ingekomen bij het Hof op 7 maart 2023, in de procedure

Gesellschaft für musikalische Aufführungs- und mechanische Vervielfältigungsrechte eV (GEMA)

tegen

GL,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, T. von Danwitz, P. G. Xuereb, A. Kumin en I. Ziemele (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Gesellschaft für musikalische Aufführungs- und mechanische Vervielfältigungsrechte eV (GEMA), vertegenwoordigd door F. Seifert, Rechtsanwalt,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Bénard en E. Timmermans als gemachtigden,

– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door G. Kunnert, A. Posch en J. Schmoll als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Samnadda en G. von Rintelen als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 februari 2024,

het navolgende

Arrest

1.

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).

2.

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Gesellschaft für musikalische Aufführungs- und mechanische Vervielfältigungsrechte eV (GEMA), een organisatie voor het collectieve beheer van auteursrechten, en GL, de exploitant van een appartementsgebouw, over vermeende inbreuken op het auteursrecht door laatstgenoemde als gevolg van de beschikbaarstelling, in de door hem geëxploiteerde appartementen, van televisietoestellen die zijn uitgerust met een kamerantenne waarmee signalen en uitzendingen kunnen worden ontvangen, waaronder muziek.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

3.

De Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO) heeft op 20 december 1996 te Genève het Verdrag van de WIPO inzake het auteursrecht (hierna: „WCT”) vastgesteld, dat namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2000/278/EG van de Raad van 16 maart 2000 (PB 2000, L 89, blz. 6) en dat, wat de Europese Unie betreft, in werking is getreden op 14 maart 2010 (PB 2010, L 32, blz. 1).

4.

Artikel 8 WCT, „Recht op mededeling aan het publiek”, luidt:

„Onverminderd de bepalingen van artikel 11, lid 1, onder ii), artikel 11 bis, lid 1, onder i) en ii), artikel 11 ter, lid 1, onder ii), artikel 14, lid 1, onder ii), en artikel 14 bis, lid 1, van de [Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, ondertekend te Bern op 9 september 1886 (Akte van Parijs van 24 juli 1971), zoals gewijzigd op 28 september 1979], hebben auteurs van werken van letterkunde en kunst het uitsluitend recht om toestemming te verlenen voor het per draad of langs draadloze weg mededelen van hun werken aan het publiek, met inbegrip van het op zodanige wijze voor het publiek beschikbaar stellen van hun werken dat deze voor leden van het publiek beschikbaar zijn vanaf een door hen gekozen plaats en op een door hen gekozen tijdstip.”

5.

Op 20 december 1996 zijn bij diplomatieke conferentie van de WIPO gemeenschappelijke verklaringen betreffende het WCT vastgesteld.

6.

De gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 8 WCT bepaalt:

„Het is wel verstaan dat de enkele terbeschikkingstelling van materiële faciliteiten voor het mogelijk maken of verrichten van een mededeling op zich geen mededeling in de zin van dit verdrag of de [Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, ondertekend te Bern op 9 september 1886 (Akte van Parijs van 24 juli 1971), zoals gewijzigd op 28 september 1979] uitmaakt. […]”

Unierecht

7.

De overwegingen 4, 9, 10, 23 en 27 van richtlijn 2001/29 luiden:

„(4) Geharmoniseerde rechtsregels op het gebied van het auteursrecht en de naburige rechten zullen voor meer rechtszekerheid zorgen, een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom waarborgen en aldus aanzienlijke investeringen in creativiteit en innovatie […] bevorderen, hetgeen weer tot groei en vergroting van het concurrentievermogen van de Europese industrie zal leiden, […].

[…]

(9) Bij een harmonisatie van het auteursrecht en de naburige rechten moet steeds van een hoog beschermingsniveau worden uitgegaan, omdat die rechten van wezenlijk belang zijn voor scheppend werk. De bescherming van deze rechten draagt bij tot de instandhouding en ontwikkeling van de creativiteit in het belang van auteurs, uitvoerend kunstenaars, producenten, consumenten, cultuur, industrie en het publiek in het algemeen. De intellectuele eigendom is dan ook als een geïntegreerd deel van de eigendom erkend.

(10) Auteurs en uitvoerend kunstenaars moeten, willen zij hun scheppende en artistieke arbeid kunnen voortzetten, een passende beloning voor het gebruik van hun werk ontvangen, evenals de producenten om dat werk te kunnen financieren. De productie van fonogrammen, films en multimediaproducten, en van diensten, zoals ‚diensten-op-aanvraag’, vereist aanzienlijke investeringen. Een adequate rechtsbescherming van de intellectuele-eigendomsrechten is noodzakelijk om de mogelijkheid tot het verkrijgen van een dergelijke beloning en de mogelijkheid van een behoorlijk rendement van dergelijke investeringen te waarborgen.

[…]

(23) Deze richtlijn moet het recht van de auteur van mededeling van werken aan het publiek verder harmoniseren. Aan dit recht moet een ruime betekenis worden gegeven die iedere mededeling omvat die aan niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek wordt gedaan. Dit recht dient zich uit te strekken tot elke dergelijke doorgifte of wederdoorgifte van een werk aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending. Dit recht heeft geen betrekking op enige andere handeling.

[…]

(27) De beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten om een mededeling mogelijk te maken of te verrichten is op zich geen mededeling in de zin van deze richtlijn.”

8.

Artikel 3, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:

„De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.”

Duits recht

9.

§ 15 van het Gesetz über Urheberrecht und verwandte Schutzrechte – Urheberrechtsgesetz (wet betreffende het auteursrecht en de naburige rechten) van 9 september 1965 (BGBl. 1965 I, blz. 1273), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, luidt:

„[…]

(2) De auteur heeft bovendien het uitsluitende recht om zijn werk in immateriële vorm aan het publiek mee te delen (recht van mededeling aan het publiek). Het recht van mededeling aan het publiek omvat met name:

1. het recht tot vertoning, uitvoering en opvoering (§ 19);

2. het recht tot beschikbaarstelling aan het publiek (§ 19a);

3. het recht tot uitzending (§ 20);

4. het recht tot mededeling via beeld‑ of geluidsdragers (§ 21);

5. het recht om radio-uitzendingen mee te delen en ter beschikking te stellen van het publiek (§ 22).

(3) Een mededeling is openbaar wanneer zij bestemd is voor een pluraliteit van leden van het publiek. Het publiek omvat eenieder die niet door persoonlijke relaties verbonden is met degene die het werk exploiteert of met andere personen voor wie het werk in immateriële vorm waarneembaar of toegankelijk wordt gemaakt.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

10.

GEMA, een organisatie voor het collectieve beheer van auteursrechten op het gebied van muziek, heeft bij het Amtsgericht Potsdam (rechter in eerste aanleg Potsdam, Duitsland), de verwijzende rechter, een vordering tot schadevergoeding uit hoofde van het auteursrecht ingesteld tegen GL, de exploitant van een appartementsgebouw met 18 appartementen, op grond dat GL in strijd met § 15 van de wet betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, in de versie ervan die van toepassing is op het hoofdgeding, in die appartementen televisietoestellen ter beschikking stelt die zijn uitgerust met een kamerantenne waarmee signalen en uitzendingen kunnen worden ontvangen, waaronder muziek.

11.

Deze rechter vraagt zich af of een dergelijke beschikbaarstelling een „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 vormt, met name gelet op het feit dat het betrokken gebouw niet is uitgerust met een „centrale antenne” waarmee de signalen naar deze appartementen kunnen worden doorgegeven.

12.

Hij merkt in dit verband op dat het Hof in het arrest van 7 december 2006, SGAE (C‑306/05, EU:C:2006:764), heeft geoordeeld dat, ook al vormt de loutere beschikbaarstelling van fysieke installaties als zodanig geen „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, het doorgeven van een signaal door middel van televisietoestellen door een hotel aan de gasten die in zijn kamers verblijven, ongeacht de gebruikte techniek van doorgifte van het signaal, een dergelijke mededeling vormt. In zijn beschikking van 18 maart 2010, Organismos Sillogikis Diacheirisis Dimiourgon Theatrikon kai Optikoakoustikon Ergon (C‑136/09, EU:C:2010:151), heeft het Hof geoordeeld dat een hotel een „mededeling aan het publiek” in de zin van die bepaling verricht wanneer het televisietoestellen installeert in de kamers van zijn hotel en deze toestellen verbindt met een „centrale antenne” van dat hotel, waardoor deze televisietoestellen radio-uitzendingen kunnen ontvangen. Daarentegen blijkt uit het arrest van 2 april 2020, Stim en SAMI (C‑753/18, EU:C:2020:268), dat de verhuur van auto’s die zijn uitgerust met een radio, geen dergelijke mededeling aan het publiek vormt.

13.

De verwijzende rechter is van mening dat deze rechtspraak geen uitsluitsel biedt over de vraag of de beschikbaarstelling door de exploitant van een appartementsgebouw van televisietoestellen die zijn uitgerust met een kamerantenne waarmee signalen en uitzendingen kunnen worden ontvangen in deze appartementen, zonder dat er sprake is van een „centrale antenne”, een „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 vormt.

14.

In deze omstandigheden heeft het Amtsgericht Potsdam de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Is er sprake van een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3 van [richtlijn 2001/29] wanneer de exploitant van een appartementsgebouw televisietoestellen in het appartementsgebouw ter beschikking stelt die elk door middel van een kamerantenne uitzendingen ontvangen zonder een centrale ontvangst voor de doorgifte van de signalen?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

15.

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het in deze bepaling bedoelde begrip „mededeling aan het publiek” ook de beschikbaarstelling omvat, door de exploitant van een appartementsgebouw, van televisietoestellen die zijn uitgerust met een kamerantenne die zonder verdere tussenkomst signalen ontvangen en uitzendingen mogelijk maken.

16.

Volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 voorzien de lidstaten ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek zodat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.

17.

Zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, beschikken auteurs krachtens deze bepaling over een recht van preventieve aard om te interveniëren tussen eventuele gebruikers van hun werk en de mededeling aan het publiek die deze gebruikers overwegen te doen, teneinde deze mededeling te verbieden (arresten van 31 mei 2016, Reha Training,C‑117/15, EU:C:2016:379, punt 30, en 20 april 2023, Blue Air Aviation,C‑775/21 en C‑826/21, EU:C:2023:307, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

18.

Aangezien artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 het begrip „mededeling aan het publiek” niet preciseert, moet voor de betekenis en de draagwijdte van dit begrip rekening worden gehouden met de door die richtlijn nagestreefde doelstellingen en met de context van de uit te leggen bepaling (arrest van 20 april 2023, Blue Air Aviation,C‑775/21 en C‑826/21, EU:C:2023:307, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

19.

Wat deze doelstellingen betreft, heeft het Hof voortdurend erop gewezen dat aan het begrip „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, zoals wordt benadrukt in overweging 23 van die richtlijn, een ruime betekenis moet worden gegeven die iedere mededeling omvat die aan een niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig publiek wordt gedaan, en dient dit begrip zich derhalve uit te strekken tot elke dergelijke doorgifte of wederdoorgifte van een werk aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending. Uit de overwegingen 4, 9 en 10 ervan volgt immers dat deze richtlijn als belangrijkste doelstelling heeft een hoog beschermingsniveau voor auteurs te verwezenlijken, zodat zij met name bij een mededeling aan het publiek een passende beloning voor het gebruik van hun werk kunnen ontvangen (arrest van 20 april 2023, Blue Air Aviation,C‑775/21 en C‑826/21, EU:C:2023:307, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

20.

Wat de context van de bepaling in kwestie betreft, blijkt uit overweging 27 van richtlijn 2001/29, die in wezen de gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 8 WCT overneemt, dat „de beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten om een mededeling mogelijk te maken of te verrichten […] op zich geen mededeling in de zin van deze richtlijn [is]” (zie in die zin arrest van 2 april 2020, Stim en SAMI, C‑753/18, EU:C:2020:268, punt 33).

21.

Volgens vaste rechtspraak verbindt het begrip „mededeling aan het publiek” in de zin van dit artikel 3, lid 1, twee cumulatieve elementen met elkaar, te weten een handeling bestaande in de mededeling van een werk en de mededeling van dit werk aan een publiek, en vergt dit begrip een individuele beoordeling (arresten van 31 mei 2016, Reha Training,C‑117/15, EU:C:2016:379, punt 37, en 20 april 2023, Blue Air Aviation,C‑775/21 en C‑826/21, EU:C:2023:307, punt 47 en de aangehaalde rechtspraak).

22.

Bij een dergelijke beoordeling dienen meerdere niet-autonome en onderling afhankelijke, elkaar aanvullende criteria in aanmerking te worden genomen. Aangezien deze criteria in verschillende concrete situaties met een zeer wisselende intensiteit een rol kunnen spelen, moeten deze criteria zowel individueel als in hun onderling verband worden toegepast (arresten van 31 mei 2016, Reha Training,C‑117/15, EU:C:2016:379, punt 35, en 20 april 2023, Blue Air Aviation,C‑775/21 en C‑826/21, EU:C:2023:307, punt 48 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

23.

Daarbij heeft het Hof benadrukt dat de centrale rol van de gebruiker en het weloverwogen karakter van diens interventie de belangrijkste criteria zijn. De gebruiker verricht namelijk een „mededelingshandeling” wanneer hij, met volledige kennis van de gevolgen van zijn handelwijze, intervenieert om zijn klanten toegang te verlenen tot een beschermd werk, met name wanneer deze klanten zonder een dergelijke interventie in beginsel geen toegang zouden hebben tot het verspreide werk (arresten van 31 mei 2016, Reha Training,C‑117/15, EU:C:2016:379, punt 46, en 20 april 2023, Blue Air Aviation,C‑775/21 en C‑826/21, EU:C:2023:307, punt 49 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

24.

Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat het niet zonder belang is of met een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, winst wordt beoogd, ook al is dit karakter niet noodzakelijkerwijs een onmisbare voorwaarde voor het bestaan van een dergelijke mededeling (zie in die zin arrest van 20 april 2023, Blue Air Aviation,C‑775/21 en C‑826/21, EU:C:2023:307, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25.

In deze context heeft het Hof geoordeeld dat de „ontvankelijkheid” van het publiek relevant kan zijn, in die zin dat de uitzending van beschermde werken een winstoogmerk heeft wanneer de gebruiker daaruit een financieel voordeel kan halen in verband met de aantrekkelijkheid en dus het grotere aantal bezoekers van de inrichting waar hij deze uitzending verricht, terwijl een dergelijk winstoogmerk ontbreekt wanneer de doelgroep geen enkel belang hecht aan een dergelijke uitzending (zie in die zin arrest van 31 mei 2016, Reha Training,C‑117/15, EU:C:2016:379, punten 50‑52).

26.

Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dus dat met name op basis van de centrale rol van de gebruiker om zijn klanten toegang te verlenen tot beschermde werken en van de weloverwogen aard van zijn interventie, in het bijzonder wanneer hij een winstoogmerk heeft, bij de toepassing van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 een onderscheid kan worden gemaakt tussen enerzijds de „mededeling aan het publiek” in de zin van deze bepaling en anderzijds de „enkele beschikbaarstelling van faciliteiten” in de zin van overweging 27 van deze richtlijn.

27.

In het licht van deze beginselen, die voortvloeien uit vaste rechtspraak, heeft het Hof geoordeeld dat noch de beschikbaarstelling van een radio, die geïntegreerd is in een huurauto en die het mogelijk maakt om zonder verdere tussenkomst van de verhuurmaatschappij de terrestrische omroep te ontvangen die toegankelijk is in het gebied waarin de auto zich bevindt, noch de beschikbaarstelling van een geluidsinstallatie en in voorkomend geval van software waarmee achtergrondmuziek kan worden uitgezonden, een „mededelingshandeling” vormen. Volgens de rechtspraak van het Hof vormen dergelijke handelingen namelijk een „beschikbaarstelling van faciliteiten” in de zin van overweging 27 van richtlijn 2001/29 (zie in die zin arresten van 2 april 2020, Stim en SAMI, C‑753/18, EU:C:2020:268, punt 34, en 20 april 2023, Blue Air Aviation,C‑775/21 en C‑826/21, EU:C:2023:307, punt 69).

28.

Daartoe heeft het Hof met name opgemerkt dat indien de enkele omstandigheid dat het gebruik van een installatie noodzakelijk is om het publiek daadwerkelijk toegang te verlenen tot het werk, er automatisch toe zou leiden dat de interventie van de auteur van die beschikbaarstelling wordt aangemerkt als een handeling bestaande in een „mededeling aan het publiek”, elke „beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten om een mededeling mogelijk te maken of te verrichten”, een dergelijke handeling zou vormen, hetgeen overweging 27 van richtlijn 2001/29 – die in wezen de gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 8 WCT overneemt – evenwel uitdrukkelijk uitsluit (zie in die zin arrest van 20 april 2023, Blue Air Aviation,C‑775/21 en C‑826/21, EU:C:2023:307, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29.

Wat exploitanten van een horecagelegenheid, een hotel, een kuurinrichting en een revalidatiecentrum betreft, heeft het Hof daarentegen geoordeeld dat zij een mededeling verrichten wanneer zij beschermde werken bewust doorgeven aan hun klanten door via televisie‑ of radio-ontvangers die zij in hun inrichting hebben geplaatst, willens en wetens een signaal te verspreiden (zie met name arresten van 7 december 2006, SGAE,C‑306/05, EU:C:2006:764, punt 46; 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a.,C‑403/08 en C‑429/08, EU:C:2011:631, punt 196; 27 februari 2014, OSA,C‑351/12, EU:C:2014:110, punt 26, en 31 mei 2016, Reha Training,C‑117/15, EU:C:2016:379, punten 55 en 56).

30.

In deze rechtspraak heeft het Hof namelijk in wezen geoordeeld dat wanneer de exploitant van een inrichting zijn klanten vrijwillig televisie‑ of radiosignalen en toestellen ter beschikking stelt waarmee in deze signalen gecodeerde uitzendingen kunnen worden uitgezonden en die op verschillende plaatsen in deze inrichting zijn geïnstalleerd, er sprake is van een handeling bestaande in een „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, ongeacht de gebruikte techniek van doorgifte van het signaal.

31.

In de onderhavige zaak blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de exploitant van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde appartementsgebouw de huurders van deze appartementen televisietoestellen ter beschikking stelt die zijn uitgerust met een kamerantenne en waarvan is vastgesteld dat zij in deze appartementen signalen ontvangen en uitzendingen mogelijk maken, waaronder muziek.

32.

Zo het aan de nationale rechter staat om in het licht van de overwegingen in de punten 19 tot en met 30 van dit arrest te beoordelen of een exploitant van een gebouw als die in het hoofdgeding een „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 verricht [zie in die zin arrest van 15 maart 2012, Phonographic Performance (Ireland),C‑162/10, EU:C:2012:141, punt 39], dient het Hof hem daartoe nuttige aanwijzingen te geven om hem in staat te stellen het bij hem aanhangige geding af te doen (zie in die zin arrest van 5 mei 2022, BV,C‑570/20, EU:C:2022:348, punt 44).

33.

In dit verband moet ten eerste, in navolging van de advocaat-generaal in de punten 40 en 50 van zijn conclusie en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, worden geoordeeld dat de exploitant van een appartementsgebouw, door deze appartementen uit te rusten met televisietoestellen en kamerantennes die zonder verdere tussenkomst in deze appartementen signalen ontvangen en uitzendingen mogelijk maken, waaronder muziek, een weloverwogen interventie verricht om zijn klanten toegang te verschaffen tot dergelijke uitzendingen, binnenin het gehuurde appartement en tijdens de huurperiode, zonder dat van beslissend belang is of zij al dan niet gebruikmaken van deze mogelijkheid (zie in die zin arrest van 14 juni 2017, Stichting Brein,C‑610/15, EU:C:2017:456, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34.

Bovendien moet de handeling van deze exploitant waarbij aan zijn klanten toegang tot het uitgezonden werk wordt verschaft, worden beschouwd als een extra dienstverrichting die wordt verricht om er een bepaald profijt uit te trekken.

35.

Het aanbod van deze dienst heeft immers een invloed op de status van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde appartementen en dus op de huurprijs van deze appartementen (zie in die zin arrest van 15 maart 2012, SCF,C‑135/10, EU:C:2012:140, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak) of, zoals in punt 25 van dit arrest is opgemerkt, op de aantrekkelijkheid ervan en, bijgevolg, op het aantal kandidaat-huurders. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat uit het aanbieden van een dergelijke dienst kan worden afgeleid dat de mededeling een winstoogmerk heeft in de zin van de in de punten 24 en 25 van dit arrest aangehaalde rechtspraak.

36.

Voor het door de verwijzende rechter te verrichten onderzoek is de door deze rechter benadrukte omstandigheid dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde televisietoestellen zijn aangesloten op een „kamerantenne” en niet op een „centrale antenne”, zoals die welke aan de orde was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot de beschikking van 18 maart 2010, Organismos Sillogikis Diacheirisis Dimiourgon Theatrikon kai Optikoakoustikon Ergon (C‑136/09, EU:C:2010:151), irrelevant.

37.

Een dergelijk onderscheid tussen centrale antennes en kamerantennes strookt immers niet met het beginsel van technologische neutraliteit, op grond waarvan de wet de rechten en verplichtingen van personen op algemene wijze moet vaststellen, teneinde het gebruik van een bepaalde technologie niet te bevoordelen ten nadele van een andere (zie in die zin arrest van 24 maart 2022, Austro-Mechana,C‑433/20, EU:C:2022:217, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38.

Ten tweede kunnen beschermde werken slechts onder het begrip „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 vallen wanneer zij daadwerkelijk aan een publiek zijn medegedeeld. In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat het begrip „publiek” ziet op een onbepaald aantal potentiële ontvangers en bovendien een vrij groot aantal personen impliceert (arrest van 20 april 2023, Blue Air Aviation,C‑775/21 en C‑826/21, EU:C:2023:307, punten 51 en 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39.

Het begrip „publiek” houdt dus een bepaalde de-minimisdrempel in, waardoor een te klein of zelfs onbeduidend aantal betrokkenen niet onder dit begrip valt. Bij het bepalen van dit aantal moet met name rekening worden gehouden met het aantal personen dat tegelijkertijd toegang kan hebben tot hetzelfde werk, maar ook met het aantal personen dat daar achtereenvolgens toegang toe kan hebben (zie in die zin arresten van 31 mei 2016, Reha Training,C‑117/15, EU:C:2016:379, punten 43 en 44, en 19 december 2019, Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers, C‑263/18, EU:C:2019:1111, punt 68 en de aangehaalde rechtspraak).

40.

In casu heeft de verwijzende rechter geen enkele aanwijzing verstrekt over het aantal personen dat mogelijk gelijktijdig of achtereenvolgens toegang kan hebben tot de werken, behalve dan dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde gebouw uit 18 appartementen bestaat. De rechtbank geeft in het bijzonder niet aan of deze appartementen worden gebruikt voor kortetermijnverhuur, bijvoorbeeld als toeristische accommodatie, wat mogelijkerwijs een impact heeft op het aantal personen dat achtereenvolgens toegang heeft tot de betrokken werken.

41.

Overeenkomstig de in punt 31 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak staat het aan de nationale rechter om na te gaan of beschermde werken daadwerkelijk worden meegedeeld aan een „publiek” in de zin van de in de punten 38 en 39 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, en staat het aan het Hof om hem dienaangaande nuttige aanwijzingen te verstrekken.

42.

Indien de verwijzende rechter vaststelt dat de appartementen in het in het hoofdgeding aan de orde zijnde gebouw voor korte duur worden verhuurd, bijvoorbeeld als toeristische accommodatie, moeten de huurders ervan, zoals de advocaat-generaal in punt 36 van zijn conclusie heeft opgemerkt, als „publiek” worden aangemerkt, aangezien zij tezamen, net als gasten in een hotel, een onbepaald aantal potentiële ontvangers vormen [zie in die zin arrest van 15 maart 2012, Phonographic Performance (Ireland),C‑162/10, EU:C:2012:141, punten 41 en 42].

43.

Ten derde is het vaste rechtspraak dat, om te kunnen spreken van een „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29, een beschermd werk moet worden meegedeeld volgens een specifieke technische werkwijze, die verschilt van de werkwijzen die tot dan toe werden gebruikt, of, wanneer dat niet het geval is, gericht moet zijn tot een „nieuw publiek”, dat wil zeggen een publiek dat door de auteursrechthebbenden nog niet in aanmerking werd genomen toen zij toestemming verleenden voor de oorspronkelijke mededeling van hun werk aan het publiek (arrest van 22 juni 2021, YouTube en Cyando, C‑682/18 en C‑683/18, EU:C:2021:503, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44.

Zoals de advocaat-generaal in punt 59 van zijn conclusie heeft benadrukt, kunnen de huurders van appartementen in een gebouw dat voor korte perioden wordt verhuurd, bijvoorbeeld als toeristische accommodatie, als een dergelijk „nieuw” publiek worden aangemerkt, aangezien deze personen, hoewel zij zich binnen het ontvangstgebied van de uitzending bevinden, niet van het uitgezonden werk zouden kunnen profiteren zonder tussenkomst van de exploitant van het appartementsgebouw, die hun toegang verleent door in deze appartementen televisietoestellen te installeren die zijn uitgerust met een kamerantenne (zie in die zin arrest van 31 mei 2016, Reha Training,C‑117/15, EU:C:2016:379, punten 46 en 47).

45.

Indien de verwijzende rechter evenwel vaststelt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde appartementen worden verhuurd aan huurders die er hun verblijfplaats hebben, kunnen deze laatsten, zoals de advocaat-generaal in punt 60 van zijn conclusie heeft opgemerkt, daarentegen niet worden beschouwd als een „nieuw publiek” in de zin van de in punt 43 van dit arrest aangehaalde rechtspraak.

46.

Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het in deze bepaling gebruikte begrip „mededeling aan het publiek” ook betrekking heeft op de weloverwogen beschikbaarstelling, door de exploitant van een verhuurd appartementsgebouw, van televisietoestellen die zijn uitgerust met een kamerantenne en die zonder verdere tussenkomst signalen opvangen en uitzendingen mogelijk maken, voor zover de huurders van die appartementen als een „nieuw publiek” kunnen worden beschouwd.

Kosten

47.

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Dictum

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij

moet aldus worden uitgelegd dat

het in deze bepaling gebruikte begrip „mededeling aan het publiek” ook betrekking heeft op de weloverwogen beschikbaarstelling, door de exploitant van een verhuurd appartementsgebouw, van televisietoestellen die zijn uitgerust met een kamerantenne en die zonder verdere tussenkomst signalen opvangen en uitzendingen mogelijk maken, voor zover de huurders van die appartementen als een „nieuw publiek” kunnen worden beschouwd.

ondertekeningen

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

6
richtlijn 2001/29 art. 3uitgelegd17 voorkomens
VWEU art. 2671 voorkomen

Rechtspraak

2

Europese Unie

2

Hof van JustitieC-741/2212.09.2024

Vrijstellingen

Hof van JustitieC-73/2312.09.2024

Vrijstellingen

Bekijk de 2 documenten

Rechtsleer

3
Grudler, Clara: Propriété intellectuelle - Communication au public, Europe 2024, nº 8-9 Août-Septembre, Comm. 320 (FR)
Lucas-Schloetter, Agnès: Droits patrimoniaux – Droit de communication au public – Mise à disposition de téléviseurs sans transmission d’un signal – Simple fourniture d’installations (non)., Propriétés intellectuelles 2024, n° 93, p. 57-59 (FR)
Perry, Thomas ; Hyland, Mark: Right of communication to the public in the EU: plus ça change, plus c'est la même chose!, European Intellectual Property Review 2025, Volume 47, Issue 1, p. 50-55 (EN)